285. Muziek is leven, leven is muziek

Er zat en zit altijd muziek in de familie Van Meurs. Zoals ik al eerder heb geschreven, als je zo zeven/acht jaar oud bent brengt Vader Lau een trompet mee van de muziekvereniging waar hij zelf lid van is. Hij is er eerste baritonist.  Maar al eerder zijn onze talenten gescout. We, Martin en ik, zingen in het jongenskoor van Henk Ortgiess, onderwijzer van de toenmalige vijfde klas, nu groep zeven. Het is doorgaans zingen in de kerk en zo af en toe op school of bij een bejaardenpartij.

Een keer mag ik zelfs solo zingen. Tijdens het Marialof ben ik degene die vanaf het koor, hoog achter in de kerk, het Ora Pro Nobis uit mijn keel laat klinken. Dat is overigens niet omdat ik de beste stem heb, maar omdat eerste zanger Theo ziek is, maar toch.

Als eerste en oudste uit het gezin Van Meurs krijg ik een trompet in handen. Eerst nog wat onwennig om daarna onder leiding van vader de eerste klanken uit te stoten. Kinderen in de klas worden ineens mijn vriendje, waar men mij eerst niet ziet staan. Maar ik doe iets bijzonders, dat is interessant en dat krijgt de aandacht. Dan ga je met vader mee achter op de bromfiets richting het St. Jorisgasthuis, het gekkenhuis voor velen. Ik heb me daar altijd de mens tussen de mensen gevoeld.

Op dinsdagavond voor de repetitie krijg ik, en later ook alle drie mijn broers, les van de dirigent Adri Kornet van de muziekvereniging ‘Kunst Na Arbeid’. Je krijgt van hem huiswerk mee. Krijg aanblaastechnieken en moet zelfs proberen om een appel door te bijten met je lippen. Dat is mij echter nooit gelukt. Na een week worden de vorderingen besproken en getoetst. Meetrappen, tellen tijdens het spelen, leert hij je door met zijn eigen voet op jouw voet te trappen. En dat ging niet zachtzinnig. Het zal en moet erin komen. Tellen is belangrijk tijdens het maken van muziek.

Tijdens de rondgang met Kerstmis door het St. Jorisgasthuis, mag je dan voor het eerst mee tussen de grote mensen. Het orkest doet op de avond traditioneel een rondgang langs alle paviljoens. Er worden kerstliederen gespeeld en koralen. Altijd een indrukwekkend gebeuren. Je ziet de mensen die buiten de maatschappij zijn gevallen, en die men niet meer thuis wilde hebben. Opgesloten zijn en verbannen zijn achter dicht gesleutelde deuren. Als kind is dit vaak niet te bevatten en onwezenlijk ook. Je bent acht jaar en komt in aanraking met alleen maar mensen die het zelf niet meer kunnen. Soms droom ik ervan.

Dan komt er het moment dat je in uniform de straat op mag. Koninginnedag, de reveille en opnieuw de rondgang door de ellelange gangen en mooie tuinen van het St. Joris Gasthuis. Een prachtige tijd. Ik ben er 23 jaar lid van geweest.

Als er een carnavalsfeest wordt georganiseerd op het dorp in Den Hoorn in de grote gymzaal mag de familie Van Meurs daar haar opwachting maken. We doen dat niet alleen en hebben wat andere leden van de muziekvereniging meegenomen. Een boerenkapel kan je het niet noemen, maar men is er tevreden mee. Iets beters heeft men niet. Zo ontstaat wel de eerste gang naar een Boerenkapel.

Bij de Red Hunters, een showband van NCS-origine, krijgen mijn broer Martin en ik het voor eerst te maken met showlopen tijdens het spelen. Een vriend van ons is er instructeur en men zoekt blazers. Thuis wordt het niet echt vrolijk opgevat dat we lid zijn geworden bij een vereniging van ‘die rooie’. Het is een mooie tijd, geen hoogstaande prestaties, maar wel erg veel plezier. Ik herinner me het optreden tijdens een carnavalsoptocht in Duisburg, waar de jägermeister werd aangereikt als we langslopen. Van spelen komt niet veel meer terecht. Maar de lol is er en dat is even belangrijk.

