304. Zomers Nederland, fietsland

Nederland fietsland. Het stralend zomerweer nodigt uit om de fietsen uit de schuur te halen. Nog even de banden oppompen, naar de accuwaarden kijken en dan hup op de pedalen.

We rijden het dorp uit. Het slaapt nog, lijkt het op. De boot bij café Sport ligt er verlaten bij. Leo van Dijk heeft bij de Vergulde Valk de tafeltjes nog niet buiten gezet. De brugbediende staat met de afsluitende paal voor de valbrug in zijn handen. Twee pleziervaartuigen liggen te wachten tot de valbrug omhoog gaat. “Ken net”, zeg ik hem als ik onder de schuin naar beneden hangende afsluitpaal rijd. “Fijne fietstocht”, roept hij mij na. Inwoners van het dorp wandelen naar de kerk aan de Dorpsstraat. De klok heeft net geluid en roept hen naar binnen.

We rijden langs het voormalig gemeentehuis. “Mogûh”, hoor ik vanaf de stoep. Vriendelijke mensen zijn het, Schipluidenaren.

Aan het eind van de weg slaan we linksaf de Zuidka op. Een wandelaar loopt middenop. Van de andere kant een groep wielrenners. De meest linkse renner geeft met een handgebaar aan dat er tegenliggers zijn. Nadat ik de wandelaar ben gepasseerd blijf ik wat middenop rijden, in de veronderstelling dat vrouwlief binnendoor komt. Ik kijk achterom en zie in een schim een gekleurd shirt en meen mijn vrouw daarin te herkennen. Het blijkt een wielrenner van oudere leeftijd. Hij passeert me aan de binnenkant. Zijn tong maakt een klakkend geluid in zijn mond. “Tjonge jonge”, roept hij geïrriteerd. “Sorry”, roep ik hem na, maar hij is al weg.

We rijden langs de golfbaan. Het is er druk. Een man in rode golfbroek maakt een slaande beweging. De bal gaat kennelijk ver, want er ontstaat wat enthousiasme bij de andere spelers. Een groep met stokken wandelende dames lopen twee aan twee op het fietspad. Nemen hun hele kantje in beslag. Een ouder echtpaar moet slalommen om er omheen te kunnen. Het gaat gemoedelijk allemaal.

“We nemen het nieuwe fietspad”, zegt vrouwlief, “eens kijken waar het uitkomt.” De A4 ligt parallel aan het fietspad. Het is stil, weinig verkeer. Twee hardlopende dames komen onze kant op. De een soepel lopend de ander stampt het asfalt aan. Wat een verschillende stijlen.

Boven het weiland een wit vogeltje met zwarte kop. Maakt een schreeuwend geluid, landt en pikt in het gras. Een grutto even verderop staat met zijn lange snavel in de hoogte. Nijlganzen zie je overal. Ze hebben jongen en staan aan de rand van de waterkant met hun kroost. We schieten linksaf de Oostbuurtseweg in, soms tweede Veen genoemd, om direct weer rechts te gaan. Nog meer polders. Een bordje van een fietsroute leidt naar een houten brugje de polder in. We laten het links liggen en gaan naar de eerste Veen, ofwel Woudweg.

Het is volkomen stil als we over het smalle weggetje de contouren van Rotterdam zien liggen. Geen drukte, rust. Zes kleine vliegtuigjes zijn opgestegen vanaf Zestienhoven. Ze vliegen, zoals elke zondag, in formatie richting Engeland. Effe koffiedrinken? We komen nog wat fietsers tegen. Een wielrenner haalt ons in en roept dat hij voorbij wil. Dat kan anders. Het is genieten met weidse landschappen. De prachtige wolkenpartijen geven een romantisch decor.

We steken de Abtswoudseweg over en rijden richting Delft. Prachtige boerderijen liggen in stilte langs de weg. Er zijn hardlopers, wandelaars, fietsers en wielrenners die net als wij genieten. Even verderop is het uitkijken er ligt een opper paardenpoep. Zou fijn zijn als de ruiter het even in de kant had geveegd, maar helaas geen ruiter met een bezem. Als we in de buurt van Delft komen kijken we tegen vier paardenkonten aan. Kateklop, kateklop, kateklop. Het is een machtig gezicht, totdat een van de paarden iets verliest. De amazones lopen ondertussen verder, waardoor er een spoor van poep ontstaat. Men stapt opnieuw niet af om het op te ruimen. Jammer.

