408. Een dagje MUSsen

Het is het dagje MUSSEN wel. Ik moet al vroeg op om mijn eerste klant richting ziekenhuis te brengen. Ze staat al met haar jas aan in de deuropening als ik aan kom rijden. “Mooi op tijd”, zeg ze en probeert in te stappen. Dat gaat moeizaam. “Volgende keer de trede uitschuiven”, zeg ze. Dat heb ik geprobeerd, maar deze zat met zoveel bagger vast aan de car, dat ie niet wilde schuiven. Ik maak hem straks baggervrij.

We gaan op weg, richting Den Hoorn. Scholieren onderweg rijden regelmatig telefonerend voor me uit of tegemoet. Het rijk zou er goed geld mee kunnen verdienen en echt kunnen inspecteren. Soms gaan ze niet opzij. Mijn claxon doet het niet, dat is jammer. Ik probeer het met mijn stem. Meestal maken ze ruimte.

Bij de voetbal in Den Hoorn moet ik onder het tunneltje door. Er is op sommige plekken een nieuwe bituumlaag aangebracht. De paaltjes zijn daardoor weggehaald. Een klein stukje omrijden en dan de Reinier de Graafweg op naar het gelijknamige ziekenhuis.

Als ik aan kom rijden, komt de suppoost met een rolstoel aan. Dat is dit keer kennelijk niet nodig. Mevrouw kan zelf lopen. Ik spreek met haar af dat ze me belt of laat bellen als ze klaar is.

Terug naar Schipluiden. Een vrouw ophalen die naar een verjaardag wil. Het is 10:00 uur. Wanneer ik aankom is ze nog niet klaar. De zuster van het verzorgingsteam is met haar steunkousen bezig. “Ben bijna klaar hoor”, zegt de jong verzorgende. Ze houdt de deur voor me open als ze weggaat en laat de lift vast komen. Ik neem mevrouw mee naar mijn voertuig, terwijl de zuster op haar scooter haar weg vervolgd. “Nog vijf uit bed halen”, zegt ze, als ze ons voorbij rijdt. Ik verbaas me. Even over tienen en dan nog vijf helpen opstarten? Dat kan toch niet.

Ik rijd met mevrouw nog even terug naar de standplaats. Ik ben mijn invalide parkeerkaart vergeten. Ik zal deze niet nodig hebben, maar toch. We gaan op weg. Een toeristische route voor mijn passagier, voor mij is het standaard.

Bij de stop in Den Hoorn kan ik even mee naar binnen. De jarige is een bekende van mij. 89 jaar is ze geworden. Na een kopje koffie opnieuw terug naar Schipluiden.

Mijn volgende klant is een al wat oudere vrouw. Ik heb haar regelmatig in de MUS. Ze wil naar de apotheek in Den Hoorn. “Wil je wachten”, vraagt ze me. Ik heb tijd en blijf voor de apotheek staan. Met 10 minuten is ze terug. Ik breng haar weer terug naar huis. Onderweg krijg ik te horen dat ze vandaag wederom geen hulp heeft ontvangen van haar huishoudelijke hulp. Het is al de derde keer deze maand. “En weet je wat zo erg is”, zegt ze, “ze laten van te voren ook niets weten. Ik heb ‘recht’ op twee uur hulp. Vorige week kreeg ik een jongetje van een jaar of 16. Heeft nog nooit een stofdoek in z’n handen gehad. Na een uur ging ie al weer weg. Hij zegt tussen neus en lippen nog even: “oh ja mevrouw, vanaf volgende week krijgt u een half uurtje minder hulp. Ik heb er over gebeld. Ze hebben niemand.” Ik hoor meer van soortgelijke verhalen. Ik besluit om het eens mee te nemen naar het Burgerplatform waar ik lid van ben. Ook de wethouder moet dit weten. Ik wens mevrouw sterkte toe en zet haar thuis af.

De telefoon gaat. ”Receptie Reinier de Graaf, met Mies”, zegt de vrouw aan de andere kant van de lijn. “U kunt mevrouw X weer ophalen hoor, ze zit in de hal.” Ik geef aan dat ik er met vijf minuten ben en ga naar het Reinier op pad. Mevrouw heeft geen fijne boodschap gehad, van de oncoloog. Ze verhaalt er uitgebreid over. Dat doet me wat. Ik kan met moeite mijn emotie binnenhouden. Ik zet haar thuis af, waarop ze vraagt of ik tijd heb voor een kopje koffie. Dat heb ik, een kwartiertje. Ik ga even mee naar binnen drink mijn koffie op, aanhoor haar verhaal en wens haar sterkte als ik wegga. “Fijn dat je even tijd had”, zegt ze als ik de gang uitloop.

