400. Een magisch getal en even zovele blogs, verhalen

Vierhonderd keer. Vierhonderd keer begon ik mijn vertellingen op mijn telefoon. Met één vinger tikte ik de verhalen, blogs. Vierhonderd keer kreeg ik van mijn lief te horen: “wat ben je nou weer aan ‘t tikken.” Vierhonderd keer kopieerde ik de tekst naar mijn WordPressaccount. Vierhonderd keer vermoeide ik u met mijn hersenspinsels, lang, meestal te lang. Ik schreef de verhalen voor mezelf. Niemand hoeft het te lezen, maar voor mezelf heb ik zaken vastgelegd, zoals ik dat ook zeg tegen mijn lezers. Schrijf, schrijf, er gaat al zoveel verloren, leg het vast.

Verhalen, blogs die ik maakte werden gelezen, veel gelezen. Ruim 78.000 leesmomenten door meer dan 31.000 personen. Dan heb je het niet alleen voor jezelf gedaan. 150 keer kwam er een reactie onder het verhaal, veel meer kreeg ik er via Facebook, Twitter of LinkedIn.

Sommige blogs schoten door het ‘plafond’, dan werd de blog binnen een uur meer dan 100 keer gelezen. Sommige bleven achter en zijn totaal slechts 34 keer gelezen.

De blog met de meeste lezers is die over de consternatie die ontstond toen onze burgemeester plots werd weggestemd. Over deze blog werd ik ook benaderd door het Algemeen Dagblad, de Telegraaf en de Volkskrant. Meerdere blogs hebben de aandacht getrokken van de media. Wat te denken over het besluit van het bestuur Varend Corso om ook naar Den Haag te gaan. Of het verhaal dat ik schreef over de ballenvanger van Schipluiden. Aan het laatst genoemde verhaal zit zelfs nog een heel triest staartje, waar ik niets over kan/mag vertellen. Maar dat het een triest verhaal is is zeker. Verder werd de blog over het opheffen van de Oranjevereniging er een waar de Volkskrant lucht van kreeg. Een journalist kwam naar de opheffingsvergadering en rapporteerde er over.

Vele verhalen gingen over mijn solexritten, over onze jongens René en André, of over belevenissen die ik heb meegemaakt. Soms schreef ik een verzonnen verhaal andere keer deed ik mee met een schrijfwedstrijd en kreeg ik een opdracht. Een enkele keer reageerde men door een hele heftige reacties te sturen. Maar over het algemeen slikte men het als zoete koek en werd ik er soms op een positieve manier over aangesproken.

Regelmatig schreef ik over mijn jeugd in Den Hoorn. De detailhandel in mijn jeugd of de bewoners van de Dijkshoornseweg. Maar ook hoe Den Hoorn er vroeger uitzag. Ik wijdde een blog aan alles wat ik deed aan vrijwilligerswerk. ‘k ben zeker nog niet klaar met schrijven, ik zal u er ook mee blijven ‘bestoken’ of zoals iemand ooit tegen mij zei: “Blijf lekker schrijven, ik koop geen boeken meer. Jouw verhalen zijn te leuk om niet te lezen en deze te laten gaan.”

Ik heb weleens overwogen om te stoppen. Gewoon geen zin meer in. Toch heb ik doorgezet en staat de 400ste nu online. Er zijn er nog veel meer, die houd ik voor mijzelf.

“Kan je geen boekje maken, van jouw blogs”, vroeg een mijn mijn fervente lezers. “Dan neem ik je mee op vakantie.” Nee, dat ga ik niet doen. Ik heb er geen zin meer in om te leuren met boekjes, zoals ik moest doen met mijn boekje BEEStENKRABBELS. Nog altijd heb ik er daarvan op de plank liggen.

Op mijn Facebooksite kom je ook regelmatig huwelijksblogs tegen. Deze tellen niet mee in het aantal van 400. Meetellen zou betekenen meer dan 500 verhalen, blogs. Niet niks, en soms begrijp ik mijn eega wel. “Je zet nog net niet op internet wanneer je naar de WC gaat.” Echter ik heb er schik in en plaats mijn verhalen. Ik blijf gewoon schrijven en u kunt gewoon blijven lezen. Tot de volgende blog.

300. 300 blogs en verhalen

Nummer 300. 300 blogs, verhalen die ik schreef naar aanleiding van zaken die ik zelf heb meegemaakt, heb gehoord of waar ik een mening over heb. 300 keer achter de computer of laptop om een verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Alles bij elkaar ruim 1100 A4tjes vol teksten.

Met heel veel plezier duik ik graag achter de PC om een stukje te schrijven. Nou ja stukje, “meestal is het het lang”, hoorde ik afgelopen week nog. “Ik begin eraan maar soms lees ik het niet af, omdat het te lang is.” Ik weet het het is vaak te detaillistisch, te lang ook misschien. Maar dat is zoals ik schrijf. Ik maak mijn verhaal zoals ik praat. “Dat maakt het juist zo leuk”, zei één van mijn vaste lezers, “ik zie je gezicht erbij en het is net alsof je tegenover mij staat en het verhaal tegen mij vertelt”. Nooit heb ik een opleiding of cursus gevolgd. Geen begeleiding gehad om te schrijven en geen journalistieke ervaring. Ik ben het gewoon gaan doen. Voor wie? Voor mezelf en het is leuk als ik mensen daarmee ook kan plezieren. Dat er vaak gelezen wordt is een feit, getuige de meer dan 52000 leesmomenten die er geregistreerd staan.

