408. Een dagje MUSsen

Het is het dagje MUSSEN wel. Ik moet al vroeg op om mijn eerste klant richting ziekenhuis te brengen. Ze staat al met haar jas aan in de deuropening als ik aan kom rijden. “Mooi op tijd”, zeg ze en probeert in te stappen. Dat gaat moeizaam. “Volgende keer de trede uitschuiven”, zeg ze. Dat heb ik geprobeerd, maar deze zat met zoveel bagger vast aan de car, dat ie niet wilde schuiven. Ik maak hem straks baggervrij.

We gaan op weg, richting Den Hoorn. Scholieren onderweg rijden regelmatig telefonerend voor me uit of tegemoet. Het rijk zou er goed geld mee kunnen verdienen en echt kunnen inspecteren. Soms gaan ze niet opzij. Mijn claxon doet het niet, dat is jammer. Ik probeer het met mijn stem. Meestal maken ze ruimte.

Bij de voetbal in Den Hoorn moet ik onder het tunneltje door. Er is op sommige plekken een nieuwe bituumlaag aangebracht. De paaltjes zijn daardoor weggehaald. Een klein stukje omrijden en dan de Reinier de Graafweg op naar het gelijknamige ziekenhuis.

Als ik aan kom rijden, komt de suppoost met een rolstoel aan. Dat is dit keer kennelijk niet nodig. Mevrouw kan zelf lopen. Ik spreek met haar af dat ze me belt of laat bellen als ze klaar is.

Terug naar Schipluiden. Een vrouw ophalen die naar een verjaardag wil. Het is 10:00 uur. Wanneer ik aankom is ze nog niet klaar. De zuster van het verzorgingsteam is met haar steunkousen bezig. “Ben bijna klaar hoor”, zegt de jong verzorgende. Ze houdt de deur voor me open als ze weggaat en laat de lift vast komen. Ik neem mevrouw mee naar mijn voertuig, terwijl de zuster op haar scooter haar weg vervolgd. “Nog vijf uit bed halen”, zegt ze, als ze ons voorbij rijdt. Ik verbaas me. Even over tienen en dan nog vijf helpen opstarten? Dat kan toch niet.

Ik rijd met mevrouw nog even terug naar de standplaats. Ik ben mijn invalide parkeerkaart vergeten. Ik zal deze niet nodig hebben, maar toch. We gaan op weg. Een toeristische route voor mijn passagier, voor mij is het standaard.

Bij de stop in Den Hoorn kan ik even mee naar binnen. De jarige is een bekende van mij. 89 jaar is ze geworden. Na een kopje koffie opnieuw terug naar Schipluiden.

Mijn volgende klant is een al wat oudere vrouw. Ik heb haar regelmatig in de MUS. Ze wil naar de apotheek in Den Hoorn. “Wil je wachten”, vraagt ze me. Ik heb tijd en blijf voor de apotheek staan. Met 10 minuten is ze terug. Ik breng haar weer terug naar huis. Onderweg krijg ik te horen dat ze vandaag wederom geen hulp heeft ontvangen van haar huishoudelijke hulp. Het is al de derde keer deze maand. “En weet je wat zo erg is”, zegt ze, “ze laten van te voren ook niets weten. Ik heb ‘recht’ op twee uur hulp. Vorige week kreeg ik een jongetje van een jaar of 16. Heeft nog nooit een stofdoek in z’n handen gehad. Na een uur ging ie al weer weg. Hij zegt tussen neus en lippen nog even: “oh ja mevrouw, vanaf volgende week krijgt u een half uurtje minder hulp. Ik heb er over gebeld. Ze hebben niemand.” Ik hoor meer van soortgelijke verhalen. Ik besluit om het eens mee te nemen naar het Burgerplatform waar ik lid van ben. Ook de wethouder moet dit weten. Ik wens mevrouw sterkte toe en zet haar thuis af.

De telefoon gaat. ”Receptie Reinier de Graaf, met Mies”, zegt de vrouw aan de andere kant van de lijn. “U kunt mevrouw X weer ophalen hoor, ze zit in de hal.” Ik geef aan dat ik er met vijf minuten ben en ga naar het Reinier op pad. Mevrouw heeft geen fijne boodschap gehad, van de oncoloog. Ze verhaalt er uitgebreid over. Dat doet me wat. Ik kan met moeite mijn emotie binnenhouden. Ik zet haar thuis af, waarop ze vraagt of ik tijd heb voor een kopje koffie. Dat heb ik, een kwartiertje. Ik ga even mee naar binnen drink mijn koffie op, aanhoor haar verhaal en wens haar sterkte als ik wegga. “Fijn dat je even tijd had”, zegt ze als ik de gang uitloop.

Op naar mijn volgende klant. Ik ben er iets te vroeg en wil iemand niet opjagen. Ik wacht even in mijn MUS. Al snel gaat de deur open en komt mevrouw naar me toe lopen. “Ik zag je komen, mooi op tijd”. Ik help haar even met instappen en rijd naar de Basalt. Mevrouw gaat terug met haar aangepaste schoenen. “Voor de zoveelste keer”, zegt ze. “Ik ben boos, heel erg boos”, geeft ze te kennen. “Ik ga er nu voor de vijfde keer voor terug”. “Ik zal de schoenmaker eens even goed van repliek dienen.” Ik ken haar niet zo als strijdig persoon, maar nu is ‘t menens, merk ik. Onderweg praten we over eenzaamheid, maar ook over het feit dat ze de dinsdagse maaltijd in de Dorpshoeve heeft ontdekt. Zo vertelt er met plezier over. Ik zet haar af bij de Basalt. “Denk om uw hart, hé”, geef ik haar mee. Ik spreek met haar af dat ze me zal bellen als ze klaar is.