Op naar mijn volgende klant. Ik ben er iets te vroeg en wil iemand niet opjagen. Ik wacht even in mijn MUS. Al snel gaat de deur open en komt mevrouw naar me toe lopen. “Ik zag je komen, mooi op tijd”. Ik help haar even met instappen en rijd naar de Basalt. Mevrouw gaat terug met haar aangepaste schoenen. “Voor de zoveelste keer”, zegt ze. “Ik ben boos, heel erg boos”, geeft ze te kennen. “Ik ga er nu voor de vijfde keer voor terug”. “Ik zal de schoenmaker eens even goed van repliek dienen.” Ik ken haar niet zo als strijdig persoon, maar nu is ‘t menens, merk ik. Onderweg praten we over eenzaamheid, maar ook over het feit dat ze de dinsdagse maaltijd in de Dorpshoeve heeft ontdekt. Zo vertelt er met plezier over. Ik zet haar af bij de Basalt. “Denk om uw hart, hé”, geef ik haar mee. Ik spreek met haar af dat ze me zal bellen als ze klaar is.

Het is maar een kort stukje van de Basalt naar een klant in Den Hoorn. Mevrouw gaat naar de pedicure. Ik kan goed met haar praten. Ze geeft aan dat ze eenzaam is. Gescheiden van haar man en haar kinderen. Ze zijn ver van haar weg gaan wonen. Mevrouw is echt eenzaam en vertelt dat er nooit iemand bij haar komt. Ze heeft geprobeerd om zich aan te sluiten bij de Zonnebloem, maar eenzaamheid is geen criterium geeft men aan. Ze hoeft geen bezoek, maar wil af en toe met een activiteit mee doen. Ook dat is niet gelukt. Dan breekt mevrouw en zit huilend naast me. Een lastig moment. Ik probeer haar enige troost te geven. Ze vindt me aardig, zegt ze. “Ik plan altijd op dinsdag, omdat ik graag met u meerijdt.” Ik zet haar af bij de pedicure.

Het is inmiddels half twee. Ik schiet nu snel naar huis heb even tijd voor een broodje. Ik heb mijn boterham net gesmeerd als mijn privé-telefoon afgaat. Het is de coördinator. Mevrouw bij de Basalt is klaar. De boterhammen gaan in een zakje mee, voor onderweg.

Aangekomen bij Basalt, komt mevrouw met een lach naar buiten. “En”, zeg ik, “heeft u de schoenmaker zijn vet gegeven.” “Nee”, zegt mevrouw, “het was een Limburger en die hebben zo’n leuk taaltje, daar kan ik niet boos op worden. Over 14 dagen kan ik mijn schoenen weer ophalen.” Ik breng haar terug naar Schipluiden.

Onderweg merk ik dat mijn karretje moeite krijgt om te rijden. De kleurtjes op de display zijn al behoorlijk terug gelopen. Ik besluit om deze MUS om te ruilen voor een die aan de oplader staat.

Mijn volgende rit. Mevrouw moet worden opgehaald van de verjaardag. Ze heeft om half drie afgesproken. Ik rijd terug naar Den Hoorn. Onderweg een belletje. Mevrouw van de pedicure is klaar. Het wordt een combinatieritje. Als ik beiden heb teruggebracht heb ik even tijd voor een kopje koffie. Dat doe ik in Akkerleven.

Nog een ritje. Vanuit de basis weer naar Den Hoorn. Een nog jonge vrouw moet naar de Basalt. Een intakegesprek. Mevrouw vertelt dat haar iets heel ernstig is overkomen, waardoor ze zich moet melden bij het revalidatiecentrum. “Ik wist niet van jullie bestaan af”, zegt ze, “maar door een vriendin werd ik er opmerkzaam op gemaakt. “We bestaan al ruim anderhalf jaar”, geef ik haar te kennen”. “Blijf je wachten”, vraagt ze. Ik heb er geen ritten meer achteraan, dat zou dus kunnen. Het wagentje gaat langs de kant, ik probeer binnen een kopje koffie te scoren en neem wat leesvoer door. De receptioniste vraagt voor wie ik kom. Als ik haar uitleg dat ik van de MUS ben, ik heb bedrijfskleding aan, wil mevrouw zien wat dat is. “Dat zouden ze in Delft ook moeten hebben”, zeg ze, “de regiotaxi is zo onbetrouwbaar.

