353. Veel regen en mooie momenten

De regen valt met bakken tegelijk uit de hemel. De weergoden zijn ons niet goed gezind. Ik heb MUS-dienst. De eerste rit staat vroeg gepland. Om 09:00uur moet ik mijn eerste klant ophalen. Mijn buitentemperatuurmeter (mooi scrabble woord) geeft aan dat het 3,8° Celsius is. Ik twijfel of ik mijn handschoenen aan zal doen. De MUS heeft geen verwarming dus misschien is het wel handig. Ik haal om halfnegen mijn fiets uit de schuur. Ik heb al snel een natte haardos. Snel, snel fietsen naar Akkerleven. Daar aangekomen gaat de deur niet open. Begint er niemand zo vroeg, en wat is vroeg, het is 08:35uur. Wanneer ik op de bel heb gedrukt gaat zonder woorden de deur open. Ik wil snel doorlopen en loop met mijn snufferd tegen de volgende deur aan. Dan zie ik de mededeling dat deze deur pas open gaat als de eerder gepasseerde deur is gesloten. Het zomerse weer is ook hier voorbij of heeft het met de wintertijd te maken? Ik haal de sleutel, de telefoon en de kenteken papieren van de MUS op en wandel naar het onder stroom staande voertuig. Als ik de deur open ligt er een plasje water voorin. Via de zijkant aansluitingen zie ik een straaltje water naar binnen lopen. Ik trek de stekker uit de wandcontactdoos. Mijn dag kan beginnen.

Omdat ik inmiddels de ervaring heb dat de snelheid invloed heeft op de duur van de accu, rijd ik als een slak het terrein af. Ik ga niet harder rijden dan 30 km vandaag en hoop daardoor de dag uit te kunnen zingen. Door het slechte weer gaat het licht aan en de ruitenwissers constant op heen en weer gaan, ook dat heeft invloed. Er staat wel het e.e.a. gepland voor vandaag. Terwijl ik rijd beslaan mijn ramen. Ik kan zo niet vegen dat het raam schoon blijft. Gelukkig is er weinig verkeer op het fietspad.

De eerste klant haal ik op in Den Hoorn. Betrokken klant moet worden afgezet bij het Reinier de Graafziekenhuis. Na een vakantie heeft mijn passagier wat ribbreuken over gehouden aan een quadrit. Hij gaat voor controle terug naar het ziekenhuis. In Den Hoorn moet ik tot tweemaal toe tussen wat paaltjes door. Dat is centimeterwerk. Men verbaast zich erover dat we er zonder kleerscheuren tussendoor kunnen. Bij het ziekenhuis geef ik betrokkene een kaartje mee met het rechtstreekse nummer van de MUS. De receptie is zo vriendelijk om mij direct te bellen als betrokkene klaar is zodat ik snel de klant weer op kan halen.

Ik heb nu een half uurtje pauze en rijd naar huis.

Mijn volgende klant haal ik op in Schipluiden. Een vrouw van de Zonnebloem die haar cheque op gaat halen van de stemmenactie die de RaboBank heeft georganiseerd. Ik ben wat aan de vroege kant, mede gezien het feit dat ik tegelijk een andere klant op moet halen. Het is een zgn. combinatierit. Wanneer ik heb gebeld duurt het even voor mevrouw naar buiten komt. De regen valt en valt. Een goed gebruik is om mensen te helpen met in en uitstappen. Omdat ik denk dat het snel zal gaan wacht ik buiten in de regen. Wanneer mevrouw is ingestapt geeft ze te kennen dat ze zich wat opgelaten voelt in mijn karretje. “Is dit wel voor mij bedoelt?”, vraagt ze zich hardop af. Er staat nergens dat je niet mee zou mogen en er is plek. Dan door naar mijn volgend adres. Het is even zoeken waar mevrouw ook al weer precies woont. Wanneer ik het heb gevonden bel ik aan. De rollator staat al pontificaal te wachten onder het afdak. De schoenen van meneer liggen ondersteboven op de buitenmat. Na de bel, roept mevrouw dat ze er aan komt. Ook zij gaat naar het ziekenhuis. Ze gaat alleen. “Ik mag niet mee”, zegt meneer. “Nee”, zegt mevrouw, “hij houdt niet van wachten en het kan vandaag wel even duren.” Wanneer mevrouw is ingestapt gaat de rollator ook achterin. Dan gaan we op weg. Eerst het ziekenhuis, dan de RaboBank. Bij het Reinier moet ik op een kaartje schrijven wat mijn rechtstreeks nummer is. Mevrouw heeft voor mij een potloodje, omdat de balpoints liggen verstopt. Wat ik wel vind is de anticondens spuitbus. Dat scheelt een slok op een borrel. Wanneer mevrouw klaar is belt ze me. Nu naar de Rabo om de andere vrouw af te zetten. Ik spreek met haar af om rond de klok van 11 weer terug te zijn.

