385. Ik heb daar geen boodschap aan, zegt ze

Toch wel een bijzondere dag. Rijden in de witte MUS, druk, druk, druk, bijzondere mensen. Een enerverende dag met veel ritten en passen en meten. Maar iedereen is er gekomen en iedereen is ook weer opgehaald. Een heerlijke dag.

De zwarte MUSSEN moeten worden opgepimpt. Nieuwe stoelen, lekkages verhelpen, kijken naar de actieradius en het oplossen van de startproblemen. Er wordt een hoop geld voor betaald, dan mag je ook kwaliteit terug verwachten. Gebleken is dat je van een tweede hands karretje nooit een nieuwe kan maken. Één van de MUSSEN is meegenomen en daarvoor is een wit karretje teruggeleverd ter vervanging. Gekscherend de ‘bruids’MUS genoemd.

Op maandag krijg ik mijn werklijst doorgestuurd. Slechts drie ritjes staan er op. Waarvan één een combinatierit. Deze wordt altijd in het geel aangegeven. Ik kijk er even naar en kom al snel tot de conclusie dat me dat niet gaat lukken. Er is een onhaalbare vertrektijd op de lijst terecht gekomen. Een klant ophalen aan de ene kant van het dorp en vijf minuten later een volgende aan de andere kant van het dorp dat gaat het niet worden. Later op de dag komt er een ritje bij voorafgaand aan de combinatierit.

Zo’n twintig minuten voor de eerste rit begeef ik me naar Akkerleven. Ik pak de sleutel en de telefoon uit het sleutelkastje en wandel richting de MUSSEN. Bij de witte MUS staat het raampje aan bijrijderskant nog open. Kennelijk vergeten dicht te doen, door mijn voorganger. Ik gooi alle sloten los van het karretje, wetende dat ik een vrouw op moet halen met kind. Ik rijd naar de familie toe. De meubels staan voor het grof vuil aan de straat. De gordijnen zijn potdicht. Er komt een jonge vrouw naar buiten met in haar handen een autostoeltje. Er ligt een kleine dreumes in die mij aankijkt met zijn donkerbruine kijkers. Hij begint direct te lachen. Zijn broertje loopt achter zijn moeder aan. Mevrouw komt uit Somalië. Ze moet met de jongste naar het ziekenhuis. Als ze tegen mij praat glanzen haar parelwitte tanden. Ze doet het in het Nederlands, al moet ik goed opletten. Onderweg praat ze aan een stuk door. Haar man is niet hier. Hij is in Italië. Ze woont sinds kort met haar drie zoontjes op het dorp. “Mooi dorp”, zegt ze, “lieve mensen.” Ik breng de familie naar het ziekenhuis en geef haar een telefoonnummer mee voor de terugrit. Omkeren en terug naar Schipluiden.

Twintig minuten later opnieuw op pad voor de combinatierit. Ik ga iets eerder. Dat wordt niet in dank afgenomen. “Je bent te vroeg”, zeg mevrouw, “ik moet nog naar het toilet en afscheid nemen van mijn hondjes.” Ik neem het voor lief. Dan komt mevrouw naar buiten en heeft een rollator en een rolstoel bij zich. “Moeten ze beiden mee”, vraag ik haar. “Nee alleen mijn rolstoel.” Ik heb geen rek achterop dus de rolstoel moet achterin. Het probleem is dat mijn mede-passagier van de combinatierit dan niet mee kan. “Ik heb daar geen boodschap aan”, zegt mevrouw als ik aangeef dat het lastig gaat worden. “Ik moet wel op tijd in het ziekenhuis zijn”, geeft ze aan. “Maar dat moet meneer die ik op moet halen ook”, probeer ik nog. Mevrouw heeft een standaardzin: ‘Daar heb ik geen boodschap aan.’ Ik schakel de coördinator in. Één van de MUSchauffeurs leest mee en biedt spontaan aan om met zijn eigen auto de andere klant op te halen en weg te brengen. Top.

Ik breng mevrouw naar het ziekenhuis en bij aankomst vraagt ze me haar naar binnen te rijden. Ik zet haar bij de receptie af en rijdt terug naar de basis. Even een kopje koffie. De onderhoudsmonteur van het karretje komt een van de MUSSEN omruilen. Ik zorg dat ik er bij ben. Dan gaat de telefoon. De mevrouw uit Somalië kan worden opgehaald. Ik laat de koffie voor wat het is en ga op stap naar Delft. Mevrouw staat al buiten te wachten. Ik ben met de zwarte MUS, ze heeft me even niet in de gaten. Ik stap op haar af en pak het autostoeltje op. “Ah, nu ik zie”, zegt ze, “MUSchauffeur.” Opnieuw een heel gesprek over o.a. hoeveel vrouwen een man in hun cultuur mag hebben. Over het onderzoek dat haar zoontje heeft ondergaan. Ik zet ze thuis af en breng het autozitje tot aan de deur, dan neemt zij haar jongste over. Zwaaiend nemen we afscheid.

Om even voor twaalf uur komt de monteur aan rijden. Even een kletspraatje en dan snel eten want daar is straks geen gelegenheid meer voor. Dan belt mevrouw uit het ziekenhuis. “Wil je me komen halen? Ik sta in de hal.” Oké en eten dan? Ik ga naar het ziekenhuis en haal mevrouw op in de hal. Dan kom ik een klant tegen die net een chemo achter de rug heeft. Ik probeer belangstellend een praatje met hem te doen als er op het raam van de MUS wordt getikt. Mevrouw ‘gebiedt’ me om weg te rijden, ze moet zichzelf spuiten en dat moet nauw gezet. Een race tegen de klok want om kwart voor een staat de volgende rit op het programma. Ik zet mevrouw af en rijd door naar huis. Staand aan het aanrecht schuif ik mijn boterhammen naar binnen, maar vergeet daardoor de klant van kwart voor een. De telefoon gaat. De coördinator belt. “Ben je de mevrouw van 12:45 uur vergeten?” Oeps snel mijn boterham mee en naar Den Hoorn. Ik rijd te hard, ik weet het, maar heb een klant die wacht. Een tegemoetkomende bewoner van de Tramkade tikt op het voorhoofd. Ja, ik weet het.

