333. Van de Valys moet je het hebben.

Daar gaat ze met haar ‘truttenkarretje’ achter zich aan. Ze komt van achter uit het dorp en wil met het openbaar vervoer. Dat is niet niks in een dorp waar men het openbaar vervoer niet echt hoog heeft zitten. Ik doel dan met name op het reguliere openbaar vervoer als Connexxion. Om tien voor tien gaat ze wandelen, ze is nog redelijk ter been, maar moet wel regelmatig even zitten. Dan, als je vanachter uit het dorp naar de eerst mogelijke opstapplaats in het dorp moet is dat al gauw zo’n twintig minuten lopen, voor een gezond persoon. Mevrouw van 87 doet er iets langer over.

“Ze zouden ook op zaterdag moeten gaan rijden van die MUS, daar bent u toch van”, zegt zo langs haar neus weg. Ik geef haar aan dat je dan wel met meer vrijwilligers moet gaan rijden. Ze is eerder met de MUS mee geweest en vindt het een geweldig leuk karretje. Ze wil naar haar dochter in Heerhugowaard en blijft een paar nachtjes slapen. Haar schone pyama, wat ondergoed en een schone blouse. Dat is genoeg en dan trekt zo’n karretje het makkelijkst. Ik wandel een stukje met haar mee.

Bij de Dorpshoeve een bank. Even zitten. Met een zakdoek veegt ze de bank af. Er ligt stof op en de bank is niet meer zo onderhouden dat het aantrekt om er op te gaan zitten. Ze tilt de achterkant van haar jas op om niet op de slippen van de jas te gaan zitten. Dan hijgt ze even uit. “Is de valys niets voor u”, vraag ik haar. “Daar heb ik zo’n rotervaring mee”, zegt ze. “Ik ging naar mijn ander dochter en ben er om acht uur ’s avonds vertrokken en was om kwart voor twaalf pas thuis”. “Dan kwam u vast van heeeel ver weg?” vraag ik haar. “Nee hoor valt wel mee”, antwoordt ze me, “maar ik had een chauffeur die kennelijk voor het eerst reed.” “Toen ik hem aangaf dat ik naar Schipluiden moest, vroeg de man waar dat lag. Ik legde het hem uit.” In de taxi zat nog iemand uit Alphen a/d Rijn en iemand uit Heiloo, die moesten eerst naar huis worden gebracht. “Waar kwam u vandaan”, vraag ik haar. “Uit Barsingerhorn”. Ik frons mijn wenkbrauwen. “Barsingerhorn, waar ligt dat?” vraag ik. “Bij Schagen”, zegt ze, “het is zo’n deelgemeente.” “En toen u instapte zaten die mensen er al in?“ vraag ik haar. “Jazeker, het was erg gezellig”. “De rit naar Heiloo ging heel voorspoedig. Hier en daar wat binnenwegen, maar daar waren we zo.” Nadat de medepassagier was uitgestapt gingen we richting Alphen a/d Rijn. “En daar ging het mis”, zegt mevrouw die alles nog haarfijn kan navertellen. “De chauffeur nam allemaal binnenwegen, we hebben geen rijksweg meer gezien.” Mevrouw geeft aan dat hij maar bleef rijden, en maar rijden. We reden langs weilanden, in het stikkedonker. Ze had het gevoel dat de chauffeur echt niet wist waar hij zat. Ik vraag haar of hij geen navigatie had. “Ja”, zegt ze, “die lag op zijn schoot. Hij keek regelmatig tussen zijn stuur door naar het verlichte schermpje.” “Uiteindelijk bent u er wel gekomen”, vraag ik haar. “Ja gelukkig wel. Maar daarna ging het pas echt fout.” Ik keek haar met een verdwaasde blik aan. “Dan was je al aardig in de buurt”, zeg ik haar. “Precies, maar wat doet ie oet, die neemt de verkeerde afslag. Nu rijden we terug naar Amsterdam.” Mevrouw probeert het hem nog uit te leggen dat ie verkeerd gaat. De chauffeur rijdt echter gewoon door tot hij bij Schiphol aan komt. Dan zegt hij tegen mevrouw “Ik geloof dat u gelijk heeft.” Het is inmiddels al bijna elf uur als we omdraaien. Uiteindelijk zet hij haar om kwart voor twaalf thuis af. “Dan heeft u een mooie rit gehad voor weinig”, zeg ik gekscherend. Ze lacht als een boer die kiespijn heeft, maar zegt dan lachend “het was wel donker, hé.” Ik vraag haar of ze een klacht heeft ingediend bij Valys. “Jazeker”, zegt ze, “Ze konden daar op een schermpie zien hoe hij gereden had. Ik hoefde de rit niet te betalen en het aantal kilometers ging niet van mijn totaal af.” “ Dan kook je toch zeker in die auto”, vraag ik haar. “Dat deed ik ook, maar het was zo’n aardige man, hij kon er ook niets aan doen.” Ze heeft bij de Valys wel gevraagd of de goede man is thuis gekomen. Dat bleek zo te zijn. “Maar met de Valies ga ik niet meer”, zegt ze zeer gedegen.

Ze is weer aardig uitgerust en we wandelen rustig naar de dichtstbijzijnde bushalte. “Jammer hé, dat ze die bij de Vergulde Valk hebben weggehaald. Vaak als ik in de zomer terug kwam met de bus nam ik er zo’n lekker ijsje.”

Terwijl ik de Brugstraat inschiet sloft mevrouw verder, haar karretje trekkend. Thuis aangekomen heb ik geprobeerd de reis naar Heerhugowaard te analyseren met het openbaar vervoer. Om 10:30 uur neemt ze bus naar Delft, Daar stapt ze op de trein om om 11:49 uur aan te komen op Sloterdijk, dan een Intercity naar Uitgeest en met de snelbus naar Heerhugowaard waar ze als alles meezit om 13:14uur aankomt. Mevrouw is 3uur en 14 minuten onderweg, bijna net zolang als de Valies van toen, al was dat een stukje verder. Ik geef het je doen voor iemand van 87 jaar.