Bij mijn schoonmoeder in Den Hoorn vind ik deze keer de koffiepauze. Hierdoor hoef ik niet helemaal naar Schipluiden en ben ik snel bij het ziekenhuis als er wordt gebeld.

Wanneer ik een half uurtje aan de koffie zit gaat de telefoon. Mijn eerste klant kan worden opgehaald. Ik ga opnieuw op pad. Bij het ziekenhuis staat er een file voor de parkeergarage. Ik ben blij dat ik daar geen gebruik van hoef te maken en te mogen staan op de afhaalplek. Mijn MUS-meerijder komt al aan wandelen. Ik breng hem weer naar huis. Hij heeft geen leuke boodschap gehad, als chauffeur van de MUS ben je de eerste uitlaadklep. Als ik de man heb thuisgebracht kan ik direct door naar de Rabo. Mevrouw komt met een mooie cheque naar buiten. Ik breng haar blij naar huis terug.

Ik ga wederom terug naar schoonmama. Mijn volgende rit start in Den Hoorn. Op tijd ga ik een vrouw ophalen. Zij heeft na 46 jaar huwelijk haar man moeten achterlaten in een verzorgingshuis. Na lange tijd zelf de verzorging te hebben gedaan is er geen terugweg meer. Als ze instapt ruik ik een lekker geurtje uit een van haar tassen. “Ik heb drie appeltaarten gebakken”, zegt ze. “Ik ga die oudjes lekker verwennen.” We hebben een indrukwekkend gesprek. Ze woont alleen en is blij met een luisterend oor, zegt ze. De rit gaat sneller dan mij lief is. Ik wil haar nog zoveel aanbieden, maar we zijn gearriveerd. “Tot 16:00uur”, zegt ze als ze het verzorgingshuis binnenwandelt. De appeltaarten gaan mee.

Omdat de accu toch harder leegloopt dan gedacht besluit ik om de MUS aan de prik te hangen. Ik heb zo’n anderhalf uur, dan kan het voertuig wat opladen. In de stromende regen fiets ik huiswaarts.

In afwachting van het telefoontje uit het ziekenhuis wacht ik het nu verder thuis af. Even een broodje eten en dan de middagsessie. Het telefoontje uit het ziekenhuis blijft uit. Waarom? Duurt het dan zo lang? Ik waag er een telefoontje aan en bel het telefoonnummer van mevrouw. Ze neemt zelf de telefoon op. Hoe kan dat? En waarom niet even gebeld dat ik niet hoeft te wachten? Ik vergeet er naar de vragen.

