317. Een markante Schipluidenaar

Ik heb mijn wandelschoenen aan. Ben van plan om een flink rondje te lopen. Mijn ‘grote’ Sonycamera gaat mee. Ik wil dingen vastleggen. Wanneer ik de wijk uitloop kom ik uit op de Dorpsstraat. Ik schiet nog even een plaatje van onder de brug door en een van de Vlaardingsekade. Ik neem de Paardenbrug en dan…..

Wandelend langs de antiekzaak van Jan Holtkamp, ‘Jantiek’ staat de eigenaar onder aan de kade. “Moguh”, zegt hij tegen mij, “hoe is ie.” We raken aan de praat. Mensen die voorbij komen roept hij toe. “Fausto Coppi”, wanneer hij een oude wielrenner aan de overzijde voorbij ziet rijden. De al wat oudere wielrenner kent kennelijk zijn bijnaam en steekt zijn hand op. “Daar rijden dames uit Limburg”, zegt hij om zich daarna snel te verbeteren “oh nee, Friesland.” Ik vraag hem of hij iedereen kent. Hij lacht als ik die vraag stel.

Wanneer we even zitten komt er een voormalig Schipluidenaar voorbij. Met de fiets aan de hand probeert hij langs ons heen te wandelen. “Koffie”, vraagt Jan. “Nee, ik heb het druk”, antwoordt de gevraagde. ”Jij toch wel”, zegt hij als hij mij aankijkt. Het gesprek gaat nog even verder. “Schipluiden verzakt”, zegt Jan en laat de afstap zien die rond 2000 is aangelegd. “Waar je die balk ziet die nu zo’n 10 cm onderwater ligt, is ie aangelegd zo’n 10 cm boven de waterlijn.” “Ik houd mijn hart vast.” “Je mot eens mee naar binnenlopen, dan ken je zien dat er allerlei scheuren in mijn huis komen door de verzakkingen.”

Ik wandel mee zijn winkeltje in. Voor mij ligt alles ongeorganiseerd in zijn winkeltje. Hij weet alles feilloos te vinden. Er liggen boeken, schilderijen en wandplaten, er staan beelden, glas in loodtafereeltjes, snuisterijen en andere zaken waar Jan handel in ziet. Een man die ongecompliceerd zo af en toe een lelijk woord laat vallen. Hij heeft een mening over zaken uit het Schipluidense.

Ik ben nog op zoek naar foto’s van oud-Den Hoorn laat ik hem weten. “Op de vitrine in het winkeltje”, zegt hij, “maar loop eens mee.” Hij laat mij de scheuren zien in het halletje. “Deze is er van de week bij gekomen. Die had ik nog niet eerder gezien.” Dan laat hij mij alleen en baant zich een weg naar boven. “Sterk of slap”, roept hij naar beneden. Het gaat over de koffie. “Sterk”, geef ik hem te kennen, “zodat mijn haren overeind gaan staan.”

Even later staat hij met twee kopjes koffie beneden. “Loop eens mee”, zegt hij opnieuw, terwijl hij de kopjes koffie in zijn handen houdt. We wandelen door de winkel naar achter buiten waar ik in een natuurtuin terecht kom. Een smal wandelpad geeft toegang tot een grote schuur aan het eind van het pad waar hij nog meer handel heeft staan. “Die stoel gebruik ik om op het gemak mijn boeken uit te zoeken. Ik heb er net weer een aardige partij gekocht.” Hij wijst op een aantal bananendozen die tot aan de rand toe vol zijn met boeken. De kopjes koffie houdt hij in zijn hand terwijl hij blijft praten.