Er zijn uitschieters bij het lezen van de blogs. De blog over het buiten spel zetten van de burgemeester is er zo een. Meer dan 4000 mensen lazen deze blog. Vanuit de hele wereld werd deze blog gelezen. Waar ook veel interesse in was was het verhaal over de detailhandel in Den Hoorn, mijn geboortedorp, in de jaren ’60. Meer dan 1500 leesmomenten leverde het op. Ik zou de blog nog weleens na willen lopen in levenden lijve. Een boekje met foto’s van de genoemde objecten. Maar er zijn evengoed blogs bij die niet meer dan 18, 20 of 22 keer zijn gelezen. Nogmaals het zijn verhalen en blogs die ik voor mezelf vastleg.

Meerdere blogs zijn ter sprake gekomen. Over de beslissing dat het Varend Corso zijn route zou gaan wijzigen. Over mijn verhaal over Careyn, waar het niet helemaal goed ging, maar waar ik een positieve ervaring mee had en dat beschreef. Vele reacties ontving ik op mijn verhalen door middel van e-mail, facebook of onder de blog. Meestal heel positief, andere keren wat mindere reacties.

Inmiddels heb ik bijna 950 volgers, mensen die de gelegenheid hebben om mijn verhaaltjes te lezen. Soms bewust aangemeld of via Social Media. Een mooi getal dat ik nog graag zou uitbouwen naar 1000, maar dat heb ik niet in de hand.

Zoals ik al eens eerder schreef is het vastleggen van mijn en jouw leven van zo’n enorme waarde. Uitspraken van mijn vader waren geweldig. Jammer genoeg zijn ze niet meer terug te halen, verloren gegaan door de tijd. Dat wil ik voorkomen. Iemands leven eindigt niet als hij of zij er niet meer is. Het leven moet levend gehouden worden, en of je dat, zoals ik, vastleg in een blog die voor iedereen zichtbaar is of dat je dat in schriftje of aantekenboek doet, doe het!

Met veel plezier hoop ik er nog een flink aantal te kunnen maken, van het verleden, het heden of de toekomst het maakt niet uit. Ik vind het erg leuk als u mij volgt en een reactie achter laat. Veel lees plezier.

286. Een voornaam is ook maar een naam

Een voornaam is maar een naam. Ik kwam ter wereld met de voornamen: Adrianus Lambertus. Vernoemd naar de vader van mijn vader, Arie van Meurs en opa Bertus Charlier, de vader van mijn moeder. Zo ging dat vroeger, waar men tegenwoordig vaak een voornaam associeert met een groot sportmens, filmster, favoriete vriend of vriendin of men kijkt naar het lijstje dat de meest gebruikte nieuwe namen publiceert. Overigens staat op mijn geboortekaart mijn roepnaam als Adrie. Zo werd ik vroeger ook genoemd, Adrie. Naarmate ik ouder werd ging men mij Aad noemen.

Waarom ik geen toegevoegde naam Maria heb gekregen is mij een raadsel. Ik kan het niet meer navragen. Mijn drie broers hebben die naam wel meegekregen. Het sluit bij hen de rij voornamen. Deze voornaam is meestal een logisch gevolg bij mensen die de katholieke leer aanhangen. De toevoeging is in de jaren 60 van de negentiende eeuw een traditie om alle kinderen, ook de jongens, de naam ‘Maria’ als een van de voornamen te geven.

Wanneer ik word uitgenodigd om een huwelijksbevestiging te voldoen kijk ik altijd naar de voornamen. Waar zou zo’n voornaam vandaan komen? Weet men de betekenis van zijn of haar voornaam. Ik zoek er altijd even over op internet. Kan ik er wat mee in de toespraak die ik houd? Kan reuze interessant zijn.

Waar ik ook naar kijk is de reeks van eerste letters van de voornamen. Omdat ik 23 jaar als personeels- en salarisadministrateur heb gewerkt heb ik altijd geprobeerd om de voorletters te koppelen aan de achternaam. Soms dacht ik, dat kan toch niet waar zijn. Hoe kan je zo’n keuze maken. Simon Theodorus Adrianus Nicolaas Pot, (STANPOT) Hendrika Odelette Frederike Stadt (HOFSTADT). Waar een vrouwelijke collega Kimberley Adriana Renate Irene Nicolette – K.A.R.I.N. als voornamen heeft gekregen en haar roepnaam ook Karin is. Jan Smit noemde zijn dochter Emma Monique Maria Alida – E.M.M.A. Voorletters zijn ook geschikt voor een subtiele vernoeming. In Amsterdam loopt een Andy Jaime Anthony Xander (A.J.A.X.) rond. Theodorus Otto Martin kan een mooi eerbetoon zijn aan broer Tom.

Voornamen worden vaak ook bepaald door de afkomst. Namen als Ernest-Jan, Olivier, Roderick, Lodewijck (met ck) voor jongens en Isabella, Frederique voor meisjes worden vaak geassaisoneerd met adel, waar dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Ik trouwde ooit een Hugo-Maximiliaan waar de namen afkomstig waren van beide opa’s Huug en Max. De bruidegom was machinebankwerker.

Aan een eenmaal gegeven voornaam kan je zelf weinig kosteloos meer doen. Het is nog wel mogelijk. Een aantal reden: Er is een fout gemaakt bij de geboorteaangifte; Er is een fout gemaakt in de spelling van de voornaam; De gekozen voornaam verwijst naar een persoon die nare associaties oproept; De voornaam leidt ongewenst tot pesterijen of vervelende vragen; Het kind wordt gepest met de voornaam. Notariskantoren moeten worden ingeschakeld om je hier behulpzaam bij te zijn.