In Den Hoorn kan ik de straat en het nummer van de klant niet snel genoeg vinden en rijd verkeerd. Na wat zoeken tref ik mijn nog jonge medepassagier. Ze moet naar Schipluiden. Ze vertelt haar levensgeschiedenis terwijl ik haar nooit eerder heb ontmoet. Een triest gebeuren. Ik houd me aan de snelheid en zet haar af bij het Gemeentehuis. Daar kom ik ook de bewoner van de Tramkade tegen. Ze heeft een klacht ingediend bij de Gemeente over het rijgedrag van de MUSchauffeurs. Ik bied haar mijn excuses aan en nogmaals en nogmaals. Mevrouw vindt dat we goed werk doen maar “let alstublieft op uw snelheid”, geeft ze nogmaals mee. Ik beloof het. Ze steekt haar duim op als ze wegrijdt. Op naar het volgend adres. Iemand moet vanuit Schipluiden naar de winkels in Den Hoorn. Ik heb haar net opgehaald als mijn telefoon weer gaat. Degene die door mijn collega is weggebracht naar het ziekenhuis kan worden opgehaald. Oei, hoe nu? “Geef me twintig minuten”, zeg ik. Ik rijd rustig met mevrouw naar Den Hoorn en zet haar af. Onderweg rijd ik de bewoner met de klacht weer achterop. Langzaam passeer ik haar. Ze steekt haar duim op. Na mevrouw in Den Hoorn te hebben afgezet spreek ik af dat ik zo terug ben met de klant uit het ziekenhuis.

Meneer staat met zijn dochter al te wachten in de hal van het ziekenhuis. “Heeft u tijd?, vraag ik de man. “Alle tijd van de wereld”, zegt hij, “er wacht niemand op mij.” “We halen iemand op in Den Hoorn.” “Oh, leuk”, zegt de man. We rijden richting Dijkshoornseweg en treffen mevrouw. Ze is nog niet klaar. “Wil je koffie?, zegt de winkelier, “het duurt nog even.” Dat ga ik niet doen staat niet netjes naar mijn passagier die in de MUS zit te wachten. Eenmaal klaar direct terug naar Schipluiden, waar mijn volgende klant wacht. Een ritje Albert Heijn en appelvrouwtje. Ik help de man bij de Appie aan een karretje waardoor zijn rollator thuis kan blijven. Als ik buiten wacht gaat mijn telefoon. Mevrouw bij het gemeentehuis is klaar en kan worden opgehaald. Ik ben net aan op weg om meneer weer thuis te brengen als mijn telefoon opnieuw gaat. Er staat een echtpaar bij het ziekenhuis dat graag naar huis wil. Ik rijd naar het gemeentehuis en haal mevrouw op. Ik bespreek even met de naast mij zittende passagier om nog iemand op te halen. “Heeft u er dan bezwaar tegen om achterin te gaan zitten.” Dat is geen probleem.

Bij het ziekenhuis staat het echtpaar al te wachten. Meneer zit in een rolstoel van het ziekenhuis. Het is even tobben maar dan is ook hij binnen en kunnen we op pad. Meneer bromt heeft een bloedtransfusie gehad en dat is hem zwaar gevallen. Ik zet het echtpaar als eerste thuis af en rijd door om de andere vrouw af te zetten. Even is het stil. Een half uurtje. Terug naar de basis, Akkerleven, om van karretje te wisselen. Even een kopje cappuccino. Ook daar zijn mensen die bedient willen worden. Een man schuift aan het tafeltje waar ik zit. “Kan u even koffie voor mij halen”. Natuurlijk pak ik ook dat op. Even later ook nog een vrouw die plaatsneemt naast me. “Ik ken u”, zegt ze. Ze komt mij niet bekend voor en ik ken toch heel wat mensen. Ook zij vraagt om een kopje koffie. Natuurlijk.

Om half vijf mijn laatste rit. Van stichting Au Boulot in de richting Vlaardingen, net binnen de grens waar we rijden. Altijd een feestelijk afsluiter van de dag. De jongen zit in de dagopvang en kijkt uit naar de MUS rit. En ik ook. Hij rijdt mee, letterlijk en figuurlijk. Klets de oren van je hoofd. Heerlijk. Thuis staat zijn moeder al te wachten. Nog even een praatje en dan de spits in, terug naar Akkerleven. Een ongelukkige tijd om met dit karretje terug te rijden. Men gunt je vaak geen ruimte, waar ik bijna alle inhammen stil sta om auto’s voor te laten gaan. Degene die me achterop rijden, maar ook die je tegemoetkomen. Soms gaat het vingertje omhoog, maar regelmatig is het de arrogantie die het wint.

Om kwart over vijf zet ik de MUS weer aan de spanning. Ik ben terug op de basis. Een drukke dag is ten einde. Volgende week is er weer een volgende dag.

