294. Werkgerelateerde zaken II

Ruim 34 jaar heb ik bij mijn werkgever gewerkt. Het Hoogheemraadschap van Delfland was de plek waar ik zoveel jaar met veel plezier mijn diensten heb verricht en waar ik heel wat grappige zaken heb meegemaakt. Mijn tweede opsomming.

Op een maandagochtend rond de klok van elf uur loop ik naar beneden. Mijn kamer A1.18 (de kamer van Aad in werktaal) ligt op de eerste etage. Wanneer ik bij de kamer kom waar ik moet zijn, hoor ik een hevig geronk. Heel zachtjes doe ik de deur open om te zien wat er achter de deur gebeurt. Een al wat oudere medewerker, in de rang van referendaris, ligt met zijn hoofd op de tafel zijn roes uit te slapen. Hij is barbeheerder bij een Delftse voetclub en het is kennelijk laat geworden. Het zou niet de enige keer zijn dat ik hem hierop betrap.

Wanneer Delfland 700 jaar bestaat wordt er een grote overzichtstentoonstelling ingericht van alle kunstschatten die men in huis heeft. Het voltallig College heeft besloten ter gelegenheid van deze feestelijkheid om alles te laten zien wat men in bezit heeft. Er is echter geen rekening gehouden met de toenmalige chartermeester (archivaris). Hij is niet gekend in deze actie en is het er ook absoluut niet mee eens. Hij besluit het er niet bij te laten zitten en huurt wat attributen. Tijdens de eerstvolgende vergadering van het College komt hij op een stalen ros en gekleed in een harnas met een zwaard al fietsend de collegekamer binnen en springt op de tafel. Zwaaiend met het zwaard dat hij bij zich heeft wijst hij alle Collegeleden stuk voor stuk aan en laat hij weten het niet eens te zijn met de beslissing van het College. Het College is er danig van geschrokken maar laat het feest wel doorgaan. Medewerkers van Delfland worden ingedeeld om naast een overdagse ook een nachtelijke wachtdienst te lopen. Over de nachtelijke sessie alleen al kan ik een boek schrijven, dat ga ik niet doen.

Het is Goede Vrijdag. In die tijd nog een vrije dag voor ambtenaren. Het is ook een vrije dag voor de inwonend conciërge. Hij woont met zijn vrouw en twee zoons in het pand aan de Oude Delft. Als Pa en Ma op Witte donderdag teruggaan naar hun roots in Brabant blijven de twee zoons achter. Een van de zoons duikt die avond de Oude Jan in. De Oude Jan is een studentikoos café. De zoon ontmoet er een aantal leuke meisjes en als hij vertelt dat hij in het prachtige pand aan de Oude Delft woont, willen zij daar wel een kijkje nemen. Zij stappen daarom met vijven, de zoon en vier meiden, in de tweepersoonslift. Die avond ontstaat er wat reuring in Delft omdat een aantal meiden niet is thuisgekomen. Dat zou zo blijven tot aan de eerste Paasdag. Dan worden ze bevrijd uit een niet zo lekker ruikende en uitziende lift. De lift kon het gewicht van vijf niet aan en is halverwege blijven hangen. Deze activiteit haalt het NOS-journaal. De conciërge krijgt hiervoor een berisping.

Als ik op een donderdagavond boodschappen ga doen in winkelcentrum In de Boogaard in Rijswijk kom ik daar een vrouwelijke collega tegen. Ik sta tegen een pilaar van de Konmar geleund. “Wat doe jij nou hier?”, vraagt ze mij. Ik antwoord haar dat ik op mijn vriendin sta te wachten. Mijn vrouw is even het karretje weg gaan zetten en zij is ook mijn vriendin. “Ssst”, fluister ik haar toe “niet op het werk vertellen hé”. De volgende ochtend al word ik door verschillende collega’s met vreemde ogen aangekeken. Als een lopend vuurtje gaat het door het bedrijf heen. Aad Meurs houdt er een vriendin op na. Ja voor geheimen moet je er niet zijn.

Zo ook de bode die we in dienst hadden eind jaren tachtig. Alle brieven die worden gemaakt bij Personeelszaken worden in een brievenboek gestopt. Zijn vaak vertrouwelijk en moeten dus discreet worden behandeld. Dit boek gaat naar de secretaris-rentmeester of dijkgraaf toe. Hij is degene die het boek dan brengt. Wanneer hij het boek heeft opgehaald zien we hem op de gang het brievenboek openen en leest hij de te ondertekenen brieven. Met: “zo, zo,” en “nou, nou” hoor je hem de inhoud tot zich nemen. We besluiten bij personeelszaken een brief te maken waarin zijn ontslag wordt weergegeven. Wanneer hij de kamer af is met het boek, duurt het maar heel kort, dan komt hij op hoge poten terug met het boek om zijn ongenoegen te uiten. Sinds die tijd brengen medewerkers het brievenboek persoonlijk richting ondertekenaars.