Heeft het altijd een kans van slagen? Voorafgaand aan het verzoek tot voornaamswijziging zal het notariskantoor altijd een nauwkeurige inschatting maken omtrent de kans van slagen. Als blijkt dat de slagingskans klein is, zullen zij hun klant daarover altijd eerlijk informeren en waar mogelijk alternatieven aanbieden. Het advies omtrent de slagingskans van een naamswijzigingsverzoek is gratis. De definitieve voornaamwijziging is niet kosteloos.

Soms neemt men zelf een nieuwe voornaam. Artiesten hebben hier nog weleens een handje van. Een voorbeeld hiervan is de zanger Jacob Marinus (Jaap) Bakker. Hij is nu bekend onder de naam Marco Bakker. Nu nemen artiesten vaker een andere naam aan. Klinkt nationaal of internationaal beter. Bekende naamswijzigingen Willeke Alberti – Willy Albertina Verbrugge, André van Duin – Adrianus Marinus Kyvon. Zo ook onze jongste zoon André Petrus Maria van Meurs – Andrew Mathers. Namen overigens die men niet wijzigt in de Basisregistratie Personen (BRP).

Waar ik maar helemaal niet over ga hebben is het bijnamenfenomeen. Vaak krijgt men op dorpen een bijnaam. Gerelateerd aan vaders beroep of onhandigheid. Zo had ik er zelf ook één: Ali. Waar ie vandaan kwam, Joost mag het weten. Ik keek om als men Ali riep. Nu zou dat anders zijn, denk ik. Toen ik in Den Hoorn woonde kende ik de meeste bijnamen. Nu, als ik op een verjaardag zit in mijn huidig woondorp, en men begint over Jaap Gras, Kees Mus, de Mol, de Berenboer, Rinus Bloemkool, dan haak ik af. Ze blijven wel mooi die bijnamen, waar ze vaak vandaan komen weet men niet meer. Men weet wie er mee bedoeld wordt en dat is voldoende. En zo is een naam maar een naam.

274. Delft Vertelt. Maar wie vertelt er eigenlijk?

Op 17 december jl. deed ik mee met de vertelsessie van Delft Vertelt. Dit keer in een Wintereditie. Vertellers zijn zij die zelf iets hebben meegemaakt in de stad Delft, dat zijn de voorwaarden voor het verhaal.

Begin 2017 kwam ik de website tegen van Delft Vertelt. Ik had er wel oren naar en stuurde een e-mail naar de organisatoren. Even bleef het stil. Maar dan volgt er een uitnodiging. Op zondag 10 september heeft men een plekje voor mij ingeruimd voor mijn verhaal. Helaas moet ik dan een keuze maken. Wordt het Monumentendag bij mijn werkgever of Delft Vertelt. Omdat het voor de laatste keer is dat ik rondleidingen kan doen in het mooie Jan den Huyterhuis, waar mijn werkgever is gevestigd, kies ik voor de optie Monumentendag. Ik laat de organisatie weten dat ik graag voor de volgende sessie wil worden uitgenodigd en zo gebeurt dat ook.

Begin oktober krijg ik een uitnodiging om een keer te komen praten. Ik zoek vanuit mijn blogs een aantal verhalen die voldoen aan de voorwaarden die men stelt. Eén ervan heb ik beschreven alsof ik het niet zelf heb meegemaakt, wat wel het geval is. Die ga ik herschrijven. De overigen zijn wel zelf beleefd.

Na afloop van mijn werk fiets ik langs bij het echtpaar dat nauw betrokken is bij de organisatie van Delft Vertelt. Ik word er hartelijk ontvangen. Ik mag uitleggen wie ik ben en men aanhoort wat ik heb te vertellen. Het is een gezellig gesprek. Tijdens dit gesprek kiezen we het verhaal dat het gaat worden. Dat is het herschreven verhaal. Een verhaal waarbij ik mijn jongste zoon ga verhuizen vanuit huis naar een flatje in Delft. We spreken af dat ik nogmaals langs zal komen en dan ook voor hen zal vertellen wat ik op de presentatie dag zal gaan doen.

Half november, ik ben net klaar met werken, fiets ik opnieuw vanuit Schipluiden richting mijn oude werkgever. Vlakbij woont het echtpaar waar ik de afspraak mee heb gemaakt. Het is gelukkig beter weer dan de vorige keer dat ik de afspraak heb gemaakt. Toen moest ik me in het regenpak hijsen.

Na een kopje thee met zelfgebakken cake, mag ik ‘op’. Ik vertel mijn verhaal en dat gaat me goed af, vind ik zelf. Gelukkig vinden mijn aanhoorders dat ook, al zijn er wel wat aantekeningen gemaakt. Ik moet mijn rust nemen, na een grap. Dingetjes nog wat uitkristalliseren, maar verder zijn er weinig op- en of aanmerkingen. Na een uurtje vertrek ik weer. Het zit in de pocket. Dan onderweg een gigantische hoosbui. Tijd om een regenpak aan te trekken heb ik niet. Je kunt maar éénmaal nat worden, dus fiets ik in de bui terug naar huis.

Ik lees mijn verhaal nog wat keren door. Verzin er nog iets bij wat van wezenlijk belang kan zijn en dan moet het erin zitten. Op 11 december is de generale en ik ben er klaar voor.