Bij Delft rijden we langs de kinderboerderij/waterspeelplaats. Vaders en moeders zijn er met hun kinderen al heengereden en vermaken zich tussen de schaapjes en geiten.

Dan langs de Kruithuisweg terug naar huis. Bij Kerkpolder schieten we het viaduct onderdoor. Sportpark Kerkpolder ligt aan de rechterkant. Een keepertje staat op het doel en krijgt de ballen om zijn oren. Nog even naar Den Hoorn, een verjaardagskaart wegbrengen. Bij de katholieke kerk is het druk. Er is kennelijk iets feestelijks aan de hand. De vlaggen wapperen, het voorplein staat bezaaid met fietsen, langs de Schoolstraat staan auto’s geparkeerd.

Den Hoorn is verder nog in ruste. Als we de kaart in de brievenbus hebben gegooid, echt terug naar huis. De kerk komt intussen uit. Er is leven op het plein voor de kerk.

We schieten de Tramkade op langs de voetbalvelden van Den Hoorn. Een bootje komt ons aan de andere zijde tegemoet. Even verderop kanoën twee mensen hun boot door het water. Er is een wandeltocht en hardloopwedstrijd gaande. Het loopt door elkaar heen.

We blijven even staan als we bekenden tegen komen. Een praatje en dan door. Het stikt van de wandelaars, iedereen heeft kennelijk dezelfde gedachten: Genieten nu het nog kan. De weersvoorspelling voor de rest van de week is niet best. De temperatuur zal zakken.

In Schipluiden is het inmiddels tot leven gekomen. De tafeltjes staan bij de Vergulde Valk buiten, fietsers komen en gaan, zetten hun fietsen neer waar nog een klein plekje is. Tijd voor een ijsje. Zittend op een bankje, dat wel een verfje kan gebruiken, genieten van wat er voorbijkomt. Een zeilende Westlander legt aan. Komt op de motor aangevaren. Mensen moeten hun benen binnen halen. Heel rustig meert de schipper aan. Aan de overzijde loopt een gids die iets vertelt over de geveltjes en huisjes van de Ka. Bij Net Even Anders, een vintage winkeltje, is het druk. Toeristen die even binnen willen kijken. Een bestuurder van een zware motor trekt zijn gas open en buldert langs de mensen.

Tijd om plek te maken voor een ander op het bankje. We ontvluchten de inmiddels ontstane drukte. Een mooie zondag, en zo dacht duidelijk iedereen erover vandaag.

90. Sinterklaasbloopers

Ik ben al een hele lange tijd Sinterklaas. Soms vraagt men mij: “Maak je wel eens iets mee, of heb je wel eens iets meegemaakt.” Ik besluit het aan het papier toe te vertrouwen.

De allereerste keer dat ik in de rode mantel stap, ik herinner het mij nog als de dag van gisteren. Op zondagmorgen ergens in november zo’n ruim 20 jaar terug, word ik gebeld door een vriend. “Aad, we hebben een probleem. We hebben met onze scoutinggroep een Sinterklaasfeest aangenomen en nu is de man die het zou spelen ziek.” Ik voel de bui direct al hangen. “Mag ik er even over nadenken”, vraag ik hem. “Nee”, zegt hij, “want het is vanmiddag.” Poeh, dat overvalt me. Zal ik het kunnen, nooit eerder deed ik zo’n klusje. Die middag heb ik een tabberd aan een nylon pruik op mijn hoofd en iets wat een baard moet voorstellen aan mijn gezicht hangen. Snor en baard zijn één. Beiden worden geplakt. Boven mijn ogen plakt men iets dat ze wenkbrauwen noemen. Daar ga ik, drie Pieten achter in de auto en een volger die ook vol zit met donkere vrienden. Niemand uit de groep ken ik. Alleen de vrager, vriend. Hij gaat mee voor de administratie.