We wandelen weer naar de kade. “Welke wil je”, vraagt hij en houdt de kopjes wat hoger. Ze zijn kennelijk of allebei net zo sterk of net zo slap. We settelen ons op het bankje voor zijn huis. Een bank die inmiddels al veel keer een zitplaats heeft geboden aan Jan, maar ook voorbijgangers. Een van de uiteinde zou zomaar tot de antiekhandel kunnen behoren de stukken vallen er uit. Aan de overkant rijdt zijn dochter Mariska voorbij, ze roept wat en hij wat terug. Twee dames komen uit de zaak. “We komen nog een keer terug”, zegt er een, “dan komen we hier en daar”. Mevrouw maakt met haar hand en gebaar naar de zaak van zijn dochter Mariska, Het Raadhuis. “Best”, zegt Jan. “Zie je trouwens dat alle terrassen vol zitten”, zegt Jan, wijzend op het terras bij Hoek, bij de Vergulde Valk en bij Het Raadhuis. “Ze doen het zo goed, he, Mariska en Mark”, geeft hij nog even mee.

“Ze moeten toch eens nadenken over het verzakken van Schipluiden, want dat gaat echt niet goed.”, gaat hij zijn verhaal verder. De gemeente geeft er geen aandacht aan of houdt het stil, maar ook het Hoogheemraadschap denkt er te gemakkelijk over, vertelt hij. “Gelukkig hebben ze wel het aanzicht van de Vlaardingsekade kunnen behouden. Wilden ze de bomen weg hebben en er betonnen bankjes neerzetten. Daar hebben we gezamenlijk een stokje voor gestoken.”

Ik weet dat hij gecharmeerd is van onze René en vraag of hij het artikel heeft gelezen in het Algemeen Dagblad. “Natuurlijk”, zegt hij, “maar heb jij de uitzending van Nooit meer Slapen gehoord, waar René ook in was”. Ik moet ontkennen. “Een VPRO-programma, ’s nachts tussen 12:00 en 02:00. Ik heb mijn oortjes in en luister dat programma altijd. Hij deed het goed”, zegt hij. Dan plots begint hij weer over iets anders.

“Ik hoop één ding”, geeft hij mee, “dat Midden-Delfland bestaansrecht blijft houden en dat Jaap Smit (commissaris van de Koning), straks niet zegt: Maasland en Maassluis voegen we toe aan Rotterdam en Schipluiden en Den Hoorn gaan naar Delft.” “Of naar het Westland”, merk ik op. “Dan ben ik hier acuut weg en emigreer ik gelijk naar Frankrijk”, zegt hij met een lelijk gezicht.

Op de rand van de kade ligt een bosje witte hortensia’s. “Neem jij die mee”, zegt hij. “Ik heb ze gekregen, maar ga volgende week met vakantie”.

Het is een markante Schipluidenaar. Karakteristiek, met een mening. Ik mag hem wel, geeft ongezouten zijn mening en zegt wat hij denkt.

Van mijn wandeling kwam niets meer. Later die middag heb ik het stuk laten lezen. “Je bent de Volkskrant voor, die komt volgende week”, geeft hij aan. Mijn wandeling die middag was een mooie met de gedachte aan het gesprek met Jan.

106. Vroegûrh hadden we nog kuilûh

Zo af en toe geef ik mijn herinneringen een kans om langs te komen. Mijmeringen die me doen terugdenken aan hoe het vroeger was.

De wereld ging, in mijn gedachten, langzamer aan mij voorbij dan nu. Er waren geen mobieltjes. Mensen hadden niet eens een telefoon en gingen bellen bij de plaatselijke grootgrutter. De draaischijf was er nog. Er stonden telefooncellen. Wilde men snel iemand bereiken dan was er het telegram. Men kon nog op het gemak eten zonder gestoord te worden door mobieltjes. ’s Avonds keek je televisie, als je die had en anders stond de radio aan. Bij voetbalwedstrijden zaten we thuis met ons oor IN de radio. Jan de Cler zong in de rust en na afloop een liedje over de wedstrijd die hij aan zich had voorbij zien gaan. Hij zong iedere uitzending op de herkenningsmelodie een tekst die inhaakte op de actualiteit van de wedstrijd. De verbeeldingskracht was veel groter. Leo Pagano, Jan Cottaar en Theo Koomen konden door stemgebruik spanning brengen in een wedstrijd die eigenlijk helemaal geen wedstrijd was. De twee TV-zenders die je later kreeg, toonden hun beelden in zwart-wit. Geen flitsende shows en jonge talenten, maar de gevestigde orde maakte de dienst uit in televisieland. Nette programma’s zonder mensen te shockeren. Op Hoepla na dan. Het eerste programma waar een blote Phil Bloom in te zien was. De VPRO doorbrak daarmee het naakt op tv. We praten over 1967. Ik, als 15-jarige vond het prachtig. Mijn ouders spraken er schande van en de tv ging uit. Sedert die tijd had de VPRO voor mijn ouders afgedaan.