353. Veel regen en mooie momenten

De regen valt met bakken tegelijk uit de hemel. De weergoden zijn ons niet goed gezind. Ik heb MUS-dienst. De eerste rit staat vroeg gepland. Om 09:00uur moet ik mijn eerste klant ophalen. Mijn buitentemperatuurmeter (mooi scrabble woord) geeft aan dat het 3,8° Celsius is. Ik twijfel of ik mijn handschoenen aan zal doen. De MUS heeft geen verwarming dus misschien is het wel handig. Ik haal om halfnegen mijn fiets uit de schuur. Ik heb al snel een natte haardos. Snel, snel fietsen naar Akkerleven. Daar aangekomen gaat de deur niet open. Begint er niemand zo vroeg, en wat is vroeg, het is 08:35uur. Wanneer ik op de bel heb gedrukt gaat zonder woorden de deur open. Ik wil snel doorlopen en loop met mijn snufferd tegen de volgende deur aan. Dan zie ik de mededeling dat deze deur pas open gaat als de eerder gepasseerde deur is gesloten. Het zomerse weer is ook hier voorbij of heeft het met de wintertijd te maken? Ik haal de sleutel, de telefoon en de kenteken papieren van de MUS op en wandel naar het onder stroom staande voertuig. Als ik de deur open ligt er een plasje water voorin. Via de zijkant aansluitingen zie ik een straaltje water naar binnen lopen. Ik trek de stekker uit de wandcontactdoos. Mijn dag kan beginnen.

Omdat ik inmiddels de ervaring heb dat de snelheid invloed heeft op de duur van de accu, rijd ik als een slak het terrein af. Ik ga niet harder rijden dan 30 km vandaag en hoop daardoor de dag uit te kunnen zingen. Door het slechte weer gaat het licht aan en de ruitenwissers constant op heen en weer gaan, ook dat heeft invloed. Er staat wel het e.e.a. gepland voor vandaag. Terwijl ik rijd beslaan mijn ramen. Ik kan zo niet vegen dat het raam schoon blijft. Gelukkig is er weinig verkeer op het fietspad.

De eerste klant haal ik op in Den Hoorn. Betrokken klant moet worden afgezet bij het Reinier de Graafziekenhuis. Na een vakantie heeft mijn passagier wat ribbreuken over gehouden aan een quadrit. Hij gaat voor controle terug naar het ziekenhuis. In Den Hoorn moet ik tot tweemaal toe tussen wat paaltjes door. Dat is centimeterwerk. Men verbaast zich erover dat we er zonder kleerscheuren tussendoor kunnen. Bij het ziekenhuis geef ik betrokkene een kaartje mee met het rechtstreekse nummer van de MUS. De receptie is zo vriendelijk om mij direct te bellen als betrokkene klaar is zodat ik snel de klant weer op kan halen.

Ik heb nu een half uurtje pauze en rijd naar huis.

Mijn volgende klant haal ik op in Schipluiden. Een vrouw van de Zonnebloem die haar cheque op gaat halen van de stemmenactie die de RaboBank heeft georganiseerd. Ik ben wat aan de vroege kant, mede gezien het feit dat ik tegelijk een andere klant op moet halen. Het is een zgn. combinatierit. Wanneer ik heb gebeld duurt het even voor mevrouw naar buiten komt. De regen valt en valt. Een goed gebruik is om mensen te helpen met in en uitstappen. Omdat ik denk dat het snel zal gaan wacht ik buiten in de regen. Wanneer mevrouw is ingestapt geeft ze te kennen dat ze zich wat opgelaten voelt in mijn karretje. “Is dit wel voor mij bedoelt?”, vraagt ze zich hardop af. Er staat nergens dat je niet mee zou mogen en er is plek. Dan door naar mijn volgend adres. Het is even zoeken waar mevrouw ook al weer precies woont. Wanneer ik het heb gevonden bel ik aan. De rollator staat al pontificaal te wachten onder het afdak. De schoenen van meneer liggen ondersteboven op de buitenmat. Na de bel, roept mevrouw dat ze er aan komt. Ook zij gaat naar het ziekenhuis. Ze gaat alleen. “Ik mag niet mee”, zegt meneer. “Nee”, zegt mevrouw, “hij houdt niet van wachten en het kan vandaag wel even duren.” Wanneer mevrouw is ingestapt gaat de rollator ook achterin. Dan gaan we op weg. Eerst het ziekenhuis, dan de RaboBank. Bij het Reinier moet ik op een kaartje schrijven wat mijn rechtstreeks nummer is. Mevrouw heeft voor mij een potloodje, omdat de balpoints liggen verstopt. Wat ik wel vind is de anticondens spuitbus. Dat scheelt een slok op een borrel. Wanneer mevrouw klaar is belt ze me. Nu naar de Rabo om de andere vrouw af te zetten. Ik spreek met haar af om rond de klok van 11 weer terug te zijn.

Bij mijn schoonmoeder in Den Hoorn vind ik deze keer de koffiepauze. Hierdoor hoef ik niet helemaal naar Schipluiden en ben ik snel bij het ziekenhuis als er wordt gebeld.

Wanneer ik een half uurtje aan de koffie zit gaat de telefoon. Mijn eerste klant kan worden opgehaald. Ik ga opnieuw op pad. Bij het ziekenhuis staat er een file voor de parkeergarage. Ik ben blij dat ik daar geen gebruik van hoef te maken en te mogen staan op de afhaalplek. Mijn MUS-meerijder komt al aan wandelen. Ik breng hem weer naar huis. Hij heeft geen leuke boodschap gehad, als chauffeur van de MUS ben je de eerste uitlaadklep. Als ik de man heb thuisgebracht kan ik direct door naar de Rabo. Mevrouw komt met een mooie cheque naar buiten. Ik breng haar blij naar huis terug.

Ik ga wederom terug naar schoonmama. Mijn volgende rit start in Den Hoorn. Op tijd ga ik een vrouw ophalen. Zij heeft na 46 jaar huwelijk haar man moeten achterlaten in een verzorgingshuis. Na lange tijd zelf de verzorging te hebben gedaan is er geen terugweg meer. Als ze instapt ruik ik een lekker geurtje uit een van haar tassen. “Ik heb drie appeltaarten gebakken”, zegt ze. “Ik ga die oudjes lekker verwennen.” We hebben een indrukwekkend gesprek. Ze woont alleen en is blij met een luisterend oor, zegt ze. De rit gaat sneller dan mij lief is. Ik wil haar nog zoveel aanbieden, maar we zijn gearriveerd. “Tot 16:00uur”, zegt ze als ze het verzorgingshuis binnenwandelt. De appeltaarten gaan mee.