Om 14:00uur haal ik mijn vaste klant op. Altijd op dinsdag om 14:00uur staat de afspraak om meneer op te halen en bij Albert Heijn af te zetten. Daarna naar het appelvrouwtje voor het oude gemeentehuis. Wanneer ik in Akkerleven aan kom, zie ik geen klant, waar hij doorgaans al op zijn rollator zit te wachten. Ik wacht het even af. Als het echter een kwartier wordt vraag ik aan de receptie om hem te bellen. Hij blijkt een ‘slaapie’ te hebben gedaan en wordt wakker geschud door een verpleegkundige. Hij komt naar beneden. Dan komt direct de humor van de man weer naar boven en maakt hij zich er met een grap vanaf. We gaan op weg naar supermarkt die op de kleintjes let. Wanneer er een jongeman op een scooter van links komt denk ik mijn voorrang te krijgen. Dat is echter niet het geval. De jongeman rijdt met zijn voorband zachtjes tegen mijn deur. Hij steekt zijn middelvinger op. Ik weet dat het regent, maar daardoor veranderen de verkeersregels nog niet. De oude man naast me maakt er wederom een grap over. Bij Albert Heijn haal ik een winkelwagentje, zijn rollator, dan ga ik in het halletje achter de ingang staan. Mijn jas is nat, mijn handen en mijn voeten koud en hier brandt de kachel. Aan de overkant het appelvrouwtje. “Ga jij effe”, zegt meneer, “hier is mijn portemonnee. Ik wil 15 appels. Het meissie weet wel welke.” Ik doe wat me wordt opgedragen. Dan kunnen we terug naar huis. Nog een ritje, mevrouw ophalen uit het verzorgingshuis en haar dan weer naar huis brengen.

Om 10 voor vier ben ik al bij Akkerleven. Ik kijk op het gemak het aangeboden fotoboek door dat op de tafel ligt. Herkenbare plekken die men heeft vastgelegd en zo veel doet met mensen die niet meer echt in de maatschappij staan en zich soms het verleden nog wel herinneren en het heden niet.

Om 16:00uur exact komt mevrouw naar beneden. Ik help haar met instappen. Het tasje met de appeltaarten is er niet meer bij. Ik ga in gesprek met mevrouw, dan vertelt ze dat ze vandaag jarig is. Daarom wilde ze de mensen trakteren. Ze heeft geholpen met eten geven, ze heeft met bewoners gesjoeld, gesprekken gevoerd. Een mooi gesprek dat ik met haar kan voeren. Bij thuiskomst geeft ze aan dat haar zonen haar op komen halen. Ze hoeft niet te koken vanavond en wordt mee uit eten genomen.

Mijn dag zit erop als ik naar huis rijd. De regenachtige dag hebben me weer mooie contacten opgeleverd. Een luisterend oor heb ik geboden. De kou is uit mijn handen, mijn lichaam gloeit. Wat mooi dat ik me vandaag weer verdienstelijk heb mogen maken.

216. 15 jaar, wat gaat de tijd snel

Moeders gaat achteruit. Ze weet het niet allemaal meer. Een intelligente vrouw die alles altijd zo perfect op een rijtje had, ze herhaalt zaken. “Weet je, vrouw Van Velzen is erg ziek.” “Ja mam, dat zei je net ook.” “Oh, had ik dat al verteld.” Waar is ze gebleven die stoere zelfstandige vrouw die ze altijd is geweest. Ik ken haar niet meer terug.

“Gaat het goed met de jongens.” Interesse blijft ze houden, alleen hoe vaak moet ik het vertellen zodat ze het kan onthouden? “Hebben ze allebei een goed rapport?” Presteren staat hoog in haar vaandel. Ik was niet zo en dat was een doorn in haar oog. “Je moet eens naar je broer kijken, die doet het goed. Is wel directeur geworden.” “Ja mam, ik weet het, maar ik heb het ook goed.”

Wekelijks gaan we langs, moeten onderling afspraken maken met mijn broers als we op bezoek gaan in het bejaarden/verzorgingshuis, haar nieuwe thuis. Zelfstandig wonen is niet meer mogelijk. Ze kan zich niet meer verzorgen en ik word gebeld als ze zich weer volledig van haar kleding heeft ontdaan en naakt voor het raam staat. Waar is ze gebleven die intelligente vrouw, die ze altijd is geweest, vraag ik me opnieuw af? Moeder, die een ijzeren geheugen heeft, zowel in talen als in rekenen een kei is. Zichzelf heeft weggecijferd als zij met mijn vader trouwt en ik als oudste word geboren. Met haar hoge opleiding komt ze thuis te zitten. In die tijd werkte vrouwen niet nadat in het gezin een kind werd geboren. Ze is geen huisvrouw, is niet altijd even makkelijk, maar wel een goede moeder die haar kinderen liefde geeft, maar daarvoor terugeist dat je je uiterste best doet om te studeren. Ze heeft aan mij een slechte, ik heb daar geen zin in.