Het is maar een kort stukje van de Basalt naar een klant in Den Hoorn. Mevrouw gaat naar de pedicure. Ik kan goed met haar praten. Ze geeft aan dat ze eenzaam is. Gescheiden van haar man en haar kinderen. Ze zijn ver van haar weg gaan wonen. Mevrouw is echt eenzaam en vertelt dat er nooit iemand bij haar komt. Ze heeft geprobeerd om zich aan te sluiten bij de Zonnebloem, maar eenzaamheid is geen criterium geeft men aan. Ze hoeft geen bezoek, maar wil af en toe met een activiteit mee doen. Ook dat is niet gelukt. Dan breekt mevrouw en zit huilend naast me. Een lastig moment. Ik probeer haar enige troost te geven. Ze vindt me aardig, zegt ze. “Ik plan altijd op dinsdag, omdat ik graag met u meerijdt.” Ik zet haar af bij de pedicure.

Het is inmiddels half twee. Ik schiet nu snel naar huis heb even tijd voor een broodje. Ik heb mijn boterham net gesmeerd als mijn privé-telefoon afgaat. Het is de coördinator. Mevrouw bij de Basalt is klaar. De boterhammen gaan in een zakje mee, voor onderweg.

Aangekomen bij Basalt, komt mevrouw met een lach naar buiten. “En”, zeg ik, “heeft u de schoenmaker zijn vet gegeven.” “Nee”, zegt mevrouw, “het was een Limburger en die hebben zo’n leuk taaltje, daar kan ik niet boos op worden. Over 14 dagen kan ik mijn schoenen weer ophalen.” Ik breng haar terug naar Schipluiden.

Onderweg merk ik dat mijn karretje moeite krijgt om te rijden. De kleurtjes op de display zijn al behoorlijk terug gelopen. Ik besluit om deze MUS om te ruilen voor een die aan de oplader staat.

Mijn volgende rit. Mevrouw moet worden opgehaald van de verjaardag. Ze heeft om half drie afgesproken. Ik rijd terug naar Den Hoorn. Onderweg een belletje. Mevrouw van de pedicure is klaar. Het wordt een combinatieritje. Als ik beiden heb teruggebracht heb ik even tijd voor een kopje koffie. Dat doe ik in Akkerleven.

Nog een ritje. Vanuit de basis weer naar Den Hoorn. Een nog jonge vrouw moet naar de Basalt. Een intakegesprek. Mevrouw vertelt dat haar iets heel ernstig is overkomen, waardoor ze zich moet melden bij het revalidatiecentrum. “Ik wist niet van jullie bestaan af”, zegt ze, “maar door een vriendin werd ik er opmerkzaam op gemaakt. “We bestaan al ruim anderhalf jaar”, geef ik haar te kennen”. “Blijf je wachten”, vraagt ze. Ik heb er geen ritten meer achteraan, dat zou dus kunnen. Het wagentje gaat langs de kant, ik probeer binnen een kopje koffie te scoren en neem wat leesvoer door. De receptioniste vraagt voor wie ik kom. Als ik haar uitleg dat ik van de MUS ben, ik heb bedrijfskleding aan, wil mevrouw zien wat dat is. “Dat zouden ze in Delft ook moeten hebben”, zeg ze, “de regiotaxi is zo onbetrouwbaar.

Na 20 minuten is mevrouw klaar. Ze komt naar me toe. “Dit is toch ideaal”, zegt ze, wijzend op mij. De receptioniste beaamt het.

We rijden terug, maar ik merk al dat mijn wagentje van lieverlee aan z’n eind is. Ik haal het nog tot de Bolle Kickert, de brug over de Gaag. Dan is het over. “En nu”, zegt mevrouw, ik ga het slepend proberen, maar het is nog wel een eindje. Ik hoop dat ik het haal. Mevrouw krijg ik thuis, maar daar is alles mee gezegd. Bij een bevriend iemand mag ik de stekker even in het stopcontact stoppen. Twintig minuten, dan ga ik proberen om thuis te komen. De display geeft ‘vol’ aan, maar is dat zeker niet. Langzaam rijd ik terug naar Akkerleven de basisplaats in Schipluiden. Ook nu moet ik het slepend doen, dat geeft geen goed gevoel. Angstig zelfs, je weet niet waar het definitief ophoudt. Meer chauffeurs klagen er over. Het zal toch niet zo zijn dat we aan ons eigen succes ten onder gaan.

Het vervoersproject voldoet aan een behoefte, meer dan dat, zelfs. Sociaal, mooie gesprekken, angstig soms, maar bovenal met veel plezier rijden de vrijwillig chauffeurs hun dagelijkse ritten. I.v.m. de beperkte actieradius gaan we toch terug naar een minder aantal ritten. Een iets grotere investering vanuit de opdrachtgevers zou helpen. Maar dat is aan de politiek.

Volgende week sta ik er weer, met evenveel plezier. Want je laat de mensen niet in de kou staan. Maar kom ik aan het eind van de dag met mijn MUS thuis? Dat blijft elke week weer een dingetje.

397. Voor de gezelligheid of politieagent

Elke dinsdag kom ik haar tegen. Een vrouw, achterin de veertig/begin vijftig. In haar gele hesje loopt ze voor het Reinier de Graafziekenhuis en regelt dat het geen puinhoop wordt bij het kort parkeren.

“Goedemorgen”, zegt ze als ik ‘s morgens aan kom rijden met de MUS, het vervoersproject dat rijdt in de Gemeente Midden-Delfland. Voor ik het weet staat ze naast het portier aan de bijrijderskant. Ze helpt de vrouw die naast me zit uit mijn karretje. Ik sta achter haar en kijk toe. Ik krijg niet de gelegenheid om te helpen. “Ik haal even een rolstoel”, zegt de dochter die achterin heeft gezeten. “Succes mevrouw”, zegt de vrijwilligster van het ziekenhuis. “Tot strakjes”, zegt ze als ik heb aangegeven dat ik straks nog iemand kom brengen.