Wanneer Delfland overschakelt van de originele blauwe Remmington schrijfmachine naar de personal computer is dat voor veel medewerkers een grote omslag. Men is niet gewend aan programmatuur dat is geïnstalleerd en sommige programma’s zijn volledig in het Engels. Verschillende keren worden we gebeld door medewerkers dat men niet uit een programma kan komen omdat de kennis ontbreekt. Als een medewerker belt met de mededeling dat hij op any key moet drukken, weet hij die niet te vinden. We maken een afdruk van een toetsenbord en tekenen er een extra knop bij met daarop de tekst any-key. Betrokken medewerker komt met zijn toetsenbord aanlopen en vraagt of hij een ander toetsenbord kan krijgen, hij mist de knop met any-key erop.

Delfland kent bloktijden. Tussen 07:30 en 12:15uur en 13:30 tot 18:00uur behoort de afdeling bezet te zijn. Niet voor een collega die regelmatig ook na 18:00uur nog werkt. Als hij een document af moet maken vergeet hij bij de conciërge aan te geven dat hij wat langer blijft. Betrokkene is zo met het werk bezig dat hij de tijd volledig vergeet. Wanneer hij op een gegeven moment tot de ontdekking komt dat het al halfnegen is besluit hij naar huis te gaan. Het gebouw is echter volledig in de sloten. Eenmaal binnen, mag je er niet meer uit. Hij zoekt ergens een ruit en slaat deze in. Hij kruipt door de smalle opening naar buiten en staat dan op het plein voor het gebouw. Ook het hek is gesloten. Met wat klimwerk komt hij boven op het hek. Wat hij echter niet in de gaten heeft is dat zijn jasje over één van de punten van het hek is geschoven. Als hij naar beneden wil springen blijft hij met zijn jasje aan het hek hangen en bengelt tussen hemel en aarde. De politie heeft hem later bevrijd.

Het is monumentendag. Medewerkers die hun diensten hebben aangeboden om rondleidingen te doen mogen hun auto op het plein zetten. Een parkeergarage is er nog niet. Een van de rondleiders zet zijn auto op de plek die is gemarkeerd met het bordje ‘DIJKGRAAF’. De auto’s van andere medewerkers komen er strak tegenaan te staan. Wanneer we druk bezig zijn met het rondleiden van publiek komt de toenmalige dijkgraaf het plein oprijden. Hij ziet dat zijn plek is ‘ingenomen’ en zet zijn auto erop 5cm tegenaan. De dijkgraaf heeft een burgemeester elders uit het land uitgenodigd en gaat eten in de stad. Als onze collega aan het eind van de dag naar huis wil gaan, staat hij volledig opgesloten. Die dag neemt hij de tram naar huis en laat zijn auto staan. De machtsverhoudingen in die tijd worden hiermee duidelijk.

Mijn collega uit Friesland die doordeweeks in Delft verblijft heeft de gewoonte om zodra hij binnen is zijn schoenen uit te doen. De vrijgezelle man is niet een van de schoonste en hij heeft toch wel een luchtje bij zich. Helemaal als hij zijn schoenen uitdoet. Dames van de typekamer storen zich mateloos aan het handelen van deze persoon. Wanneer hij dan ook op een keer zijn schoenen heeft uitgedaan, ontvremen zij deze en verstoppen de schoenen. De man maakt het niks uit hij gaat op kousenvoeten aan het eind van de dag naar huis. Later heeft hij zijn leven gebeterd en houdt hij zijn schoenen aan.

Op de kamer waar ik zit ligt een hoogpolig tapijt. De kamer is in het verleden van de directeur technische dienst geweest en heeft een toch wat andere uitstraling dan de andere kamers. Het tapijt is geen tweekontjes hoog, maar misschien wel drie. Als een van mijn collega’s veel meer gaat niezen en sniffen wordt het tijd om het tapijt te vervangen. Met mijn collega ontbieden we de toenmalige inwonende conciërge. “Beste Willem”, vraag ik hem, “ik zou heel graag andere vloerbedekking in de kamer willen, het is vrij ongezond.” Met Willem wandel ik mee naar de secretaris-rentmeester om toestemming te vragen. Als Willem de vraag stelt aan de beste man krijgt hij ‘nee’ op het rekest. “Je hoort het”, zegt Willem, “het gaat het niet worden.” Twee dagen later komt er een tapijtenlegger met nieuwe vloerbedekking. Ik begrijp er niets van en vraag aan Willem hoe dit nu is klaargemaakt. “Je moet niet alles vragen, joh”, zegt hij, “je moet het gewoon doen.” Wie had het hier nou voor het zeggen.

Met tapijtenleggers heb ik wat. Het hele gebouw moet worden belegd met nieuwe vloerbedekking. Een gerenommeerd bedrijf heeft de opdracht gekregen om het tapijt te vervangen. Ze zijn er al dagen mee bezig, als ik word gebeld door de receptie. “Aad kan je even komen, we hebben wat EHBO nodig.” Ik spoed me naar beneden. Bij de receptie staat een man met een bebloed bovenbeen en de broek op de knieën. De tapijtenleggers hebben een stanleymes als spelletje naar elkaar gegooid en hij heeft misgegrepen. Daardoor is het mes in zijn been terecht gekomen. Hij heeft het er voor de zekerheid alvast uitgetrokken, waar we als EHBO-er leren, dit te laten zitten. Zijn been bloedt behoorlijk en een flinke jaap is zichtbaar. Met de broek inmiddels op de hielen gooit hij er allemaal jodium in, dat hij van de receptioniste heeft gekregen. Maar daarmee stop je niet zo’n diepe snijwond. Ik verbind de wond en stel voor dat hij naar de spoedeisende hulp wordt gebracht. Dat vertikt meneer, hij moest zich die middag melden bij het UWV voor een uitkering en werkt dus zwart voor de tapijtlegger. Na veel overredingskracht hebben we, de bode en ik, hem naar het ziekenhuis kunnen brengen. Na afleveren zijn wij direct teruggegaan. Hoe meneer naar huis is gegaan weet ik niet.