De Carnavalstijd breekt aan. Bij de carnavalsvereniging De Olijkers zoekt men trompettisten. Broer Martin en ik stappen in. Waar we ook andere leden van ‘Kunst na Arbeid’ tegenkomen. Freek en Carel Piguillet, Joop van Yperen, Rinus Wijtman.  Vader en zoon Dupont, Koos Swanink, Joke Schoonhoven, Jan Lagerwerf en Willem Olieman completeren het gezelschap. Een prachtige tijd met veel optredens. Als Nico Haak en Wil Luikinga voor hun carnavalsnummer Dikke Dijen een band zoeken zijn wij de aangewezen artiesten en spelen bij de plaatopname mee. We toeren wat af en spelen, tot het bloed uit je instrument komt. Want spelen moet je. Maar het plezier maakt veel goed. En als we bij Koot boven spelen is er altijd dat lekkere sateetje van kok Loekie. Zo af en toe komen we even bij elkaar om te repeteren. Ook de nieuwste nummers moeten er staan. ‘Bloemetjesgordijn’, ‘Paard in de gang’, ‘En nou die handjes de lucht in’, ‘Het leven is goed in m’n Brabantse land’. Er komen er elk jaar wel weer een paar bij. Onze saxofonist is geen lid meer van een of andere vereniging. Hij repeteert veel, geeft hij ons te verstaan. Als we echter na een jaar weer bij elkaar komen en hij zijn koffer open doet komt er een groene bloemkool uit de koffer. Het is een broodje kaas dat een jaar eerder de koffer in is gegaan. Kort daarop stopt hij met spelen.

Als de boerenkapel uit elkaar valt starten we een nieuwe boerenkapel: De Krotenzaaiers. Bekende namen komen terug op vader en zoon Dupont en Willem Olieman na, zonder hen maken we een doorstart. Mijn vader stapt ook bij. Moet voor het eerst een spijkerbroek kopen op hoge leeftijd. Maar hij doet het. Ook mijn jongere broer Loek neem plaats in de boerenkapel. Zelfs mijn lief loopt met de grote trom of de bekkens rond. We raken gelinieerd aan de Kalfskoppen ook een carnavalsvereniging in Delft. Maar naast carnaval treden we regelmatig op bij bruiloften en partijen. Soms voor fl. 10,00 of fl. 15,00 per man op een avond. Geweldige avonden. Plezier voert de boventoon.

Naast een boerenkapel bestaat dansband Monday, waar broer Martin, broer Loek en ik onderdeel van zijn. Op keyboard worden we ondersteund door Johan Dukker, drummer is Martin Dijkgraaf en de techniek ligt bij Herman Kooij. Een geweldig leuke tijd. Ik schreef hierover eerder een blog.

Martin en ik zijn ook betrokken bij de kerkdiensten voor jongeren. In Den Hoorn gaat men voor de jongerenmis in de katholieke kerk. Wij staan er als, ‘gebroeders Brouwer’, zoals men ons noemt achter het orgel van Kees van der Zanden om het jongerenkoor te begeleiden. De kerk is zaterdagavond afgeladen, waar is die tijd gebleven.

Wanneer ik ben opgestapt bij ‘Kunst na Arbeid’ kom ik terecht bij de Delftse Politiekapel Excelsior. Een orkest dat naast echte politiemensen wordt aangevuld door buitenstaanders. Dirigent Adrie van der Merwe staat er op de bok. Omdat er genoeg trompettisten zijn, leg ik me toe op de bariton. Een andere aanblaastechniek moet ik me meester maken. Het valt me niet mee, krijg het ook niet altijd onder de knie, maar zo goed en zo kwaad al mogelijk is blaas ik mijn partijtje mee. Ook hier weer veel leuke optredens. We gaan zelfs naar Engeland. Nadat de dirigent afscheid heeft genomen komen er meerdere op audiëntie. Uiteindelijk gaan ze met Johan van den Berg verder. Na een vijftal jaren houd ik het voor gezien.

Dan vraagt overbuurman Peter Waardenburg aan mij of ik geen zin heb om te komen spelen bij de bigband ‘Let’s Swing’. Een totaal ander genre dan ik gewend ben. Ook hier bepaalt het plezier mijn leven. Als ik echter onderuitga met de fiets vanwege gladdigheid, moet ik afhaken. Een afgescheurde pees in mijn schouder verhindert het lang vasthouden van de trompet. Inmiddels ben ik er tweemaal aan geopereerd. Het zou mogelijk wel weer gaan als ik geen andere activiteiten op mijn pad was tegengekomen: Trouwambtenaar (BABS).

Soms hunker ik nog steeds naar het maken van muziek. Mijn techniek heb ik niet bijgehouden en ik zal er erg veel moeite voor moeten doen om het ook weer daadwerkelijk op te pakken. Ik twijfel, maar waar en bij wie moet ik gaan spelen. Ik wacht af. Misschien, heel misschien komt het er nog weleens van.

