402. Een verhaal met een donker randje

85 jaar is ze, vertelt ze me. Ik neem haar mee in de MUS, het vervoersproject in Midden-Delfland. Om 14:15 uur moet ik haar ophalen bij haar woning. Ze gaat naar het ziekenhuis voor haar ogen. Ik krijg een indringend verhaal van haar te horen.

Wanneer ik de straat in rijd waar mevrouw woont ben ik aan de vroege kant. Nog even neem ik de kans waar om een andere bewoner te ontmoeten en doe er wat zaken mee. Strikt om 14:15 uur bel ik bij mevrouw aan. Ze woont op de derde galerij. “Kom er aan hoor”, roept ze door het luidsprekertje dat bij het huis is bevestigd. Ik hoef niet te zeggen wie ik ben.

Even later komt er een kleine vrouw achter een rollator naar me toe. Ze heeft een zonnebril op. “Goedemiddag”, zegt ze, “mag mijn rollator ook mee.” “Natuurlijk mevrouw”, geef ik haar te kennen. “Zeg maar Geertje* hoor, mevrouw vind ik zo’n deftig woord.” Ik help Geertje de MUS is. Omdat ze klein van stuk is, schuif ik een hulptrede uit. Nu komt ze makkelijker in het voertuig. Nog even ben ik aan ’t wurmen om de rollator achterin te krijgen. Elke rollator is verschillend, het is steeds een puzzel om die dingen ingeklapt te krijgen.

Ik maak mevrouw vast met de gordel. Deze zit van binnen naar buiten, anders dus dan bij een auto. Ik moet dan ook altijd even over mijn passagier heen. “Ben je bang dat ik wegloop”, zegt mevrouw met een lachend gezicht.

Ik stap aan de andere kant in en vervolg mijn rit richting ziekenhuis. “U heeft een bekend gezicht”, zegt mevrouw tijdens de rit, “maar ik kan u niet thuisbrengen.” Ik help mevrouw uit de droom en vertel wie ik ben. Dan komt de herkenning en weet ze waar ik geboren en opgegroeid ben. “U lijkt op uw vader”, zegt ze.

Ik vraag haar of ze eerder met de MUS is meegereden. “Ja hoor”, zegt ze, “al twee keer. Ik vind het een ideale uitvinding.”

Bij het ziekenhuis aangekomen help ik mevrouw uit mijn karretje, en geef haar de rollator aan. Ik geef haar een kaartje mee met daarop mijn rechtstreeks telefoonnummer voor de terugreis en wens haar succes. Ik rijd hierop terug naar huis en wacht.

Om kwart voor vijf krijg ik een belletje van de receptie van het ziekenhuis. “Mevrouw X is klaar en wil graag opgehaald worden.” Ik geef haar aan dat ik met vijf minuten bij het ziekenhuis ben.

Ik ga opnieuw op weg. Bij het ziekenhuis aangekomen zie ik mevrouw aan komen lopen. Ze heeft een man achter haar aan lopen. Eind veertig, begin vijftig. Het is een keurig geklede man met in zijn ene hand een aktetas. Hij loopt de vrouw voorbij en komt op mij af. “Goeiemiddag, wat leuk u te zien”, zegt hij. Ik ken de man niet. Nou laat mijn geheugen me weleens in de steek, zeker met de herkenbaarheid van mensen. Maar deze man ken ik echt niet of kan hem niet thuisbrengen. Mevrouw komt naar me toelopen. “Dit is Diederik*”, zegt ze, “mijn jongste zoon.”

“Ga jij vast naar mijn huis, ik kom er zo aan.”, geeft ze de man aan. De man loopt van me weg en geeft mij opnieuw een hand. Wanneer ik mevrouw in de MUS heb geholpen en ik de deur dicht wil doen begint mevrouw tegen me te praten. “Ken je hem niet meer”, zegt ze. “Ik zou het niet weten”, geef ik aan. Ik ken al haar zoons en ze heeft er zeven. Ze begint het gesprek. Ik zak door mijn hurken, houd me vast aan de deuropening en luister. “Hij heeft de ziekte dementie”, zegt mevrouw, “al vanaf zijn 39e.”  “Hij woont in Amersfoort met zijn gezin en komt met de trein naar hier. Zijn vrouw zet hem op de trein. Bij het station in Delft huurt hij een fiets en rijdt dan naar het ziekenhuis.” Ik schrik er van. Nu weet ik opeens wie het is. Maar wat is hij veranderd. Ooit werkte ik met hem samen en nu herken ik hem niet meer. “Hij praat kindertaal”, zegt de vrouw. “Hij wil altijd mee naar het ziekenhuis”, zegt ze, “maar ik heb liever dat hij thuis blijft. Hij stelt soms kinderlijke vragen aan de arts, waarop ik uit moet leggen dat hij ziek is in zijn hoofd.” “Hoe komt hij uit Amersfoort hier naar toe”, vraag ik haar. “Dat doet hij met zijn telefoon. Zijn telefoon is zijn richting aangever. Hij heeft een universitaire opleiding gedaan, er is niets meer van hem over. Ja, het kinderlijke. Ik heb daar zorgen over.”

Ik ken het gezin nog van vroeger. Weet wie haar man is en zeg haar hoe hij in mijn herinnering zit. “Prachtig”, zegt ze, “wat leuk dat u hem nog zo kan beschrijven.” Ze geeft aan dat hij inmiddels vijf jaar ‘weg’ is. Overleden. “En weet u, een half jaar eerder is er ook een zoon gestorven. Hij had dezelfde naam als zijn vader.”

Inmiddels ben ik ingestapt en op weg naar haar woning. “Het geloof heeft me er doorheen geholpen”, zegt ze. “Gelooft U?”, vraagt ze. Ik geef aan dat ik niet meer kerk, wel geloof en zo regelmatig een gebedje doe. ’s Avonds in bed. “Fijn”, zegt ze, “daar heb je houvast aan.”

De rit gaat snel en voor ik het weet ben ik aanbeland bij haar huis. Haar zoon staat haar op te wachten. “Goeiemiddag”, zegt hij, “wat leuk u te zien.” Hij steekt opnieuw zijn hand uit. “Kom mam dan drinken we een kopje thee.”

Hij neemt haar aan de arm en samen lopen ze naar binnen. “Dag meneertje”, zegt hij, draait zich om en zwaait nog een keer. Ontroerend.

* zijn gefingeerde namen

398. Koetsen en paarden, de Zonnebloem geniet

1 augustus, de tweede rolstoelwandeling 2019 van de Zonnebloem Schipluiden. Terwijl ik mijn boterham op eet valt de regen met bakken uit de hemel. ‘Dat wordt niks om met gasten het dorp in te gaan’, gaat er door mijn hoofd. Ik zoek mijn regenjack op. Zoals gebruikelijk kan ik die niet vinden. Mijn vrouw is niet thuis, dus vragen kan ook niet. Ik vind die van vrouwlief. Hij past.