Zo zijn er nog vele voorvallen te beschrijven. Ik laat het erbij en houd de rest voor mezelf. Of misschien tijdens komkommertijd wijd ik er nog een blog aan.

89. 82 jaar en een Samsung Galaxy S6

30 november 2016. Het regent zachtjes, het is vies weer. Gasten en vrijwilligers van de Zonnebloem, afdeling Schipluiden gaan naar de Intratuin in Zoetermeer. Na eerst twee dames in het dorp te hebben opgehaald, rijd ik naar het vrachtwagenparkeerterrein in Schipluiden. De bus waarmee we zullen worden vervoerd staat al op het parkeerterrein. Aangekomen bij de bus parkeer ik mijn auto er zo dicht mogelijk tegen aan om mijn twee oudere dames droog de bus in te helpen. Een ontvangstcomité staat al te wachten.

Wij zijn mooi op tijd. Het wachten is op een dame die zelf niet uit de rolstoel kan komen en dus vanaf huis, lopend door een vrijwilliger, wordt opgehaald. De duwer en de zitter hebben al de nodige druppels te pakken voordat ze in de bus zitten. De rolstoelzitter moet met een liftsysteem de bus in. Ze wordt stevig vastgezet op de lift om even hierna ook in de bus te worden geborgd. Als iedereen binnen is gaat al snel het blikje met snoepjes de bus door. Ik vind er een lolly in en steek hem in mijn mond, denkend aan Kojak.

Het weer wordt slechter naar gelang we langer op de weg zijn. Onderweg een welkomstwoordje van de buschauffeur en de Zonnebloemorganisator geeft de mensen de informatie wat ze deze dag verwachten kunnen. Ik vraag tijdens de reis welke mevrouw ik deze dag mag begeleiden. Ik ken haar niet. Ze wordt me aangewezen. In Zoetermeer aangekomen is het meer gaan waaien en regenen. De paraplu wordt tevoorschijn gehaald. Deze blijkt van weinig waarde als de baleinen knappen door de wind als zijn het luciferhoutjes. Als ik nog even help met uitstappen van de mensen die niet makkelijk ter been zijn, word ik geroepen. “Je gast is als binnen.” Mijn gast heeft de benen genomen en is alvast naar binnen gelopen en heeft niet op me gewacht. Wanneer ik ook naar binnen loop, krijg ik een stevige hand van mevrouw. “Hoe heet je”, vraagt ze me. Ik noem haar mijn naam. “Ik ben mevrouw Verkerke”, zegt ze, “maar zeg maar Co hoor.” Ik loop met mevrouw mee naar binnen en kijk in het rond. Dat doet ‘Co’ ook. Als we net aan door de Intratuin wandelen haalt ze een Samsung Galaxy S6 te voorschijn. “Effe een fotootje maken”, zegt ze, “als ik straks thuis ben moet ik wel kunnen laten zien wat er zoal te koop is.” Ik kijk hoe mevrouw Co haar telefoon in haar handen houdt. “U moet de telefoon even langer vasthouden, voordat u deze dichtklapt.” “Ja dat weet ik”, zegt ze mevrouw snibbig.” Ik vraag haar tijdens de wandeling hoe jong ze is. “Zeg maar oud, hoor”, laat ze me weten. “Ik ben 82.” Ik verbaas me over haar viefheid. Ik vraag haar naar haar Samsung telefoon en vraag of ik even mag kijken. Als ik haar de laatste foto laat zien, blijkt dat deze een bewogen beeld weergeeft. “Gooi die maar weg”, zegt ze. “Met je vinger naar beneden trekken, dat scherm”. Ik kijk haar aan. “Geleerd van mijn kleinkinderen”, zegt ze. Ze weet er veel van af. Als ze een filmpje wil laten zien van een kleindochter die een stukje op de piano speelt, houdt ze de telefoon tegen het oor. “Ik hoor niks”, zegt Co, “hoor jij wat?” Ik legt mijn oor tegen haar telefoon en hoor zachtjes piano muziek. “Ik heb geen Wi-Fi”, zegt ze, “dat is het.” Ze gaat naar het instellingenscherm en zoekt naar Wi-Fi. “Kan ik die hutspot instellen”, vraagt ze. “Hotspot”, zeg ik. “Ja, dat zeg ik”, laat ze me weten. Voor ik het weet heeft ze e.e.a. al ingesteld. Ik blijf me verbazen over hoe ze met haar telefoon omgaat.

Na de koffie gaan we opnieuw de winkel in. “Ik koop niks, het is hier veels te duur. Je kunt beter naar de Action gaan”, krijg ik te horen. Onderweg blijft ze foto’s schieten. Ze houdt zich nu aan mijn aanwijzing en wacht met dichtklappen van de telefoon tot de klik heeft geklonken. Af en toe mag ik een foto maken met haar toestel. Ze vraagt ook of ze dat ook met mijn telefoon moet doen. Ik wijs dat af. Wat een heerlijke vrouw is dit.