Omdat de accu toch harder leegloopt dan gedacht besluit ik om de MUS aan de prik te hangen. Ik heb zo’n anderhalf uur, dan kan het voertuig wat opladen. In de stromende regen fiets ik huiswaarts.

In afwachting van het telefoontje uit het ziekenhuis wacht ik het nu verder thuis af. Even een broodje eten en dan de middagsessie. Het telefoontje uit het ziekenhuis blijft uit. Waarom? Duurt het dan zo lang? Ik waag er een telefoontje aan en bel het telefoonnummer van mevrouw. Ze neemt zelf de telefoon op. Hoe kan dat? En waarom niet even gebeld dat ik niet hoeft te wachten? Ik vergeet er naar de vragen.

Om 14:00uur haal ik mijn vaste klant op. Altijd op dinsdag om 14:00uur staat de afspraak om meneer op te halen en bij Albert Heijn af te zetten. Daarna naar het appelvrouwtje voor het oude gemeentehuis. Wanneer ik in Akkerleven aan kom, zie ik geen klant, waar hij doorgaans al op zijn rollator zit te wachten. Ik wacht het even af. Als het echter een kwartier wordt vraag ik aan de receptie om hem te bellen. Hij blijkt een ‘slaapie’ te hebben gedaan en wordt wakker geschud door een verpleegkundige. Hij komt naar beneden. Dan komt direct de humor van de man weer naar boven en maakt hij zich er met een grap vanaf. We gaan op weg naar supermarkt die op de kleintjes let. Wanneer er een jongeman op een scooter van links komt denk ik mijn voorrang te krijgen. Dat is echter niet het geval. De jongeman rijdt met zijn voorband zachtjes tegen mijn deur. Hij steekt zijn middelvinger op. Ik weet dat het regent, maar daardoor veranderen de verkeersregels nog niet. De oude man naast me maakt er wederom een grap over. Bij Albert Heijn haal ik een winkelwagentje, zijn rollator, dan ga ik in het halletje achter de ingang staan. Mijn jas is nat, mijn handen en mijn voeten koud en hier brandt de kachel. Aan de overkant het appelvrouwtje. “Ga jij effe”, zegt meneer, “hier is mijn portemonnee. Ik wil 15 appels. Het meissie weet wel welke.” Ik doe wat me wordt opgedragen. Dan kunnen we terug naar huis. Nog een ritje, mevrouw ophalen uit het verzorgingshuis en haar dan weer naar huis brengen.

Om 10 voor vier ben ik al bij Akkerleven. Ik kijk op het gemak het aangeboden fotoboek door dat op de tafel ligt. Herkenbare plekken die men heeft vastgelegd en zo veel doet met mensen die niet meer echt in de maatschappij staan en zich soms het verleden nog wel herinneren en het heden niet.

Om 16:00uur exact komt mevrouw naar beneden. Ik help haar met instappen. Het tasje met de appeltaarten is er niet meer bij. Ik ga in gesprek met mevrouw, dan vertelt ze dat ze vandaag jarig is. Daarom wilde ze de mensen trakteren. Ze heeft geholpen met eten geven, ze heeft met bewoners gesjoeld, gesprekken gevoerd. Een mooi gesprek dat ik met haar kan voeren. Bij thuiskomst geeft ze aan dat haar zonen haar op komen halen. Ze hoeft niet te koken vanavond en wordt mee uit eten genomen.

Mijn dag zit erop als ik naar huis rijd. De regenachtige dag hebben me weer mooie contacten opgeleverd. Een luisterend oor heb ik geboden. De kou is uit mijn handen, mijn lichaam gloeit. Wat mooi dat ik me vandaag weer verdienstelijk heb mogen maken.

315. Wat een geweldige verbinding de A4 met de Reinier de Graafweg, of……..?

De verbindingsweg tussen de A4 en de Zuidhoornseweg is klaar. De brug Overgaag is klaar. De aansluiting op de Zuidhoornseweg is klaar en nu?

Het verkeer moet meer en meer geweerd worden uit de kern Den Hoorn. De doorgaande weg tussen de A4 en de aansluiting op de Hoornseweg moet rustiger worden en dus hebben hoge heren en/of dames besloten om een aansluiting te maken op de Reinier de Graafweg.

De brug heeft men intussen aangepakt, er is een gescheiden fietspad gekomen met een meer dan fantastische afrit. Wat een stompzinnige ding hebben ze ervan gemaakt. Natuurlijk het kan niet anders. Er is geen plek voor, maar dat wist men toch? Nu komen fietsers en brommers met een vaartje van de brug afrijden om de Zuidhoornseweg op te schieten. Dat gaat snel, dat heb ik ervaren toen ik met de fiets komend uit de richting Delft naar Schipluiden wilde rijden. De haaientanden staan er niet voor niks, maar door de vaart die je naar beneden maakt is het even lastig om tot stilstand te komen. Dan de fietsers en bromfietsers die richting Schipluiden moeten. De bocht die men moet maken is nauwelijks te maken, zonder op de verkeerde weghelft terecht te komen. Om naar nog maar te zwijgen van de bromfiets die van uit tegenovergestelde richting vanachter een houten schot, dat om het aanliggende huis is geplaatst, ineens tevoorschijn komt. Hier komen gegarandeerd ongelukken van.

Van de week moest ik met de MUS rijden en iemand naar het ziekenhuis brengen. Het brengen gaat redelijk al is de oversteek maken vanachter de Reinier de Graafschool (Delftse kant), de Reinier de Graafweg op ook nog een dingetje. Auto’s komen razendsnel naar beneden. Ondanks de haaientanden stopt men niet of nauwelijks. Je rijdt daar op een drielandenpunt en komt er bijna ogen tekort. Ik houd mijn hart vast als straks de weg definitief open wordt gesteld en leerlingen van die school willen die oversteek maken.

