320. Rode haren, witte lijven

Als de hemel blauw is, puur blauw en de zon is rood en staat hoog, zoals de afgelopen weken, dan is het voor de Ginger geen kermis. We hebben het aan den lijve ondervonden. We krijgen een zoon die roodoranje haar heeft, met een spierwit lichtgevend lijfje. We kunnen het verwachten, maar houden er geen rekening mee. Het zit bij ons toch wel in de genen. Mijn opa Bertus, van moeders kant, was roodgekleurd en later spierwit. Hij verbrandde al als ’s avonds de schakelaar van de lamp werd omgedraaid. Mijn moeder hing van sproeten aan elkaar. Dan is de kans dat jezelf ook zo’n kind krijgt uiteindelijke ook aanwezig. Toch kwam hij als verrassing met bovenstaande kenmerken.

Als de zon een beetje gaat schijnen is het oppassen en dagen tellen geblazen. Verbranding van de huid is erg, maar bij roodoranje harige is dat nog veel gemener en vindt het veel eerder plaats. Ze hebben een witte huid, zonder het licht aan te doen in een donkere ruimte kunnen ze zich niet in hun blote bast verstoppen. Ze geven namelijk licht, lijken fluorescerend. Stiekempjes een plasje doen in het donkere bos is uitgesloten, je ziet de bleekscheet zitten of staan.

Van iedereen krijgen we het steeds opnieuw mee, ‘altijd een shirt aan met lange mouwen en een petje op het hoofd.’ Ook het advies van onze toenmalige huisarts laat niets te wensen over. ‘Alleen in de schaduw en altijd lange mouwen en een lange broek.’ Het is insmeren van de ledematen die er onderuit steken en dan niet met factor 10, 20 of 30 maar factor 80. De huisarts zei erover: ‘Er is eigenlijk geen beschermingsfactor die dit probleem kan oplossen.’ Bruin worden zit er voor een roodharige niet in. Wel meer sproeten krijgen. Gelukkig is het bij ons nooit zover gekomen, dat hij echt is verbrand. We hielden er rekening mee en hebben altijd opgelet. Een enkele keer had hij een kleurtje. Een voetbaltoernooi leverde rode benen op.

Aan het strand, plas of meer raak je jouw eigen kind nooit zoek. Je herkent hen uit duizenden, hij/zij heeft nog kleren aan, waar andere kinderen puur natuurlijk in een zwembroek of bikini ronddwalen.

Ooit kwamen we van een vakantie terug met een vliegtuig toen een echtpaar met hun roodharig zoontje naast ons kwam zitten. Het ventje van een jaar of vier had blaren en zelfs blazen op z’n gezicht, zijn armen en benen. Het gezicht was net zo rood als de kleur van zijn haar. Was een diep-tweedegraads verbranding. Zielig en strafbaar vind ik, als je jouw kind zo ‘mee laat genieten’ van jouw vakantie. Het mannetje schreeuwde het uit de gehele reis lang. We kwamen uit Canada en zaten er negen uur naast.

Wat roodharige ook hebben is dat ze als eerste herkend worden als er iets is misgegaan of wanneer men kattenkwaad uithaalt. Nu zei ik altijd: “dat doet de onze niet.” Hij was voorbeeldig en haalde nooit iets geks uit. Dat dachten we stellig. Maar dat was niet altijd het geval, hij had ook zijn streken, gelukkig. Dan is het niet gek als men aan de deur komt en zegt: “Die rooie van jullie heeft……..”. We geloofden het niet, totdat hij thuiskwam, dan kwam de aap uit de mouw en bekende hij zijn daden.

Het mooie van roodharige vind ik ook dat ze een zomer- en een winterkleur hebben. In de winter donkerder dan in de zomer. Een buurvrouw uit de straat wilde ooit haar haar laten kleuren en vond de kleur van onze zoon zo mooi. Toen hij bij de kapper was geweest deed hij plukjes in een enveloppe en duwde dat bij haar door de bus. De kleuring van de buurvrouw vond echter plaats in een ander seizoen. Ze was teleurgesteld dat ze wederom niet die mooie kleur had, die onze zoon op dat moment had.

Roodharige hebben ook een eigen dag. Uit ruim 80 landen komen Redheads naar de binnenstad van Breda. Er worden veel activiteiten georganiseerd: lezingen, exposities, modeshows en speeddates. Er is muziek. Het is gratis en er zijn tal van activiteiten voor kinderen.

Terugkomend op de verbranding. Wanneer het was gebeurd dat hij een tikkeltje rood was opgedroogd dan deed de komkommer weldaad. Een Oma-Weet-Raad-Advies, maar wel een die voor verkoeling zorgde en daar ging het om. Kleine schijfjes op het been, de schouders of de rug verzachten het leed. Het nam de verbranding niet weg.

Inmiddels 32 jaar oud houdt hij niet van de zon, dat zit misschien ook in de genen van een roodharige, tenminste wel bij die van ons. Nog altijd krijgt hij van ons de waarschuwing mee als hij naar een festival gaat of op vakantie: “Heb je een pet bij en neem je zonnebrand mee.”

Inmiddels is zijn haarkleur zijn handelsmerk geworden. Hij wordt er op aangesproken en doet er zijn grappen over. Mooier kan je het toch niet hebben dat je van je haarkleur je inkomsten kan maken. Dat hebben we toch maar mooi voor elkaar gekregen.