We gaan naar het eten. Een kopje erwtensoep, een broodje kroket en een broodje ham of kaas. Op het gemak eten we onze broodjes op. Onderwijl komt ook haar telefoon weer te voorschijn. Ze laat aan anderen alle foto’s zien die ze die ochtend heeft geschoten. Als we nog even zitten zegt ze: “Van mij mogen we naar huis, ik heb alles wel gezien”. Na even te hebben getoiletteerd lopen we toch nog even de winkel in. “Ik heb alles gezien”, zegt ze opnieuw. We komen aan bij de dierenafdeling. In elk hok kijkt ze. Ze blijkt van boerenafkomst en weet over elk konijn wel iets te vertellen. Dan wandelen we naar de vissenbakken en terraria. Ook hier heeft mevrouw bij elke bak wel iets te vertellen. Dan gaan we naar de plantenafdeling. Bij de kerststerren blijven we nog even staan. “Dat’s wel een mooie”, krijg ik te horen. Ze haalt er één uit het schap en duwt hem in mijn handen. Hij kost €4,00, maar met de kortingbon die ze heeft gekregen gaat er €0,80 af. Ze rekent het even snel uit. “Jij mag ook wel iets kopen op mijn kosten hoor”, krijg ik te horen. Ook dit wijs ik af. Ik geef haar te kennen dat ik het heel lief vind, maar dat ik dat niet gepast vind.  

Als we richting uitgang lopen vraag ik haar of ze ook is opgehaald die ochtend. “Nee”, zegt ze, “ik ben op de fiets. Ik heb een elektrische fiets, twee jaar oud en inmiddels staat er 13.000km op de teller.” “Ik rijd ook nog auto”, zegt ze. Ik kijk haar verbazend aan, twee jaar een fiets en dan 13.000km gereden. “Ja”, zegt ze, “en ik hoef niet eens naar mijn werk. Maar ik fiets rustig naar het dorp, naar Vlaardingen of Schiedam.”

We wandelen richting kassa. Ik heb nog steeds die kerstster in mijn handen. Ze besluit om bij de pin kassa te gaan staan. Ze heeft nooit veel geld in haar portemonnee, maar haar pinpas heeft ze altijd bij zich. Na het afrekenen wandelen we richting uitgang. Buiten stormt het en de regen slaat op de straat. Het is beestenweer. “Zal ik u een arm geven”, bied ik haar aan. “Nee hoor, die was voor mijn man, hij is zeven jaar geleden overleden”, geeft ze te kennen, “of voor een kleinkind”, voegt ze toe. Ik begeleid haar naar de bus en help haar de bus in. Ik heb net geen plekje. Er zijn veel inkopen gedaan. Op de stoelen staan de tassen met inkopen. Eén van de vrijwilligers zet haar inkopen op de grond. Ze schuift wat op waardoor ik ook kan zitten.

Tijdens de terugreis striemt de regen tegen de ramen. De ruitenwissers kunnen het nauwelijks bijhouden. De storm is aangewakkerd. Het is rustig op de weg, weinig verkeer. Precies op tijd komen we weer aan op het vrachtwagenparkeerterrein. Ik ben als één van de eerste uit de bus, om onze gasten uit de bus te helpen. Mijn gast van de dag stapt ook uit, geeft me een hand en wandelt door de regen en de wind naar haar fiets. Ik rijd intussen mijn auto dichter bij de bus om mijn eerder die dag opgehaalde dames weer in te laten stappen. In de verte zie ik mijn Co haar regenbroek aantrekken. Ze moet nog 5,5km. Ze stapt op en steekt haar hand nog naar mij op. Daar gaat ze 82 jaar volop in het leven staand op de fiets door regen en wind naar huis. Ik pak mijn telefoon en maak er een plaatje van. Zo wil ik later ook zijn.

Mijn eerder die ochtend opgehaalde dames stappen bij mij in de auto. Ik breng hen één voor één naar huis. Ze hebben genoten, hoor ik. Ook ik heb genoten van een hele leuke en leerzame dag met en van een vrouw van 82 jaar.

In verband met de privacy is de naam van mevrouw geanonimiseerd.

88. Lichamelijk kapot, maar in het hoofd boven de wolken

Ruim een jaar geleden werd ik gevraagd door mijn schoonzus om op een avond van het Katholiek Vrouwengilde in mijn geboortedorp Den Hoorn iets te vertellen over ‘van wie ik er één ben’ en ‘wie ik ben’. Zonder enige twijfel zegde ik mijn medewerking toe, zonder echt te weten hoe ik dit moest aanpakken. De tijd ging lopen, ik wist niet eens welke datum men voor mij in gedachte had en wachtte rustig af. Dan krijg ik het programmaboekje te verwerken voor het seizoen 2015/2016. Tot mijn grote schrik heeft men mij ingedeeld op een dag dat ik ook de rode mantel zal moeten dragen. Oei, ik heb nu een probleem, twee activiteiten die zoveel energie vragen en elkaar opvolgen, dat gaat echt niet lukken. Ik stel een andere datum voor, een weekje eerder. Hierover moet mijn schoonzus terug naar haar bestuur, want de avond dat ik zal komen praten staat ook een beetje in het teken van Sinterklaas. Korte tijd later krijg ik de mededeling dat het bestuur met mijn voorstel kan leven en in dat men de avond gaat verplaatsen. Aan de dames, leden van het gilde, moet wel nadrukkelijk worden verteld dat zij, in afwijking van de normale cyclus, een andere datum krijgen vastgesteld. Dat is niet mijn zorg. Nu moet ik gaan bedenken wat ik die avond ga doen.