De terugweg was nog erger. Komend vanaf de ophaalplek van het ziekenhuis en dan rechtsaf de Reinier de Graafweg op, dat is niet te doen. Auto’s rijden met een behoorlijke gang voorbij. Kan je rechts oversteken dan kan het vanaf links niet en omgekeerd. Ik betwijfel of er goed is nagedacht over de infrastructuur ter plekke. Ik zou met verkeerslichten gaan werken om geen ongelukken te krijgen. Nou weet ik, het ziekenhuis staat vlakbij, maar toch.

Het is te hopen dat men verkeersheuvels of rotondes gaat aanleggen op de Reinier om zo de snelheid af te remmen. Gaat dit straks ook ten koste van de fietser die ogen in zijn achterhoofd moet hebben om niet aangereden te worden.

Ik ben reuze benieuwd naar de definitieve invulling van het hele plan, tot nu toe ben ik minder positief.

292. Van leed naar lief

Het zit Hans niet mee. Na een echtscheiding is hij ook zijn baan nog kwijtgeraakt. Hans is 56 jaar oud en komt niet meer aan de slag. Zijn zoon heeft hem met ruzie de rug toegekeerd. Zijn dochter woont in Zuid-Afrika en dat is niet naast de deur. Geen fijn leven dus. Zijn moeder is de enige houvast in zijn leven.

Het stormt gigantisch. De regen striemt in zijn gezicht. Zijn fiets kraakt bij elke trap die hij doet. Zijn kuiten verzuren. ‘Wat een kutweer’, gaat er door zijn gedachte. Het helpt niet, hij moet erdoorheen. Hij heeft een telefoontje gekregen van de buurvrouw van zijn oude moeder. Zijn ‘mama’, zoals hij haar altijd noemt, is zojuist door een ambulance meegenomen naar het ziekenhuis. “Wat heeft ze?”, had Hans gevraagd, maar dat wist ze niet. “Het licht bleef vanavond aan en dat is niks voor jouw moeder”, zei ze. “Ik ben even gaan kijken en vond haar liggend in de keuken. Ze had een hoofdwond. Toen heb ik eerst 112 gebeld en toen jou.”

Stoempen, afzien en doortrappen. Het is Hans nooit gelukt om zijn rijbewijs te halen. Na negen keer op en ruim 5300 gulden lichter vond hij het genoeg. Nu is het een probleem. Nu om halftwaalf rijdt er geen bus meer vanuit zijn dorp. Het is zo-ie-zo al een probleem om met het openbaar vervoer te gaan. In de spits rijdt de bus elk uur en daarbuiten om de twee uur. Om 23:00uur is het over dan rijdt er niets meer.

Na dik een half uur komt Hans rond middernacht aan bij het ziekenhuis. De voordeur is gesloten. ‘Ingang via de spoedeisende hulp’, staat er op het lichtgevend bordje naast de draaideur die hermetisch is afgesloten. Hans ziet een zuster lopen en tikt met zijn ring op het raam. De zuster heft haar handen op, ‘ik kan niet openen’, ziet hij haar mond zeggen. Met een draaiende beweging met haar handen geeft ze aan dat Hans om het gebouw moet lopen.

Op een draf haast hij zich naar de SEH. Daar treft hij de portier. “Mijn moeder is hier opgenomen”, zegt hij gehaast. “En hoe heet uw moeder?” vraagt de man achter de desk. Hans noemt de naam van zijn moeder. De deskmedewerker zoekt in het systeem. “Het spijt me”, zegt hij, “mevrouw is zojuist verhuisd naar een meer gespecialiseerd ziekenhuis elders. “Waar”, vraagt Hans en zijn ogen schieten zowat uit de kas als de portier de plaats heeft gezegd waar zijn moeder naar toe is gebracht. “Maar er zijn meerdere ziekenhuizen die onder die naam werken, dus welk ziekenhuis precies dat weet ik niet”, voegt hij eraan toe. “Godverdomme, hoe in Gods naam kom ik daar, ik ben op de fiets.” De medewerker haalt zijn schouders op. “‘K zou niet weten”, zegt hij, “een taxi misschien.” “Weet u wat het is, er is vermoedelijk gekozen voor het beste ziekenhuis”.

Hans is des duivels. “Kunt u echt niet nagaan in welk ziekenhuis?”, vraagt hij. De portier kan er niets over zeggen. Morgen, ja morgen weet zijn collega het wel. Voor Hans is het duidelijk dit gaat hem vanavond niet worden. Hij druipt af, nu dan wel voor de wind. Balend als een stekker fietst hij naar huis. Hij huilt, nog meer tegenslag. Die nacht kan hij niet meer in slaap komen, hij ligt maar te draaien en kan de slaap niet vatten.

De volgende ochtend belt hij naar het ziekenhuis waar zijn moeder die avond als eerste naar toe is gebracht. Daar krijgt hij van de medewerkster te horen waar zijn moeder is heengebracht. Je zou verwachten dat betreffend ziekenhuis al lang met Hans contact had opgenomen. Maar niets is minder waar.

Hans fietst naar het treinstation en stapt met zijn OV-kaart in de trein. In de plaats van het ziekenhuis zoekt hij op zijn mobiel naar de bus die hem naar het ziekenhuis kan brengen.

Aangekomen in het ziekenhuis krijgt hij te horen dat zijn moeder op Intensive Care ligt. Het gaat niet goed met haar. Hij mag er wel even bij. Zijn moeder is niet aanspreekbaar. Aan de zuster vraagt hij of hij even met een dokter kan praten. De zuster gaat het voor hem proberen. Als hij de zuster uitlegt hoe hij zich ontzettend ergert aan het feit hoe het gegaan is, neemt ze even tijd voor hem. Ze haalt een kopje koffie voor hem en gaat naast Hans zitten. Hij gooit bij haar alles eruit wat hem dwars zit. Opnieuw schiet hij in een huilbui. De zuster haalt wat tissues voor hem.