312. Had ik maar meer lef gehad

Het is nog vroeg als ik vanaf mijn balkon zie dat het spelletje zakdoekje leggen is begonnen. Het zakdoekje zijn de handdoeken die de ligstoelen bij het hotel reserveren voor de eigenaar van de ‘zakdoek’. Ik vind het triest en heb steeds gedacht dat er ergens een stilzwijgende overeenkomst is dat dit niet meer mag. Hier is die overeenkomst niet van kracht, want men doet het toch. Ik dacht ook dat alleen Duitsers dit deden, maar het zijn hier vooral de Nederlanders die het kinderachtige spelletje in ere willen houden.

Na het ontbijt halen we onze handdoeken op en lopen richting zwembad. Er is nog plek. We leggen onze handdoek neer en smeren ons in. De slippers gaan uit, het shirt ook en dan is het languit. De zon staat hoog aan de blauwe lucht. Een enkele witte kokmeeuw laat zich meeglijden in het dunne windje dat vanuit zee over het water blaast. De zwaluwen die hun nest onder de balkons hebben schieten als kleine raketjes over het water.

Naast ons komt een ouder echtpaar liggen. Nederlanders. We groeten elkaar. Ik hoor aan hun tongval, die komen uit het noorden des lands. Wanneer hij zijn shirt heeft uitgetrokken valt hij in een kas met tomaten niet op. Je zou hem bijna plukken omdat hij overrijp is. Mevrouw draait zich op haar buik en vraagt haar man om haar in te smeren. Dat heeft hij vaker gedaan. Met vingers en handen streelt hij haar rug en benen, alsof hij een erotische massage aan het doen is. Mevrouw geniet en legt haar gezicht rustig opzij kijkend in haar handdoek.

Niet lang daarna komen de varkens, d.w.z. mevrouw ligt te ronken en knorren alsof de varkenskot is wakker geworden. Meneer pakt een boek en slaat geen acht meer op zijn lief. Na een goed half uur wordt mevrouw wakker. Ze stappen samen op en laten hun handdoek op het bed liggen. Even later wandelen ze achter ons langs richting strand.

Wanneer een jong stel aan ons vraagt of ‘onze buren’ nog terugkomen kan ik hen geen antwoord geven. Het jonge stel loopt verder en zoekt een plekje elders. De tijd tikt door en na zo’n tweeënhalf uur komen de buren terug. Het bed is altijd bezet gehouden door….. twee handdoeken. Ik vind het a-sociaal.

Onze buren liggen nog geen kwartier als zij hun spullen bij elkaar zoeken en vertrekken. Voor Jan met de korte achternaam hebben ze dus al die tijd twee ligbedden bezet gehouden, waar anderen graag hadden willen liggen.

Gelukkig komen er na enige minuten al weer twee potentiële nieuwe kandidaten. Twee corpulente dames. Een wandelend met de stok, de ander achter een rollator. Zegt dit iets over het hotel dat wij hebben geboekt. Nee, het is geen zorghotel en ik heb nog geen andere wandelstokken gezien. De dikke dames komen uit Amsterdam, zijn zussen en hebben voor drie weken geboekt.

Beide dames trekken hun ‘jurkje’ uit. Er komen badpakken te voorschijn waarvan ik de maat niet durf uit te spreken. Wanneer een van de dames op het bed wil gaan liggen, kraakt het iet wat. Dat zijn geen kreuntjes van plezier. Ik kijk nu ineens tegen twee walrussen aan. Buiken die verder hangen dan waar de T-splitsing begint. Overhangend tot verder dan men zou wensen. “Ken je me effe insmeren, Greet”, zegt de een tegen de ander. “Mot je je wel omdraaien, lukt dat”, antwoordt de ander. Dan komt er een spuitbus tevoorschijn. Door het zachte briesje verneveld de zonnebrand alle kanten op. “Meid, Stien, je ben op je rug al helemaal verbrand”, hoor ik Greet zeggen. “Maak nie uit joh, smeer maar.”

De dames draaien zich op hun rug en zoeken de zon op.

Wanneer ik voel dat het met mijn buik en rug ook de verkeerde kant op gaat zoek ik naar een parasol. Die zijn er te weinig, of eigenlijk, ze staan er wel maar zijn geclaimd door niet bezette ligbedden. Dan zie ik plots dat er iemand opstaat, zijn handdoek en tas pakt en vertrekt. “Ik haal even die parasol”, zeg ik tegen mijn lief. Maar voordat ik het weet hebben Greet en Stien hun spullen bij elkaar gepakt en liggen ze bij de parasol. Ik wil niet kinderachtig doen en zeggen dat ik eerder was, maar vind het wel vervelend.

Greet en Stien hebben er een twintig minuten gelegen, dan gaan ze eten. Ook die parasol staat er dus voor niks. Maar braaf als ik ben opgevoed durf ik de parasol niet uit de standaard te trekken. Na anderhalf uur komen de dikkerds terug. Ze pakken hun spullen en gaan aan de andere kant van het zwembad liggen. Ik word pisnijdig, maar wat heb je er aan als je met vakantie bent.

Niet lang erna ligt er een nieuw stel onder de parasol. Ik voel intussen dat ik ben veranderd in een tomaat of paprika. Ja, had ik maar meer lef gehad.