389. Wat doet een EMG met je?

Al enige tijd kamp ik met een voet die niet echt wil. En echt niet wil, wil zeggen dat ie slaapt. Ik heb er dus ook regelmatig een uitval in. Lopen kan ik als een hinde, maar bij het zitten is het waardeloos. Het lijkt er op dat er ergens iets bekneld zit. Maar waar.

Door de huisarts ben ik doorgestuurd. Bij de kliniek Annatommie wil men het zekere voor het onzekere. Men plant een MRI-scan in. Daar komt uit dat ik een kalkfabriek met me meedraag. Dat wist ik stilletjes aan al wel. Na een meniscusoperatie, hielspooroperatie, galsteenoperatie en niersteenoperatie volgde er tot tweemaal toe ook nog eens operatie aan de schouder waar ook kalkafzetting in is geconstateerd.

Bij de laatste scan komt naar voren dat er tussenwervelschijven zijn geconstateerd die bijna zo groot zijn als een wervelschijf zelf met allerlei uitstekels en oneffenheden. Mogelijk de oorzaak dat er druk wordt uitgeoefend op de zenuwbanen die naar mijn voet leiden.

Het advies is om er een corticosteroïdenspuit in te zetten en zo vast te stellen wat en waar het probleem zich voordoet.

Ik maak een afspraak in het Bronovoziekenhuis met een neurochirurg. Dan lekker op het gemakje op de fiets naar het ‘Koninklijk Ziekenhuis’. Ik moet er een patiëntenkaartje laten maken. Het is daarna even zoeken, want de arts zit in een soort bijgebouwtje in een kelder. Na enig wachten ben ik aan de beurt. Eenmaal binnen toont de neuroloog mij op een kaart hoe de zenuwbanen lopen en stelt voor om een injectie te plaatsen bij de tussenwervelschijf L4/L5. Zo wordt het afgesproken en daar ga ik voor.

Vijf weken later kan ik terecht in het Westeinde ziekenhuis. Opnieuw een patiëntenkaart aan laten maken. Inmiddels heb ik er al een hele verzameling van, ik kan zelfs al kwartetten, elk ziekenhuis heeft zijn eigen systeem. Echter de computer ligt er uit en een kaartje maken is niet mogelijk. Ik krijg een tijdelijk kaartje met streepjescode waar met de hand mijn naam op wordt gezet. Op het kaartje staat dat ik bij een volgend bezoek een nieuw kaartje moet laten maken. Omdat ik zelf niet terug mag rijden na de prikactie is er een vriendin met me meegegaan.

Daar zitten we al zo’n half uur. Mijn afspraaktijd is inmiddels al met 20 minuten overschreden. Ik zie een arts voorbij lopen en even later mag ik zelf naar binnen. Liggend op mijn buik krijg ik een verdovende prik. Ik hoor de arts steunen en kreunen. “Het lukt niet”, zegt hij, om even later toch te zeggen, “hebbes”. Nog even moet ik blijven liggen, dan ondersteund men mij naar een stoel. De benen bengelen onder mijn lichaam, ik heb er even geen gevoel in. Ik moet meteen gaan zitten en wachten tot de verdoving is uitgewerkt. Er is een kopje koffie en een alleraardigste verpleegkundige. Af en toe komt ze vragen hoe het gaat. “Zijn dat mijn benen”, vraag ik naar de bekende weg. “Ja meneer”, zegt de zuster. “Ik haal uw vervoerder even”, zegt ze. Als mijn chauffeuse is gearriveerd krijgt ze ook koffie. “Hoelang moet ik hier zitten”, vraag ik de zuster. “Ga maar uit van twee uur”, zegt ze. Dat gaat het ook worden. In een rolstoel word ik het ziekenhuis uitgereden. We doorkruisen het Haagse met nog steeds weinig gevoel in mijn benen.

Thuis aangekomen loop ik als een aangeschoten hert naar de voordeur. Is dit het nu? Ik laat me zakken op de bank. Probeer zelf nog een bakkie te scoren, maar dat valt niet mee. Later op de dag is de verdoving uitgewerkt en heb ik een vreemd gevoel in het ‘gezonde’ been. Het zal toch niet zo zijn dat de beste man in mijn verkeerde been de troep heeft gespoten? Een paar dagen later nog steeds dat vreemde branderige gevoel in mijn linkerbeen. Ik moet zes weken wachten en dan neemt de neurochirurg contact met mij op.