Nu is ze afhankelijk van haar verzorgenden. Lief zijn ze voor haar zelfs als ze haar per ongeluk in een veel te heet bad laten zakken en ze haar bijna volledig onder de blaren uit het bad tillen. “Ongelukje”, zegt ze, “kan gebeuren.” Maar ze gaat achteruit, hard achteruit. Als we worden opgeroepen door het verplegend personeel omdat het zo slecht gaat, spreken we een aflossingsschema af. We gaan waken. Nog éénmaal gaan we allemaal tegelijk naar haar toe. Af en toe glimlacht ze. “Leuk dat jullie er allemaal zijn”, zegt ze. “Het gaat niet zo goed meer met me.”

Ik vraag haar of ze bediend wil worden. “Ja, dat is goed”, geeft ze te kennen. Ik ga aan ’t bellen. Kan geen priester vinden die tijd heeft. Omdat ik kennis heb aan een pastor, via mijn kosterschap, bel ik hem. “Geen probleem, ik kom”, geeft hij aan.

Die avond is ze er nog bij. Ze bidt het Onze vader en het wees gegroet binnensmonds mee, althans haar lippen bewegen mee op het ritme van het gebed dat wij uitspreken. Zij kijkt, glimlacht nog een keer, om dan in slaap te vallen. Twee van mijn broers blijven na. De volgende dag vroeg neem ik het met een andere broer over. Samen nemen we de waakdienst op ons. We horen haar adem en soms niet. Even met de mond boven haar mond als we het niet vertrouwen. Maar ze ademt, ja, ze ademt nog.

In de ochtend een hele diepe zucht, even een rocheltje en dan verruilt ze haar aardse leven voor het Hemelse. 76 jaar is ze geworden, het is goed zo. We hebben er vrede mee. Ze gaat naar pa die al eerder op reis is gegaan. Ik zeg haar zachtjes gedag en aai over haar wang. 

Op 21 mei a.s. is het 15 jaar geleden dat ze haar ogen sloot en haar laatste adem uitblies. We vouwden haar handen samen. Het blijft een herinnering die nooit meer uit mijn geheugen is gegaan.

165. Een plascontract bestaat dat?

Een plascontract bestaat dat? Ja, dat bestaat. Verschillende bejaarden- en verzorgingshuizen sluiten met hun cliënten een contract af wanneer men mág plassen. Is dat één, twee of driemaal per dag. Hoe schandalig is dat? ‘Onderbemensd’ is de term waaraan zoiets wordt opgehangen. ‘Het gaat goed in de zorg’, zegt Staatssecretaris Martin van Rijn, ‘er is controle’. Ja, zulke controle dat een ander gaat bepalen wanneer jij naar het toilet mag. Niet voor niets zijn er door de Inspectie voor de Gezondheidszorg van zulk soort huizen onder curatele gesteld.

Om het allemaal nog mooier te maken krijgt men bij voorbaat al een luier om, las ik. Incontinent of niet, dat doet er niet toe. Er wordt nog net geen katheter ingebracht die direct is aangesloten op het riool, waardoor ook de bewegingsvrijheid nog eens wordt beperkt. Het zou zo maar de volgende stap kunnen zijn. Je mag altijd plassen als je maar in je stoel blijft zitten en niet beweegt.

Ik vraag me af of in dit plascontract ook een poepcontract zit. Want dat zou helemaal verschrikkelijk zijn. ‘Ophouden Meneer Van Meurs’, we komen over drie uur, dan bent u aan de beurt om naar het toilet te gaan en uw behoefte te doen. Het zou zomaar de werkelijkheid kunnen worden.