De computer bestond nog niet. Moest je iets kopiëren dan nam je een carbonpapiertje en legde twee velletjes met daartussen het carbonvel en schreef. Het tweede vel was van een iets mindere kwaliteit, maar je had iets in tweevoud. Weer later kwam de typemachine en het witte tipexpotje. IBM vond het bolletje met correctielint uit. Mooie herinneringen. Dan gaan we snelheid maken en komt de computer in het leven. De Commodore 64 of voor iets meer geld de 128. Als een kind zo blij. Nu verafschuw ik de computer soms. Het is alleen het gemak wat zo’n ding levert.

Ik kom uit een arm arbeidersgezin. Arm in de zin van geld, rijk in liefde. Wat er in materiële zin niet was werd in liefde dubbel en dwars uitbetaald. Er was tijd voor de kinderen, er werden spelletjes gespeeld. Het Mens-erger-je-niet-spel stond regelmatig op tafel. Een door mijn vader gemaakte sjoelbak die niet gleed werd dik met Zwitsal poeder bestrooid om de stenen te doen schuiven. Je mocht op een vereniging maar daar moest wel eerst druk over worden overlegd. Mochten we allemaal, we waren met vier jongens, of mocht er slechts één of twee? De muziek deed zijn intrede. Op zeven jarige leeftijd bracht vader een trompet mee van de muziekvereniging waar hij bij speelde. We kregen les en brachten veel tijd met een mondstuk aan de mond door. Het muzikale gezin in Den Hoorn was bekend. Als we met de oudste drie ergens moesten spelen, speelden de ‘Meursie brothers’. Menig keer we werden we gevraagd om te spelen op school, tijdens het 50-jarig bestaan van de kerk of carnaval. Droomland speelden we met z’n drieën tijdens een revue-avond i.v.m. het jubileum. We werden lid van de voetbalvereniging RKSV Den Hoorn. Ik was er geen hoogvlieger. Toen ik in een belofte elftal terecht kwam, zat ik meer op de reservebank dan dat ik voetbalde. De keuze werd later om lager te gaan voetballen.

Het was thuis geen vetpot, zoals ik al schreef. Één maal vlees in de week. Een heerlijk sudderlapje dat uren op zaterdag op het petroleumstelletje had staan pruttelen. Op maandag en dinsdag werd de jus aangelengd met water. Op woensdag kwam er dan een balletje gehakt dat gold als basis voor de rest van de week. Een eigen groentetuin voorzag ons gezin van het middageten. Vader kwam tussen de middag naar huis fietsen om zijn warme prak te halen. Even een slapie van een half uurtje en dan weer terug naar de tuin waar hij werkte. Later toen moeder ook ging werken en het thuis financieel wat beter ging, aten we de warme maaltijd ’s avonds.

In de kast in de kamer stonden vier spaarpotjes. De Boerenleenbank gaf ze uit. Vier kleuren met een tandengleufje dat als je er een dubbeltje of stuiver in had geschoven deze nooit meer los kon krijgen en alleen maar verder kon duwen. Het inleveren gebeurde in de spaarweek in oktober. Want sparen deed je. Fl. 3,45 over een heel jaar gespaard. Je voelde je de koning te rijk. Het ging niet om het geld maar om het kadootje dat je bij de Boerenleenbank kreeg als je je busje had laten legen. Eén maal per jaar liet je de rente bijschrijven. Wat was het spannend.