Bij het binnen rijden op het terrein, blijkt dat we te vroeg zijn. We moeten nog een rondje rijden of ergens achter op het parkeerterrein wachten. We kiezen voor het laatste. Als we een kwartier hebben gewacht, mag ik op. Een zaal vol kleine kinderen en een dubbel aantal ouders. Ik zie er bekenden tussen. Plots gieren de zenuwen door mijn keel. Wat moet ik hier van maken? Het grote boek gaat open en ik mag beginnen. Na wat kwinkslagen en gevatte opmerkingen, krijg ik het naar mijn zin. Het is leuk, eigenlijk te gek. De tijd vliegt en voor ik het weet hebben alle kinderen hun kadootje en is de kleine wijzer van de klok een cijfer verder. Als het kadootje binnen is verlaten ouders en kind direct het gebouw. Er wordt niet gewacht met open maken van het kadootje. Men heeft het, ritst het open en gaat op zoek naar de jas. Even heb ik het idee dat ik het licht uit zal moeten doen. Gelukkig valt het mee en blijven er nog een paar ouders achter die mij uitzingen. Ik besluit dat dit in het vervolg anders moet, maar nog steeds is het geduld van de ouder bepalend of men blijft of niet. Mijn eerste keer Sinterklaas zit er op. Het smaakt naar meer en dat zou in dat jaar ook gebeuren. Men is verguld van mijn optreden en kan mij ook goed gebruiken op 5 december. Als ik de foto’s terug zie van dat jaar schaam ik me hoe ik er uit zie. Niet professioneel, amateuristisch zelf, maar eens moet je beginnen.

Het volgende jaar word ik weer uitgenodigd. Opnieuw de Makro, de grootste klant van de scoutinggroep. Het gaat een stuk makkelijker, alleen met de nylonvermomming ziet het er nog steeds niet uit. Voor het eerst krijg ik een klein meisje mee, dat later tien jaar onze schoondochter zou zijn. Grote en kleine Pieten mochten er mee. Ook mijn eigen kinderen mogen mee als Pietje. Het feest is geweldig, er wordt hard gezongen en grote kadootjes worden uitgedeeld. Op 5 december mag ik ook meedoen. Voor het eerst mag ik op een huisbezoek in Schipluiden. Een familie die ik goed ken wordt verrast met een bezoek van mij. De jongste uit het gezin boert alles aan elkaar wat er te boeren is. Ik laat hem Zie ginds komt de stoomboot boeren, tot ongenoegen van zijn ouders. Een aantal jaren heeft hij, toen hij er achter was gekomen dat ik hem die streek had geleverd, mij achtervolgd en boert hij als hij mij ziet.

Dan op een gegeven moment krijg ik te maken met scouting Schipluiden. Ik heb intussen gemerkt dat het een prima sponsorpotje oplevert voor de club. Ik stel voor om dit ook op te pakken bij mijn eigen vereniging met Pieten die hun verdiensten al hebben door mee te doen met de intocht in Schipluiden. Ik kan bogen op mijn eigen ervaring, met de ervaring van deze Pieten, vormen we een mooi stel. Er komen veel bezoeken. De lucratiefste zijn de bedrijven. Daar ga je voor een uurtje of anderhalf uur naar toe en het geld is dan het makkelijkste binnen te halen. Uiteraard gaan we ook om er iets leuks van te maken. We besluiten er een tweede Sint bij te contracteren omdat de boekingen toenemen.

Een bezoek aan een café in Schiedam. Mijn vrouw heeft een afscheidsfeestje dat wordt gevierd in dat café. Na eerst een aantal bezoeken te hebben afgelegd vertrekken we, met een geschminkte Piet achter het stuur, richting Schiedam. Iets dat echt verboden is. Daar aangekomen moet de auto iets verder weg worden gezet. We zullen naar het feestje toe wandelen. Onderweg lopen we langs een huis waar mensjes met het downsyndroom samen zijn. Als één van hen ons heeft gezien is het hek van de dam. We moeten binnen komen. Onze zak met strooigoed gaat volledig leeg en we kunnen/mogen er niet weg. Mijn vrouw begrijpt er niets van, ik had er allang moeten zijn. Doordat we geen telefoon bij ons hebben kunnen we hen niet waarschuwen. Als we ons hebben losgerukt van ons bezoekje, wandelen we verder en komen binnen in het café. Daar gaat het meteen mis. Ik heb niet in de gaten dat er een ventilator is gemonteerd aan het plafond, waardoor mijn mijter door de zaak heen slingert. Een lekkere binnenkomer. In de zaak zitten ook veel kinderen. Ik weet even niet wat ik moet doen, maar al snel word ik er uit gered, als de eigenaar van het café mij uitnodigt om een nummer te karaoken. Hup, het podium op en brullen. Met al die kinderen erbij vind ik het niks. Maar ik moet. Het wordt een succes.