Na 20 minuten is mevrouw klaar. Ze komt naar me toe. “Dit is toch ideaal”, zegt ze, wijzend op mij. De receptioniste beaamt het.

We rijden terug, maar ik merk al dat mijn wagentje van lieverlee aan z’n eind is. Ik haal het nog tot de Bolle Kickert, de brug over de Gaag. Dan is het over. “En nu”, zegt mevrouw, ik ga het slepend proberen, maar het is nog wel een eindje. Ik hoop dat ik het haal. Mevrouw krijg ik thuis, maar daar is alles mee gezegd. Bij een bevriend iemand mag ik de stekker even in het stopcontact stoppen. Twintig minuten, dan ga ik proberen om thuis te komen. De display geeft ‘vol’ aan, maar is dat zeker niet. Langzaam rijd ik terug naar Akkerleven de basisplaats in Schipluiden. Ook nu moet ik het slepend doen, dat geeft geen goed gevoel. Angstig zelfs, je weet niet waar het definitief ophoudt. Meer chauffeurs klagen er over. Het zal toch niet zo zijn dat we aan ons eigen succes ten onder gaan.

Het vervoersproject voldoet aan een behoefte, meer dan dat, zelfs. Sociaal, mooie gesprekken, angstig soms, maar bovenal met veel plezier rijden de vrijwillig chauffeurs hun dagelijkse ritten. I.v.m. de beperkte actieradius gaan we toch terug naar een minder aantal ritten. Een iets grotere investering vanuit de opdrachtgevers zou helpen. Maar dat is aan de politiek.

Volgende week sta ik er weer, met evenveel plezier. Want je laat de mensen niet in de kou staan. Maar kom ik aan het eind van de dag met mijn MUS thuis? Dat blijft elke week weer een dingetje.

302. Emigreren van Den Hoorn naar Schipluiden

Het is 1978. In Den Hoorn wordt niet meer gebouwd. In Schipluiden nog wel. We hebben nog maar kort verkering maar ik heb ‘de leeftijd’. We schrijven in op het woningproject Rozemarijn, een wijk die zal worden gebouwd aan de buitenrand van Schipluiden. Inmiddels wonen we er 38 jaar. En dat in volle tevredenheid.

Het valt niet mee om aan een woning te komen in de Gemeente Schipluiden, waar Den Hoorn deel van uitmaakt. Dat probleem is er niet als men met een puntensysteem meer kans maakt om voorrang te krijgen. Een puntensysteem dat is gebaseerd op leeftijd, sociale binding en economische binding. Voor elk onderdeel zijn er punten te verzamelen. Met mijn leeftijd van 26 jaar maak ik al een flinke sprong op de ladder. Door mijn vrijwilligerswerk bij de voetbalvereniging Den Hoorn en de openjeugdavonden stijgt mijn punten aantal nog meer en als mijn werkgever ook nog een verklaring van economische binding wil ondertekenen is het helemaal een makkie. Ik werk drie uurtjes per week voor de Stichting RK. Schoolbestuur Den Hoorn. En zo worden we uitgenodigd voor een eerste voorlichtingsbijeenkomst. We krijgen de plattegrond mee van het project en een boekwerk met tekeningen van de te bouwen woningen.

We gaan bij de bank langs. Want er zal geld moeten komen. Mijn meissie werkt op een bank, dat scheelt in het afdrachtpercentage van de hypotheek. Toen werd er al gediscrimineerd. Waar de mannelijke collega slechts de helft van het percentage behoefde te betalen kreeg de vrouwelijke collega een korting van ¾%. De hypotheek bedroeg op dat moment 13% en dus voor ons 12¼%. Welke woning we krijgen toegewezen is nog niet bekend, maar dat het een forse aanslag op onze inkomsten zal gaan worden is een feit. Moeten we het wel doen? Kunnen we het wel rondkrijgen? Er zijn een aantal nachten voorbijgegaan dat ik meer van het plafond heb gezien dan normaliter.