Gelukkig komen veel van dit soort misstanden nu naar buiten, waar dat jaren terug onmogelijk was. Durf je wel te spreken, wordt je contract dan niet verscheurd en mag je helemaal niet meer. Of ja, je mag wel maar dan in je luier. Wanneer die verschoond wordt moet je dan maar afwachten. Dit is mijn voorland, denk ik dan. Wat is er nog over van de zorg als ik zover ben dat ik zelf niet meer mag/kan beslissen wanneer ik gebruik wil maken van het toilet.

Ik zou willen voorstellen dat ook opstellers van zulke contracten dezelfde voorwaarden krijgen die men opstelt voor de medemens die soms zelf al niet meer kan beslissen. De mens die aan jou is toevertrouwd en jou ook volledig vertrouwt. Eens kijken hoe lang het duurt voordat zo’n contract de prullenbak in gaat.

Overigens moet ik vertellen, dat toen ik zelf, net van school, ging werken in een fabriek en aan de lopende band van een bedrijf stond, ook daar zulke regels waren. Er is dus niet nieuws onder de zon, met die restrictie dat ik als ik wilde, ook mocht. Maar niet meer dan één keer per dag. Het werkproces werd opgehouden als er één schakeltje even tussenuit was. Mijn zaalchef turfde hoe vaak ik naar het toilet was geweest en noteerde hoelang ik was weggeweest. Hierdoor kwam het regelmatig voor dat er tijdens de middagpauze een file ontstond voor het toilet. Het was ook in de tijd dat men aan de lopende band niet mocht roken, maar roken op zich nog niet verboden was in werkruimtes. Het toilet was dan het rookhok. Geen roker, toch een meeroker.

Gelukkig zijn er ook goede bejaarden- en verzorgingshuizen of nou ja daar hoor je niets van.

Ligt het aan het personeel of ligt het aan het management? Krijgt men te weinig geld van de overheid om op een menswaardige manier te mogen en te kunnen functioneren? Daar heb ik geen kijk op. Ik neem aan dat het management voor zijn/haar bewoners wil zorgen als zijn het hun eigen vader of moeder. Of is het inderdaad zo als het is omdat men geen band of een slechte band heeft met de ouders.

Apart is het als je leest dat een verpleegkundige in de krant laat opnemen, dat zijn ouders absoluut niet in het verzorgingshuis mogen komen wonen waarin hij zelf werkt. Dat zegt denk ik genoeg. Hugo Borst schreef er zelfs een manifest voor uit. Velen ondertekenden en onderschreven zijn opsomming van feiten. De wekelijkse stukjes over zijn moeder zijn mij uit het hart gegrepen. Wanneer grijpt de politiek in en komt het haar verantwoordelijk na. Wanneer is het weer leuk om oud te worden, de verzorging te krijgen die men verdient. Een stukje eigen leven krijgt, met zelf beslissingsrecht, voor zover dat mogelijk is.

Ik hoop het mee te mogen maken dat worden en oud zijn leuk is. Natuurlijk ouderdom komt met gebreken, hoe vaak hoor ik het niet. Maar als die gebreken een stukje kleiner kunnen worden gemaakt zou dat een de mens verlichten.

De trend is om thuis wonen te promoten. Je zou niet anders willen als je allerlei contracten onder je neus krijgt geduwd. Al weet ik, als mantelzorger, dat ook daar wel de nodige vraagtekens bij moeten worden gesteld.

Ik hoef er gelukkig nog niet aan te denken, ben nog gezond van lijf en lede en kan/mag doen wat ik wil. Ik wil het graag nog even zo houden.

Naschrift: Ik neem mijn petje af voor allen die hun benen uit het lijf lopen om alle ballen in de lucht te houden. Ieder van goede wil, maar vaak met handen en voeten gebonden aan regeltjes en bezettingsgraad van personeel. Ik wens hen sterkte toe om de missie die zij zijn aangegaan met een goed gevoel en naar ieders tevredenheid uit te voeren.