Een jaar later wordt het nog veel gekker. Ik heb twee broers mee als zwarte Piet. Zij zijn nog gekker dan gek. We zijn bij iemand thuis als er wordt gevraagd of we iets willen drinken. Eén van de broers neemt daarop de vissenkom en zet deze aan zijn mond om er uit te drinken. Even verder op in de straat moeten we ook zijn. Voor de voordeur staat een Albert Heijn kar met kado’s. We besluiten om via de achterdeur naar binnen te gaan zonder kado’s. Alom verontwaardiging dat we geen zakken met kado’s bij ons hebben. We hebben het uiteraard wel goed gemaakt.

Het volgende jaar komen we aan bij een huis waar zakken met kadootjes in de poort staan. Even verderop staan ook zakken. We wisselen de zakken om. Hoe hilarisch en hoe leuk is het dan om de Pieten daar eens flink de les te lezen over deze vergissing. Datzelfde jaar hebben we een bezoek in Maasland. We krijgen opnieuw iets te drinken, d.w.z. de Pieten, Sinterklaas drinkt niets. Als we net weg zijn bij het bezoek, geeft één van de Pieten aan dat hij moet plassen. We stoppen bij het vrachtwagenparkeerterrein waar Piet even mag plassen achter een daar staande container. Wanneer hij even later terugkomt en de reis wordt voortgezet, begint het te stinken in de auto. Ik ruik poep. Blijkt hij met zijn schoenen in de hondenpoep te hebben gestaan. Hij denkt alles al kokhalzend van zijn schoenen te hebben geveegd als we binnen gaan bij een gegoede familie die witte vloerbedekking heeft liggen. Het resultaat laat zich raden. Vette poepstrepen op de witte vloerbedekking. Piet moet het zelf schoonmaken. Dat’s balen.

Het jaar er op komen we bij een familie die een traiteur heeft uitgenodigd. Hij heeft een fantastisch mooie tafel gemaakt. Eén van de Pietenbroers die ik bij mij heb, vindt dat het buffet moet worden versierd met strooigoed. Ik dacht dat ik nooit meer terug mocht komen. Maar de familie vindt het zo leuk dat ik er nog menig keer ben terug geweest. De traiteur was woedend, hoorde ik later.

Bij een familie staan de cadeautjes in een wasmand bij de voordeur. Dat kan natuurlijk niet. Die domme Piet had een zak moeten nemen en niet de wasmand van Sinterklaas. Ik geef aan dat Sint graag zijn wasmand weer mee terug wil nemen naar Spanje. Men speelt het spel mee en we gaan met een wasmand rijker op vervolgbezoek.

Als het er professioneler uit moet gaan zien, schaf ik me een echt buffelharen pruik en baardstel aan. Een flinke rib uit mijn lijf en bij thuiskomst een lelijk gezicht van vrouwlief. Een losse snor maakt de zaak compleet. Dat heb ik tot tweemaal ervaren, dat het een losse snor is. Tot tweemaal toe moet ik de snor met mijn handen zien vast te houden om deze niet te verliezen.

Tijdens één van de bezoeken op zondagochtend om tien uur, krijg ik twee Pieten mee die de avond er aan voorafgaand naar een scoutingfeest zijn geweest. Ze zijn om vijf uur thuis gekomen. Het wordt een korte nacht. Dan komen we bij de lieve familie binnen waar de thermostaat op saunatemperatuur staat. Als mijn jongste Piet met haar bips op de verwarming gaat zitten, zie ik dat ze zit te knikkebollen. Ik laat het begaan, waarna na enige minuten een luid ronkend geluid uit haar neus en keel komt.