Vrijwilliger is ze. Zoekt een baan maar dat is na vele pogingen nog steeds niet gelukt. “Ja, dan kan ik thuis gaan zitten, maar daar ben ik alleen en spreek ik niemand.” Ik raak met haar in gesprek als mijn ‘klant’ nog in geen velden of wegen is te zien. “Voor het geld hoef ik dit niet te doen, je krijgt hier een ochtend of middagbijdrage. Het is meer de gezelligheid.”

Soms is het meer dan de gezelligheid en moet ze politieagentje spelen.

Er komt een taxichauffeur aanrijden. Hij parkeert zijn auto op de plek van afhalers. “Meneer”, zegt ze, “wilt u uw auto op de taxistandplaats zetten.” De man kijkt haar aan en loopt haar straal voorbij. “Meneer, meneer, wilt u uw auto weghalen”, vraagt ze opnieuw. “Daar heb jij niks over te zeggen”, blaast de man haar toe en loopt door. Ze is boos, zichtbaar boos. “Ik spreek hem zo meteen nog wel even aan”, zegt ze, “zo gaan we niet met elkaar om.

Ik zit te wachten op een klant die heeft laten bellen door de receptie van het ziekenhuis. Ze zit kennelijk nog binnen, ik ga naar haar op zoek. Wanneer ik even later terug kom wandelen achter een rolstoel en mijn klant help in de MUS, pakt de vrijwilligster mijn rolstoel. Ze geeft mevrouw een muntstuk terug en zet de rolstoel in de rij van rolstoelen. “Sterkte mevrouw”, zegt ze als ze nog even terug komt lopen.

Wanneer ik op een keer aan kom rijden met de MUS is er geen plekje om mijn klant af te leveren. De plek van de Reinier de Graaf shuttle is leeg. De shuttle is onderweg. Ik parkeer de MUS op die plek. Daar komt de vrijwilligster aan stieren. “Je mag hem hier niet zetten”, zegt ze met een doordringende toon. Ik heb geen uitzonderingspositie ondanks het feit dat ik haar elke week tegenkom en altijd een praatje met haar maak. “Ik hoef alleen maar even uit te laten en ga direct weer weg”, probeer ik. “Nou vooruit”, zegt ze. “Mevrouw heeft u een rolstoel nodig”, vraagt ze aan mijn klant die haar zoon achterin heeft zitten. “Graag”, zegt mevrouw op leeftijd. Ze graait even in haar broekzak en haalt er een muntstuk uit. “Soms krijg ik die euro niet terug”, geeft ze aan. “Mensen zetten dan zelf de stoel teug en vergeten om die munt terug te geven. Gaat onbewust”, zegt ze. “Soms ook mag ik die euro houden als ik de rolstoel terug zet. Het heft elkaar op.”

De parkeertarieven ook zoiets waar ze op wordt aangesproken. Wanneer een vrouw op middelbare leeftijd haar auto naast mijn karretje zet, parkeert ze strak in. Dat wil zeggen zo dicht bij mijn bijrijderskant dat mijn klant er niet meer in kan. Uit de auto komt uit de achterzit een oudere vrouw. Met twee mensen wordt ze uit de auto getrokken. De deur moet wijd open en dat kan alleen wanneer je dicht op een andere parkeert. Wanneer de vrouw uit de auto in de rolstoel, die uit de achterbak wordt getild, is gehesen, sluit de chauffeuse de auto. Met z’n drieën wandelen ze naar de ingang toe. “Waar gaan we heen, mevrouw?” Vraagt de vrijwillig medewerkster. “Naar binnen”, antwoordt een van de drie. “Dan moet u de auto naar de garage rijden”, zegt de vrouw in het gele hesje. “Weet u wat dat kost?”, vraagt de persoon die zojuist het antwoord gaf. “Dat weet ik”, antwoordt de vraagstelster. “Wij moeten hier elke dag zijn voor een injectie voor onze moeder, en zijn zo weer terug, dat kost een vermogen als we steeds naar de parkeergarage moeten.” “Sorry mevrouw, dat zijn hier de regels. Deze plekken zijn alleen voor halen en brengen. Ik kan dit niet toestaan.” Morrend loopt een van de dames terug om de auto naar de garage te brengen. “Ze moeten niet bij mij klagen, ik kan daar ook niets aan doen.”

Een jongeman komt aanrijden in een busje. Achterin heeft hij een oudere man zitten. Hij zet zijn auto op de laad- en losplek. “Goedemiddag meneer.” Ze spreekt de gasten van het ziekenhuis altijd netjes aan, “komt u meneer alleen brengen en gaat u dan weer weg.” “Ja”, zegt de jongeman, “mijn vader heeft een afspraak.” “Dan mag u uw vader hier wel afzetten, maar de auto moet naar de parkeergarage.” “Nee, doe ik niet”, zegt de man, “Dan zit mijn vader hier alleen.” “Let ik toch even op hem”, biedt ze aan. “Dat is aardig”, antwoordt de jongeman. “Ik overleg even met mijn vader.” Even later staat ze achter de rolstoel te wachten tot de jonge chauffeur terug is. “Dank u”, zegt hij en geeft haar een fooitje.