Inmiddels heb ik contact met een vriendin van mijn lief. Haar man is fysiotherapeut. “En een goede”, laat ze me weten. “Hij kan je vast helpen.” Als dat zou kunnen.

Ik neem contact op. Hij gaat over tot behandeling en verdraaid, ik zak niet meer door het been heen. Eerst eens in de week, dan eens in de twee weken behandeling.

De neurochirurg belt me na zes weken op. “Hoe gaat ‘t”, vraagt hij. Ik vertel hem mijn bevindingen en geef hem aan dat ik denk dat er in het verkeerde been is geprikt. “Dat bestaat niet”, zegt de beste man. “Meneer ik weet het zeker”, geef ik aan. Ik heb geen vooruitgang geboekt en het vreemde gevoel op links is er nog steeds. “Meneer Van Meurs, ik laat de anesthesist naar u terugbellen. Vertel hem uw verhaal.” Het is inmiddels twee jaar later maar gebeld heeft hij niet. Ik wel, ik heb hem geprobeerd te bellen en heb gevraagd naar het dossier. Dat is er niet. De arts heb ik niet te pakken gekregen. Komt dat door die computerstoring soms?

We zijn inmiddels dus ruim twee jaar verder. Ik zak niet meer door het been heen, maar slapen doet het wel. Ik heb nog steeds mijn fysiotherapie, sport ook gewoon, maar als ik ga zitten, brandt mijn voet of slaapt het.

Ik laat het niet op z’n beloop en neem opnieuw contact op met mijn huisarts. Opnieuw een verwijzing voor neurochirurgie, nu in het Reinier de Graafziekenhuis.

Ik maak een afspraak en keurig op tijd roept een jonge arts in opleiding mij binnen. Hij gaat stevig aan de slag waarbij ik soms denk: ‘hallo het gaat over mijn voet, niet over mijn ogen of mijn handen. Hij zal er een doel mee hebben. Na wat oefeningen, uitvragingen mag ik door naar de neuroloog. Het is jammer die is gaan eten. 40 minuten later mag ik naar binnen.

Opnieuw ontkleden en gaan liggen. Er komt een puntig voorwerp tevoorschijn waar ze me mee bekrast. Ze maakt geen wonden, maar wil weten wat het verschil is tussen links en rechts. Ik vertel haar intussen mijn story over eerdere onderzoeken en wat er fout is gegaan naar mijn mening. Ze slaat er nauwelijks acht op en laat me in de ruimte kletsen. Ik geef wel aan dat ik geen vertrouwen meer heb in het medische handelen. Daar reageert ze op, maar echt veel wijzer word ik niet. Ze wil alles uitsluiten en stelt me een EMG voor, een electro-myografie. Een maand later kan ik er terecht.

Vanuit verschillende hoeken bemerk ik dat het een pijnlijk onderzoek kan zijn. Ik ben echter niet kleinzerig, hoor het aan en ga het zien.

Op de bewuste dag bestel ik de MUS. Nu eens naast inplaats van achter het stuur. Exact op tijd komt de chauffeuse voorrijden. “Wil jij rijden”, vraagt ze. “Nee hoor, ik ga naast je zitten.”

Bij het ziekenhuis aangekomen wandel ik via de roltrap naar boven. Aangekomen op de afdeling pak ik mijn aanwezigheidsbonnetje. Dan door naar wachtkamer 2. Onder het informatiebord schuift een tekst: Zenuw- en spieronderzoek uitloop 40 minuten. Nog geen vijf minuten later rolt de tekst Zenuw- en spieronderzoek 55 minuten over het scherm. Dat wordt een lange zit stel ik me zo voor. (Mooi de tijd om een blog te schrijven. Echter exact op het uitgenodigd tijdstip mag ik binnen. Ik maak een opmerking over de tekst op het scherm. De verpleegkundige moet er om lachen, ze kunnen er helaas niet aan doen.