De warmte hangt nog in de lucht, niet druk maken want voor je het weet heb je een nat shirt aan, is het niet van het zweet, dan is het van de regen. Met de jas aan ga ik naar mijn afgesproken gast. Ik hoef niet te bellen, ze staat al met haar winterjas aan in de gang, de deur is los. Nog even help ik met het op slot doen van de voordeur. Dan wandel ik met haar in de rolstoel richting Korpershoek. “Heb ik mijn deur op slot gedaan?”, vraagt ze me. Ik kan haar geruststellen. “Waar gaan we heen?”, vraagt ze aan mij als we net onderweg zijn. Ik kan er geen antwoord opgeven, ik weet het ook niet.

De rolstoelwandelingen van de Zonnebloem worden altijd in het geniep geregeld. Alleen de indelingscommissie weet het en uiteraard degene die de wandeling heeft voorbereid.

Langzaam komen de vrijwilligers aan wandelen bij het verzamelpunt. “Zou het droog blijven?”, hoor ik, terwijl we wachten. Ik kijk nog even op buienradar. Geen blauw streepje op de App. Dat komt goed. Ik gooi gauw mijn jas uit.

Dan vraagt de organisator het woord. “We gaan naar het koetshuis”, zegt hij, “wie weet waar dat is?” Het blijft angstig stil.

Eenmaal buiten komt de zon tevoorschijn. Het wordt heerlijk weer. We boffen. We lopen het zwarte pad af richting Akkerleven. Dan linksaf de Holierhoek op. “Van Dorp”, hoor ik iemand zeggen, “we gaan naar Van Dorp.”

Via de ijsbaaningang komen we op de Zouteveenseweg. De verkeersregelaars letten goed op bij het oversteken. Dan het bedrijfsterrein op bij Van Dorp. Er wordt een rouwkoets naar buiten gereden. Er ligt nog een bloemstuk op. De koets krijgt de aandacht van de gasten. Dan lopen we verder en via de achteringang rijden we het koetshuis in. Er staat een prachtig crèmekleurige koets buiten waar Jan van Dorp ons koninklijk paar in heeft vervoerd. Ook binnen staan er nog een aantal. Een oude Spijker, een Tilbury, nog wat andere rijtuigen, een Jan Plezier en wat arrensleeën. Aan de muur hangen schilderijen met koetsen, met paarden. Er hangen hoofdstellen, lampen voor op de koets, pluimages voor de paarden aan de muur van het koetshuis.

Terwijl de koffie met wat lekkers wordt rondgedeeld klimt koetsier Dirk op de bok. Hij heeft zich er speciaal voor aangekleed. Lange blauwe jas met epauletten, zwarte broek, witte sjaal en hoge hoed. In zijn hand een zweepje. Hij verhaalt over de verschillende koetsen. Voor arme maar ook voor rijke mensen. Nog altijd wordt er gereden met de koetsen, een rouwtje of een trouwtje. Soms een verjaardag of speciale gelegenheden met de koning en de koningin.

Voor de koets twee paarden. Mooie donkere Friezen. Het zweepje gebruikt hij alleen om de aandacht van het paard te houden. Paarden zijn nieuwsgierige beesten, is er iets op rechts dan zijn ze geneigd daarop aan te trekken. Een aai van het zweepje bij het linker paard haalt de aandacht weg. Verder wordt de zweep gebruikt voor richting geven. Een enkele keer wordt er wel eens een corrigerend tikje gegeven, maar nooit een mishandeling, zoals men soms denkt als men de zweep van de koetsier ziet.

Even haalt hij de zwarte koets aan die buiten staat. De rouwkoets. “U bent allemaal potentiële klant”, merkt hij gekscherend op.

De koffie en thee doen het goed. Ook het lekkere koekje, beschikbaar gesteld door de familie Van Dorp, wordt bij een tweede kopje van de schaal gepakt.

Wanneer er over de arrensleeën wordt gesproken laat vader Jan de bellen rammelen. “Herkent u het”, zegt hij. Er wordt geknikt.

Het wordt tijd om verder op het bedrijf te kijken. Na een dankwoord aan de familie Van Dorp en Dirk, overhandigt Janus hen een flesje wijn. De groep wandelt achter Lisette en Miran aan naar de paarden. Vader Jan zet zich in zijn blauwe golfkarretje. Lisette haalt twee zwarte paarden uit de stal en laat ze ravotten in de zandbak. Rollend door het zand spelen ze. De gasten van de Zonnebloem zien het met een glimlach op het gezicht. Dan gaan we even door de stallen, de paardenhoofden komen toch wel heel dichtbij. Het is helemaal spannend als een paard dat met zijn snuit bijna tegen je gezicht aankomt. We nemen wat afstand. Vrolijk vliegen de zwaluwen door de stal ook dat geeft soms een schrikeffect. Nog even maken we een foto. Opletten dat de buiten lopende paarden hun oortjes omhoog hebben staan, dan nemen we afscheid.

We hebben nog even tijd en maken een ommetje langs de golfbaan en het gemeentehuis. Dan linksaf richting Singel, waar vrijwilligers bezig zijn om de corsoboot Schipluiden op te tuigen. De voorzitter komt er aan met de dozen met ijsjes. Ook de vrijwilligers doen mee. Als afsluiting een lolly of toffee.

Het is inmiddels etenstijd. We wandelen rustig terug. Een geslaagde rolstoelwandeling is ten einde Onze dank gaat uit naar de familie Van Dorp, Dirk, Miran en onze vrijwilligers die de gasten hebben geduwd. Het was weer een feest.

De volgende rolstoelwandeling is op 7 augustus.

396. Als de warmte toeslaat

Het dorp Schipluiden wordt overspoeld. Bootjes varen af en aan. Het weer bepaalt.

Op de achterplaats brandt de zon er valt niet te koelen. De thermometer die op de deur is geplakt geeft 34.0°C aan. Het is volgens ingewijden code oranje. Het zonnescherm is uit. De parasol staat. Een witte doek hangt aan het zonnescherm om ook de laatste zonnestralen buiten de schaduwplek te houden. Het wordt tijd voor een ijsje.

Rustig wandel ik met mijn lief de Brugstraat uit. Bij de Paardenbrug aangekomen zie ik kinderen van de brug af springen. Jongens en meisjes in zwembroek en bikini in neonkleuren. Er hangen badhanddoeken over het hekje aan de overzijde. Spectaculair springt men met de knieën vasthouden naar beneden. Het water spat op. “En ik had nog zo gezegd, geen bommetje!”, schiet er door mijn gedachten, denkend aan de reclame van Peer Mascini en die koe. Bootjes varen onder de brug door. Het is dus opletten geblazen.

Aan de overkant op de houten bank zit Jan, hoedje op tegen het verbranden. Hij houdt het spektakel in de gaten, maakt een praatje met de mensen die voorbij lopen en duikt zijn antiekwinkeltje in, als het belletje rinkelt. Even goed laat hij zijn klanten rustig rondneuzen en houdt hij in de gaten wanneer ze weer naar buiten komen. Zijn hond Koos heeft ook zojuist wat verkoeling gezocht en zwemt wat rond, om via het trapje de kant weer op te zoeken.