Even later komt de dokter aanwandelen. Hij neemt Hans mee naar een apart kamertje. “Ik moet u een trieste mededeling doen”, zegt de neurochirurg. “Uw moeder heeft gisteren een herseninfarct gehad en wat we hebben vastgesteld is dat ze enige tijd heeft gelegen voordat ze is gevonden.” “Het komt niet meer goed met haar”, zegt hij. Hans is niet meer te stoppen. Tissues te kort. Zijn allessie, het enige waar hij zich aan vastklampt. Nu heeft zijn leven helemaal geen betekenis meer.

Twee dagen later overlijdt de moeder van Hans. Hij staat er alleen voor om alles te regelen. Zijn dochter met haar man komen over uit Zuid-Afrika. De buurvrouw biedt hem nog wat hulp aan. Hans zat er nu helemaal doorheen. De begrafenis gebeurt respectvol, tranen vloeien als een waterval. Een dankwoord naar de buurvrouw kan hij nauwelijks over zijn lippen krijgen. Ze begrijpt hem en legt haar hand op zijn schouder.

Nog vier dagen logeert zijn dochter bij hem. Zij schiet hem te hulp. “Papa, wil je met mij gaan, je hebt hier verder niets meer om naar om te kijken.” Hans vindt het een hele moeilijke beslissing, maar heeft hier inderdaad eigenlijk niemand meer. Na lang wikken en wegen besluit hij om naar zijn dochter te gaan. Hij zegt zijn huur op, verkoopt zijn spullen en laat de rest door een kringloopwinkel ophalen. Twee maanden later vertrekt hij richting Zuid-Afrika.

Inmiddels, iets meer dan vijf jaar verder, heeft Hans zijn leven weer opgepakt. Hij heeft een lieve vriendin opgeduikeld in Zuid-Afrika en woont op het terrein van zijn dochter en schoonzoon. Hij klust wat bij op de ‘farm’ en heeft het leven weer op de rails, geniet van zijn kleinkinderen en is zijn dochter eeuwig dankbaar. Hoe leed in liefde kan eindigen.

277. Een bijzonder kerstverhaal

Één ster staat stralend aan de hemel. Het is 24 december. Joris en Mary hebben hun boodschappen binnen en zijn van plan om er gezellige kerstdagen van te maken. Beide vaders en moeders komen eten. Joris moet nog een nachtdienst draaien in de beveiliging maar is op eerste kerstdag om zes uur ‘s morgens thuis.

Mary besluit die avond de kerk te bezoeken. De nachtmis houdt ze nog altijd bij. De rest van het jaar komt ze niet in de kerk en gelooft ze op haar eigen manier.

Om half tien wandelt ze naar de, in de kern van het dorp staande, kerk. Ze is niet de enige die een bezoek brengt aan kerk. Tussen haar buren en mensen van verderop uit de straat schuifelt ze over de brug. Ze zet er wat vaart in, heeft duidelijk geen zin om ergens achter in de banken plaats te nemen.

Als ze de deur open slingert ziet ze direct dat ze niet de eerste is. Op drie banken van achteren is nog een plekje tussen een ouder echtpaar en een jong meisje waarvan haar ouders in een bank achter haar hebben plaats genomen. “Goedenavond”, zegt Mary als ze zit. De man naast haar kijkt haar knorrig aan en zegt niets terug. ‘Gezellig’, denkt Mary.

De bel gaat, het koor zet het nummer The First Noël in. Voorafgaand aan meneer pastoor lopen drie akolieten, waarvan er een het stenen kribbe met het kindje Jesus in zijn handen heeft. Ze lopen naar de kerststal die naast het altaar is neergezet. Daar wordt het kindje Jesus neergezet tussen de andere beelden. De beelden hebben een voor een ’n opknapbeurt gehad, zitten weer goed in de verf en de beschadigde neus van de herder is weer aangevuld.

De pastoor en akolieten wandelen terug als Mary haar telefoon voelt trillen. ‘Zal ik ‘m pakken’, gaat er door haar gedachte. De oudere man kijkt haar kant op. “Je had hem ook thuis kunnen laten”, zegt hij. Ze slaat er geen acht op en is al wel blij dat ze haar mobieltje op trillen heeft staan. Ze probeert haar telefoon uit haar broekzak te pellen, dat gaat niet gemakkelijk. Ze moet er wat scheef voor gaan zitten en stoot daarbij de oudere man aan. Hij kijkt nu nog lelijker dan toen ze hem begroette. Wanneer ze haar telefoon te pakken heeft en op de display kijkt ziet ze nog net ‘anoniem’ staan, dan houdt het trillen op. ‘Wie kan dat zijn?’ vraagt ze zich af. En dat op kerstavond.

Ze stopt haar telefoon terug in haar jaszak en volgt wat er op het altaar gebeurt. Het koor zingt prachtige liederen, de kerstgedachte voelt ze binnenkomen. Een paar minuten later voelt ze opnieuw de trillende mobiel. Ze kijkt en ziet opnieuw ‘anoniem’. Welke gek doet dit. Het kan Joris niet zijn, ook zijn telefoon gaat altijd anoniem af, maar als hij Mary belt haalt hij dat er af. Ze stopt opnieuw haar telefoon terug in haar jaszak en luistert naar de mooie woorden van meneer pastoor.

Als de telefoon opnieuw afgaat vertrouwt Mary het niet. Ze durft haar telefoon niet aan haar oor te houden en te beantwoorden. “Mag ik even passeren”, vraagt ze aan de oudere man. Hij gaat staan en Mary schuift tussen het oudere echtpaar en de bank de bank uit. De mensen in de kerk kijken allemaal haar richting uit, maar dat heeft ze niet in de gaten. Buiten is de telefoon opnieuw opgehouden.