Een week of vijf voor de presentatie weet ik nog steeds niet hoe ik e.e.a. zal in steken en wat ik zal gaan doen. Ik begin met schrijven, heb wel een idee, maar echt veel komt er niet uit. Dan bedenk ik me om een rode draad te maken die bestaat uit al het vrijwilligerswerk wat ik heb gedaan. Ik put uit mijn geheugen en ga aan de slag. Als snel kom ik tot meer dan 40 verschillende functies bij allerlei organisaties en verenigingen. Het wordt een hele lijst.

De grootste en langste functies vertrouw ik toe aan het papier. De eendaagse activiteiten laat ik voor wat het is. Ik maak er een kaartsysteem voor en laat dat de rode draad zijn voor wat ik ga doen. Ooit heb ik een aantal grote posters laten maken van typetjes die ik ooit heb gespeeld. Deze zullen het decor zijn van de avond.

De zondag voorafgaand aan de presentatie word ik ziek. Ik kom zakdoeken tekort. Binnen een kwartier is het gedaan met me. ’s Avonds ga ik vroeg naar bed. Het wordt zweten en niet zo’n klein beetje ook. De volgende dag twijfel ik of ik naar mijn werk zal gaan. ’s Avonds moet ik nog weg voor de housewarming van de nieuwe Sinterklaaslocatie. Met een stemmetje in mijn hoofd, hoor ik mijn moeder: ‘Niet naar school, dan ook ’s avonds niet naar buiten’. Ik ga gewoon naar mijn werk. ’t Wordt geen makkelijke dag. Dat geldt ook voor de dinsdag erna. Er ligt wat Ondernemingsraadwerk te wachten waar ik me graag tegen aan bemoei. Op woensdag, de dag dat ik ’s avonds mijn presentatie zal doen, wederom OR-werk. Op tijd ga ik naar huis. Doordat het een drukke dag is geweest, heb ik niet veel spanning gehad voor de avond en heb het ook niet kunnen opbouwen.

Om even voor zeven uur heb ik al mijn spullen bij elkaar verzameld. Een grote tas gevuld met o.a. de boekjes ‘BEEStENKRABBELS’ die ik hoop te verkopen, kaartjes waar mijn weblogs op staan, de posters en mijn kaartjes waar mijn rode draad op is uitgewerkt. Ik neem ook wat wisselgeld mee voor de verkoop van mijn boekje. Je weet maar nooit.

Buiten spettert het en er waait een harde wind. Geen weer waar je graag door heen gaat. Als ik om even over zeven uur aankom in de Hoornbloem in Den Hoorn is de zaal leeg. Ik ga op zoek naar iemand die het beheer doet van deze locatie en vind die in keuken. “Hoi Aad”, zegt de vrouw in de keuken, “ik ben Marijke”. Mijn naam stond in de agenda, zo wist ze wie ik was. Even later zie ik de voorzitster van het vrouwengilde ook in de keuken. “Goedenavond, meneer Meurs,” zegt ze. Dat is geen goede beurt, ik heet nl. ‘Van’ Meurs en sta er ook op dat men dit goed uitspreekt. Een beetje zeikerd ben ik daarin misschien wel. “Ik heb gehoord dat ik vanavond niet veel hoef te zeggen”, zegt mevrouw. Ik kijk haar aan en trek mijn wenkbrauwen op. Kent ze mijn programma? Ze geeft aan dat ze nog even naar de kerk gaat, dat hoort er bij, heb ik vernomen.

Als ik mijn posters sta op te hangen, komen de eerste vrouwen binnen lopen. Eén van de dames denkt dat ik bezig ben om de zaal in orde te maken voor mijn zoon René. Als ik haar vertel dat ze het toch echt met mij moet doen, kijkt ze verbaasd. “Echt?” zegt ze. Ik kijk haar verbaasd terug aan. “Jazeker”, zeg ik.

Nadat ik klaar ben met mijn aankleding neem ik plaats op een tafel achter in de zaal. De zaal loopt vol. Zo’n 80 dames nemen plaats. Het bevreemd me dat er met dit weer zoveel belangstellenden aanwezig zijn voor mij. De voorzitster vertelt me nog even dat ik tweemaal driekwartier heb om te praten.

Nadat de voorzitster heeft vertelt dat men zelfgemaakte kaarten kan kopen in de pauze en na afloop word ik aangekondigd. Onder applaus loop ik op, pak mijn kaartjes en steek van wal. Ik begin mijn verhaal met: “Ik kom iets vertellen over Nieuw-Zeeland”  Ik had namelijk gehoord dat dat een mislukte avond was geweest. Deze sloeg direct in. Mijn verhaal verloopt voorspoedig. Ik hoor lachen uit de zaal. Herkenningsmomenten zijn er als ik het verhaal over de detailhandel vertel uit mijn jeugd in mijn geboortedorp. Men hangt aan mijn lippen. Tegen negen uur aan krijg ik een seintje dat mijn drie kwartier om zijn. De tijd vliegt. Nog even een klein verhaaltje en dan op naar de koffie.