Op een betonnen blok voor het ziekenhuis zit een man van buitenlandse afkomst. “Hé”, roept hij naar de vrijwilliger van het ziekenhuis. “Hé, kom jij weleens bij het Kruidvat of zo.” De vrouw loopt naar de man toe. “Trees* heet ik”, zegt ze. “Trees, kom jij weleens bij het Kruidvat?”, vraagt hij opnieuw, maar nu netjes. “Ik heb deodorant nodig”, zegt hij. “Ik heb weinig familie die dat kan halen, zou u dat willen doen.” Trees trekt haar wenkbrauwen op. “Hoezo vraagt u dat aan mij”, zegt ze, “en wat voor deodorant.” “Ik heb niemand die ik het kan vragen en ik dacht aan u. Ik moet hier nog ruim 14 dagen blijven en ben bang dat ze me dan ruiken”, zegt hij lachend. “Ik heb er vooralsnog pas op donderdag tijd voor om het te doen”, antwoordt Trees. “Welke deodorant moet ik dan meebrengen.” “Maakt niet uit, welke u lekker vindt.” De man haalt zijn portemonnee tevoorschijn. Hij haalt er een briefje van vijftig uit. “Hier”, zegt hij, “laat de rest maar zitten.” Trees kleurt, door haar bruine tint op het gezicht, komt een rode kleur tevoorschijn. “Nee”, zegt ze, “dat wil ik niet, dat kan en mag ik niet aanpakken.” De man rekt zijn arm en geeft haar het briefje van vijftig. “Ik kan het pas donderdag halen”, zegt ze waarop ze hoopt dat de man het briefje terug stopt. Hij blijft echter aandringen. Ze pakt het briefje aan, maar ik zie aan haar gezicht dat ze er vreselijk mee verlegen is. Met zijn krukken onder de oksels wandelt de man het ziekenhuis weer in. Een week later zie ik Trees weer. “En”, vraag ik, “deodorant gekocht.” “Ja, en het was nog de goede ook”, lacht ze. “En het geld?”, vraag ik. “Hij wilde het niet aanpakken, hij had er genoeg van in zijn portemonnee”, zei hij. Elke keer als ik Trees zie moet ik denken aan de deodorant.

Ik maak haar nu al ruim anderhalf jaar mee. Benijd haar niet, maar heb wel ontzettend veel respect voor haar. Ze blijft vriendelijk en beleefd. Doet gewoon wat haar is opgedragen en blijft erbij lachen. Ik vind ze top.

* Trees is een gefingeerde naam uit privacy overweging

365. Schipluiden neemt massaal afscheid van dr. Verhoeks

Als half december de lijst van activiteiten in de Dorpshoeve wordt rondgestuurd, besluiten mijn lief en ik daarvan een vacature op ons te nemen. De Dorpshoeve is het gemeenschapsgebouw van Midden-Delfland in Schipluiden. Het is ondergebracht in een stichting die naast één betaalde kracht louter uit vrijwilligers wordt draaiend gehouden.

Het is 12 januari 2019. We wandelen even voor twaalven naar de locatie. Het is het afscheid van huisarts Verhoeks. Bij aankomst lopen er al een aantal vrijwilligers van de Dorpshoeve rond. Ook alle medewerkers van de huisartsenpraktijk Schipluiden hebben een taak toebedeeld gekregen. Dr. Bohnen vult de ballonnen met gas. Lachgas? Ik weet het niet. De gymzaal is als receptieruimte ingericht. Er ligt een vilten vloer op de grond. Ballonnen bepalen de looproute. Op de grond ligt ook een rode loper. Een tafel wordt de uitstalplek voor cadeautjes.

Om even over half een komt dr. Verhoeks de locatie binnen wandelen. Hij heeft vrouw en kinderen meegebracht. Zijn gevolg kiest een strategische plek aan een sta-/hangtafel. Ze zouden er de middag aan doorbrengen. Ook de nieuwe huisarts is aanwezig, dr. Femke Spruijt. Haar partner is vandaag de fotograaf.

Nog even een kopje thee of koffie voordat Schipluiden binnen komt lopen. Het bedienend personeel heeft zich inmiddels in de bedrijfskleding gehesen. De kopjes staan in rijen op de tafel te wachten. De koffie pruttelt, de waterkoker kan het niet aanwerken. De eerste gasten komen binnen. Het is tijd om de ‘plek’ in te nemen.

Dan om tien voor een komen de eerste gasten binnen. Ook Marja van Bijsterveldt, oud burgemeester van Midden-Delfland, met haar man Antoine ontbreken niet. “Even tijd voor gemaakt”, zegt ze. Om even later het dorp Schipluiden te roemen om hun grote aantal vrijwilligers. Dan gaat het in een sneltrein vaart, d.w.z. dat de mensen aansluiten in een lange rij. Bordjes met: ‘Vanaf hier nog drie kwartier’, zouden niet misstaan. De rij wordt steeds maar langer. Dr. Verhoeks neemt de dankwoorden rustig in zich op. Dr. Spruijt stelt zich voor aan de patiënten. Voor iedereen is er een persoonlijk woordje.

In de keuken is men begonnen met het snijden van de komkommer en leverworst. De blokjes kaas en de romatomaatjes completeren de schaal. De glazen wijn en jus d orange hebben gretig aftrek. Ook de koffiepot wordt nog maar eens gevuld.

In de zaal mag eenieder een vingerafdruk achterlaten op een groot schilderij met het logo van de huisartsenpraktijk. Even een schoonmaakdoekje over de vinger en dan de wachtrij vervolgen.

“Kan de bittergarnituur de zaal in”, vraagt een van de assistentes. Daar wordt voor gezorgd. Verschillende dozen frituurhapjes pruttelen in het vet. Inmiddels gaat voor de derde keer de vaatwasser aan. Deze gaat die middag niet meer uit.