Mary wandelt terug naar huis. Midden op de brug gaat haar telefoon opnieuw af. Ze drukt op de acceptatieknop. “Mary”, zegt ze. “Harm Jansen, politie”, hoort ze zeggen. “Schrik niet, maar ik wil u vragen om direct naar het St.Annaziekenhuis te komen. Het gaat om uw man.” Mary wil nog van alles vragen, maar de politieagent vraagt om haast te maken.

Aangekomen in het ziekenhuis staat een agent al op Mary te wachten. “Kom snel mee”, zegt de agent. Door de gangen heen lopen ze snel naar de plek waar Joris is. Bij binnenkomst probeert Mary direct in contact te komen met Joris, maar dat is niet mogelijk. Hij ligt klaar voor de operatiekamer. Ze geeft hem nog snel een kus op de voorhoofd en ziet hem wegrijden.

Eenmaal uit het zicht wil Mary weten wat er aan de hand is met haar Joris. “Neergeschoten bij een overval op een juwelier”, zegt agent Harmsen. “De winkelier had de sleutel in het slot gestoken om af te sluiten toen hij is overvallen. Er ontstond een vechtpartij waar Joris later bij kwam. Er viel een schot, dat in zijn schouder is terecht gekomen. Ondanks het schotwond wist Joris de overvaller te tackelen waardoor wij de man hebben kunnen oppakken.”

Mary is zeer onder de indruk van de actie die Joris heeft weten op te brengen. “Hij is een held”, zegt agent Harmsen.

Na een operatie van ruim tweeënhalf uur rijdt Joris op het bed voorbij. Mary heeft een kopje koffie in haar handen, een schoteltje met kerstbrood staat op de tafel. Joris ziet zijn Mary en lacht. Zijn dichtgeknepen ogen geven aan dat hij nog niet helemaal wakker is. Mary wandelt met de verpleging mee naar zaal. Even praat ze met Joris. Als ze merkt dat hij het zat is, geeft ze hem een kus en gaat naar huis. Het is half één, Kerstmis is begonnen.

De volgende ochtend neemt ze al vroeg contact op met het ziekenhuis. “Het gaat goed met Joris”, zegt de zuster die de telefoon opneemt. Nog diezelfde ochtend rijdt Mary naar het ziekenhuis, het is de hele dag bezoek. Bij binnenkomst ziet ze een vreemde man aan het bed van Joris. “Rechercheur Van Stimmen”, zegt de man en steekt zijn hand uit. “Ik ben er voor een kort verhoor.” Met een van pijn verwrongen gezicht komt Joris in een zittende houding. Hij kust Mary vol op haar mond. “Zalig kerstmis”, zegt hij, “ik ben er nog maar het was wel spannend.”

“Wilt u ons even alleen laten”, zegt de rechercheur, “ik hou het kort”. Mary gaat weg en zoekt een koffieautomaat. “Uw man heeft mazzel gehad”, zegt de zuster die even naast Mary komt staan. “Tien centimeter naar links en hij had er niet meer geweest.” Mary knikt. “Wat heet mazzel, hij heeft vast de engel Gabriël op zijn schouder gehad”, zegt ze met een lichte lach.

Even later neemt Van Stimmen afscheid. “It’s your turn”, zegt hij, “fijne dagen nog.”

Mary blijft de hele dag in het ziekenhuis. Ook haar vader en moeder komen langs net als die van Joris. Mary mag mee blijven eten in het ziekenhuis. Haar Kerstdiner is een andere dan ze zich heeft voorgesteld.

De volgende dag gaat ze opnieuw vroeg op pad. In het ziekenhuis aangekomen treft ze agent Harmsen. Hij heeft een mooie fruitmand bij zich. “Als dank voor de inzet van Joris. We hebben een grote speler van diefstallen te pakken.”

In de loop van de middag komt er een vreemde man aanlopen. Mary kent hem niet. “Goudsmit”, zegt de man, “ik ben de juwelier, waar de overval op heeft plaatsvonden. Ik ben uw man eeuwig dankbaar”, zegt hij. Mary corrigeert hem “mijn vriend”, zegt ze. “Ik ben trots op hem”, zegt de winkelier, “en als dank mogen jullie een sieraad bij mij uitzoeken.”

Vlak nadat Joris uit het ziekenhuis is ontslagen wil hij terug naar de plek waar de schietpartij heeft plaatsgevonden. Hij wordt hartelijk ontvangen door Goudsmit. Daar valt hij op zijn knieën zoals hij ook op zijn knieën viel bij de overval, maar nu doet hij dat met een bedoeling. “Lieve Mary, wil je met me trouwen”, vraagt hij. Mary moet er van blozen en er loopt een traan over haar wang. Ze helpt haar Joris overeind, want dat gaat nog niet gemakkelijk.

Goudsmit leverde de trouwringen. Op 1 april het jaar erop trouwden ze. Het werd een fantastisch mooi feest. Hoe een vreemde kerst voor een mooie dag zorgde.

181. Careyn, zomaar een naam of toch niet?

Al geruime tijd zijn we er lid van. Careyn, een actieve maatschappelijke onderneming die zich inzet voor de gezondheid en het welzijn van hun cliënten, jong, oud, gezond of kwetsbaar. Als het nodig is, staan hun vakbekwame en betrokken medewerkers klaar om hulp en ondersteuning te bieden. Samen met andere zorgverleners, vrijwilligers, mantelzorgers en buurt- en wijkbewoners zorgen zij voor een grote betrokkenheid bij het welzijn van de mens.

