397. Voor de gezelligheid of politieagent

Elke dinsdag kom ik haar tegen. Een vrouw, achterin de veertig/begin vijftig. In haar gele hesje loopt ze voor het Reinier de Graafziekenhuis en regelt dat het geen puinhoop wordt bij het kort parkeren.

“Goedemorgen”, zegt ze als ik ‘s morgens aan kom rijden met de MUS, het vervoersproject dat rijdt in de Gemeente Midden-Delfland. Voor ik het weet staat ze naast het portier aan de bijrijderskant. Ze helpt de vrouw die naast me zit uit mijn karretje. Ik sta achter haar en kijk toe. Ik krijg niet de gelegenheid om te helpen. “Ik haal even een rolstoel”, zegt de dochter die achterin heeft gezeten. “Succes mevrouw”, zegt de vrijwilligster van het ziekenhuis. “Tot strakjes”, zegt ze als ik heb aangegeven dat ik straks nog iemand kom brengen.

Vrijwilliger is ze. Zoekt een baan maar dat is na vele pogingen nog steeds niet gelukt. “Ja, dan kan ik thuis gaan zitten, maar daar ben ik alleen en spreek ik niemand.” Ik raak met haar in gesprek als mijn ‘klant’ nog in geen velden of wegen is te zien. “Voor het geld hoef ik dit niet te doen, je krijgt hier een ochtend of middagbijdrage. Het is meer de gezelligheid.”

Soms is het meer dan de gezelligheid en moet ze politieagentje spelen.

Er komt een taxichauffeur aanrijden. Hij parkeert zijn auto op de plek van afhalers. “Meneer”, zegt ze, “wilt u uw auto op de taxistandplaats zetten.” De man kijkt haar aan en loopt haar straal voorbij. “Meneer, meneer, wilt u uw auto weghalen”, vraagt ze opnieuw. “Daar heb jij niks over te zeggen”, blaast de man haar toe en loopt door. Ze is boos, zichtbaar boos. “Ik spreek hem zo meteen nog wel even aan”, zegt ze, “zo gaan we niet met elkaar om.

Ik zit te wachten op een klant die heeft laten bellen door de receptie van het ziekenhuis. Ze zit kennelijk nog binnen, ik ga naar haar op zoek. Wanneer ik even later terug kom wandelen achter een rolstoel en mijn klant help in de MUS, pakt de vrijwilligster mijn rolstoel. Ze geeft mevrouw een muntstuk terug en zet de rolstoel in de rij van rolstoelen. “Sterkte mevrouw”, zegt ze als ze nog even terug komt lopen.

Wanneer ik op een keer aan kom rijden met de MUS is er geen plekje om mijn klant af te leveren. De plek van de Reinier de Graaf shuttle is leeg. De shuttle is onderweg. Ik parkeer de MUS op die plek. Daar komt de vrijwilligster aan stieren. “Je mag hem hier niet zetten”, zegt ze met een doordringende toon. Ik heb geen uitzonderingspositie ondanks het feit dat ik haar elke week tegenkom en altijd een praatje met haar maak. “Ik hoef alleen maar even uit te laten en ga direct weer weg”, probeer ik. “Nou vooruit”, zegt ze. “Mevrouw heeft u een rolstoel nodig”, vraagt ze aan mijn klant die haar zoon achterin heeft zitten. “Graag”, zegt mevrouw op leeftijd. Ze graait even in haar broekzak en haalt er een muntstuk uit. “Soms krijg ik die euro niet terug”, geeft ze aan. “Mensen zetten dan zelf de stoel teug en vergeten om die munt terug te geven. Gaat onbewust”, zegt ze. “Soms ook mag ik die euro houden als ik de rolstoel terug zet. Het heft elkaar op.”