Als de bittergarnituur wordt uitgeserveerd, is de vraag: ‘worden er geen bitterballen uitgeserveerd’. Die staan niet op de bestelde hapjes. Als echter de andere dokter er ook om vraagt gaan ze eveneens het vet in. Het is een gezellig gebeuren, het lijkt op een reünie.

Op de tafel in de zaal stapelen de cadeautjes zich op. Allerlei lekkernijen, bloemen, wijn, plantjes, een tekening. De tafel is te klein. Ook naast de tafel komen cadeautjes te staan. De fotograaf schiet de plaatjes. Hoeveel, hij weet het niet. “Het is niet aan mij om ze straks uit te zoeken”, zegt hij, “dat laat ik aan de medewerkers over”.

Om half vier komt er een groep blauwhemden binnen. Ze hebben een instrument bij zich. Schipluiden eigen hoort de boerenkapel de Knotwilgen bij zo’n feest. Nog even wachten, want er staan nog mensen in de rij. Maar om kwart voor vier gaat het gezelschap los. Iedereen wordt de feestzaal in gedirigeerd, achter de muziek aan. Heel toepasselijk speelt men het nummer: het Dorp van Wim Sonneveld. 

Na een aantal feestnummers is het woord aan Dr. Bohnen. “Beste Ton, dr. Verhoeks, er is een tijd van komen, er is een tijd van gaan. Voor jou is dat laatste aangebroken. Na bijna 20 jaar is het mooi geweest.” Na mooie woorden overhandigt hij het schilderij met de vele vingerafdrukken. Een symbool van verbondenheid met Schipluidenaren.

Wanneer Dr. Verhoeks het woord neemt, memoreert hij aan 20 jaar huisarts zijn in Schipluiden. “Het was voor Schipluiden een hele verandering, twee huisartsen uit de grote stad. Maar dat was het ook voor ons”, zo zegt hij. Met veel plezier is hij huisarts geweest in het dorp, heeft lessen gegeven bij de EHBO en heeft het AED-project mogen meemaken. “Dank u wel, dat u ons de gelegenheid heeft geboden om te doen wat we wilden, dat u ons uw vertrouwen heeft gegeven”. Het laatste half jaar werkte hij al wat minder en met een schuin oog zag hij zijn patiënten bij dr. Spruijt naar binnen gaan. Een stukje weemoed kwam naar boven. “U zult mij niet snel terug zien komen. Vanaf vandaag ben ik van dr. Verhoeks, Ton Verhoeks geworden”. Met deze woorden nam Ton Verhoeks afscheid van de Schipluidense bevolking.

Dr. Verhoeks kreeg een waardig afscheid, waar veel mensen bij aanwezig waren, waar mooie en dankbare woorden zijn uitgesproken. Een nieuw hoofdstuk zal voor hem ingaan en Schipluiden zal dr. Spruijt even warm ontvangen als ze dat eerder met die twee stadse dokters deed.

362. Kerstwandelen met ouderen

“Aad heb jij donderdagavond nog tijd?” vraagt een vrijwilliger van Akkerleven, onderdeel van Pieter van Foreest. “We gaan die avond kerstwandelen met ouderen.” Tijd of niet, daar maak je tijd voor tenzij….je echt geen tijd hebt. Twee dagen voor de wandeling krijg ik een vrouw toegewezen uit het dorp. Dat betekent eerst ophalen en dan naar Akkerleven rijden. Het is de bewuste wandeldag een slechte regenachtige dag en dat duurt al vanaf die morgen vroeg. Zou het feest wel door gaan?

Het is donderdagavond, mijn lief heeft haar kerstdiner op het werk, voor mij is er erwtensoep, een winters goedje. Als ik op weg wil gaan hoost het van de hemel. Ik heb niet gehoord dat het niet door gaat. Ik ga gewoon. We gaan het zien.

Wanneer ik bij mijn mevrouw kom is ze nog niet klaar. “Het begint toch pas om zeven uur”, zegt ze. Ik heb de opdracht gehad om mevrouw op te halen en tussen half zeven en kwart voor zeven met haar in Akkerleven te zijn. Mevrouw trekt gauw haar schoenen aan. Ze heeft een deken opgezocht tegen de kou en heeft nog een plastic wegwerpregenjasje. We gaan op pad, maar nog geen tien meter na vertrek geeft ze al aan dat ze het koud heeft. “Wil je even mij dekentje pakken”, zegt ze. Ik haal hem uit haar tas en werp hem over haar schouders. “Ga er maar op zitten”, zeg ik haar en stop de buitenkanten onder haar benen. Nu kunnen we op weg. Nog geen 50 meter op weg begint het te regenen. Grote druppels vallen als parels naar beneden. “Ik heb nog een regenjasje in mijn tas”, zegt ze lief, “voor jou”. Ik stap stevig door maar we komen met natte schouders aan bij Akkerleven. “Doorlopen naar de kantine”, krijg ik mee.

In de kantine verzamelen de rolstoelers met hun vrijwilligers. Er worden kerstmutsen uitgereikt. De kerstman en zijn kerstvrouwtje lopen rond. Rolstoelen zijn versierd met een lichtjesstreng. Het is een vrolijk gezicht. Er wordt nog even gewacht tot het droog wordt. Buienradar is even belangrijk. Na een kwartiertje wordt het droog. Alhoewel, er vallen nog wat kleine druppeltjes. Met 40 rolstoelers gaan we op pad. Bij de uitgang bij Akkerleven krijgen de vrijwilligers een lichtgevend hesje. Geel of oranje. Bij de gele maakt men de opmerking over de commotie over het gele hesjesprotest.