Dan begint het op 10 december giga te sneeuwen. Al in korte tijd ligt er meer dan 12 cm sneeuw. Gelukkig dooit het later in de middag, maar de opgeschoven sneeuw veroorzaakt wel gladdigheid. Op 11 december heeft men boven besloten om er nog een schepje bovenop te doen. Code rood wordt er aangegeven, dat betekent niet de weg op gaan als het niet strikt noodzakelijk is. Maar wat is strikt noodzakelijk. Een generale repetitie is niet niks. Toch waag ik het er niet op. Dan maar geen generale.

Dezelfde dag nog krijg ik een berichtje. ‘Kan je a.s. woensdag, Aad’. Bij de generale repetitie zijn slechts twee vertellers komen opdagen. Ik beantwoord dat ik bereid ben, mits het niet glad is, om de 13e te komen.

Ook op 13 december is het regenachtig weer. Dan kan ik kiezen voor het regenpak of de auto. Ik kies voor de auto, alleen ‘ik bin zunig’, en probeer mijn auto zo neer te zetten dat ik niet hoef te betalen. Ik google wat op de kaart van Delft en vind een plek waar ik mijn auto gratis kan neerzetten. En zo parkeer ik mijn auto in de Van Assendelftstraat. Volgens de overzichtskaart van parkeren Delft is het daar vrij parkeren. Maar ik heb van collega’s begrepen dat kaarten niet altijd zijn bijgewerkt. Op het tijdstip van deze blog heb ik nog geen parkeerboete binnen.

Dan wandel ik door de regen richting Rietveld. Bij de Oosterstraat probeer ik over te steken als er een auto aan komt. Hij heeft mij kennelijk niet gezien en rijdt pardoes door een grote plas. Het water staat hierna in mijn schoenen. Dankjewel. Als soppend ga ik verder de Vlamingstraat af, de Houthaak door richting Rietveldtheater.

Daar aangekomen kom ik een van de medevertellers tegen, Reinie Wijsman. Ze is fietsend vanuit de Wippolder gekomen. Eenmaal binnen krijgen we te horen dat het rustig zal worden. Er zijn slechts drie van zeven vertellers aanwezig. Reinie, Dick Stammes en ik. Na een kopje koffie of thee is het tijd om daadwerkelijk te vertellen. Wij zijn alle drie na de pauze gepland. De volgorde is ik, Dick en Reinie. Hieraan voorafgaand komt een muzikaal intermezzo.

Ook de generale gaat goed. Het is even wennen om in de schijnwerpers te staan, maar nog meer om erin te kijken. De voorste twee rijen zijn zichtbaar de rest zit in een zwart gat. Het is voor mij niet vreemd, omdat ik dit vaak van onze oudste heb gehoord. Ik heb er een goed gevoel bij en ga met opgeheven hoofd naar huis.

Zondag 17 december, de uitvoering. Samen met mijn lief fietsen we richting Delft. In Delft zelf is de Santa Claus Run begonnen en moeten we een stukje omrijden.

Aangekomen bij het Rietveldtheater parkeren we onze fiets voor de deur. Even later zien we mensen met hun fiets door de gang rijden en hun bike op een binnenplaatsje zetten. Dat is de weet voor de volgende keer.

Na een kopje koffie worden we voorgesteld aan de andere kandidaten. De ‘kantine’ van het theater loopt lekker vol. Om even voor drie uur klinkt het belletje. We gaan starten. Gerard Jellema praat de hele middag aan elkaar en stelt de vertellers voor.

Ik neem plaats op de tribune om te luisteren wat komen gaat. Oriana San-Sem start de vertelronde en geeft aan hoe zij is warm geworden van Lichtjesavond in Delft. Het doet haar terugdenken aan één van de weinige momenten dat ze heel blij werd in haar opgroeitijd in Roemenië ten tijde van Causcescu. Als tweede kandidaat komt Anneke Wentzel op het toneel. Zij vertelt over hoe ze tot een prachtig initiatief is gekomen voor mensen die alleen zijn met Kerst. Ze gaat er samen met een groep vrijwilligers een maaltijd voor organiseren. Belangstellende kunnen zich per e-mail opgeven. De derde verteller is de onderneemster Sephine Laros. Zij vertelt hoe Delftenaren betrokken mensen zijn. Een duif in het water krijgt alle aandacht en komt in gezamenlijkheid weer op de kant. Als laatste voor de pauze treedt Judith Kooijmans op. Haar vader heeft de Delftse Hout helpen opbouwen. Door vertellen en geluidsfragmenten van haar vader neemt ze het publiek mee in haar jeugd en de totstandkoming van het prachtige bosperceel.

Na de pauze is het de beurt aan Stefka music. Stephanie Ruijsenaars zingt drie liedjes met haar band. Met melodische muziek worden haar prachtige teksten ondersteund. Een mooi optreden. Daarna is het mijn beurt. Ik kijkt terug op hetgeen fout ging bij de verhuizing van mijn zoon. Delft kreeg er spontaan een aantal wegen bij die van een twee in een driebaans werden omgetoverd. De volgende is een ras verteller en ook gids van Delft, Dick Stammes. Hij heeft een bizarre ontmoeting met oud-militairen, veteranen. Als laatste is Reinie Wijsman aan de beurt. Haar verhaal gaat over de gasfabriek die in de stad heeft gestaan. Haar grootouders woonden er vlak naast.

Zo is de cirkel rond en kunnen we terugkijken op een machtige leuke en verrassende middag.

Na afloop is er de Bierhistorie Delft. Aad van der Hoeven, eigenaar van deze historie, heeft een aantal biertjes meegebracht die zijn te proeven en te kopen.