“Wilt u uw schoenen en sokken uitdoen”, zegt de zuster. “U mag met uw voeten in het warm waterbad.” Er staat een heerlijk warm bad voor me klaar. Naast de stoel ook nog twee baden om je armen en handen in te steken. Dat is voor mij niet van toepassing. Wanneer ik word binnengeroepen, komt er een nieuwe zuster met een handdoek. “Heeft uw broek nog niet uit”, zegt ze. Ik had het kennelijk niet goed gehoord. Ik rits mijn broek uit, nadat ik mijn voeten heb afgedroogd. “Gaat u mee met mij”, zegt ze, “U mag op uw buik”, zegt de verpleegkundige achter het beeldscherm. “We plakken wat stickers en geven wat stroomstoten.” Heel even denk ik aan varkens of criminelen, die geven zo’n stoot ook weleens.

Elke keer als er een stoot wordt gegeven, krijg ik een seintje. “Hoger”, zegt de vrouw achter het registratieapparaat. Ik voel ‘m nu echt door mijn voet gaan. De eerste waren speldenprikjes. “We gaan er nu een in uw knieholte geven”, zegt de vrouw die het stroomstootwapen in haar hand heeft. “Die is gemeen.” Mijn voet klapt naar boven als de stoot krijg. “U moet men niet schoppen”, zegt mevrouw. Ja, lekker dan, kan Ik er wat aan doen. Het is net als met dat hamertje op je knie. Dat heb je ook niet in de hand. Dan schop je ook. “We doen het andere been ook even”, zegt de registratieassistente. Opnieuw zo’n tik, maar pijn, nee. Elke keer komt de centimeter tevoorschijn. Waarom? Vergeten te vragen. “U mag komen zitten”, zegt de vrouw met het wapen. De bank waar ik op lig, wordt naar boven geklapt. Opnieuw wat stroomstootjes en opnieuw die centimeter.

“We gaan even de neurochirurg erbij halen”, zegt de assistente achter de computer. De neurochirurg die ik eerder zag, komt binnenlopen. “Goedemiddag”, zegt mevrouw. Ze kijkt op het beeldscherm. “We doen er nog een paar”, zegt ze. Opnieuw wat stootjes. “Ietsjes hoger”, zegt de chirurg. De stoot wordt wat zwaarder. Maar nog steeds niet echt pijnlijk. “We gaan u een paar prikjes geven”, zegt ze. Uit een laadje komt een ragfijne injectienaald tevoorschijn. Er zit een draad aan die leidt naar de computer. Heel langzaam steekt de chirurg de naald in mijn scheenbeen. Er wordt een frequentie op gezet. Ik voel de speldenprik in mijn been en hoor het rommelen op de computer. De naald gaat verder en nog een stukje. “Houdt uw been ontspannen”, zegt de arts en duwt nog iets verder. Even later moet ik de voet aanspannen, waar de arts mijn voet tegen houdt. Dat doet ze later ook nog eens in de kuit. “Ik ga uw rug aanprikken”, zegt mevrouw. “L4/L5”, zegt ze. Hé, dat is dezelfde tussenwervelschijf waar ik eerder een prik in heb gehad. Toen ging het niet. Nu schuift ze de naald zo tussen de wervels door. Dit begrijp ik niet. Mijn been is bij het onderzoek op verschillende manieren afgetekend. Ook de chirurg meet de tussenliggende lengtes op.

“U mag u zelf aankleden”, zegt de neurochirurg. “Ik ga alle getallen analyseren en achter elkaar leggen.” We hebben een nadere afspraak waar ik u ga vertellen wat mijn waarneming is. Ik zie u later terug. Dat is op 6 juni, weer een maand verder.

Wanneer ik beneden ben, bel ik de MUS, een kwartiertje later komt mijn chauffeuse voorrijden. “En meegevallen?” Vraagt ze. We rijden rustig naar Schipluiden terug. Die avond voel ik mijn voet meer dan de dag ervoor. Het resultaat van het onderzoek? Geen idee. We gaan het merken.

211. Gevoelloos bewegen is lastig

Al enige tijd loop ik te hannesen met een uitvallend been. Na honderd tot tweehonderd meter zak ik door mijn been heen en kan ik me nauwelijks staande houden. Even soepeltjes door de hurken en dan kan ik weer een paar honderd meter. Al met al geen feest in de tent.

Na een aantal fysiotherapeutische behandelingen in december 2016 en januari 2017 kan het niet langer meer en word ik doorverwezen naar de huisarts. De fysiotherapeut geeft mij zijn bevindingen mee zodat de huisarts direct inzage heeft in wat we er zoal aan gedaan hebben om het probleem te verhelpen, maar dat weinig tot geen resultaat heeft opgeleverd.