Toen mijn vader en moeder 12,5 jaar getrouwd waren wilde men een feest. Maar hoe kom je aan geld? Het werd spruiten schoonmaken. Zo klein als je was, met een mesje het kontje eraf en de gele blaadjes. Het moest hotelschoon gemaakt worden. Uren zaten we met de leeggestorte kist op tafel. De ogen vielen soms dicht, maar je moest door, er moest geld op tafel komen.

Het verenigingsleven speelde een grote rol in het leven van de familie. Vader en moeder waren lid van de toneelvereniging Vondel. Twee tot driemaal per jaar werd er een toneelstuk op de planken gebracht. Uren achtereen leerde men de tekst. Soms samen, soms alleen. Moeder zat vaak in de ‘kattenbak’, het souffleurshok. Vader speelde meestal de hoofdrol. Een komisch stuk of een drama, als hij opkwam lag de zaal al in een deuk. Vader was een makkelijke leerder en improviseur, van wie zou René het hebben? De muziekvereniging ‘Kunst na Arbeid’ uit Delft bestond uit families, waarvan wij er één waren. Het St.Jorisgasthuis was de thuisbasis waar het altijd plaatsvond. Elke dinsdag repetitie en vele malen een uitvoering voor de patiënten in het ‘gekkenhuis’, zoals velen uit onze buurt het noemde. Mensen die om wat voor reden even of soms langere tijd niet op de rails konden blijven of het spoor even bijster waren. Kerstbijeenkomsten, Koninginnedagfestiviteiten. Marsen door de stad of andere psychiatrische klinieken bezoeken. Het was voor ons een feest. Vader was aan de brandweer en de EHBO, moeder zat in de oudervereniging en was penningmeester van Herwonnen Levenskracht. Een Katholieke Vereniging tot Bevordering van de Volksgezondheid en tot Bestrijding van Volksziekten.

Op dinsdag en vrijdagochtend was het altijd vroeg op. De kerkdienst voor schooltijd leverde een positief kruisje op voor op school.

Na de lagere de volgende school. Naar de Sasbout Vosmeer, een LTS in Delft. Ik koos voor elektrotechniek, was a-technisch en had geen flauw idee wat ik er moest doen. Met wat spieken en afkijken haalde ik mijn diploma. Na de LTS nog één jaar MTS, maar dat werd een mislukking.

Ik word ouder en op 20-jarige leeftijd roept de dienstplicht mij. Eerst naar Ede-Wageningen om vervolgens naar Schaarsbergen te gaan. Sport beheerste mijn leven ook in dienst. Als scheidsrechter mocht ik belangrijke wedstrijden fluiten. Ik had het er reuze naar de zin. De omvang van het lichaam was daar het levende bewijs van. Er in met 79 kilo eruit met 119. “Nooit uitgezonden, maar wel aangekomen”, zou René later in zijn show zeggen. Een machtige tijd was het. Financieel arm, maar veel leuke herinneringen aan over gehouden.

En zo mijmer ik soms uren terug waar tijd de tijd was, waar ‘haast’ een vies woord was. Waar men solidair was met elkaar. Waar ziekenfondsen machtige organen waren maar waar je op kon rekenen. Waar de wijkverpleegkundige op de hoogte was van wat er in de wijk speelde. Waar zorg was en niet het horloge dat bepaalde in welke mate iemand dat krijgt. Waar banken nog voor de mensen waren. Waar de rente bij banken nog respectabel waren. Maar ook waar kerken nog druk werden bezocht. Waar het familieleven nog bestond.

Nee, ik wil niet terug naar die tijd. Maar soms denk ik een stukje, een klein stukje uit die tijd terug in de huidige tijd. Een stukje van nu en een stukje van toen, het zou het leven velen malen leuker en gezelliger maken. Ik heb het niet slecht, zeker niet, maar toch…….