Na verloop van tijd krijg ik een brief thuis met de toegekende punten. Dat ziet er gunstig uit. Ik informeer wat in mijn omgeving en ook dat geeft me een goed gevoel dat we erbij zullen zitten. De loting gaat plaatsvinden. En verdraaid we zitten er inderdaad erbij. Mijn schoonouders hebben er moeite mee, mijn toenmalige vriendinnetje is dan pas net aan 19 jaar. Ja, dan wil je haar nog niet kwijt.

We mogen langskomen voor de keuze. Op het plaatje hebben we al een beetje gezocht wat ons een leuke plek lijkt. We hebben twee woningen een groen kruis gegeven. Een van de twee moet het worden. We zitten gunstig in de rangorde, hebben een laag cijfer en zijn dus een van de eerste die zijn vinger op de woning mag zetten die men wil hebben.

Bij het keuzemoment is onze eerste keus reeds weg, er zijn meer kandidaten voor betreffende woning, begrijp ik. De tweede keus is er nog en zo ligt de woning die voor ons zal worden gebouwd vast. We gaan regelmatig kijken bij de bouw. De eerste paal wordt geslagen, de eerste woning opgeleverd. Feestelijke momenten die je moet koesteren.

Het wordt tijd om een trouwdatum te gaan bepalen. In april ’80 zal onze woning worden opgeleverd dus zal het in die richting moeten worden. De kerk wordt besproken, de feestzaal is een feit, de fotograaf is bekend, alleen een claim op goed weer kunnen we niet bespreken. 18 juni zal de dag zijn dat we ‘ja’ tegen elkaar gaan zeggen.

Half april ’80 krijgen we de sleutel van onze woning. De huiskamer is veel groter dan we dachten. Als alle muren staan geeft het toch een heel ander beeld. We krijgen nieuwe buren. Thuis zijn mijn meisje en ik buren, slechts een heg scheidt onze wegen. We krijgen er met allemaal nieuwe mensen te maken. Een handje vol Hoorenezen, en veel Schipluidenaren. Waar zijn we in terecht gekomen. Schipluidenaren zijn anders dan Hoornezen. Dorpser, amicaler, socialer en ze weten vaak eerder wat er met jou aan de hand is dan dat je het zelf weet en dat, dat zijn we niet gewend. In Den Hoorn is de voordeur onze toegangsdeur, hier komt men spontaan door achterdeur binnen. Dat is wennen en willen we dit wel?

Langzaamaan komt er schot in de woning. De aankleding vindt plaats de meubels zijn geleverd, de gordijnen hangen, het wordt van lieverlee ons thuis.

Op 18 juni 1980 ‘emigreren’ we dan naar Schipluiden. Onze voorplaats is versierd door de buren en als we na de bruiloft ’s avonds thuiskomen lopen we langs de ballonnen naar binnen.

De eerste vijf jaar, we werken beiden in Delft, is er niets aan in Schipluiden. We willen kruipend terug. Maar in Den Hoorn zijn geen woningen. Na vijf jaar komt onze oudste, René, ter wereld, gevolgd door de tweede, André, na twee jaar. We krijgen meer en meer een ingang in Schipluiden. Gaan er ons thuis voelen en sluiten ons aan bij de plaatselijke sportverenigingen. Het vrijwilligerswerk komt op mijn pad, onze kinderen gaan naar school. We gaan ons meer Schipluidenaar voelen dan Hoorenees.

Inmiddels wonen we er lang genoeg en zijn we ingeburgerd, zijn Schipluidenaar geworden. We zouden er niet meer weg willen, nou ja, misschien later nog eens voor een gelijkvloerse woning. Schipluiden heeft ons hart gevangen. Het is er prachtig wonen, fijne mensen met een sociaal karakter. Ik ben blij dat ik ben geëmigreerd en om een Schipluidenaar te zijn. Een klein beetje Hoorenees is wel bij mij achtergebleven, hoor.

 

160. De dienstplicht terug, militair of sociaal

De dienstplicht terug. Het CDA wil weer mannen maken van de onruststokers die Nederland verzieken, die rotzooi trappen, die normen en waarden in de doofpot hebben gestopt. Ja, ja, de dienstplicht moet dit oplossen. Al jaren hebben we een uitgekleed smurfenleger, met wat blauwmutsen die op vredesmissie zijn. We gebruiken kermispistolen en nepkogels, tanks die net de oorlog ’40-’45 niet hebben meegemaakt. Waar moet het geld vandaan komen om zo’n dienstplicht weer op te zetten?