Ik wandel richting De Vergulde Valk waar Rob en Leo hun café/restaurantje, ijszaakje, runnen. Café Sport komt eerst. Op het terras tegen het café tref ik de stamgasten. Op de boot die tegen de kant aan ligt genieten de gasten van wat er op het water gebeurt. Er hoort een drankje bij.

Bij bakkerij Hoek, even verderop, zoeken mensen het kleine terras op, bestellen een drankje en soms een stukje gebak. ‘Aarbeienschep met slagroom’, staat er op het bord aan de waterkant. Fietsen staan geparkeerd in de, hoe kan het anders, Bakkerstraat.

Weer verder richting valbrug De Vergulde Valk. Ook hier staan de fietsen kris kras geparkeerd. Het wat grotere terras is vol. Alle stoelen zijn bezet. In de deuropening staat een rij klanten voor ijs. Het is achteraan aansluiten. Ik sta op de straat en schat dat ik zo’n vijfentwintig klanten voor me heb. Het is geduldig wachten, want snel gaat het niet. Naast ijs moet ook het terras worden bediend, ze doen het samen en dat betekent ‘wachten’.

Terwijl ik geduldig in de rij sta komen er meer mensen aan fietsen. Een plekje voor de fiets is er nauwelijks. Men parkeert ook voor de deur van een bewoner aan de Dorpsstraat. Wanneer een wat oudere vrouw haar fiets wil wegzetten stoot ze tegen een reeds geparkeerde fiets. Er ontstaat een domino-effect. Hevig verschrikt schiet haar man te hulp en raapt de fietsen weer op.

Inmiddels ben ik een halve meter opgeschoten. Je moet geduld hebben. Achter mij vult de rij zich aan. Bootjes worden aangelegd en bootgasten schuiven, al dan niet, met ontbloot bovenlijf aan. Een vrouw in een veel te kleine bikini stapt van de boot en zet zich als laatste in de rij. Er wordt gefluisterd.

Het is gezellig druk op de Dorpsstraat. Een rits lelijke eendjes komt voorbij. Er moet worden getoeterd. Even later een ronkend vermogen dat nog even wat gas bijgeeft. Het is een reeks motoren die kennelijk een toertocht hebben gepland door het dorp. Ik ga in gesprek met mijn voorganger. “Het schiet hier niet op”, zegt hij. Ik weet niet beter. “Ik stond hier donderdag, met dat warme weer ook al voor de deur”, geeft hij te kennen, “maar toen waren ze dicht.” Ik weet niet beter. “Ze hebben het zeker niet nodig”, antwoord ik. “Ze hebben beiden al de pensioengerechtigde leeftijd.”

Na anderhalve meter verder sta ik in de deuropening. Een bootgast probeert zich er doorheen te wringen. “Een toilet?”, vraagt hij. Hij wordt door verwezen naar achteren. Rob heeft inmiddels een blad gevuld met een bestelling voor buiten. Ook hij probeert er door heen te gaan, maar dan in omgekeerde richting.

Langzaamaan kom ik bij het uitdeelpunt. Een jongeman die even voor mij staat blijkt zijn gevolg buiten te hebben gelaten. Een naast hem staand meisje haalt de bups binnen. Zeven in getal. “Een kinderfeestje”, zegt hij. Dan ben ik aan de beurt. “Doe me maar twee ijsjes”, zegt ik. “Een kleintje en een obliehoorn.” Mijn lief houdt niet van grotere ijsjes. Ik haal gepast geld uit mijn portemonnee. “€2,15”, zegt Leo. Vooroorlogse prijzen nog hier. Ik wurm mezelf met twee ijsjes in de hand naar buiten. Mijn vrouw heeft een plekje gevonden op een bankje aan de waterkant. Eenden zwemmen in de buurt, het laatste van het wafeltje wordt vaak in het water gegooid.

Het is een komen en gaan van boten. Sloepjes, rubberbootjes en kleine jachten. Een boot heeft een surfplank achter zich aan, kinderen springen er af en klimmen er weer op. Er varen ook zuipschuiten. Schippers met een biertje in de hand, stapels kratten bier aan boord. Ze moeten wachten tot personeel van Indigo de valbrug omhoog draait. Het is file als de eerste boten door de openstaande brug varen. De groene zak aan de steel is als de collectezak in de kerk, het betaalpunt. Als alle bootjes richting Delft zijn vertrokken komt de stoet vanuit Delft. Een van de schippers heeft zijn boot niet onder controle. Hij botst op een sloep die ligt aangemeerd. Er volgen zware woorden. Even verder op speelt de schipper wederom botsbootje. Hij vaart veel te hard en maakt geen vrienden.

Aan de overzijde op de Vlaardingsekade rijden fietsers over de ka, waar het toch echt wandelgebied is. Men houdt zich niet aan de borden die aan weerskanten zijn geplaatst. Afstappen, ho maar. Bij Net Even Anders staat een groepje wandelaars die kennelijk met een gids op stap is. Ze kijken in de etalage, maar lopen door. Bij het kerkelijk museum staat het bord buiten. ‘Niet de bijbel van buiten, maar van binnen kennen’, staat er op het bord. Het museum is gesloten.

Nog even blijven we zitten om te genieten van het windje dat waait over het water. Allicht koeler dan in de achtertuin. Dan wordt het tijd om onze plek af te staan aan de volgende ijslikker.

Rustig wandelen we terug. De temperatuur loopt nog verder op. Bij thuiskomst geeft de aan de deur hangende thermometer 39.0°C aan. We gaan naar binnen, waar alle deuren en ramen gesloten zijn gebleven en het zonnescherm en parasol hun werk hebben gedaan. Het is binnen 24.0°C. Een betere temperatuur. De Tour de France gaat aan, ik nestel me in de bank. Kijk naar de laatste kilometers van de dag om te zien dat het Dylan Groenewegen wederom niet lukt om de zege te pakken. Weer scoor ik geen punten in het AD-klassement. Niet druk maken, het is maar een spel. Druk maken geeft energie en warmte en daar hebben we vandaag genoeg van.

385. Ik heb daar geen boodschap aan, zegt ze

Toch wel een bijzondere dag. Rijden in de witte MUS, druk, druk, druk, bijzondere mensen. Een enerverende dag met veel ritten en passen en meten. Maar iedereen is er gekomen en iedereen is ook weer opgehaald. Een heerlijke dag.

De zwarte MUSSEN moeten worden opgepimpt. Nieuwe stoelen, lekkages verhelpen, kijken naar de actieradius en het oplossen van de startproblemen. Er wordt een hoop geld voor betaald, dan mag je ook kwaliteit terug verwachten. Gebleken is dat je van een tweede hands karretje nooit een nieuwe kan maken. Één van de MUSSEN is meegenomen en daarvoor is een wit karretje teruggeleverd ter vervanging. Gekscherend de ‘bruids’MUS genoemd.

Op maandag krijg ik mijn werklijst doorgestuurd. Slechts drie ritjes staan er op. Waarvan één een combinatierit. Deze wordt altijd in het geel aangegeven. Ik kijk er even naar en kom al snel tot de conclusie dat me dat niet gaat lukken. Er is een onhaalbare vertrektijd op de lijst terecht gekomen. Een klant ophalen aan de ene kant van het dorp en vijf minuten later een volgende aan de andere kant van het dorp dat gaat het niet worden. Later op de dag komt er een ritje bij voorafgaand aan de combinatierit.