Met een goed gevoel fiets ik met mijn echtgenote huiswaarts. Het is zeker niet eens-maar-nooit- meer. Nee, het is zeker voor herhaling vatbaar. Organisatie Delft Vertelt u heeft mij een gelukkig mens gemaakt.

194. Je wordt er zo lekker rustig van

Het is niet leuk om altijd maar die actie te hebben in je hoofd. Nooit rust en altijd maar druk. Een hobby van legpuzzelen geeft je dan wel die rust, waarin ik me rustig twee tot drie uur volledig kan afsluiten en in mijn eigen wereld passende stukjes kan zoeken en leggen.

Het is zo’n veertien/vijftien jaar geleden dat we onze eerste Jan van Haasterenpuzzel scoorden. Puzzels die net als in mijn hoofd altijd een druk karakter hebben. Altijd ligt er één op tafel. Zomer of winter dat maakt niet uit. De triplexplaat ligt er altijd. Met een speciale constructie is de puzzel rechtop weg te zetten, al zal dat zelden gebeuren. Mensen die op visite komen zoeken vaak eerst naar een stukje om te leggen voordat de hand wordt geschud.

Jan van Haasterenpuzzels, wereldberoemd. De in 1936 geboren Schiedamse tekenaar maakte in 1975 zijn eerste tekeningen. Was het eerst Popey die het zo herkenbare beeld vormde, nu is dat de vin van een dolfijn en Sinterklaas in allerlei vormen en uitmonsteringen. Echter meerdere koppen van poppetjes kom je regelmatig tegen in zijn tekeningen. En meestal herken je ook de eigen kop van Jan.

Het leggen van Jan van Haasterenpuzzel pakt je als een virus. Eenmaal begonnen, kan je er niet meer mee ophouden. Bedtijden worden verlegd naar nog wat later, want waar ligt nou dat ene stukje? De tafereeltjes die Jan tekent hebben vaak een komisch of humoristisch karakter, of het nu voorkomt op een puzzeltje van 10 of van 5000 stukjes. Als de puzzel af is kijk je met plezier nog eens terug naar leuke dingen die op de tekeningen terugkomen.

Onze verzameling groeit gestaag. Per jaar komen er nieuwe puzzels uit. Nog steeds tekent Jan, ook nog op hoge leeftijd, zijn puzzels. De zo karakteristieke tafereeltjes geven de puzzel zo’n herkenbaar plaatje. Dagelijkse activiteiten met zoveel passie getekend, geven de puzzels juist zo’n Jan van Haasterengezicht. Maar ook de vele thema puzzels, als voetbalkampioenschappen, het jubileum van de Hockeybond, Zijn eigen 80-ste verjaardag en de inhuldiging van de koning. Uit duizenden haal je zijn puzzels er tussen uit.

Naast de nieuwe puzzels kopen we ook regelmatig een partij tweedehands puzzels op. We maken ze weer en kijken of ze compleet zijn. We hebben hierbij hulp van vrienden die het ook leuk vinden om te leggen. Arie, Nico, Kees en Miriam, ze komen regelmatig langs voor weer een puzzeltje. Soms neemt men er meerdere tegelijk mee en levert deze soms alweer binnen een week weer terug in. Zo snel kunnen wij het niet. In alle rust leggen we de stukjes.

De verkopende partij van tweedehands puzzels is niet altijd eerlijk of weet het niet, want ook in onze verzameling hebben we inmiddels zo’n dertig puzzels die niet compleet zijn. Die verdwijnen naar de zolder, wachtend op iemand die hier nog weer belangstelling voor heeft voor weer een ander invulling van een hobby. Complete puzzels die we al in onze verzameling hebben, verkopen wij weer. Voor aangepaste prijzen gaan de puzzels de deur weer uit. Soms via Marktplaats, kringloop Schipluiden of kringloop Den Hoorn, facebooksites die op kleine schaal zijn opgezet. Soms ook krijgen we een belletje, of e-mailtje of we nog voorraad hebben.

Zo af en toe komen we een aanbieding tegen bij de grote ketens, Intertoys, Kruitvat, Marskramer, Big Bazar of Makro. Maar doorgaans hangt er best een aardig prijskaartje aan.

Er zijn net als wij vele verzamelaars, mensen die op rommelmarkten en in kringloopwinkels snuffelen naar deze vrolijke puzzels. Steeds dezelfde mensen komen we tegen. Dat geldt ook voor kopers bij ons. Vaak opsturen, maar ook regelmatig ophalen vanuit het hele land. Het blijft leuk om ervaringen te delen.

Ik weet niet helemaal meer hoe het ooit is begonnen. Maar wat ik wel weet is dat we ook naast de genoemde aantallen van 10 en 5000 ook nog de andere formaten in bezit heb, 54, 108, 250, 500, 750, 1000, 1500, 2000, 3000. Verder hebben we een aantal verzameldozen. Drie in één doos met daarin soms verschillende formaten. Een bruidspaar dat ooit bij mij op intake gesprek kwam voor hun huwelijk zag onze gekte en gaf na de huwelijksbevestiging een themapuzzel: De bruiloft. Intussen hebben we zo’n 140 verschillende Jan van Haasterenpuzzels. Een hobby die veel plaats inneemt. Op een slaapkamer is een hele kast ingericht om de stapel netjes te ordenen.