Afgelopen tijd hebben we aan den lijve ervaren wat een machtig mooie onderneming Careyn is. Na een val van iemand die ons lief is, hebben we mee gemaakt hoe liefdevol medewerkers van deze onderneming met haar cliënten omgaan. Dagelijks komen er meerdere keren verzorgenden langs om de wond te verzorgen, maar ook om te zien hoe het met haar gaat. Aangekondigd maar ook spontaan gaat men even kijken of men iets voor mevrouw kan betekenen. Als men het niet vertrouwt of men ziet dat e.e.a. anders loopt dan men verwacht neemt men contact op met de dienstdoende arts. Natuurlijk houden ook wij regelmatig contact, gaan langs of bellen even. Toch, is mijn mening, heeft de medewerker van Careyn een toegevoegde en grotere ingang richting de medici.

Als men het op een gegeven moment niet vertrouwt, belt men met de spoedeisende hulp. Hierop wordt direct gereageerd. Binnen een half uur staat de dienstdoende arts voor de deur. Er wordt pijnstillende medicatie voorgeschreven. De medewerker van Careyn neemt haar verantwoording en haalt de medicatie op. Verpleegkundigen die mevrouw helpen als is het hun eigen moeder.

Wanneer men het in het weekend opnieuw niet vertrouwt neemt men direct contact op met het ziekenhuis. Wederom komt de op dat moment voor de huisartsenpost werkende arts bij de cliënt aan huis. Hij vermoedt een breuk en wil alles uitsluiten. Er wordt een afspraak gemaakt voor foto’s. 

Die maandag komen we aan bij het Reinier De Graafziekenhuis en is er geen rolstoel beschikbaar. Met wat gestuntel krijgen we het voor elkaar betrokkene op de afdeling radiologie te krijgen. Gelukkig wijzen de resultaten uit dat er niets gebroken is.

Thuis gekomen stikt het slachtoffer van de pijn. De huisarts schrijft nog zwaardere pijnstillers voor, met als gevolg: obstipatie. Opnieuw signaleert de medewerker van Careyn dit bij de huisarts.

Klysma’s worden er uitgeleverd en toegediend. Voorwaar geen fijn klusje. Maar ook die doen niet waar ze voor bestemd zijn. Bij Careyn weet men het nu ook niet meer. Opnieuw wordt de huisarts geconsulteerd. Dat leidt tot een opname. Medewerkers van Careyn zien vanuit hun kantoor dat mevrouw weg gaat. Zij duimen dat het nu eindelijk resultaat zal opleveren. Dezelfde dag belt men nog even met ons, belangstellend als men is.

Na een dag is het lek boven, of eigenlijk van onderen. De stoelgang komt weer op gang. Verpleegkundigen van de zorginstelling halen opgelucht adem. Nu is het een kwestie van pijn stillen een bemoedigend woordje en liefdevolle verzorging.

Het gaat langzaam aan de goede kant op. We zijn er nog lang niet. “Het moet zijn tijd hebben”, zegt de huisarts. Vol goede moed gaan we het vervolgtraject in, ondersteund door die ‘lieve meiden’ van Careyn.

Onze dank gaat uit naar iedereen die heeft meegeleefd, heeft ingegrepen en actie ondernomen. Careyn voor ons een zorg minder en de zekerheid dat men in goede handen is. Dankjewel medewerkers van Careyn.

85. De griepprik

Van de week lag de enveloppe op de mat. De enveloppe met als afzender, mijn huisarts. Voordat ik hem open weet ik eigenlijk al wat de inhoud is. Een vrijblijvende oproep om gratis de griepvaccinatie te komen halen. Ik hoor, zoals de brief schrijft, tot de risicogroepen. Ik heb dit altijd betwijfeld, maar nooit echt uitgesproken.

Een aantal jaren geleden, mijn jongens woonden nog thuis, zaten we op tweede kerstdag, zoals gebruikelijk, een spelletje Monopoly te spelen. En zoals zo vaak kon ik dat niet winnen. Ik kan tegen mijn verlies, maar heb er wel de pest over in als de oudste, met zijn bètabrein, al lang en breed berekend heeft hoe hij mij een hak kan zetten als hij de Kalverstraat net voor mijn neus heeft weggekaapt. Vrij snel eist de bank mijn tegoeden op en moet ik het spel verlaten. Als ik van de speeltafel wegloop en naar bank wil verhuizen, schiet er iets door mijn lichaam. Wat? Ik weet het niet. Ik begin ontzettend te zweten en heb pijn op mijn borst. Ik heb het even niet meer.

Mijn vrouw geeft het advies om even naar buiten te gaan en wat frisse lucht te gaan happen. “Neem je telefoon mee, als er dan wat gebeurd kan je bellen”. Zo gaat het ook. Een goed advies? Denk het niet.

Bij terugkomst echter voel ik me nog steeds niet goed. Ik snak naar adem en heb hulp nodig. “Toch niet op de tweede kerstdag”, hoorde ik zeggen. Ik sloeg het in de wind en belde mijn huisarts. “Blijf zitten, ik kom er met spoed aan”, gaf de andere kant van de lijn aan, nadat hij mij had uitgevraagd.

Een kwartier later is hij aanwezig. Ik word onderzocht, krijg een spray onder mijn tong en hoor de arts bellen met 112. Nee toch? Maar hij was zeer zeker van zichzelf. Dit wordt ziekenhuiswerk. Het ergste werd vermoed. Het hart? Intensive care? Gelukkig constateerde men dat het dat niet was, maar dat ik een grindpad aan stenen in mijn galblaas had zitten, waar ik later van ben bevrijd.

Sinds die tijd hoor ik tot de risicogroep. Ik heb steeds gedacht dat het halen van de griepprik een beschermende factor is. Je krijgt er geen griep van, dacht ik altijd. Tot tweemaal echter werd ik door de griep gepakt en lag ik in bed.

Nu heb ik besloten om het een jaar zonder te doen. Volgens mij betekent het woord risicogroep dat je het risico loopt om juist griep te krijgen in plaats van dat het wordt voorkomen. Het is gratis, maar niet alles wat gratis is ook goed. Ik laat mijn beurt deze keer voorbijgaan.