Zo’n twintig minuten voor de eerste rit begeef ik me naar Akkerleven. Ik pak de sleutel en de telefoon uit het sleutelkastje en wandel richting de MUSSEN. Bij de witte MUS staat het raampje aan bijrijderskant nog open. Kennelijk vergeten dicht te doen, door mijn voorganger. Ik gooi alle sloten los van het karretje, wetende dat ik een vrouw op moet halen met kind. Ik rijd naar de familie toe. De meubels staan voor het grof vuil aan de straat. De gordijnen zijn potdicht. Er komt een jonge vrouw naar buiten met in haar handen een autostoeltje. Er ligt een kleine dreumes in die mij aankijkt met zijn donkerbruine kijkers. Hij begint direct te lachen. Zijn broertje loopt achter zijn moeder aan. Mevrouw komt uit Somalië. Ze moet met de jongste naar het ziekenhuis. Als ze tegen mij praat glanzen haar parelwitte tanden. Ze doet het in het Nederlands, al moet ik goed opletten. Onderweg praat ze aan een stuk door. Haar man is niet hier. Hij is in Italië. Ze woont sinds kort met haar drie zoontjes op het dorp. “Mooi dorp”, zegt ze, “lieve mensen.” Ik breng de familie naar het ziekenhuis en geef haar een telefoonnummer mee voor de terugrit. Omkeren en terug naar Schipluiden.

Twintig minuten later opnieuw op pad voor de combinatierit. Ik ga iets eerder. Dat wordt niet in dank afgenomen. “Je bent te vroeg”, zeg mevrouw, “ik moet nog naar het toilet en afscheid nemen van mijn hondjes.” Ik neem het voor lief. Dan komt mevrouw naar buiten en heeft een rollator en een rolstoel bij zich. “Moeten ze beiden mee”, vraag ik haar. “Nee alleen mijn rolstoel.” Ik heb geen rek achterop dus de rolstoel moet achterin. Het probleem is dat mijn mede-passagier van de combinatierit dan niet mee kan. “Ik heb daar geen boodschap aan”, zegt mevrouw als ik aangeef dat het lastig gaat worden. “Ik moet wel op tijd in het ziekenhuis zijn”, geeft ze aan. “Maar dat moet meneer die ik op moet halen ook”, probeer ik nog. Mevrouw heeft een standaardzin: ‘Daar heb ik geen boodschap aan.’ Ik schakel de coördinator in. Één van de MUSchauffeurs leest mee en biedt spontaan aan om met zijn eigen auto de andere klant op te halen en weg te brengen. Top.

Ik breng mevrouw naar het ziekenhuis en bij aankomst vraagt ze me haar naar binnen te rijden. Ik zet haar bij de receptie af en rijdt terug naar de basis. Even een kopje koffie. De onderhoudsmonteur van het karretje komt een van de MUSSEN omruilen. Ik zorg dat ik er bij ben. Dan gaat de telefoon. De mevrouw uit Somalië kan worden opgehaald. Ik laat de koffie voor wat het is en ga op stap naar Delft. Mevrouw staat al buiten te wachten. Ik ben met de zwarte MUS, ze heeft me even niet in de gaten. Ik stap op haar af en pak het autostoeltje op. “Ah, nu ik zie”, zegt ze, “MUSchauffeur.” Opnieuw een heel gesprek over o.a. hoeveel vrouwen een man in hun cultuur mag hebben. Over het onderzoek dat haar zoontje heeft ondergaan. Ik zet ze thuis af en breng het autozitje tot aan de deur, dan neemt zij haar jongste over. Zwaaiend nemen we afscheid.

Om even voor twaalf uur komt de monteur aan rijden. Even een kletspraatje en dan snel eten want daar is straks geen gelegenheid meer voor. Dan belt mevrouw uit het ziekenhuis. “Wil je me komen halen? Ik sta in de hal.” Oké en eten dan? Ik ga naar het ziekenhuis en haal mevrouw op in de hal. Dan kom ik een klant tegen die net een chemo achter de rug heeft. Ik probeer belangstellend een praatje met hem te doen als er op het raam van de MUS wordt getikt. Mevrouw ‘gebiedt’ me om weg te rijden, ze moet zichzelf spuiten en dat moet nauw gezet. Een race tegen de klok want om kwart voor een staat de volgende rit op het programma. Ik zet mevrouw af en rijd door naar huis. Staand aan het aanrecht schuif ik mijn boterhammen naar binnen, maar vergeet daardoor de klant van kwart voor een. De telefoon gaat. De coördinator belt. “Ben je de mevrouw van 12:45 uur vergeten?” Oeps snel mijn boterham mee en naar Den Hoorn. Ik rijd te hard, ik weet het, maar heb een klant die wacht. Een tegemoetkomende bewoner van de Tramkade tikt op het voorhoofd. Ja, ik weet het.

In Den Hoorn kan ik de straat en het nummer van de klant niet snel genoeg vinden en rijd verkeerd. Na wat zoeken tref ik mijn nog jonge medepassagier. Ze moet naar Schipluiden. Ze vertelt haar levensgeschiedenis terwijl ik haar nooit eerder heb ontmoet. Een triest gebeuren. Ik houd me aan de snelheid en zet haar af bij het Gemeentehuis. Daar kom ik ook de bewoner van de Tramkade tegen. Ze heeft een klacht ingediend bij de Gemeente over het rijgedrag van de MUSchauffeurs. Ik bied haar mijn excuses aan en nogmaals en nogmaals. Mevrouw vindt dat we goed werk doen maar “let alstublieft op uw snelheid”, geeft ze nogmaals mee. Ik beloof het. Ze steekt haar duim op als ze wegrijdt. Op naar het volgend adres. Iemand moet vanuit Schipluiden naar de winkels in Den Hoorn. Ik heb haar net opgehaald als mijn telefoon weer gaat. Degene die door mijn collega is weggebracht naar het ziekenhuis kan worden opgehaald. Oei, hoe nu? “Geef me twintig minuten”, zeg ik. Ik rijd rustig met mevrouw naar Den Hoorn en zet haar af. Onderweg rijd ik de bewoner met de klacht weer achterop. Langzaam passeer ik haar. Ze steekt haar duim op. Na mevrouw in Den Hoorn te hebben afgezet spreek ik af dat ik zo terug ben met de klant uit het ziekenhuis.