Het blijft voor ons een hele leuke hobby. Rustgevend, maar bovendien leuk en…. niet onvermeld: het kan allemaal zonder het mobieltje, dat blijft in de standaard. Even (ont-)Haasteren, het is een aanrader om te puzzelen, geef rust, ontspanning en is nog leuk ook. Mocht je een puzzel willen hebben, houdt dan de genoemde sites in de gaten. Puzzel ze!!

186. Nieuwe bezems vegen schoon maar oude bezems kennen de hoekjes

Schreef ik in een eerdere blog over mijn werk als vakantiekracht bij de vuilophaaldienst in 1967, deze keer gaat het over de veegploeg. Na een weekje met vuilniszakken te hebben gesjouwd werd ik toe gewezen aan Willem van de veegploeg. Willem is een fictieve naam, waarom dat leest u in het vervolg van deze blog.

Op maandagochtend is het in mijn vakantie al vroeg dag. Al om kwart over zeven rijd ik in de regen richting de stort in Delft. Het zou later op de dag mooier weer worden. Ik moet om acht uur beginnen. Vandaar uit rijden we met een soort bakfiets de wijken in om langs de stoepranden te vegen. Niks met een veegwagen, gewoon handmatig, met bezem en schop. Verder moest erop worden toegezien dat daar waar de vuilniswagen langs was geweest en er was gemorst, ook deze troep werd op geruimd.

Met ‘Willem’, Timo, ook een vakantiekracht, en ik rijden we richting TU-wijk. Al zittend op het spatbord van de bakfiets krijgen we van Willem een lift naar de plek waar moet worden geveegd.

Aangekomen op de Professor Schoemakerstraat stappen wij beiden af en krijgen een gloednieuwe bezem in handen. Dan komt het echte werk. “Een goede pak van de steel is belangrijk”, zegt Willem. “Ik weet zeker dat je vanavond blaren op je handen hebt”, geeft hij nog even mee. De één neemt de linkerkant van de weg, de ander de rechter. Zo vegen we gelijk op naar de hoek van de straat. Willem neemt het ervan en praat met mensen uit de buurt en zorgt ervoor dat de bakfiets mee gaat. Hij komt hier al een jaar of vijftien, zestien en kent iedereen. Dat heeft ook een voordeel want dan heb je altijd koffie op de ochtend. Soms mag je binnenkomen, anderen serveren het op een bankje dat buiten staat en bij weer anderen ga je even op de bloembak zitten. Zo ook die ochtend. Het wordt een drukke koffieochtend.

Als we wederom een kopje koffie krijgen toebedeeld, schrikt Willem en als door een wesp gestoken vliegt hij direct overeind. Hij pakt een bezem en begint als een malle te vegen. Wij kijken ervan op en vragen wat er opeens aan de hand is. Dan blijkt dat er een ‘inspecteur’ door de straat is gereden. Vanuit een ooghoek heeft Willem hem gezien. En op inspecteurs heeft Willem het niet zo. Zij kijken toe of er wel gewerkt wordt en controleren de stoepranden. Als Willem werkt, dan moeten ook wij weer snel aan de gang. De mevrouw waar we koffie van hebben gekregen doet haar koekdoos weer dicht. Daar is geen tijd voor. Een inspecteur die éénmaal in de buurt is, is zo nog maar niet weg.

Wanneer we op de hoek van de straat een flink hoopje hebben gemaakt komt de schop erbij. Een grote vierkante schop die je strak tegen de stoeprand kan zetten. Dan is het een kwestie van met je ene hand vegen en met de andere de schop tegen de bezem drukken. Dat valt om de dooie dood nog niet mee. Intussen is Willem de bosjes even ingedoken en haalt met een grijper het ingewaaide papier en de blikjes uit de bosschage. Nu weet ik ook waarom de mannen van de reiniging van die dikke Manchester werkpakken aan hebben. Ze kunnen makkelijk tussen de stekelige heesters in lopen. Zo rijden/lopen we straat na straat af. Aan het eind van de dag heb ik inderdaad een zere plek aan mijn rechterhand, precies in de hoek waar duim en wijsvinger hun aanhechting vinden. Willem had ervoor gewaarschuwd, maar vegen blijkt ook een vak apart.

Zo doen we dat ook op dinsdag. Een stralende dag wacht ons op en de jas kan op de bakfiets blijven. Aan ons shirtje en in korte broek kunnen we heerlijk genieten van het mooie zomerse weer. Opnieuw is koffiedrinken net zo belangrijk als vegen. In tijdspanne lopen deze bezigheden gelijk met elkaar op is mijn inschatting. Wel kijkt Willem regelmatig om zich heen of hij geen inspecteur ziet fietsen. Aan de Kloosterkade woont er één, weet Willem. Daar is geen tijd voor koffie en is het doorwerken geblazen. Is de inspecteur niet in de buurt, dan kijkt zijn vrouw wel stiekem uit het bovenraam.

Op donderdag rijden we via de Kanaalweg naar de Rotterdamseweg. De kleine straatjes die hiermee zijn verbonden, kende ik niet. Ik was daar nooit eerder geweest. Daar gingen we met een grove bezem door de straat. Hier woonden geen ‘Toppers’, had Willem aangegeven en dus mocht het wel een beetje minder.