Om de groep zoveel mogelijk bij elkaar te houden houdt men een halt bij het begin van het Windrecht. Verkeersregelaars zetten de kruispunten af. Veiligheid voor alles. Een auto probeert nog even voorbij te scheuren en wordt de wijk in gedirigeerd. Wanneer iedereen is aangesloten gaat de stoet van start. Sante Cees belt en roept: “Ho, ho, ho, Merry Christmas”. Hier en daar gaan de gordijnen open. Men zwaait als de groep langs komt. Het is gluren bij de buren. De ene kamer heeft een prachtige versiering. Op een ander adres is het volledig donker. Langzaam wandelen we het Windrecht af. Aan het eind slaan we linksaf langs Korpershoek en gaan we richting palviljoen ‘t Middelpunt. Sommige vrijwilligers moeten even een duwtje hebben om de kade op te komen. Daar zijn ook weer vrijwilligers voor. Bij het Middelpunt een prachtig versierd restaurant. Er zitten geen mensen binnen, de kok heeft tijd om uitbundig te zwaaien. We schieten de Vlaardingsekade op. Bij de voormalige Rabobank hebben ze een kerstgroep in het kozijn gezet. Hier is een rustpuntje. Dan het smalle stuk op. Er staat iemand in de deuropening. “Goed dat je de aankondiging op Facebook heb gezet, Aad”. Ook hier op verschillende plaatsen een kerstgroepje in het raam. Bij een huis is de hele kamer vol gezet met brandende kaarsjes er is niemand in de kamer. Bij Net even Anders is het langzaam voorbij lopen. Ook hier de etalages volledig in kerstsferen. We gaan de Keenenburgweg op.

Een pauzemoment bij de Dorpshoeve. Hier is warme chocolademelk, zelfgebakken cake, koek of kerststol. Op de chocolademelk hoort slagroom en daar wordt niet karig mee omgesprongen. Nog even een tweede kopje en dan de weer op pad.

Bij het oude Gemeentehuis staat een fiere kerstboom met lichtjes. Een mooie plek om even een foto te maken. We zijn wel breed met zoveel. Met een panoramafoto lukt het wel. Een trapje erbij en schieten maar. Er flitsen meer telefoons. Na een kort oponthoud gaan we weer verder, de B.M-singel op. Hier hebben de bewoners weinig voor met kerst. Bijna geen versiering en vooral gordijnen dicht. Voor de kerk gaan we linksaf. Om daarna direct rechts te gaan. “Breng mij maar naar huis”, zegt mijn gast, “dan kan jij ook naar huis.” Waar de groep linksaf gaat rijd ik rechtdoor. Voor mijn gast en mij zit het erop. Ik zet haar thuis af en wens haar prettige feestdagen. Ze gaat met vakantie vertelt ze me en komt na de Nieuwjaar pas weer thuis. We hebben het droog getroffen. Buienradar heeft het goed voorspeld.

Ik neem mijn fiets mee en rijd naar Akkerleven terug. Ik moet mijn muts nog inleveren. Dan haal ik de groep in. Wanneer men binnenkomt is er een aardigheidje voor de vrijwilliger. Attent. De dekens, mutsen en wielverlichting wordt weer ingeleverd. Een geweldig leuk initiatief is weer voorbij.

Terwijl de bewoners naar de kamer gaan, is er voor de vrijwilligers nog een koffiemoment. Nog even napraten en dan is het echt voorbij.

De dank gaat uit naar de vrijwilligers, de verkeersregelaars, de sponsoren: Albert Heijn Buckers, de Dorpshoeve, Paviljoen ’t Middelpunt, de bakkers en natuurlijk niet te vergeten de groep van mensen die de voorbereidingen hebben gedaan. Dankjewel ook voor spontane Sante Cees die al bellend de groep begeleidde. Kerst kan komen, de gedachte eraan zijn nog dieper geworden. Een vredige kerst toegewenst.

350. Kringloopwinkel Habbekrats al in Kerststemming

Het is tijd om weer eens ’n keer bij de Habbekrats langs te gaan. Je weet het vast die fantastische kringloopwinkel aan de Lierweg 61 te De Lier. Eerst nog even wat boodschapjes doen en dan op naar de koffie bij de vrijwilligers.

Het is kwart voor tien als ik vanuit Delft aan kom in De Lier. De koffie staat al lekker te pruttelen in het keukentje. De kopjes staan op tafel en er liggen gevulde koeken. Ik val met mijn neus in de boter.

Om tien uur is het zover. “Koffie”, roept een van de vrijwilligers en van uit alle hoeken stromen de blauwshirts naar de centrale tafel. Een van de dames heeft iets te vieren en heeft de gevulde koeken meegebracht. De tafel is te klein voor het aantal vrijwilligers die die dag aan de slag zijn. Naast de mensen in de winkel zijn ook de mannelijke vervoerders aanwezig. De man die de controle doet van de apparatuur staat op een trapje en repareert nog even een lamp en schuift dan ook aan. Er gaan geen kapotte zaken de deur uit en als men het toch wil hebben, dan wordt de prijs daar aan aangepast.

Tijdens de koffie is het een heel gekakel. Er wordt gezellig gekletst en dat is ook wat mij steeds weer opvalt. De vreugde in de kringloopwinkel. Er zal best zo hier en daar wel eens een woordje vallen, maar doorgaans heeft men het er geweldig naar de zin. Een klant die binnenkomt mag aanschuiven, het is immers koffietijd. De tafel wordt wat groter gemaakt en iedereen mag erbij komen zitten. Misschien wel het belangrijkste van een kringloopwinkel, socializen. Wanneer er een man binnenkomt die spullen komt brengen verlaat men de tafel om even te helpen met uitladen, maar niet eerder uitladen voordat er is gekeken of wat men aanlevert en in het assortiment past. Want er zijn voorwaarden. Geen levensmiddelen, geen witgoed en geen reclamemateriaal.