De huisarts maakt voor mij een zorgdossier aan en ik krijg de verwijzing naar een orthopedisch medisch centrum. Vol goede moed bel ik hen om een afspraak te maken. Dat lukt gelukkig nog in dezelfde week. Er wordt direct een röntgenfoto van de heup ingepland. Als de foto is gemaakt en ik voor de expertise beland bij de orthopeed komt hij tot de conclusie dat het de heup helemaal niet is. Het zit volgens hem veel meer in de wervelkolom. De volgende dag kan ik opnieuw op komen voor een nieuwe röntgenfoto. Direct ook krijg ik hierop de bevindingen te horen door een physician assistant. Er moet ook een MRI-scan worden gemaakt en ik krijg een doorverwijzing naar een orthopedisch specialist voor wervelkolommen. Deze orthopeed verdeelt zijn werkzaamheden echter tussen meerdere ziekenhuizen en is niet zo vaak in huis. Er gaan zomaar weer drie weken overheen voordat ik bij hem voor een afspraak kan komen. Het probleem blijft, af en toe kan ik wat verder lopen, andere keren word ik beperkt tot niet verder dan 50 meter.

Na het bekijken van de röntgenfoto in samenspraak met de MRI stelt de orthopeed vast dat er ontzettend veel slijtage is waar te nemen tussen de derde-, de vierde- en de vijfde tussenwervelschijf. Hij adviseert mij om een afspraak te maken in het Bronovoziekenhuis voor een diagnose van de pijn door een (Proef)wortelblokkadebehandeling met corticosteroïden. Als niet helemaal duidelijk is waar de pijn vandaan komt doet men deze behandeling.

Na 14 dagen krijg ik een heel boekwerk thuis dat ik moet invullen. Zo’n twintig pagina’s met vragen over mijn klachten, gezondheid, medicijngebruik, gezinssamenstelling, allergieën, werk, etc. Opnieuw word ik in de wacht gezet voor een oproep. Ruim anderhalve week later krijg ik een telefoontje voor een afspraak. Eerst een intakegesprek en dan 12 dagen later de inspuiting.

Ik fiets op het gemak naar het Bronovo voor het intakegesprek. Een straf windje helpt me voor de wind op de heenweg richting het Medisch Centrum Haaglanden. Het is even zoeken, omdat het een bijgebouw is. Waar ik het moderne van het Reinier gewend ben, is deze kliniek wel wat gedateerd. Weinig gezelligheid met strak witte muren. Als je het gebouw binnengaat staat er aangegeven welke route je moet lopen. Ik krijg route 113 mee. Dat houdt echter op een gegeven moment op en dan is het een kwestie van vragen.

Ik heb daar een afspraak met een anesthesist. Een reuze aardige man die heel belangstellend is. Ook hij stelt mij weer vragen die ik ook al in het boekwerk heb beantwoord. Na 15 minuten sta ik weer buiten zijn kamer. Hij heeft vastgesteld waar men moet gaan prikken en vult mijn zorgdossier aan. Zelf geeft hij aan dat hij met vakantie is, “maar”, zegt  hij, “ik heb goede collega’s”. Fijn om te weten. 

Omdat ik heb gezien dat mijn naam niet juist is gespeld, loop ik nog even langs de balie van de afdeling. “Nee, dat kan ik niet aanpassen”, zegt de assistente. U moet even langs de receptie lopen. Er moet ook nog een pasfoto van u worden gemaakt.

Bij de receptie aangekomen, zit er één medewerkster. Er staat een rij van naar schatting 50 mensen voor mij. Geen Hoogvliet of Dirk van den Broek, waar na meer dan drie mensen een nieuwe kassa open gaat. Achter mij staat een man die alleen maar even wil weten waar iemand ligt. Hij mag van mij voor.

Na een kwartier komt er een tweede receptioniste bij. De rij splitst zich, maar ik zie ook iemand van buitenaf ineens tussen de tweede rij schieten. Dat wordt hommeles. Een stevig uit de kluitengewassen Hagenaar pakt hem bij zijn jas en zet hem buiten de rij. “Achteraan anslùitûh”, buldert hij.