In de loop van de middag komen we aan op de Julianalaan. Grote huizen waar professoren wonen, vertelt Willem. Bij één van de huizen wordt de bakfiets aan de kant gezet. Als mevrouw ons in de straat heeft gezien, gaat de deur al op een kier. “Hier doen we effe een bakkie binnen”, zegt Willem. Mevrouw is in mijn ogen een deftige, welgestelde tante van middelbare leeftijd. Het zou zo maar een vrouw van een professor kunnen zijn. Een beetje de leeftijd van Willem. Ze had ook onze moeder kunnen zijn. Aan de grote tafel komt een theeservies op tafel. Grote, Engelse, gebloemde kopjes. Een doosje met theezakjes wordt voorgeschoteld, waardoor je kan kiezen welke theesoort je wil drinken. Thuis ben ik dat niet gewend. Er wordt losse thee in de pot gegooid en met een zeefje wordt er uitgeschonken. Ook voor het tweede kopje wordt wederom gebruik gemaakt van hetzelfde goedje. De thee wordt gewoon wat langer getrokken, dan is het vocht ook bruin.

Na enige tijd geeft Willem aan dat het voor ons tijd wordt om weer aan het werk te gaan. Waaraan we natuurlijk voldoen. Hij is immers de baas van de bakfiets. Willem blijft nog even achter want hij moet nog wat met mevrouw afrekenen. Ik begrijp hem niet, moeten we betalen voor de thee? Eenmaal buiten zien we dat de gordijnen boven worden dicht geschoven. Niets vermoedend vegen wij de straat verder schoon. Na zo’n twintig minuten komt Willem weer naar buiten. “Hier mag je nooit over praten hoor”, beveelt hij ons. Het gaat toch alleen om even iets met mevrouw af te rekenen? Als ik er meer van wil weten, gebiedt Willem om er over te zwijgen. Nog éénmaal begin ik er over met Willem, maar het naadje van de kous heb ik nooit van hem gehoord. Het zijn dus vermoedens wat Willem achter die gordijnen deed.

Het werd die vrijdag een aparte laatste dag met Willem. Ik liep de hele dag met vraagtekens maar durfde het hem niet te vragen.

Het is inmiddels bijna vijftig jaar geleden. Ik mocht er nooit met iemand over praten, schrijven had hij mij niet verboden. Vandaar dat ik met een gerust gevoel mijn verhaal kan doen. Willem is er niet meer, al lang geleden heb ik zijn overlijdensadvertentie in de krant gezien. Hoe het met mevrouw verder is gegaan heb ik niet kunnen achterhalen. Ze reed, denk ik, een scheve schaats en Willem ook, maar kennelijk kan je met twee scheve schaatsen elkaar nog best recht in de ogen kijken. En dat deed hij naar mijn idee elke week.

148. Wie heeft het hier nu voor het zeggen?

Daar gaat ze, het buurmeisje van nr. 21. Klaar met het VMBO Kadergericht naar het MBO. Wat heeft ze er een zin in. Jammer genoeg moet ze nu haar eigen boontjes doppen, nee ze gaat niet voor consumptief, maar er gaat geen klasgenootje mee naar de school waar buurtje heen gaat.

Ze is haar boeken gaan halen en heeft ook verplicht een laptop aan moeten schaffen. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde, want haar vader is financieel niet zo draagkrachtig dat hij zowel voor haar als voor een jonger zusje zo’n ding kan kopen. Via school heeft hij het op een akkoordje kunnen gooien en een afbetalingsregeling kunnen afspreken. Maar dat gebeurt pas nadat dochterlief zich de eerste keer meldt op school.

De eerste dag is hoopgevend. Om 11:15uur moet ze zich op school melden. Dat vindt ze prachtig. Lekker nog even uitslapen. Waar ze vroeger met de fiets naar school ging, moet ze nu met het openbaar vervoer. Eerst op de fiets naar het station van Rotterdam. Dan met de trein en vervolgens met de tram verder. Een hele onderneming, maar aansluitend goed te doen. Als ze aan het begin van het schooljaar vanuit haar dorp naar Rotterdam rijdt heeft ze geen plekje kunnen vinden in de stalling, die is vol. Haar vader heeft haar nog zo gezegd om binnen te stallen, maar na 20 minuten zoeken is ze geen leeg rek tegen gekomen. Ze gaat met haar bijna nieuwe fiets naar buiten en vindt daar een leeg plekje. Dan moet de fiets maar daar, het is niet anders.

Terug naar het station checkt ze in om vervolgens de roltrap te nemen. Ze voelt zich ondanks haar nog jonge leeftijd van 16 bijna 17 jaar een flinke meid. Als de trein aankomt zit deze boordevol. De trein zit niet alleen, maar staat ook boordevol. Ze wurmt zich naar binnen om daarna klem te staan tussen een groep scholieren die zich kennelijk ook voor het eerst gaan melden. Er hangt een irritante en penetrante lucht in het stacoupé van de trein. Om misselijk van te worden.

Wanneer meisjelief is aangekomen op het station waar ze moet uitstappen weet ze niet hoe snel ze naar buiten moet. Na enig zoeken komt ze aan bij de tramhalte. Ook de tram zit giga vol. Het lijkt er op dat de vervoersmaatschappijen niet zijn ingespeeld op zo’n eerste schooldag.

Bij school aangekomen volgt ze de bordjes met daarop het klasllokaalnummer. Wanneer ze het lokaal heeft gevonden krijgt ze na enige tijd de schrik van haar leven. Er zitten slechts twee autochtone meisjes in de klas. Een klas die verder wordt aangevuld met tien allochtone jongens, twee autochtone medelanders van Surinaamse afkomst en twee allochtone meisjes. Dit is zeer confronterend als je uit een dorp komt waar slechts weinig mensen van buiten de eigen gemeenschap komen, laat staan van allochtone afkomst zijn.