Terug naar 1972. Het jaar waarin ik op 19 maart met een sporttas met kleren en een gratis treinkaartje in mijn portemonnee in Delft op de trein stap. Achterop de motorfiets, een oude BSA uit de jaren zestig, brengt mijn vader mij weg. Rond de klok van 08:00 uur arriveer ik op het station om naar spoor 2 te lopen, in de richting Rotterdam. Het oude monumentale Delftse stationnetje bestaat nog als station. De reis gaat via Rotterdam, Utrecht naar Ede-Wageningen. Daar staat een drietonner op ons te wachten waar we als vee achterin moeten plaatsnemen. Het einddoel is de Elias-Beekmankazerne, aan de Nieuwe Kazernelaan in Ede.

Ik ben als oudste uit het gezin de eerste die de wapenrok aan krijgt. Een paar dagen later zou ik mijn verjaardag vieren, daar komt in dat jaar echter niets van terecht. Aangekomen op de kazerne krijgen we ons krijgsmachtnummer uitgereikt: 20-03-52-271. Na 45 jaar zit dat nog steeds in mijn geheugen gegrift. We mogen bij de fourage kleding uitzoeken in de kleuren groen, groen of groen. Het uitzoeken gaat eigenlijk alleen maar om de maat, al is ook die voor velen niet goed. Een zes paar kaki-kleurige sokken erbij, een schop, een binnen- en buitenhelm, een veldfles, het handboek soldaat, een naaigarnituurtje, een tweetal jassen, twee paar schoenen, of wat er voor doorgaat. Knellers zijn het, waar ik de eerste weken volledig met blaren op heb rondgelopen. Ook voor de inwendige mens wordt gezorgd door het uitreiken van twee blikken met een noodrantsoen, als is de oorlog in aantocht, maar je kan er beter mee, dan om verlegen zitten. We krijgen een mooie zak erbij om alles netjes in te pakken, de plunjebaal. En om je er helemaal gekleed uit te laten zien krijg je een legergroen haarnetje en twee baretten met uitmonstering. Voor het representatieve word je ook het eerste grijs uitgereikt. Een battle-dress, deftige broek, overhemd en touwtje, dat een stropdas moet voorstellen.

Ik word i.v.m. mijn opleiding geplaatst bij de Verbindingsdienst. Dat is te zien aan de uitmonstering op jas en baret, d.m.v. drie bliksemstralen die elkaar kruisen en samen komen in een helm die de stralen aan elkaar houden.

Bij mijn medische keuring heb ik aangegeven dat ik graag bij de muziek wil. Met mijn langdurige muzikale achtergrond moet dit toch een optie zijn. Helaas mag mijn voorkeursuitspraak niet meedoen in de selectie. Het word het onderdeel: Verbindingen.

Na het uitreiken van ons uniform worden we opgesteld in rijen van vier. Op het commando links, ….links, ….links, wandelt men naar de slaapgelegenheden en je eigen huiskamer. Dat het voor menigeen lastig is wat links en rechts is, komt tot uiting bij de start. Het wordt een ongeorganiseerde bende. Na een paar passen, buldert de sergeant al dat het KLOTE is. De toon wordt direct maar even gezet. Opnieuw wordt de heel troep stilgezet om even later een replay te doen. Het schiet niet op en wordt niks. In mijn hele diensttijd heb ik heel wat af gemarcheerd en de telgangers en (niet) maathouders op verschillende momenten op hun donder zien krijgen.

Het wordt uiteindelijk een opleidingstijd die zeer gezellig is. Ik leer er kaarten, gokken, drinken en eten.

Het eerste weekend moeten we in uniform naar huis. Dat is dan nog een verplichting. Het uitgaansuniform gaat aan en met de drietonners word je richting het station gedeporteerd. Zo gaat dat voor mij twee maanden. Dan is mijn opleidingstijd voorbij en krijg ik de functie van draadgolfbedienaar.

Na twee maanden word ik overgeplaatst naar Schaersbergen onder de rook van Arnhem. De 131e Verbindingscompagnie, deel uitmakend van het 11e Verbindingsbataljon, is de plek waar ik mijn 14 maanden zal moeten doorbrengen. Al vrij snel blijkt dat de organisatie en kernfeiten niet lekker op elkaar zijn afgestemd. Ik krijg een ééntonnertje, een auto die één ton weegt, toegewezen als commandant van dat voertuig en ben er tevens chauffeur van. Dat laatste is wel een probleem, want een rijbewijs heb ik nog niet in het bezit. Oei, dan weet men even niet waar men mij moet plaatsen. Ik word corveeër. Mag regelmatig de wasgelegenheden schoonpoetsen, de toiletten onderhouden en stoffen en zuigen. Een beetje de huismiep van het peloton. Dat duurt zo’n week of vier. Voordeel is wel dat ik elke vrijdag om 12:00uur al naar huis mag.