Bij de bar aangekomen is het druk. Iedereen wil tegelijk koffie. Ik besluit terug te gaan naar de zaal. Dames rommelen er in mijn spullen. Ze pakken mijn kaartjes, twee uitgeprinte versies van mijn weblogs worden bestudeerd, het bakje met kaartjes waar de internetsites op staan is open en er zijn al kaartjes uit gehaald. Men vraagt uit welk boekje ik een verhaaltje heb voorgelezen. Dat boekje is nooit uitgegeven en dus ook niet te koop. Twee dames kopen mijn boekje ‘BEEStENKRABBELS’. Als iedereen weer is gaan zitten, zitten er ook mannen in de zaal. Eén van de dames heeft haar man gebeld omdat ze het zo leuk vond dat hij dit ook moet horen. Bij welke artiest komt dat meer voor dat je na de pauze meer publiek hebt dan voor de pauze. Het gaat eerder andersom.

Ik start het tweede deel van mijn optreden en raas door mijn leven heen. De tijd tikt weg. Om tien over tien kijk ik op mijn klokje. Ik ben nog niet op de helft van wat ik heb ingepland. Nog even door. Om half elf moet ik toch echt stoppen, men heeft de zaal niet langer gehuurd. Ik maak er een eind aan maar ben echt niet klaar. Ik beloof een keer terug te komen om het verhaal af te maken.

Zo deed ik voor het eerst op 63-jarige leeftijd iets dat ik nog nooit eerder heb gedaan. Het ging lekker, voelde me artiest en weet nu ook hoe het is om voor een uitverkochte zaal te spelen. Mijn optreden krijgt een vervolg, ik mag wederom een keer komen presteren. Wie had gedacht? Ik niet. Wie weet wordt het dan een gemengde avond. Gezien de reacties heeft men het leuk gevonden en dat is wederzijds, want wat was dit leuk om te doen.

Na afloop nog even een biertje, lichamelijk leeg en kapot, maar in het hoofd hoog boven de wolken. Dit smaakt echt naar meer. Ik ga het meer doen, zeker weten.

87. Onverwacht rijk geworden?

Eerdaags vieren we een heel groot feest. Mijn schoonmoeder is in de prijzen gevallen. Dan gaat het niet om een klein lullig prijsje maar gewoon €10.000,00. Gisteren viel de uitslag van de loterij in de bus.

Van harte gefeliciteerd mevrouw X, zo begint de brief. Zit u goed?  Want ik heb vandaag fantastisch nieuws voor  u! Onze kluis met geld, prijzen en geschenken gaat open en we verdelen de inhoud onder onze trouwe klanten. En u raadt het misschien al… Ook voor u als één van onze meest gewaardeerde klanten ligt een geldbedrag plus een GRATIS topgeschenk klaar.

De brief gaat verder. Het is officieel vastgesteld en bevestigd: U bent bij Klingel in de prijzen gevallen, mevrouw X.

Ik heb de lijst met namen persoonlijk gecontroleerd. Er is dus geen twijfel mogelijk dat ú in de prijzen bent gevallen bij Klingel. En dat levert u met 100% zekerheid heel wat op. Lees maar snel verder.

En dan het grote nieuws. U hebt recht op een deel van onze prijzenpot van maar liefst €77.500,00. Kras uw kluiszegel meteen open en controleer welke kluiscode u bezit.

En dan zijn we er nog niet. Klingel schrijft: Om te beginnen hebt u recht op een deel van onze grote prijzenpot van in totaal €77.500,00! We hebben dit bedrag over een bronzen, zilveren en gouden deelpot verdeeld. (Wat dat ook mag betekenen) Kras vlug de kluiszegel hierboven open en controleer verderop uit welke pot uw deel komt.

Mijn schoonmoeder is in alle staten. Nog nooit won ze een prijs en dan dit. Ze vertelt het de hele wereld. Er worden plannen gemaakt voor een groot feest. Ze is jarig geweest en heeft het niet kunnen vieren, maar nu… Ze kan Klingel wel zoenen.

Als ik de brief in handen krijg beginnen mijn wangen ook rood te kleuren van opwinding. Nog nooit hield ik zoveel van mijn schoonmoeder als nu. Wat vind ik dit leuk voor haar en ook voor mezelf, want een feestje ben ik altijd wel voor in.

De bonuszegels bepalen uiteindelijk het lot. Is 1 van de 3 bonuszegels  ook nog goed voor 2x, 3x, 5x €500 of zelfs 10x€1.000,00. Daarnaast ontvangt mijn schoonmoeder ook nog 1 van de 4 speciaal voor topklanten geselecteerde geschenken.

Ja Klingel weet zijn klanten wel lekker te maken voor hun produkten. Maar of er werkelijk iets uit de verdeelpot komt, ik betwijfel het.