Meneer staat met zijn dochter al te wachten in de hal van het ziekenhuis. “Heeft u tijd?, vraag ik de man. “Alle tijd van de wereld”, zegt hij, “er wacht niemand op mij.” “We halen iemand op in Den Hoorn.” “Oh, leuk”, zegt de man. We rijden richting Dijkshoornseweg en treffen mevrouw. Ze is nog niet klaar. “Wil je koffie?, zegt de winkelier, “het duurt nog even.” Dat ga ik niet doen staat niet netjes naar mijn passagier die in de MUS zit te wachten. Eenmaal klaar direct terug naar Schipluiden, waar mijn volgende klant wacht. Een ritje Albert Heijn en appelvrouwtje. Ik help de man bij de Appie aan een karretje waardoor zijn rollator thuis kan blijven. Als ik buiten wacht gaat mijn telefoon. Mevrouw bij het gemeentehuis is klaar en kan worden opgehaald. Ik ben net aan op weg om meneer weer thuis te brengen als mijn telefoon opnieuw gaat. Er staat een echtpaar bij het ziekenhuis dat graag naar huis wil. Ik rijd naar het gemeentehuis en haal mevrouw op. Ik bespreek even met de naast mij zittende passagier om nog iemand op te halen. “Heeft u er dan bezwaar tegen om achterin te gaan zitten.” Dat is geen probleem.

Bij het ziekenhuis staat het echtpaar al te wachten. Meneer zit in een rolstoel van het ziekenhuis. Het is even tobben maar dan is ook hij binnen en kunnen we op pad. Meneer bromt heeft een bloedtransfusie gehad en dat is hem zwaar gevallen. Ik zet het echtpaar als eerste thuis af en rijd door om de andere vrouw af te zetten. Even is het stil. Een half uurtje. Terug naar de basis, Akkerleven, om van karretje te wisselen. Even een kopje cappuccino. Ook daar zijn mensen die bedient willen worden. Een man schuift aan het tafeltje waar ik zit. “Kan u even koffie voor mij halen”. Natuurlijk pak ik ook dat op. Even later ook nog een vrouw die plaatsneemt naast me. “Ik ken u”, zegt ze. Ze komt mij niet bekend voor en ik ken toch heel wat mensen. Ook zij vraagt om een kopje koffie. Natuurlijk.

Om half vijf mijn laatste rit. Van stichting Au Boulot in de richting Vlaardingen, net binnen de grens waar we rijden. Altijd een feestelijk afsluiter van de dag. De jongen zit in de dagopvang en kijkt uit naar de MUS rit. En ik ook. Hij rijdt mee, letterlijk en figuurlijk. Klets de oren van je hoofd. Heerlijk. Thuis staat zijn moeder al te wachten. Nog even een praatje en dan de spits in, terug naar Akkerleven. Een ongelukkige tijd om met dit karretje terug te rijden. Men gunt je vaak geen ruimte, waar ik bijna alle inhammen stil sta om auto’s voor te laten gaan. Degene die me achterop rijden, maar ook die je tegemoetkomen. Soms gaat het vingertje omhoog, maar regelmatig is het de arrogantie die het wint.

Om kwart over vijf zet ik de MUS weer aan de spanning. Ik ben terug op de basis. Een drukke dag is ten einde. Volgende week is er weer een volgende dag.

380. Man, man, man, wat een wind

Er staat een stevig windje. Net geen code geel, maar er tegen aan. Ik moet al vroeg aan de bak. Vanuit Schipluiden een mevrouw ophalen in Den Hoorn. Voor de rest van de dag staat het schema met VOL aangeduid. Dat betekent 10 of meer ritten.

Wanneer ik om kwart voor negen aan kom bij Akkerleven waar onze MUSSEN staan gestald is de receptie nog niet bevrouwd. Geen “goedemorgen” dit keer. Ik druk de code in van het sleutelkastje en neem voor de zekerheid allebei de sleutels mee. (Sinds kort rijden we met twee MUSSEN. Niet tegelijkertijd, maar één actief en de ander aan de oplader. Zo kunnen we altijd adequaat tot actie overgaan.) De MUS-telefoon gaat mee en ik kan aan de slag. Ik haal één van de MUSSEN los van het stopcontact en kan op weg. Het gaat lekker hard, voor de wind, dan zou je zo maar 50 km kunnen halen. Op het vrijwaringsbewijs staat echter dat er niet harder dan 15 km mag worden gereden op fietspaden. De wind blaast onder één van de deuren door. Er ontbreekt een tochtstrip. Een fluitend geluid begeleidt mijn rit. De wind geeft regelmatig een ruk aan het karretje. De golven van het water komen flink omhoog. Het is opletten geblazen. Bij de kerk in Den Hoorn sluit ik aan bij een groepje fietsers dat staat te wachten voor het rode licht. Wanneer het licht op groen springt en een van de fietsers optrekt rijdt er een auto door het rode licht. Het gaat net aan goed. Ik rijd richting bibliotheek waar ik een vrouw moet ophalen. Het is niet makkelijk om op het plein te komen, dan moet ik de stoep op. Omdat ik heb gezien dat mevrouw een rollator bij zich heeft durf ik het wel aan en rijd via de stoep over het plein naar de bieb. Ik parkeer mijn MUS en tegelijk komt mevrouw naar buiten. “Fijn op tijd, meneer”, zegt mevrouw. Ik plaats haar rollator achterin en help mevrouw met instappen. Ze heeft ouderwets een hoofddoekje om haar hoofd geknoopt. “Wat een wind, hé”, zegt ze. Mevrouw gaat in de praatmodus. Ze vertelt waarvoor ze naar het ziekenhuis gaat en dat haar kleindochter haar daar opvangt. Ik vraag of ze ook met me mee teruggaat. “Nee hoor”, zegt ze, “mijn kleindochter komt van Leerdam en brengt mij thuis. Ze drinkt een kopje koffie bij me.” Bij het ziekenhuis stapt mevrouw uit. “Kom eens met uw hand”, zegt ze en stopt er dertig cent in. “Dank u wel mevrouw.”

Dan door naar de was-en-koffie. Even de was ophalen die gisteren is gebracht en nu gewassen en gestreken weer mee terug gaat. “Bakkie, Aad”, zegt de leidinggevende van de deze locatie. Dat sla ik niet af. Een medewerkster van Stichting Welzijn Midden-Delfland sluit even aan. “Leuke blog van een trotse vader”, zegt ze. Ze doelt op de blog die ik afgelopen zondag schreef over het laatste optreden van René. Nog even nemen we een kwestie door over mantelzorg. Na een tweede kopje koffie rijd ik terug naar Schipluiden. Ik heb even rust en kan thuis even langs voor een derde kopje koffie. Bij Akkerleven aangekomen geeft de display van de batterij aan dat ik al in het oranje rijdt. Dat betekent na een rit al wisselen van karretje. Veel te snel is mijn mening, maar volgens het lease-apparaat zijn het zelflerende batterijen en worden ze steeds voller naarmate er meer wordt opgeladen. Ik zocht er naar op internet maar kan dit niet vinden. Is dit een verkooppraatje. Een dure dan.

Even thuis voor een kopje koffie en direct maar eten, daar is straks geen tijd meer voor. Het is 11:00 uur.