124. Ouder worden is ook niet alles

Ome Theo en tante Sjanet zijn verhuisd. Het ging niet langer thuis, tenminste niet voor tante Sjanet. Zij had meer zorg nodig en dat kon men niet meer bieden. Ome Theo zou thuis moeten blijven, want hij is er met zijn 86 jaar nog erg goed aan. Doet nog boodschappen op zijn fiets en maakt rustig een ommetje van een paar kilometer. Dus had de indicatiecommissie besloten om alleen tante Sjanet te verhuizen en Ome Theo maar thuis te laten.

Ome Theo ging hier niet mee akkoord. “Na 62 jaar huwelijk ga je oude mensen toch niet scheiden”, had hij gezegd. Maar wat hij ook deed hij kreeg het in eerste instantie niet voor elkaar. “Nou”, had tante Sjanet gezegd, “dan ik ook niet. Als Theo niet mag, dan ga ik ook niet.” De kinderen van ome Theo en tante Sjanet dachten daar toch iets anders over. Tante kon niet langer thuis blijven wonen. Ze moest overal mee geholpen worden waardoor driemaal daags iemand van de zorg langs moest komen. Eten deden ze van ‘tafeltje dekje’ en de was werd opgehaald door één van de dochters. Tante had regelmatig een ongelukje waardoor er stante pee iemand langs moest komen om de was op te halen. Ome Theo was niet gewend om dit zelf te doen en nu was hij te oud, vond hij, om het nog te leren. Via allerlei instanties probeerden de kinderen om hun ouders toch samen te verhuizen en verdraaid op een gegeven moment overleden er twee mensen in het verzorgingshuis, waardoor ze allebei geplaatst konden worden. Wel moesten ze in twee aparte kamers.

Zo zijn ze zo’n twee-en-halve maand geleden verhuist naar de verzorgingshuis ‘De Einder’. Ieder op een aparte kamer. Ze zitten nog wel regelmatig bij elkaar. De kamer van tante Sjanet is dan de centrale kamer.

Eten doen ze beneden. De recreatiezaal wordt omgetoverd tot eetzaal. Al vrij snel heeft ome Theo daar zijn problemen. Als ze de eerste keer beneden komen schuiven ze aan aan een tafeltje waar nog twee plekken vrij zijn. Maar dat wordt niet getolereerd door de andere twee eters. “Deze plaatsen zijn voor de heer en mevrouw Somers.” Ome Theo begrijpt hier niets van. “Heeft iedereen een eigen plaats dan?” vraagt hij. “Ja”, had één van de tafelaanzitters gezegd, “je denkt toch niet dat ik bijvoorbeeld naast die bullebak van Van Schie ga zitten.” “Hoezo?”, had ome Theo gevraagd, “wat is daar mis mee dan.” “Hij smakt”, zegt mevrouw aan tafel. “Oké”, zegt ome Theo, “kom op vrouw, dan schuiven we een tafeltje verder.” Maar ook daar is men niet van het gezelschap van mijn oom en tante gesteld. “U mag hier niet zitten”, kreeg hij te verstaan, “hier zitten Sophia en Anneke”. “Ooit van flexen gehoord”, zegt mijn oom, die redelijk met zijn tijd mee gaat. Nee, daar heeft men nog nooit van gehoord. Ome Theo en tante Sjanet zitten nu samen aan een tafeltje. Er is niemand die bij hen aanschuift.  Dat heeft ook wel een reden: Ome Theo eet nl. alles met een lepel. Hij gebruikt zijn vork en zijn mes om zijn aardappelen, groene en vlees klein te maken, maar legt deze dan op zij. Vervolgens neemt hij zijn lepel en schuift hij alles naar binnen. Hij was niet anders gewend geweest. “Stelletje oude van dagen”, had ome Theo uit zijn mond laten vallen, “ik voel me net een vluchteling, die is ook nergens welkom”. Ja, ouder worden is niet gemakkelijk.