Tot slot wordt mijn schoonmoeder nog even gewezen op een andere vrouw die de €10.000,00 gaat ontvangen. Tien maanden van €1.000,00. Dat het van weinig respect getuigt, blijkt als de naam van een acht weken geleden overleden mevrouw uit het dorp van mijn schoonmoeder op het formulier wordt afgedrukt als winnares voor 2016. Getuigt van weinig respect naar de Klingelklanten toe. Hoe zit het eigenlijk met de privacyregels bij deze winkel?

Klingel het is om te schamen, dat u mensen die een leeftijd hebben van ruim boven de 80 of 90 zelfs, zo in de maling neemt.

86. Niet fietsen, wel brommen

Het zal je maar gebeuren. Je woont in een mooi plattelands dorp met fantastische mensen om je heen. Het is vrijdagmiddag en er moeten nog wat boodschappen worden gedaan. Het is perfect weer, de fiets wordt uit de schuur gehaald en op het gemak begeef je je naar de hoofdstraat van het dorp. De leukste winkeltjes zijn hier gevestigd. Je zet je fiets tegen een boom aan en zorgt ervoor dat het slot gesloten is. Het sleuteltje verdwijnt in de broekzak.

In de winkel aangekomen moet je een nummertje uit de automaat trekken en wachten op je beurt. De dorpsverhalen doen de ronde en je vermaakt je prima. Even wachten is geen straf. Als je aan de beurt bent, doe je de bestelling, je rekent af zeg de winkelier en de overige klanten gedag en loopt naar buiten. Dan bemerk je iets vreemds. Je fiets, waar is je fiets gebleven? Je weet toch echt zeker dat dat je deze tegen die linker boom aan hebt geparkeerd en op slot hebt gedaan. Even twijfel je en voel je de broekzak na. Warempel, het sleuteltje komt uit de broekzak. Je twijfelt opnieuw en kijkt in het rond, terwijl je toch zeker weet dat die linker boom de standaard was voor jouw fiets. Gestolen!, schiet er door je hoofd. Het zal toch niet waar zijn. Waar je ook kijkt de fiets is verdwenen. Het wordt lopend naar huis.

Thuis aangekomen vertel je in geuren en kleuren wat jou zojuist is overkomen. “Zo’n beste fiets was het toch niet”, memoreert vader nog even. “Sommige delen zitten met tape aan elkaar. Het achterlichtje ontbreekt en je hebt zo’n wiebelend achterlichtding aan je bagagedrager bevestigd. Wie wil nou zo’n fiets?”

Even overweeg je om het te laten voor wat het is, maar toch heb je er geen vrede mee. ‘Aangifte doen’, schiet er door je hoofd. Dat kan tegenwoordig digitaal, daar hoef je dus niet de deur voor uit. Het zou trouwens vervelend zijn als je bij de politie langs moet gaan, want dan zou je naar de andere kant van het dorp moeten ‘lopen’ omdat je geen fiets meer hebt.

Je opent de site van de politie en gaat aan de slag. Na de muis op het woordje OK te hebben gezet is het een kwestie van een klap op de enterknop. Je ziet als het ware de aangifte bij de politie in de brievenbus glijden. “Heeft het eigenlijk wel zin, pa”, vraag je nog even. “Je weet maar nooit, jongen”, antwoordt pa.

De volgende dag neem je plaats achter je computer, je start Internet Explorer op en tikt in: ‘Marktplaats’. Vrij snel vult het systeem er ‘fiets’ achter aan. Er zijn kennelijk meer mensen die een fiets kwijt zijn, denk je. Als http://www.marktplaats.nl opstart kom je op een scherm waar niet 10, niet 20 maar wel honderden fietsen op staan. Je verfijnt de opdracht wat en klikt in de buurt, 15km. Je bladert door het scherm en wat zie je dan, JOUW FIETS. Een foto van jouw fiets. Dat kan toch niet waar zijn. De hele familie moet even meekijken of je het wel echt aan het rechte eind hebt. Na wat inzoomen, zie je de tape zitten, het wiebelende achterlichtje hangt er nog aan en de fiets staat op slot. Dat kan ook niet anders want jij bent de enige die het sleuteltje heeft. “Zal ik bellen, pa”. Je kijkt vragend naar je vader. “Je kunt het zeker proberen”, krijg je als antwoord. Je voelt de spanning opkomen en trekt de stoutste schoenen aan. De adrenaline giert door je strot. Na het nummer te hebben gedraaid, krijg je een vrouw aan de lijn. “Bruléh”, zegt de vrouw als ze de telefoon opneemt. Uit haar uitspraak is op te maken dat ze in de stad woont waar ook de regering hun domicilie heeft. “Jah, de fies is er nôhg steeds.” “Kunnen we dan een afspraak maken dat ik even kom kijken”, vraag je. Mevrouw houdt de boot even af. De fiets staat nog op slot en ze moet de sleuteltjes nog opzoeken. Hoezo opzoeken? Je maakt een afspraak voor de volgende dag. Zondagavond mag je komen. Mevrouw geeft haar straatnaam, nummer en woonplaats.

Als je er even binnen het gezin over hebt gesproken, neem je het besluit om de politie ook even in te lichten over het feit dat je op bezoek gaat, je weet maar nooit. Overigens doet men niet mee aan het verzoek om er heen te gaan en, zeker te weten, jouw fiets terug te halen. “Dat mogen we niet”, zegt oom agent.