Als ik aan de beurt ben geef ik aan wat er moet gebeuren. Mevrouw wijzigt mijn gegevens en maakt een foto van mij en geeft mij een kartonnen kaartje met daarop een sticker. Het kaartenapparaat is kapot. “Bij uw volgende bezoek krijgt uw officiële legitimatie”, zegt ze.

Op weg terug. Door de stad heen. Met een natte rug wandel ik thuis weer naar binnen.

Het wachten is nu tot ik naar het Westeinde Ziekenhuis mag, want daar vindt de inspuiting plaats. Mijn vrouw ziet geen kans om met mij mee te gaan en ik mag niet alleen omdat ik een verdoofd been heb en daardoor een tijdelijk krachtsverlies. Een vriendin van mijn lief is zo lief om mee te gaan.

Al vroeg die ochtend komt ze me halen. Na een gezellig ritje door Den Haag arriveren we bij het ziekenhuis. Ook hier is een routeplan uitgestippeld. Volg de lijn rood. Zo wandelen we al keuvelend naar de polikliniek. Nog even wachten en dan ben ik aan de beurt. De assistente komt me halen en vraagt me om in een rolstoel plaats te nemen. Als ik aangeef nog wel te kunnen lopen, blijkt het de hygiëne te zijn die het rolstoelgebruik verplicht.

Wanneer ik liggend op mijn buik heb plaatsgenomen op een bank, wordt er een röntgenapparaat over me heen geschoven. Nog even vraagt de arts of het om rechts of links gaat en vraagt ook aan mij om het ‘probleembeen’ aan te wijzen. Dan zegt hij dat ik met koude jodium word ingesmeerd. Hij geeft tevens aan dat hij gaat prikken voor de verdoving en duwt direct het naaldje in mijn rug. Dat is even gemeen. Kort daarop voel ik niet meer wat hij doet. Hij mompelt wat onverstaanbaars en verwacht van mij een antwoord. Zijn assistente herhaalt aan mij de vraag. Even later geeft hij aan dat hij niet met de naald bij de zenuw kan komen. “De L4 is niet toegankelijk”, zegt de arts er is teveel kalkafzetting. “Ik ga het op een andere plek proberen”, zegt hij dan en prikt opnieuw. “Geef aan als je iets voelt in je been.” Dat bleek ook de vraag te zijn die ik eerder kreeg. Nu voel ik opeens een tinteling door mijn voet die niet prettig is. “Dit gaat vier minuten duren”, zegt de arts. Na enige seconden is de prikkel dragelijk. De minuten en seconden tikken weg. “Zo meteen doen we dit nog een keer”, geeft hij aan.

Dan mag ik van de bank af. Ik probeer in de rolstoel te stappen, maar dat valt tegen. Het gevoel is weg, de verdoving doet zijn werk. Als ik door de arts in de stoel ben gezet, rijdt zijn assistente mij naar een kamertje apart. “Ik zal even uw vrouw er bij roepen”, zegt de assistente. Ik leg haar uit dat het mijn echtgenote niet is maar een goede vriendin.

Als zij naast mij komt zetten krijgen we de vraag voor een kopje koffie. Dat gaat er altijd in. “Mag het cappuccino zijn”, vraagt onze vriendin brutaal weg. Dat mag en voor mij dan ook maar één. Nog even twintig minuten zitten en dan mag ik naar huis.

Wanneer de baliemedewerkster aan mij vraagt om te gaan staan en met haar mee te lopen, gaat het even mis. Ik denk een hele Piet te zijn maar heb nog steeds geen gevoel in het been. Dan maar weer een rolstoel halen en het ziekenhuis uit rollen. Rolstoelen zij in een ziekenhuis schaars en het duurt dan ook even voordat mijn begeleidster terug is. We rekenen de parkeerkaart af en ik word naar buiten gereden. De auto wordt voorgereden en ik kan mij vasthouden en aan de dakrail in de auto hijsen.

Thuis aangekomen is het nog wel lastig. Het been horrelt naast mijn lichaam. Het gevoel is nog niet terug. Later op de dag gaat het al beter en voel ik me weer veilig.

Nu is het een kwestie van een dagboekje bijhouden met de vorderingen en beleving. Ik ga dit niet aan een blog toevertrouwen. Over zes weken word ik gebeld over mijn ervaringen. Ben benieuwd.