106. Vroegûrh hadden we nog kuilûh

Zo af en toe geef ik mijn herinneringen een kans om langs te komen. Mijmeringen die me doen terugdenken aan hoe het vroeger was.

De wereld ging, in mijn gedachten, langzamer aan mij voorbij dan nu. Er waren geen mobieltjes. Mensen hadden niet eens een telefoon en gingen bellen bij de plaatselijke grootgrutter. De draaischijf was er nog. Er stonden telefooncellen. Wilde men snel iemand bereiken dan was er het telegram. Men kon nog op het gemak eten zonder gestoord te worden door mobieltjes. ’s Avonds keek je televisie, als je die had en anders stond de radio aan. Bij voetbalwedstrijden zaten we thuis met ons oor IN de radio. Jan de Cler zong in de rust en na afloop een liedje over de wedstrijd die hij aan zich had voorbij zien gaan. Hij zong iedere uitzending op de herkenningsmelodie een tekst die inhaakte op de actualiteit van de wedstrijd. De verbeeldingskracht was veel groter. Leo Pagano, Jan Cottaar en Theo Koomen konden door stemgebruik spanning brengen in een wedstrijd die eigenlijk helemaal geen wedstrijd was. De twee TV-zenders die je later kreeg, toonden hun beelden in zwart-wit. Geen flitsende shows en jonge talenten, maar de gevestigde orde maakte de dienst uit in televisieland. Nette programma’s zonder mensen te shockeren. Op Hoepla na dan. Het eerste programma waar een blote Phil Bloom in te zien was. De VPRO doorbrak daarmee het naakt op tv. We praten over 1967. Ik, als 15-jarige vond het prachtig. Mijn ouders spraken er schande van en de tv ging uit. Sedert die tijd had de VPRO voor mijn ouders afgedaan.

De computer bestond nog niet. Moest je iets kopiëren dan nam je een carbonpapiertje en legde twee velletjes met daartussen het carbonvel en schreef. Het tweede vel was van een iets mindere kwaliteit, maar je had iets in tweevoud. Weer later kwam de typemachine en het witte tipexpotje. IBM vond het bolletje met correctielint uit. Mooie herinneringen. Dan gaan we snelheid maken en komt de computer in het leven. De Commodore 64 of voor iets meer geld de 128. Als een kind zo blij. Nu verafschuw ik de computer soms. Het is alleen het gemak wat zo’n ding levert.

Ik kom uit een arm arbeidersgezin. Arm in de zin van geld, rijk in liefde. Wat er in materiële zin niet was werd in liefde dubbel en dwars uitbetaald. Er was tijd voor de kinderen, er werden spelletjes gespeeld. Het Mens-erger-je-niet-spel stond regelmatig op tafel. Een door mijn vader gemaakte sjoelbak die niet gleed werd dik met Zwitsal poeder bestrooid om de stenen te doen schuiven. Je mocht op een vereniging maar daar moest wel eerst druk over worden overlegd. Mochten we allemaal, we waren met vier jongens, of mocht er slechts één of twee? De muziek deed zijn intrede. Op zeven jarige leeftijd bracht vader een trompet mee van de muziekvereniging waar hij bij speelde. We kregen les en brachten veel tijd met een mondstuk aan de mond door. Het muzikale gezin in Den Hoorn was bekend. Als we met de oudste drie ergens moesten spelen, speelden de ‘Meursie brothers’. Menig keer we werden we gevraagd om te spelen op school, tijdens het 50-jarig bestaan van de kerk of carnaval. Droomland speelden we met z’n drieën tijdens een revue-avond i.v.m. het jubileum. We werden lid van de voetbalvereniging RKSV Den Hoorn. Ik was er geen hoogvlieger. Toen ik in een belofte elftal terecht kwam, zat ik meer op de reservebank dan dat ik voetbalde. De keuze werd later om lager te gaan voetballen.

Het was thuis geen vetpot, zoals ik al schreef. Één maal vlees in de week. Een heerlijk sudderlapje dat uren op zaterdag op het petroleumstelletje had staan pruttelen. Op maandag en dinsdag werd de jus aangelengd met water. Op woensdag kwam er dan een balletje gehakt dat gold als basis voor de rest van de week. Een eigen groentetuin voorzag ons gezin van het middageten. Vader kwam tussen de middag naar huis fietsen om zijn warme prak te halen. Even een slapie van een half uurtje en dan weer terug naar de tuin waar hij werkte. Later toen moeder ook ging werken en het thuis financieel wat beter ging, aten we de warme maaltijd ’s avonds.