Dolgelukkig bel je een neef op dat je fiets is gevonden. Hij was intussen volledig op de hoogte van geval. Samen spreek je af dat hij ook nog even interesse toont in de fiets. Je kan het maar zeker weten dat de fiets er nog is. Ook de neef belt. In plat Haags neemt mevrouw de telefoon op. De neef blijft wat door vragen en wil de fiets graag snel komen halen. Mevrouw geeft aan dat de fiets op slot staat en dat ze de sleuteltjes moet zoeken. Dan hoort de neef dat ze even buiten de telefoon roept naar iemand die kennelijk ook in het gezin aanwezig is. “Hé Niek, hep je die sleuteltjus van die fies al gevonden?” De neef laat het voor wat het is, maar contact wel even met de eigenaar van de fiets. Nu heeft men ook een voornaam.

Als je, als eigenaar, er even over nadenkt, begin je toch te beseffen, dat door mevrouw langer de tijd te geven om de fiets in bewaring te hebben, de mogelijkheid wordt geboden dat het slot er af wordt gesloopt. Je kunt dan niet bewijzen dat het juist jouw fiets is. Framenummer heb je niet, dus de sleutel is het enige bewijs. Je besluit opnieuw te bellen en te vragen of je de fiets direct mag komen ophalen. De andere kant gaat akkoord. Nu is het zaak om de politie in te lichten dat je naar jouw fiets op weg bent. De politie geeft aan dat er twee agenten in de buurt zullen zijn, als jij er ook bent.

Met pa ga je op weg naar de plaats waar men kennelijk goed voor je fiets wil zorgen. Daar aangekomen bel je aan bij het nummer dat je hebt op gekregen. Een oude man doet open. Nee, hij weet niets van een fiets. Je vraagt nog wat door maar wordt hier niet wijzer. In herinnering komt de foto van de fiets op Marktplaats. Een grijze vuilnisbak met een huisnummer er op staat op de foto op de achtergrond. De fiets staat er tegen aan. Is men dan bij het verkeerde huis? Is er bewust een ander nummer opgegeven? Als je aanbelt bij het naastgelegen nummer van de woning waar de oude man woont, wordt er niet opengedaan. Met pa loop je achterom om te kijken hoe de achterkant van het huis er uit ziet. Weldra ontdek je dezelfde vuilnisbak als die op de foto figureert. De zeilen op de achterplaats worden opgetild, de fiets is echter niet aanwezig. Als men terugloopt naar de voorzijde van het huis komt uit een huis twee deuren verder dan die van de oude man een vrouw naar buiten met een hondje. Men spreekt de vrouw aan en vraagt of zij toevallig weet of haar buren thuis zijn. Je vraagt naar de fiets die ter verkoop is aangeboden. Mevrouw geeft niet thuis. Intussen heeft ook oom agent zich gemeld. Ook hij stelt mevrouw de vraag over de fiets. Opnieuw ontkent mevrouw iets met de fiets te maken te hebben. Dan hoort men van binnen iemand roepen: “Hé Niek als je hulp nodig hebt?” Deze naam heeft men eerder gehoord. De politie wordt hierover ingelicht. Netjes vraagt de politieman of hij toch even binnen mag kijken, mevrouw weigert. De man in uniform geeft aan nu twee dingen te kunnen doen, of toch naar binnen stappen of de officier bellen en om een huiszoekingsbevel vragen. Mevrouw voert als excuses aan dat er vier kleine kindjes liggen te slapen en die mogen niet worden gestoord. Uiteindelijk mag men, na wat overleg, toch naar binnen als men het maar zachtjes doet. In het huis is geen fiets te vinden. De politieman bemoeit zich er nu uitdrukkelijker mee en vraagt of mevrouw ook een schuur heeft. Ook op deze vraag geeft mevrouw een ontkennend antwoord. De sfeer wordt er intussen niet beter op. De politieagent stelt voor om het kadaster te bellen over eigendommen, maar dat zou te lang gaan duren. Dan komt er een zet die mevrouw zeker niet verwacht had. De agent stelt voor om alle schuren achter de huizen open te breken op kosten van mevrouw. Of dit wel mag, betwijfel ik, maar mevrouw gaat overstag. Ze geeft aan dat ze geen schuur heeft maar een berging en daar had oom agent niet naar gevraagd. In de schuur van mevrouw staat de nietsvermoedende fiets rustig tegen de muur te wachten tot hij weer werd opgehaald en bereden. Het sleuteltje gaat in de gleuf van het slot en met een floep schiet het slot los. Mooi denk je, mijn fiets gaat weer lekker mee naar huis. Niets is minder waar, mevrouw moet eerst nog afstand doen van de fiets.

De vrouw wordt intussen in de boeien geslagen en gaat mee naar het politiebureau. De fiets gaat ook mee maar dan achter in de politiebus. De volgende dag al krijg je een berichtje dat de fiets kan worden opgehaald. De fiets is vrijgegeven. Mevrouw werd de dezelfde dag weer vrij gelaten. Ze heeft dus even moeten brommen en zal niet fietsen en zeker niet op jouw fiets, al had dat moeilijk geweest zonder sleuteltje. Maar daar zou ze ongetwijfeld ook wel weer iets op hebben gevonden.