De parkeertarieven ook zoiets waar ze op wordt aangesproken. Wanneer een vrouw op middelbare leeftijd haar auto naast mijn karretje zet, parkeert ze strak in. Dat wil zeggen zo dicht bij mijn bijrijderskant dat mijn klant er niet meer in kan. Uit de auto komt uit de achterzit een oudere vrouw. Met twee mensen wordt ze uit de auto getrokken. De deur moet wijd open en dat kan alleen wanneer je dicht op een andere parkeert. Wanneer de vrouw uit de auto in de rolstoel, die uit de achterbak wordt getild, is gehesen, sluit de chauffeuse de auto. Met z’n drieën wandelen ze naar de ingang toe. “Waar gaan we heen, mevrouw?” Vraagt de vrijwillig medewerkster. “Naar binnen”, antwoordt een van de drie. “Dan moet u de auto naar de garage rijden”, zegt de vrouw in het gele hesje. “Weet u wat dat kost?”, vraagt de persoon die zojuist het antwoord gaf. “Dat weet ik”, antwoordt de vraagstelster. “Wij moeten hier elke dag zijn voor een injectie voor onze moeder, en zijn zo weer terug, dat kost een vermogen als we steeds naar de parkeergarage moeten.” “Sorry mevrouw, dat zijn hier de regels. Deze plekken zijn alleen voor halen en brengen. Ik kan dit niet toestaan.” Morrend loopt een van de dames terug om de auto naar de garage te brengen. “Ze moeten niet bij mij klagen, ik kan daar ook niets aan doen.”

Een jongeman komt aanrijden in een busje. Achterin heeft hij een oudere man zitten. Hij zet zijn auto op de laad- en losplek. “Goedemiddag meneer.” Ze spreekt de gasten van het ziekenhuis altijd netjes aan, “komt u meneer alleen brengen en gaat u dan weer weg.” “Ja”, zegt de jongeman, “mijn vader heeft een afspraak.” “Dan mag u uw vader hier wel afzetten, maar de auto moet naar de parkeergarage.” “Nee, doe ik niet”, zegt de man, “Dan zit mijn vader hier alleen.” “Let ik toch even op hem”, biedt ze aan. “Dat is aardig”, antwoordt de jongeman. “Ik overleg even met mijn vader.” Even later staat ze achter de rolstoel te wachten tot de jonge chauffeur terug is. “Dank u”, zegt hij en geeft haar een fooitje.

Op een betonnen blok voor het ziekenhuis zit een man van buitenlandse afkomst. “Hé”, roept hij naar de vrijwilliger van het ziekenhuis. “Hé, kom jij weleens bij het Kruidvat of zo.” De vrouw loopt naar de man toe. “Trees* heet ik”, zegt ze. “Trees, kom jij weleens bij het Kruidvat?”, vraagt hij opnieuw, maar nu netjes. “Ik heb deodorant nodig”, zegt hij. “Ik heb weinig familie die dat kan halen, zou u dat willen doen.” Trees trekt haar wenkbrauwen op. “Hoezo vraagt u dat aan mij”, zegt ze, “en wat voor deodorant.” “Ik heb niemand die ik het kan vragen en ik dacht aan u. Ik moet hier nog ruim 14 dagen blijven en ben bang dat ze me dan ruiken”, zegt hij lachend. “Ik heb er vooralsnog pas op donderdag tijd voor om het te doen”, antwoordt Trees. “Welke deodorant moet ik dan meebrengen.” “Maakt niet uit, welke u lekker vindt.” De man haalt zijn portemonnee tevoorschijn. Hij haalt er een briefje van vijftig uit. “Hier”, zegt hij, “laat de rest maar zitten.” Trees kleurt, door haar bruine tint op het gezicht, komt een rode kleur tevoorschijn. “Nee”, zegt ze, “dat wil ik niet, dat kan en mag ik niet aanpakken.” De man rekt zijn arm en geeft haar het briefje van vijftig. “Ik kan het pas donderdag halen”, zegt ze waarop ze hoopt dat de man het briefje terug stopt. Hij blijft echter aandringen. Ze pakt het briefje aan, maar ik zie aan haar gezicht dat ze er vreselijk mee verlegen is. Met zijn krukken onder de oksels wandelt de man het ziekenhuis weer in. Een week later zie ik Trees weer. “En”, vraag ik, “deodorant gekocht.” “Ja, en het was nog de goede ook”, lacht ze. “En het geld?”, vraag ik. “Hij wilde het niet aanpakken, hij had er genoeg van in zijn portemonnee”, zei hij. Elke keer als ik Trees zie moet ik denken aan de deodorant.

Ik maak haar nu al ruim anderhalf jaar mee. Benijd haar niet, maar heb wel ontzettend veel respect voor haar. Ze blijft vriendelijk en beleefd. Doet gewoon wat haar is opgedragen en blijft erbij lachen. Ik vind ze top.