Omdat er voor de middag te strak is gepland probeer ik wat tijd te winnen. Om even voor twaalven ben ik weer op weg om een karretje op te halen. Beiden staan aan de oplader. Ik pak degene die ik niet eerder heb gebruikt en ga op pad. Verdorie, de veiligheidsgordel blijft niet in de houder zitten. Even melden. In de straten liggen vuilcontainers op de weg geblazen. Ik raap er twee op en zet ze aan de kant. Opnieuw naar Den Hoorn. Daar kom ik tien minuten eerder aan dan afgesproken. Er wordt niet open gedaan. Nog maar eens bellen. Dan komt mevrouw aanlopen. “Mijn dochter die mee zou gaan is er nog niet”, zegt mevrouw. “Ik ga haar even bellen.” Ze is er snel. We kunnen opnieuw op pad. Het ziekenhuis is de eindlocatie.

Ik zet mevrouw af en ga op pad om mijn volgende klant op te halen. Wederom terug naar Schipluiden. En wederom mijn accu in het oranje. Weer wisselen en iemand ophalen die naar het Plein in Den Hoorn moet. Ook hier ben ik ietsje eerder. Terug langs het water naar de fysio. Onderweg vallen drie fietsende scholieren over elkaar heen. De wind. Ik spreek met mijn bijrijder af dat ik ongeveer de afgesproken tijd weer bij hem ben, maar dat het afhangt van een rit uit het ziekenhuis. Zijn ze daar op tijd klaar?

Een mevrouw die ik om 13:45 uur op zou halen bel ik even. Ik ben twintig minuten eerder. Het is goed, ze gaat direct mee. Nu heb ik ruimte in mijn schema. Ik breng mevrouw naar Akkerleven en wissel opnieuw van MUS. Een man uit Akkerleven gaat voor het eerst mee met de MUS. Hij vindt het spannend. Hij is met zijn dochter en moet naar het ziekenhuis. Onderweg geeft hij aan dat hij mij nog van vroeger kent. Hij kent me bij me voornaam en zegt dat ik hem ook bij zijn voornaam mag noemen. Leuk. De man is geïnteresseerd en vraagt honderd uit. Zijn dochter luistert op de achterbank. Bij het ziekenhuis aangekomen is mijn eerdere afgezette klant nog in geen velden of wegen te zien. Ik besluit om even te wachten en laat mijn MUS op de shuttle-parkeerplaats staan. Na tien minuten komt mevrouw met haar dochter aan. De gehuurde rolstoel gaat in de stalling en mevrouw stapt alvast in. Even later heeft haar dochter ook een plekje. Terug naar Den Hoorn.

Mijn eerdere passagier, waar ik een afspraak mee maakte, zit inmiddels te wachten op een bloembak. Hij gaat terug naar Schipluiden. Dan door naar Akkerleven. Een oudere man gaat naar Albert Heijn en het ‘Appelvrouwtje’. Ik help hem de MUS in en rijd inmiddels in het batterij-rood richting Appie. Na het ophalen van een boodschappenkarretje laat ik de man uitstappen. Nu heeft hij een steuntje om te wandelen. Ik help hem de Albert Heijn in. Het waait om het gebouw en de 91-jarige is niet meer zo stevig gebouwd. Ik moet oppassen dat hij niet als vlieger de lucht in gaat. Even wachten tot hij zijn boodschappen heeft gehaald. Dan krijg ik zijn portemonnee om wat appels te halen. Hij neemt plaats in mijn karretje. Even later ben ik terug en breng hem weer terug naar Akkerleven. MUS 1 gaat naar de oplaadplek.

Nu is het wachten tot mijn klant uit het ziekenhuis belt. Ik hoef slechts kort te wachten dan kan ik weer met MUS 2 op pad. Na zo’n 500 meter ben ik al twee blokjes kwijt van de batterij. Zou ik het halen? Bij het ziekenhuis komt meneer al met zijn dochter aan. De rolstoel gaat weer naar de stalling. Op weg terug naar Akkerleven. We rijden net op het fietspad als er een vrouw omver wordt geblazen. Ze valt over haar fiets heen. Ik kan net op tijd stoppen. Mijn accu staat opnieuw in het oranje. Fietsers worden heen en weer geblazen over het fietspad. Het blijft opletten, helemaal als er scholieren ook nog hun mobiel denken te moeten gebruiken. Om kwart voor vier is meneer weer thuis. Hij vindt het fantastisch en is zeker van plan om vaker mee te rijden.

Mijn volgende rit is om half vijf. Beide MUSSEN staan weer onder spanning. Tijd voor een kopje koffie, nr. 4 die dag. Ik ontmoet er een collega MUS-chauffeur. Samen drinken we dat kopje koffie. We bespreken de stand rondom de accu’s. Het blijft een wonderlijk verhaal dat ze beter gaan worden naar gelang ze vaker zijn opgeladen. Voorgesteld wordt om eens na te denken over een Toyota Aygo of iets soortgelijks. We zijn sneller ter plaatsen en dat moet flink goedkoper zijn. Maar wie kaart het aan?

Om even over half vijf komt mijn laatste klant naar buiten wandelen. Ik neem haar mee terug naar Den Hoorn. Dan onderweg rijden we een hardloper achterop. Hij heeft op zijn hoofd, armen en benen allemaal tatoeages. Het ziet er indrukwekkend uit. Dat ziet een tegemoetkomende fietser ook. Hij kijkt hem achterom na maar let echter niet op het verkeer dat naar hem toe komt rijden en rijdt bijna bovenop mij. “AAD, KIJK UIT”, schreeuwt mijn medepassagier. Ik kan net op tijd remmen. Het gaat opnieuw maar net goed. Ik zet mevrouw thuis af en rijd de MUS voor het laatst vandaag naar Schipluiden. Een drukke dag, het lijkt op een baan, maar wel een leuke.

378. 40-jaar Zonnebloem, afdeling Schipluiden

Zo rond maart 2018 komt er tijdens een bestuursvergadering van de Zonnebloem afdeling Schipluiden ter sprake dat de afdeling in 2019 40 jaar bestaat. Ik hoor het aan en zie er voor mij als coördinator niet echte een taak in om dit op te pakken. Maar het blijft stil. Er is niemand die opstaat en zegt: “Ik”. Dan neem ik het besluit om mijn coördinerende rol echt op te pakken. De eerste contacten worden gelegd. De Dorpshoeve bespreek ik als ik toevallig toch koffie kom drinken. De Stichting Vivendi, ken ik uit een eerder optreden en vind ik een perfecte afsluiter van het evenement. Ook met hen wordt het eerste contact gelegd. Alle contacten verlopen via de e-mail. Op de site van de stichting bekijk ik wat filmpjes. Er blijft een prettig contact en als ik een aantrekkelijke offerte krijg toegestuurd, breng ik dat in het bestuur en leg het gezelschap vast. Ik stel voor om er een commissie voor te starten, niet alles alleen, maar samen doen.

Nog drie vrijwilligers staan op. Het gaat allemaal een beetje hapsnap. Totdat er draaiboek wordt gemaakt. Dan gaat het wat meer gestroomlijnd. De ideeën komen op tafel en zo regelmatig komen we bij elkaar. Een gezellig clubje.