In de kast in de kamer stonden vier spaarpotjes. De Boerenleenbank gaf ze uit. Vier kleuren met een tandengleufje dat als je er een dubbeltje of stuiver in had geschoven deze nooit meer los kon krijgen en alleen maar verder kon duwen. Het inleveren gebeurde in de spaarweek in oktober. Want sparen deed je. Fl. 3,45 over een heel jaar gespaard. Je voelde je de koning te rijk. Het ging niet om het geld maar om het kadootje dat je bij de Boerenleenbank kreeg als je je busje had laten legen. Eén maal per jaar liet je de rente bijschrijven. Wat was het spannend.

Toen mijn vader en moeder 12,5 jaar getrouwd waren wilde men een feest. Maar hoe kom je aan geld? Het werd spruiten schoonmaken. Zo klein als je was, met een mesje het kontje eraf en de gele blaadjes. Het moest hotelschoon gemaakt worden. Uren zaten we met de leeggestorte kist op tafel. De ogen vielen soms dicht, maar je moest door, er moest geld op tafel komen.

Het verenigingsleven speelde een grote rol in het leven van de familie. Vader en moeder waren lid van de toneelvereniging Vondel. Twee tot driemaal per jaar werd er een toneelstuk op de planken gebracht. Uren achtereen leerde men de tekst. Soms samen, soms alleen. Moeder zat vaak in de ‘kattenbak’, het souffleurshok. Vader speelde meestal de hoofdrol. Een komisch stuk of een drama, als hij opkwam lag de zaal al in een deuk. Vader was een makkelijke leerder en improviseur, van wie zou René het hebben? De muziekvereniging ‘Kunst na Arbeid’ uit Delft bestond uit families, waarvan wij er één waren. Het St.Jorisgasthuis was de thuisbasis waar het altijd plaatsvond. Elke dinsdag repetitie en vele malen een uitvoering voor de patiënten in het ‘gekkenhuis’, zoals velen uit onze buurt het noemde. Mensen die om wat voor reden even of soms langere tijd niet op de rails konden blijven of het spoor even bijster waren. Kerstbijeenkomsten, Koninginnedagfestiviteiten. Marsen door de stad of andere psychiatrische klinieken bezoeken. Het was voor ons een feest. Vader was aan de brandweer en de EHBO, moeder zat in de oudervereniging en was penningmeester van Herwonnen Levenskracht. Een Katholieke Vereniging tot Bevordering van de Volksgezondheid en tot Bestrijding van Volksziekten.

Op dinsdag en vrijdagochtend was het altijd vroeg op. De kerkdienst voor schooltijd leverde een positief kruisje op voor op school.

Na de lagere de volgende school. Naar de Sasbout Vosmeer, een LTS in Delft. Ik koos voor elektrotechniek, was a-technisch en had geen flauw idee wat ik er moest doen. Met wat spieken en afkijken haalde ik mijn diploma. Na de LTS nog één jaar MTS, maar dat werd een mislukking.

Ik word ouder en op 20-jarige leeftijd roept de dienstplicht mij. Eerst naar Ede-Wageningen om vervolgens naar Schaarsbergen te gaan. Sport beheerste mijn leven ook in dienst. Als scheidsrechter mocht ik belangrijke wedstrijden fluiten. Ik had het er reuze naar de zin. De omvang van het lichaam was daar het levende bewijs van. Er in met 79 kilo eruit met 119. “Nooit uitgezonden, maar wel aangekomen”, zou René later in zijn show zeggen. Een machtige tijd was het. Financieel arm, maar veel leuke herinneringen aan over gehouden.

En zo mijmer ik soms uren terug waar tijd de tijd was, waar ‘haast’ een vies woord was. Waar men solidair was met elkaar. Waar ziekenfondsen machtige organen waren maar waar je op kon rekenen. Waar de wijkverpleegkundige op de hoogte was van wat er in de wijk speelde. Waar zorg was en niet het horloge dat bepaalde in welke mate iemand dat krijgt. Waar banken nog voor de mensen waren. Waar de rente bij banken nog respectabel waren. Maar ook waar kerken nog druk werden bezocht. Waar het familieleven nog bestond.

Nee, ik wil niet terug naar die tijd. Maar soms denk ik een stukje, een klein stukje uit die tijd terug in de huidige tijd. Een stukje van nu en een stukje van toen, het zou het leven velen malen leuker en gezelliger maken. Ik heb het niet slecht, zeker niet, maar toch…….