Bij een familie in Wateringse Veld word ik uitgenodigd om de kado’s uit te komen delen. Ik zit er een kwartier als ik door het raam mijn ‘broer’ voorbij zie lopen. Een Sinterklaas in vol ornaat met twee Pieten die de bedoeling hebben om op hetzelfde adres hun kunstje te doen. Ik waarschuw mijn chauffeur die vliegensvlug naar de voordeur gaat. Daar vertelt hij de Sint dat hij al binnen zit. Even later zie ik het stel laag onder de heg weg kruipen. Ik met, zij zonder geld. Wat was het geval, De bewoner van het huis heeft mij uitgenodigd, hun gasten hebben als verrassing ook een Sint uitgenodigd en dit niet gedeeld met de huiseigenaar.

Als we worden verwacht op een school in Den Haag worden daar door alle klassen voordrachten, toneelstukjes, optredens en dansjes gedaan. Eén er van is een jonge trompettist. Hij speelt Sinterklaas Kapoentje. Wanneer de leerling klaar is, vraag ik hem om de trompet. Ik speel er met gemak Zie ginds komt de stoomboot. De Sinterklaas die er het jaar later komt heeft een probleem als hij wederom de trompet in zijn handen krijgt gedrukt. Hij kan namelijk geen trompet spelen.

Een bedrijf op Zestienhoven heeft Sinterklaas uitgenodigd. Met Sint en drie Pieten brengen we er een bezoek. Als we net op de terugweg zijn blijkt dat het reservetasje met schmink, lijm en andere attributen is achter gebleven. Dat betekent terug. Richting Delft via de A13 om daarna bij Delft om te draaien en weer terug te gaan naar Zestienhoven. Het regent en niet zo’n klein beetje ook. Dan als we weer op de thuisbasis zijn blijkt dat ik met mijn mantel en witte onderjurk de A13 te hebben aangeveegd. Bij het instappen, moeten de Pieten kijken of alles binnen boord is. Nu heeft mijn gewaad tussen de deur op de weg gelegen. Gitzwart is mijn witte jurk. Onbruikbaar zelfs. Mijn oude witte jurk, met 80-jaar oud kant is volledig naar de filistijnen. De volgende dag moet ik een nieuwe jurk hebben, het is dan 5 december. Nog diezelfde avond kocht ik er één via Marktplaats. De verkoper is zo goed om de gekochte jurk de volgende dag al vroeg langs te komen brengen.

Ook dit jaar maak ik weer iets mee met mijn witte jurk. Eén van de kindjes, een jaar of 2, 3, wil graag bij Sinterklaas op schoot. Hij heeft een lolly in zijn mond. Ik heb het druk met de omgeving, waardoor ik niet in de gaten hebt dat het jongetje alles langs zijn lollystokje op mijn witte jurk zit te kwijlen. Niet leuk, maar het hoort er bij.

Wat ook altijd tricky is, is als ouders mij een kind in handen geven dat nog niet zindelijk is en dat wel spoedig kan zijn. Men zet het kind op schoot waarna ik een warme gloed over mijn benen voel vloeien. Soms krijg ik een kind aangereikt dat iets in zijn/haar broekje zit te kleien dat lijkt op kruidnoten maar net iets anders ruikt. Of een kind dat grijpgrage handjes heeft en probeert om mijn baard wat te fatsoeneren en er met zijn handjes in blijft hangen. Ja, je moet wel een grote kindervriend zijn als je dit allemaal toestaat.

Mijn mooiste belevenissen heb ik altijd bij de plaatselijke Appie. Schoentjes uitdelen. Kinderen kunnen hun schoenen bij onze grootgrutter inleveren. Ik deel ze dan gevuld met een mandarijn wat strooigoed en een kadootje weer uit. Intussen komen mensen hun inkopen doen. Ik heb op zo’n moment niet alleen oog voor het kind maar ook voor het winkelend publiek. Menig inwoner van ons dorp heb ik op een respectvolle en vrolijke manier te pakken kunnen nemen. Er gaat zelfs een gerucht dat men laat uitzoeken, wanneer ik aanwezig ben, dan blijft men thuis. Eigenlijk moet ik dit niet zeggen want als de eigenaar dit hoort weet hij waarom zijn omzet die twee uur zo laag is.

Ik zou nog veel meer verhalen kunnen vertellen. Ik neem daar nog wel een keer de gelegenheid voor.