De kringloopwinkel Habbekrats is sinds afgelopen maandag, 15 oktober, gehuld in de kerst. Waar ik zelf altijd verkondig dat de kerst pas komt na Sinterklaas, heeft men daar hier maling aan. Uit de opslag is men bezig geweest om dozen te legen. Kerstballen, kerststukjes, kerststallen, kerstfiguurtjes, kersthuisjes, kerstslingers, je kunt het zo gek niet benoemen of het is er. En de kleur, vraag er naar en men tovert het tevoorschijn. Dozen vol attributen die op de een of andere manier iets met kerst te maken hebben.

Even verderop zijn de dames bezig met kleding en schoenen. Alles moet netjes zijn, liefst gestreken. De rekken hangen vol met allerhande kleding. Mannen-, dames- en kinderkleding. Dan komt een van de dames mijn kant op, heeft een paar bruine Bugattischoenen bij zich. “Aadje, jij hebt toch maat 44?” vraagt ze. Ik beaam het. “Ik heb hier prachtige schoenen, een poetsbeurtje en je hebt je kerstschoenen al gescoord.” Ik kijk het even aan. “Wat moet dat kosten”, is mijn vraag. “Voor jou €7,50.” Ik pas ze en verdraait, het loopt als een trein. Bij de kassa probeer ik nog wat af te dingen, maar daar doen ze bij de Habbekrats niet aan. Het kost al bijna niets, dan moet je niet ook nog eens korting willen.

Even verderop vind ik een nog nieuw in het plastic verpakt letterspelletje. Nou wil het geval dat ik actief ben bij Taalexpress. Een kereltje van nog geen vijf jaar oud lees ik voor en dit is een mooie aanvulling op de voorleessessies. Inpakken en meenemen.

Een Jan van Haasterenpuzzel ligt me vragend aan te kijken. “Neem me mee”, zie ik aan de doos. Dat treft, onze buurvrouw gaat op vakantie en vindt het leuk om puzzels te leggen. Inpakken en meenemen.

Zo loop ik langs de schappen die zoveel mooie spullen herbergen, maar als ik het allemaal mee zou moeten nemen, zou ik mijn eigen kringloopwinkel kunnen beginnen. Heel even twijfel ik nog over een kerststal. Ziet er wel erg leuk uit, jammer dat het kindeke Jezus in een legoblokje ligt. Ik besluit het niet mee te nemen, als is ie gaaf.

Ook mijn lief heeft nog het nodige gevonden. Effen afrekenen en in de fietstas. Gepakt en gezakt rijd ik naar huis. In mijn achterhoofd wetend, dat er een vervolg zit aan het geld dat ik zojuist hebt gedoneerd. De goede doelen die straks weer worden verrast sponsor ik mee. Hoe mooi kan het zijn.

271. 7 december, dag van de vrijwilliger

Het is vandaag ‘dag van de vrijwilliger’. Een dag waar je best bij stil mag staan. Zonder vrijwilligers zou de huidige maatschappij een rommeltje zijn. Maar pas op dat betaalde banen niet door vrijwilligers worden ingevuld, want dan schiet het z’n doel voorbij. Vrijwillig maar niet vrijblijvend, zo hoor je vaak. Het is echter geen baan. Je doet het naast je werk of op therapeutische basis. Mijn leven lang heb ik of ben ik betrokken geweest als vrijwilliger. Ik heb er energie van gekregen, want dat is wat het moet opleveren. Gaat het je tegenstaan dan wordt het tijd om afscheid te nemen.

Hoe langer hoe meer kom je tot de ontdekking dat het helemaal niet vanzelfsprekend is om vrijwilligerswerk te verrichten. De leeftijd van het werkbare leven loopt op, er wordt meer mantelzorg verwacht, maar ook de financiële situaties bij gezinnen vraagt erom dat er meer of langer wordt gewerkt. Prioriteiten worden ook vaak anders bepaald.

Jeugd is al bijna helemaal niet te porren voor een vrijwilligersfunctie. “Wat schuift het”, krijg je dan te horen.

Het loslaten van de solidariteitsgedachte, met zijn allen doen we het, bepaalt tevens dat men veel minder bereid is om iets voor een ander te doen. Waar men in de jaren 60 en 70 veel meer uitging dat men het samen moet doen, kiest men nu veel meer voor ‘ik’. Maar ook de mantelzorg vraagt tijd van mensen. En er zitten niet meer dan 24 uur in een dag.

Je ziet verenigingen stuk gaan op het ontbreken van bestuursleden en vrijwilligers. Vaak ook is het de ingewikkelde regelgeving die medebepalend is voor het doen van vrijwilligerswerk. Maar de bemoeizucht en mondigheid van leden of ouders van leden maken dat men niet zo snel ‘ja’ zegt op dat voorzitterschap, secretaris of leider van een team of groep.

De ooit ingevoerde maatschappelijke stage heeft ook niet die potentiële vrijwilliger gebracht. Het moet dus men doet het, maar beslist niet langer dan echt nodig is.

Op projectmatige basis is men vaak nog wel bereid om de handen uit de mouwen te steken, maar is dat project afgelopen dan kapt men er weer mee. Zo is het projectmatig werken natuurlijk ook ingericht, al is er hoop dat men het zo leuk vindt, dat ook die permanente stap gemaakt wordt.

Hulde voor wie wel vrijwilligerswerk verricht, mantelzorg in zijn pakket heeft of zich inspant om naast het eigen gebeuren een extra stapje te doen. Je mag het vieren, 7 december, dag van de vrijwilliger. Ik ben benieuwd welke verenigingen hier vandaag wat extra aandacht aan geven.

260. Jubileumweek bij kringloopwinkel Habbekrats

Vijf jaar Habbekrats. Habbekrats, de kringloopwinkel in De Lier die zoveel meer is dan alleen maar verkopen van tweedehands spullen.