Gaandeweg worden er zaken vastgelegd. We proberen geld te verzamelen en ook dat krijg z’n beslag. Een mooi bedrag komt binnen via de Rabobank Clubkas Campagne. Fonds 1818 bestaat 200 jaar en doet een duit in het zakje, Bij Albert Heijn Schipluiden mogen we de opbrengst komen ophalen van een maand statiegeld Goede Doelenknop. Leveranciers doneren of geven korting. Den Burg Catering, De Dorpshoeve, Restaurant Indigo, Groencentrum Langelaan en een aantal particulieren storten spontaan een mooi bedrag in de pot.

Om aan meer geld te komen schrijf ik twee potentiële subsidieverstrekkers aan. Een haakt er af. Van de ander blijft het antwoord nog even weg. Ik heb er wel verwachtingen van en hoop er ook op, want er is een financieel gat. De vereniging is niet echt vermogend, maar uit eigen middelen moet dan ook nog een flink deel worden opgehoest. En, is mijn verwachting, aan het eind van de dag zal er uit de melkbus die voor de deur staat ook nog wel een leuk bedrag op tafel komen.

De plannen kunnen verder. Wie gaan we uitnodigen? Uiteraard, de gasten, de vrijwilligers en gast-vrijwilligers, oud-bestuursleden, Burgemeester en wethouder, het Regiobestuur en onze buurZonnebloem Den Hoorn. Alles bij elkaar zo’n 140 mensen.

140 mensen is veel. We gaan om de tafel met de beheerder van de Dorpshoeve. Past dat? En zo ja, hoe dan? Er worden tekeningen gemaakt voor de opstelling van de tafels en het buffet. Het kan allemaal net. Er zullen afvallers zijn is de inschatting. Toch zullen we rekening moeten houden met dit aantal.

Na de uitnodiging te hebben verstuurd komen zo mondjesmaat de aanmeldingen binnen. Maar ook de eerste afmeldingen vallen in de bus. Uiteindelijk blijft er een mooi aantal over van 120. Op de dag zelf zijn er echter door ziekte en zeer ook nog afzeggingen en blijven we met 110 mensen over. Nog altijd een mooi aantal.

Het buffet is besteld, de afstemming voor het gesponsorde toetje heeft plaatsgevonden. Zo langzamerhand krijgt het zicht. De vrijwilligers en gastvrijwilligers krijgen een taak toebedeeld. Vele handen maken licht werk.

Op de bewuste feestdag, 23 februari 2019, zijn we met vier man al vroeg in de weer om de zaal in orde te krijgen. De vloer krijgt een kleedje, De stoelen moeten worden uitgeklapt. De tafels krijgen een plekje, het podium moet worden opgezet. In korte tijd echter zijn we al zover dat we besluiten te stoppen omdat anders de middagploeg voor niets komt. Het is even tijd om thuis te gaan eten.

Om 13:00uur komt de middagploeg opdraven. De tafels worden aangekleed, ballonnen gehangen, een vlaggetjesslinger en alle in huis zijnde Zonnebloemvlaggen krijgen een plekje en het ‘theater’ wordt verder ingericht. Binnen korte tijd is de zaak gepiept. Het feest kan beginnen.

Om half vijf staan de eerste gasten al voor de deur. Onze secretaris ontvangt, met hoge hoed op, de gasten. De fotograaf schiet plaatjes. Lopend of rollend over de rode loper krijgt men een vrijwilliger toegewezen die de gast naar de tafelplek brengt. Gestaag komen de mensen binnen. Er ontstaat al gauw een vrolijke stemming. Om 17:00uur kan het feest los. Maar waar is de Burgemeester? Hij zou een van de sprekers zijn. Op de rand van vijven komt hij binnen.

Ik mag zelf het welkomstwoord doen en dan de microfoon overdragen aan onze voorzitster. Daarna de Burgemeester om vervolgens de secretaris van de Regio het woord te geven. Het glas kan worden geheven en de toast uitgebracht.

Er valt veel te vertellen getuige het geroezemoes. Na het opnemen van een drankje loopt men langs het buffet. Geen haast, genieten van de heerlijke geuren die uit de schalen komen. Zo kan iedereen op het gemak zijn/haar bordje vullen. Voor wie wil is er een tweede gang of zelfs een derde, want het is lekker allemaal.

In de keuken zijn dames bezig met het afmaken van de toetjes. De ingrediënten zijn aanwezig, het definitieve lekkers moet nog worden gemaakt.

In een heel gezellige sfeer wordt na het toetje nog een kopje koffie of thee uitgeschonken. Het Zonnebloemchocolaadje valt bij iedereen zeer in de smaak. Dan is het moment aangebroken dat men naar de voorstelling van Stichting Vivendi gaat.

De eerder geplaatste stoelen zijn wat uit elkaar getrokken zodat de artiesten er tussendoor kunnen lopen. Met een heerlijk liedjesprogramma nemen Astrid, Vérie en Joep ons mee terug in de tijd. Op een mooie Pinksterdag, er zit een gat in mijn emmer, daar aan de waterkant, spring maar achterop, lieve pop. Liedjes die zo herkenbaar zijn en die dan ook volmondig worden meegezongen. Er wordt geklapt en gelachen als er weer een hilarisch tafereel op de planken wordt gezet. Een perfecte performance die zo duidelijk past in de doelgroep waar we het als Zonnebloem voor doen.

Na een goed uur is het nog even een drankje doen om dan huiswaarts te gaan. Voor sommige is de dag te lang geweest, voor anderen had het nog wel even door mogen gaan . Een aantal is al naar huis als de show nog moet beginnen. Het kan en mag allemaal.

Wanneer alle gasten zijn vertrokken wordt met man en macht de zaal weer in originele staat teruggebracht. En wat schetst mijn verbazing, zelfs de wethouder zet de schouders er onder en loopt met stoelen te sjouwen. Hoe mooi is dat.

Nog even een gezellig samenzijn met de vrijwilligers en gastvrijwilligers. Nog even napraten over een zeer geslaagde dag. Een dag waar bij mij de energie die ik er aan heb gegeven, is teruggevloeid. Met een zeer tevreden gevoel kunnen we terugkijken op een zeer succesvolle dag. Ik dank dan ook iedereen die er zijn/haar steentje aan heeft bijgedragen.

’s Avonds thuis, als ik toch wel moe zit bij te komen, open ik mijn e-mailbox. Ik heb zojuist een e-mailtje ontvangen om op 13 april a.s. een cheque op te komen halen bij de uitreiking aan Goede Doelen in de kringloopwinkel Habbekrats te De Lier. Een mooiere afsluiting kan je je niet wensen.

In het dorp wordt er over nagepraat, mensen komen bij mij aan de deur en vertellen hoe leuke en gezellige ze het hebben gehad. Nog meer energie stroomt er bij mij terug. Wat is het volgende? De dag erop sta ik op de Huishoudbeurs, ik ‘verkoop’ er het Fietsen voor m’n eten. Nagenietend is ook deze dag weer een heerlijke. Wat is er veel moois uit het leven te halen.