Maar buurmeisje is niet voor een kleintje vervaard en komt na een eerste schrik al snel tot de conclusie dat ze bevriend moet raken met het andere autochtone meisje. Ze hebben raakvlakken, blond lang haar, blauwe ogen, lange benen en lange wimpers. Al kort na de voorstelronde wist ze alleen de voornaam van het andere blondje, Marleen.

Wanneer de eerste les begint, is er al direct gedonder in de klas. De jonge docente kan de klas niet de baas en probeert het met een verheffende stem. Dat helpt, de klas gaat ook harder naar elkaar schreeuwen. De ‘juf’ gooit het over een andere boeg. Ze spreekt over normen en waarden. Die heeft de klas ook: hun normen en waarden.

Nadat de aanwezigheid is opgenomen wordt er een namenlijst met leerlingen uitgedeeld. Dit als hulpmiddel voor de telefooncirkel. Al ze de lijst doorneemt ziet ze dat bijna alle jongens Mohammed heten. Dat is om het makkelijk te maken. Er zit nog een Fiaz en Amir tussen, maar dan heb je het gehad. Ze staat zelf als derde op de lijst tussen Mohammed en Fiaz. Alle telefoonnummers staan er tussen en leidt al direct tot de volgende actie. Men probeert even uit wie wie is en belt de nummers. Niet verwonderlijk dat buurmeisje meerdere keren wordt gebeld evenals Marleen.

Buurmeisje voelt zich toch niet op haar gemak. Moet ze het hier een heel jaar mee doen? Ze probeert het bij de beide meisjes die hier wel zijn geboren maar van etnische komaf zijn. De meiden lachen, ze lachen om alles wat de klas uitspookt. Nee, een geweldige aansluiting heeft ze niet. Ook de rest van de dag wordt het geen feest in klas 1H3. Buurmeisje wordt er zelfs verdrietig van.

Na de dag zoekt ze haar jack op en gaat naar haar tram. Een aantal van haar medeleerlingen reizen met haar mee. Ze had gehoopt alleen terug te reizen en van deze piassen af te zijn. Niets is minder waar. Op het station splitst de groep zich verder en als ze naar de trein wandelt is er slechts één medeleerling die met haar verder reist. In de trein komt ze weer andere leerlingen tegen. Opnieuw is het staan geblazen en groot praat aanhoren.

Als ze thuis komt en haar moeder ziet, schiet ze spontaan in een huilbui. Ze vertelt wat er die dag is gebeurd en krijgt troost van haar moeder. Als haar vader ’s avonds thuis komt krijgt hij hetzelfde verhaal te horen. Meisje wordt er niet vrolijker op.

De volgende dag gaat buurmeisje opnieuw naar school. Met lood in de schoenen. Gelukkig is er nu wel een plek in de fietsenstalling. In de trein is het mogelijk nog drukker dan de dag ervoor. Mede omdat er treinen zijn uitgevallen. Die dag gaat het op dezelfde manier als de eerste schooldag. Er is weinig respect in de klas, niet voor elkaar, maar ook niet voor de docenten. Men doet maar wat. Wat wel opvalt is dat er drie jongens al niet zijn. De absentielijst wordt al direct gevuld. Tijdens een tussenuur als buurmeisje en Marleen even een ommetje willen maken, komen er twee klasgenoten naast hen lopen. Ze vallen hen lastig en doen oneerbare voorstellen. Zestien jaar en dan al dit soort manipulaties. Ze kijken de jongens niet aan en lopen verder. Van beiden gaat de telefoon af. Anonieme nummers maar overduidelijk de twee klasgenoten.

Meisjelief heeft het er negentien dagen volgehouden. Dan is ze er mee klaar. Ze meldt zich in overleg met haar ouders ook ziek. Vader probeert het op de school nog voor haar op te nemen met de directie. Die beloven er alles aan te doen, maar enig resultaat blijft uit.

Nu zit ze thuis. Gaat werken bij de C-1000, maar krijgt na enige tijd bezoek van de onderwijskundige van de Gemeente. Ze moet uitleggen waarom ze niet naar school gaat. Er wordt gezocht naar een compromis. Ze kan voor één jaar terecht op een andere school. Daar krijgt ze haar kansen wel, is er wel ‘tucht’ en orde. Ze krijgt er het plezier van naar school gaan terug en haalt er mooie cijfers. Op deze school kiest ze aan het eind van het jaar een andere studierichting en doorloopt de school glansrijk. Met hoge cijfers slaagt ze en gaat naar het HBO. Ze blijft, omdat de school binnen een cirkel van 15 km zit, thuis wonen in haar beschermde omgeving.

Nog lange tijd heeft ze last gehad van de telefooncirkel. Tot midden in de nacht werd ze gebeld. Ze besluit een nieuw telefoonnummer te nemen. Dan zijn ook die problemen opgelost.

Ze is nu toe aan een nieuwe uitdaging. Trouwen met de liefste jongen die ze kent.

Het bovenstaande verhaal kreeg ik mee van een bruidje dat ik in de afgelopen jaren heb mogen trouwen. Ik heb het verhaal anoniem gemaakt. Inmiddels heeft zij haar HBO afgemaakt en heeft een goede baan, maar deze dagen zitten haar nog steeds heel hoog en terwijl ze het mij verteld, zie ik betraande ogen. En wat ik uit de kranten verneem is er de afgelopen jaren weinig veranderd. Ik vond het verhaal zo aangrijpend en besloot het aan het papier toe te vertrouwen en het van mij af te schrijven.