Als de luitenant van het sportbureau ter oren krijgt dat ik ook scheidsrechter ben, claimt hij mij bij mijn commandant. Mijn commandant voetbalt in het eerste elftal van Ede, toentertijd een vooraanstaande amateurclub. Hij vindt het prachtig dat ik daarvoor gevraagd ben en staat mij met liefde af. Later kan hij mij wel vervloeken, nadat ik hem, toen hij bij een akelige schrimmits tussen twee bataljonselftallen met gestrekt been inkwam, rood voor ogen toverde. Hij krijgt daarvoor ook nog een duw van de Overste van het Bataljon omdat hij mij uit maakt voor alles wat mooi en lelijk is. Of mooi, nee mooi eigenlijk niet.

Omdat ik als soldaat eerste klas te weinig aanzien heb word ik al na zes maanden bevorderd tot korporaal. Een foutje begreep ik later, maar ik krijg er wel fl 17,00 netto bij. Een bijkomend voordeel is, dat je mag eten in een andere mess en dat je wordt bediend.

Zo ben ik overdag te vinden bij het sport- en recreatiebureau. Een mooie tijd.

In de avonduren vertoef ik weer onder mijn kamergenoten in de kelder van ons gebouw, alwaar de bar is gevestigd. Wat ik in mijn opleidingstijd al heb geleerd, wordt hier ten uitvoer gebracht, kaarten, gokken, drinken en eten. Ik ga de militaire dienst in met een gewicht van 79 kilo om er later uit te treden als een ronde baas van 119 kilo. Alles smaakt, alles is lekker en je kan het zo gek niet bedenken of men kan van drankjes super lekkere cocktails maken. Ik heb het geweten. Ik groei tegen de klippen op en soms, heel soms denk ik nog wel eens: ‘heb ik de helm die ik toen droeg wel teruggegeven, of zit ie nog steeds onder mijn shirt’.

Als we niet in de eigen bar zijn vertrekken we met wat Haagse mannen naar Ede. Bar Thijs is een verzamelpunt van in opleiding zijnde verpleegsters en militairen. We deinzen er niet voor terug om hen thuis te brengen en ongezien via de regenpijp omhoog te klimmen om ook op hun kamer terecht te komen. Na een vervelend akkefietje, één van mijn maten maakt een verpleegster zwanger maar wil zijn verantwoordelijkheid niet nemen omdat hij thuis ook al een vrouw met kind heeft zitten, zijn we niet meer naar Ede gereden en blijven we ‘thuis’.

Na 16 maanden diensttijd zit het er voor mij op. Mijn spaarrekening is leeg, mijn gewicht toegenomen met 40 kilo en ik heb er niets, werkelijk niets bijgeleerd. Voor mij heeft het naast dat het een leuke tijd is niets extra’s opgeleverd, nou ja wat vrienden dan, maar dat verwatert ook. Ik heb er leren schilderen, of eigenlijk auto’s voorzien van verf. Ik heb er leren schieten, schoenen poetsen en mijn kleding vouwen, mesbreedte. Dat was het.

Ik vraag me af met de minimale middelen, zowel op materiaal als op geld gebied, wat is de meerwaarde van de dienstplicht weer instellen? Krijg je de slopers, de minkukels, de raddraaiers, terrorvloggers, het schorriemorrie van de straat daarmee weer op het rechte pad? Als je dat wilt zal je moeten investeren en niet zo’n klein beetje ook. Het hoeft geen leuke tijd te zijn. Men moet er iets aan overhouden. Normen en waarden moeten weer worden aangeleerd. Klaar gestoomd worden om na de dienstplicht iets te betekenen voor de maatschappij. Moet dat met de militaire dienstplicht of kan dat ook met de sociale dienstplicht. Extra handjes aan het bed, helpen in bejaarden- en verzorgingshuizen, in klinieken en opvanghuizen, bij brandwondencentra en herstelklinieken van geweldslachtoffers. Geef het een maatschappelijk karakter maar laat dat niet ten koste gaan van de huidig werkenden, want dan schiet het niet op. CDA ik wens jullie veel succes.