374. Een middagje VV Schipluiden

Stralend weer, wat fris maar prachtig weer om na lange tijd weer eens te gaan kijken bij de VV Schipluiden. Het geeft mij altijd een beetje een dubbel gevoel als ik er heen ga. De laatste vijf wedstrijden dat ik ben gaan kijken behaalde het team niet een keer de driepunter. Moet je dan wel gaan? Echter de laatste verslagen lezend is het elftal in de winning mood, dat zal dit keer dus niet misgaan.

Ik rijd het sportpark op en verbaas me over het aantal fietsen dat er staat. Ook de parkeerplaats is meer dan doordeweeks, bezet. De velden zijn leeg op het hoofdveld na. Aan de poort twee mensen die het programmaboekje uitreiken. Moet ik betalen? Geen idee, men laat me er zo door. Ze hebben het druk samen een goedemiddag kan er niet af. Ik zet mijn fiets tussen de anderen. Er is nog een kwartier te gaan voordat de wedstrijd aanvangt. Duindorp SV is de tegenstander. Ik ken de club nog uit de tijd dat ik zelf nog wedstrijden floot. Toen nog een pure zondagvereniging waar Schipluiden dat in die tijd ook was. Het team van Schipluiden is nog bezig met de warming-up. Duindorp is de kleedkamer al ingegaan.

Ik kies voor een plekje aan de korte zijde tegen de kantine aan. Als ik net over het hek hang galmt vanuit de luidsprekers de opstelling van beide teams over het veld. Het is niet druk langs het veld. Zo’n vijftig mensen voor de kantine en hooguit een dertig man/vrouw langs de afrastering. Op de tribune zitten nog geen tien mensen. Ondanks het mooie weer valt het aantal bezoekers mij tegen. Waar is de tijd gebleven dat het zoeken was langs de lijn voor een mooi plekje.

Het zonnetje brandt in mijn gezicht. Ik sta aan de verkeerde kant, kijk tegen de zon in. Ik wandel naar de lange zijde, tegenover de tribune.

De teams komen het veld op. Alsof ik profclubs het veld op zie wandelen. Nog geen mini-spelertjes aan de hand maar verder klopt het. Spelers wensen elkaar een prettige wedstrijd. Je hoort de handen op elkaar kletteren als men de tegenspelers begroet. Wat een mooi gebaar. Na een controle van scheidsrechter Maarten Streef of iedereen er klaar voor is klinkt het fluitsignaal. Duindorp trapt af.

De wedstrijd is nog geen tien minuten bezig als de rechtsbuiten (nr.12) van Duindorp zijn tegenstander zo goed als onder de zoden trapt. Kermend zakt de getrapte speler naar de grond. De scheidsrechter roept hem ter verantwoording, maar laat het met een vermanend woord, waar naar mijn mening rood op zijn plaats zou zijn geweest. Geen VAR helaas. De toon is in ieder geval gezet. Duindorp dat op een tiende plaats staat zal zich door Schipluiden, derde, niet zomaar naar de slachtbank laten leiden.

Er is geen sprake van hoogstaand voetbal. Inzet is er wel, zowel voetballend als fysiek. Als de laatste man van Schipluiden in het strafschopgebied de bal met de hand over de achterlijn werkt, wuift de scheidsrechter een strafschop weg.

De brede spits van Duindorp speelt vaak met zijn lichaam, hij ramt er in met ook kans op een eigen blessure. Als hij een corner neemt, bij mij in de buurt, zit zijn hele gezicht beplakt met de zwarte korrels die op het veld liggen. Beide clubs geven elkaar echt niets cadeau, waar overtredingen aan de lopende band plaatsvinden. Het erwtje in de fluit van de scheidsrechter blijft rollen. 

Een overtreding op de enkels van de spits van Schipluiden wordt opnieuw niet bestraft met geel. De scheidsrechter heeft het kennelijk prima naar de zin zo. Met een lachend gezicht rent hij als een hinde tussen de spelers, maakt zo af en toe een opmerking en laat zijn autoriteit gelden als de bonkige spits van Duindorp wederom niet voor de bal, maar voor de man gaat. Met twee handen gebaart hij dat de spits bij hem moet komen. Hij wordt opnieuw toegesproken en komt er zonder klerenscheuren vanaf.

Aan de overzijde wordt de bal op rechts gespeeld. Een vrijstaande speler van Schipluiden wordt onderuit geschoffeld. Resoluut wijst de scheidsrechter naar de witte stip op elf meter. Chris, een van de weinige spelers die ik nog van naam ken, laat zich kennen als goalgetter. 1 – 0. Nu is het een kwestie van doordrukken. Helaas dat gebeurt niet. Men laat zich terugzakken en laat aan Duindorp de kansen. Maar ook bij hen geen afmakers. De sfeer in het veld wordt grimmiger. Men schopt naar elkaar alsof het een bal betreft. De scheidsrechter grijpt in, hij trekt het eerste geel. Kort daarop is het rust.

Ik wandel naar de overkant van het complex en ga op de tribune zitten. Een gezellig gesprek met de vrouw van een van de bestuursleden veraangenaamd de middag. Op het veld dezelfde fysieke aanvallen als voor de rust. De rode kaart blijft in de zak van de scheids. Hij zit overal redelijk bovenop, maar het trekken van de rode, nee, dat doet ie niet. Vervolgens blijft hij gele kaarten tonen. Wanneer drie spelers van Schipluiden echt hinderlijk buitenspel staan, ik zat op één lijn, en de grensrechter aan de overzijde terecht met zijn vlag wappert laat hij doorgaan en maakt hij met het vingertje zichtbaar dat het wat hem betreft geen strafbaar buitenspel is. De drie spelers gaan alleen op de keeper af. Een niet te missen kans. Tot scoren komt het echter niet. Dan even later aan Schipluiden zijde. Even niet opletten en de bal hangt er aan de andere kant wél in. 1 – 1. Op de tribune achter mij scanderen jonge supporters: “Ali, Ali. Alle ballen op Ali”. Kort daarop komt hij in de ploeg. Hij kan het tij echter niet keren. Na opnieuw een grove overtreding trekt de scheidsrechter opnieuw geel. De achtste voor een Duindorp speler. De speler had al geel en krijgt nogmaals geel. Met rood vertrekt de speler en is Duindorp in ondertal. Even later ook aan Schipluiden kant geel. Een speler die er in grossiert probeert het nog weg te krijgen, maar de scheidsrechter is onverbiddelijk en terecht. Nog een paar minuten, nog een kans, maar opnieuw niet. De grensrechter aan de overzijde doet alsof hij de baas is en zet met een duwende beweging een speler van de VV van de bal. De scheidsrechter moet er aan te pas komen om het te sussen. Het eind is in zicht, waar men elkaar eerst onderuit schopte geeft men elkaar na het laatste fluitsignaal de hand. Geen strijd meer, de vrede wordt gesloten. Eindstand 1 – 1. Schipluiden verliest naar mijn mening, kostbare punten, waar dit niet nodig was geweest.

Komt het door mij dat ze weer niet winnen? Ik ga het in het vervolg volgen via de krant, dat lijkt me beter. Een ding is zeker de tweede helft heb ik lekker kunnen bijkletsen. Het was een gezellige middag ondanks het feit dat ik de ambiance van de zondagsport mis.