* Trees is een gefingeerde naam uit privacy overweging

287. Klus op de MUSbus

Het is een koude dinsdagmorgen als ik mijn vrijwilligersbaantje op mag pakken. Het heeft gevroren, het eerste laagje ijs ligt op de ijsbaan aan de Holierhoek. Net nog niet genoeg om er een baantje te trekken. Als vrijwilliger van de MiddenDelflandse Uitgaans Shuttle (de MUS) heb ik vandaag dienst. Ik fiets nog even langs een andere vrijwilliger om met hem samen uit te vinden hoe we de rolstoel en rollator achterop het voertuig kunnen meenemen. Inventief als we zijn kunnen we door een spanband, elastieke spinnen en de houder die achterop zit zo’n hulpmiddel wel meenemen. Nu is het krabbelen, want ook ons voertuig heeft volop in het koude windje gestaan. Niet alleen buiten, maar ook binnen heeft een ijslaag bezitgenomen van de ramen. Na wat krabben kunnen we ‘het land’ in. Bij Akkerleven nemen we wat folders mee naar onze volgende stoplocatie: De Dorpshoeve. Hier is het dinsdagse koffie-uurtje aan de gang. Mogelijk zijn er kandidaten die we warm kunnen maken om een keertje mee te rijden. De folders gaan van hand tot hand. Enkele ogenblikken later zijn we er alweer doorheen.

Dan op naar het gemeentehuis, een van de verkooppunten voor een rittenkaartje. Ook hier arresteren we de folders die er liggen. Het vervoersproject moet meer gepromoot worden en daar hebben we foldermateriaal voor nodig. Omdat er die ochtend geen ritten meer zijn kan ik naar huis.

Als ik net thuis ben een belletje van de coördinator “Kan je even drie ambtenaren ophalen, zij willen kennismaken met het project.” Ik ga opnieuw naar Akkerleven, waar de MUS staat en tuf naar het gemeentehuis. Inmiddels is er opnieuw een ritje aangevraagd. Iemand uit Den Hoorn wil op visite bij haar schoonzus in Schipluiden. Bij het gemeentehuis haal ik de ambtenaren op en laat hen het dorp zien vanuit de Mus. Wanneer ik de gemeenteambtenaren naar hun werkplek heb teruggebracht rijd ik door naar Den Hoon. Ik ken mevrouw en zij kent mij. “Sinterklaas, verteller, schrijver en ook nog chauffeur”, zegt ze. “Ja ik kan niet stil zitten”, geef ik haar te kennen. Mevrouw vindt het een ideale mogelijkheid om zo naar haar schoonzus te gaan. Als ik met het openbaar vervoer moet gaan dan ben ik bekaf en dat haal ik eigenlijk niet meer. “Mevrouw we halen u bij u thuis op en zetten u voor de deur af”, zeg ik haar. “Ik vind het een prachtig initiatief”, zegt ze. Gezellig kletsend rijden we over het fietspad richting Schipluiden. Ik zet haar af bij Korpershoek en spreek met haar af om haar twee uur later weer op te halen. Nu neem ik de MUS mee naar huis, anders blijf ik heen en weer fietsen. Onderweg word ik nagekeken. Mensen steken hun hand op of duim omhoog.

Twee uur later haal ik mevrouw weer op en breng haar weer netjes thuis. Ik rijd terug naar Akkerleven, zet het voertuig weer netjes aan de stroom, stop de telefoon en papieren terug in het kluisje bij Akkerleven. Het is 17:00uur mijn dag zit erop. Morgen een ander.

Het vervoersproject is opgezet door de Gemeente Midden-Delfland, DoEL, Stichting Welzijn Midden-Delfland en Pieter van Foreest. De Mus rijdt op de doordeweekse dagen van 09:00uur en 17:00uur. Voorlopig rijden we in de kern Schipluiden en Den Hoorn en verbinden we de dorpen. Daarnaast rijden we ook naar het Reinier de Graafgasthuis en zwembad Kerkpolder. Wilt u een ritje boeken, bel dan 0620778370 of boek via e-mail Mus@ggz-Delfland.nl. Kaartjes zijn te koop bij: De Was & Koffie in de Kickerthoek, het klantcontactcentrum van de Gemeente Midden-Delfland, of bij de receptie van Akkerleven. Verdere informatie kunt u vinden op de site van de Gemeente Midden-Delfland.