In de week van 1 t/m 4 november 2017 wordt op grootse wijze het eerste lustrum gevierd. Een lustrum dat bol staat van de activiteiten. Op dag één is er het terras, een koffieplek voor ieder die binnenloopt en even een praatje wil maken. Deze activiteit is er ook op de tweede en de derde dag in de ochtend.

Op 1 november is er ’s middags de creamiddag. Mensen van uit de dagbesteding laten zien wat zij zoal doen. Daarnaast bestaat er gelegenheid om kennis te maken met krijtverf of white- of greywash. Made By Me, Marieke Koole geeft hier workshops in. Oude meubelen, vazen, kopjes e.d. krijgen een metamorfose door hen een nieuwe verflaag te geven. Meubelen die al jaren zijn afgeschreven krijgen een heel nieuw leven in de hedendaagse tijd. Aan de lange tafel wordt er gehaakt. Je hoeft het niet te kunnen, het wordt je bijgebracht door een oud-vrijwilligster die geduldig helpt met het opzetten van de steken. Verwacht er geen sjaal in één middag, maar leuke kleine kerstschoentjes, zijn al gauw gehaakt.

Op 2 november is het de beurt aan de Zonnebloem, afdeling De Lier. Met 70 man/vrouw sterk wordt de kringloopwinkel volledig ingenomen, door rolstoelers, stoklopers en aan-de-armwandelaars die hun ogen uitkijken en mogelijk hun slag slaan. En daar hoort uiteraard dat glaasje advocaat met slagroom bij.

Op 3 november 2017 is het ‘Kunst en Kitsch’. Niet de officiële tv-sterren, maar de plaatselijke taxateur die er bijzonder veel van weet. Het zal je maar gebeuren dat je zojuist een waardevol stuk in de kringloopwinkel hebt gevonden, afgerekend hebt en dat dan blijkt dat je een meesterwerk in handen hebt.

Op zaterdag gaat de Hollandse vlag uit. De hele dag staat in het teken van Holland. Accordeonisten brengen er het Hollandse lied. En alles in C, het moet tenslotte in majeur.

En dan de zaterdagavond. Vanuit De Lier rijdt een speciale bus om de talrijke vrijwilligers te vervoeren naar de Tuinderij. Een evenementencentrum waar het grote eindfeest gaat plaatsvinden. Ik mag er zelf de ceremoniemeester spelen.

Afgelopen woensdag is het begonnen, of eigenlijk al veel eerder. De feestcommissie is al weken bezig. De winkel moet worden opgepimpt. Er hangt een speciale vlaggenslinger met spulletjes uit de winkel. Orchideeën pronken op de tafel, de winkel is feestelijk versierd. De koffie is niet aan te slepen, koekjes van het Blauwe Hek gaan als zoete broodjes naar binnen. Het is er gezellig druk. Een koor zingt er heerlijke liedjes. De oppervrijwilligster Monique is met haar vader en moeder opgehaald door de heer Rodenburg. In een oude slee worden zij voorgereden.

Het is er druk, als ik binnenkom. De koffietafel is volledig bezet. In de aanliggende loods worden oude-nieuwe kaarsen gemaakt. Kaarsvet wordt omgesmolten en gegoten in emmertjes, een lont erin en je hebt een nieuwe kaars. Overal verspreid vindt je kerstartikelen. De opslag is omgetoverd tot crea-doehal. Gespoten puzzelstukjes worden geplakt op tekeningen en krijgen zo een nieuwe bestemming. Knopen worden geregen tot sieraad of kerstbal. Een klein stukje verderop is men bezig met diamond painting. Priegelwerk met kleine kraaltjes. Ik zou er geen geduld voor hebben. Gekochte hebbedingetjes zijn opnieuw ingepakt en kunnen worden gekocht. De opbrengst is voor de Habbekrats. Er is flink uitgepakt en dat is te merken.

Ik schiet even aan bij de tafel van de haaksters. Ik bestel een paar gehaakte sloffen, maar daar zal ik lang op moeten wachten. Maatje 44 is net een tikkeltje te groot om dat even te maken.

Het is er een komen en gaan. Waar het deze week niet mogelijk is om spullen in te leveren komen mensen toch gewoon met spullen aansjouwen. Niets wordt geweigerd, het is handel. Handel voor het goede doel.

De Habbekrats heeft naast kringloopspullen een maatschappelijke doel. Opbrengsten van verkochte spullen gaan naar doelen die het kunnen gebruiken. Nu kan iedereen wel zeggen dat men geld nodig heeft maar daarvoor is weer een speciale Goede doelencommissie opgericht. Deels bemand door vrijwilligers, maar ook van buitenaf zijn er mensen ingestapt. Na weging van de aanvraag beslist het bestuur van de Stichting uiteindelijk of het geld ook daadwerkelijk wordt geschonken en aan wie. Een gedegen afweging is hier zeker van toepassing. Dit jaar is al voor de derde keer prachtige donaties gedaan aan betrokken vrijwilligersorganisaties. Een waar feest als men hun geldbedrag komt ophalen.

Nog tot zaterdag is er gelegenheid om te kijken in de feestelijk versierde winkel. Uw antiek of curiosa is op vrijdagmiddag nog te beoordelen. Verder is de winkel natuurlijk het hele jaar nog open. Waar: De Lierweg 61 te De Lier. Als u de oranje borden van ‘Tennis Westland’ volgt, komt u vanzelf bij de Habbekrats uit. De openingstijden zijn op woensdag tot zaterdag van 09:00uur tot 17:00 uur. Alleen op zaterdag gaat men aan het eind van de dag één uurtje eerder dicht.