Twee weken terug had Ome Theo het lelijk aan de stok met zuster Lizette. Ome Theo had haar een tik op haar billen gegeven. En daar was ze niet van gediend. Het was haar al wel eerder opgevallen dat hij haar van top tot teen bekeek als ze binnen kwam, maar dat hij haar ook zou betasten dat had ze niet voorzien. Toen ze binnen was gekomen om te vragen of hij thee wilde tikte hij haar in het voorbij gaan op haar linker bil. Ze was er van geschrokken en had ome Theo duidelijk gemaakt dat ze hier niet van was gediend. “Maar een ouwe bok lust nog wel een groen blaadje, hoor”, had hij lachend gezegd. Lizette had hem hierna goed duidelijk gemaakt dat zij dit niet wilde. “Maar zij wil niks meer”. Wijzend met zijn vinger wees hij in de richting van tante Sjanet. “Daar heb ik niets mee te maken”, zei Lizette en maakte voor eens en altijd duidelijk dat ome Theo zijn handen thuis moet houden.

Dit akkefietje ging kennelijk als een lopend vuurtje door het verzorgingshuis, want als andere verpleegkundigen binnen kwamen hielden ze bewust wat afstand van ome Theo.

Ome Theo vond het helemaal niet leuk meer in De Einder. Hij pakt daarom regelmatig zijn fiets om even naar de Jumbo te gaan om zijn boodschappen te halen, ook al was er een winkeltje in het huis. “Veel te duur”, bromde hij. Het ging hem echter veel meer om de sociale contacten. Bij de Jumbo ging hij voor dat gratis kopje koffie en dat bankje waar nog meer oudere mannen zaten. ‘De hangouderen’ hadden de winkeliers uit het winkelcentrum gezegd. Ze versperden de winkelgangen met hun scootmobielen, rochelden op straat en lieten rustig hun vuile koffiebekertjes op het bakje staan. Ook daar werden ze weggekeken.

Het leven van ome Theo is in twee-en-halve maand drastisch veranderd. Het leuke van het leven is hij kwijt, terwijl tante Sjanet juist opleeft in het verzorgingshuis. Zij zit op de handwerkclub en doet regelmatig mee aan activiteiten die men organiseert. Ome Theo niet. Hij doet nergens aan mee en probeert zijn eigen leven te leven. De overgang heeft hem nog geen voordelen opgeleverd.

Als één van zijn zoons op een zondag langskomt vraagt hij of hij even mee wil gaan naar de gang. “Kan je mij hier niet uithalen”, had hij gevraagd., “dit is niks voor mij”. “Nee, pa”, had zoonlief gezegd, “je wilde zelf. We hebben alles in het werk gesteld om je hier te krijgen. Je zult het dus moeten accepteren.” “Ik vind er hier geen pest an”, bromde ome Theo. “We kunnen niet meer terug, pa”, gaf zijn zoon aan, “en dan, waar moet je heen?”

Ome Theo heeft zich inmiddels overgegeven. Hij blijft het er niet leuk vinden, maar is inmiddels wel op de biljartclub gegaan. Ook bij het klaverjassen en bridgen is hij intussen regelmatig aangeschoven. “Ik mot er zelf dan maar wat van maken”, zei hij. Brommen bleef hij. Elke verandering is nog geen verbetering. “Ouwe bomen moet je niet verpoten”, was zijn motto. “Blijf maar zitten waar je zit.” “Maar als het helemaal niet meer gaat dan”, had zijn zoon gevraagd. “Zover is het nog lang niet en dan, je moeder wilde graag.”

Het is niet altijd even makkelijk om te beslissen of om een besluit te nemen. Ome Theo ondervond het aan den lijve. Maar eerlijk is eerlijk, Ome Theo hoort nog niet in een verzorgingshuis, al zou hij als hij alleen zijn geweest heel snel inzien dat ook hij er ‘rijp’ voor is. Tante Sjanet deed alles voor hem. Zijn eigen onderbroek deed hij uit en liet hij liggen tot tante hem had opgepakt en in de wasmand gedaan. Ome Theo moet niet zeuren en genieten van wat er nog wel kan en mag. Dit is mijn uitspraak en daar zal hij het mee moeten doen.