397. Voor de gezelligheid of politieagent

Elke dinsdag kom ik haar tegen. Een vrouw, achterin de veertig/begin vijftig. In haar gele hesje loopt ze voor het Reinier de Graafziekenhuis en regelt dat het geen puinhoop wordt bij het kort parkeren.

“Goedemorgen”, zegt ze als ik ‘s morgens aan kom rijden met de MUS, het vervoersproject dat rijdt in de Gemeente Midden-Delfland. Voor ik het weet staat ze naast het portier aan de bijrijderskant. Ze helpt de vrouw die naast me zit uit mijn karretje. Ik sta achter haar en kijk toe. Ik krijg niet de gelegenheid om te helpen. “Ik haal even een rolstoel”, zegt de dochter die achterin heeft gezeten. “Succes mevrouw”, zegt de vrijwilligster van het ziekenhuis. “Tot strakjes”, zegt ze als ik heb aangegeven dat ik straks nog iemand kom brengen.

Vrijwilliger is ze. Zoekt een baan maar dat is na vele pogingen nog steeds niet gelukt. “Ja, dan kan ik thuis gaan zitten, maar daar ben ik alleen en spreek ik niemand.” Ik raak met haar in gesprek als mijn ‘klant’ nog in geen velden of wegen is te zien. “Voor het geld hoef ik dit niet te doen, je krijgt hier een ochtend of middagbijdrage. Het is meer de gezelligheid.”

Soms is het meer dan de gezelligheid en moet ze politieagentje spelen.

Er komt een taxichauffeur aanrijden. Hij parkeert zijn auto op de plek van afhalers. “Meneer”, zegt ze, “wilt u uw auto op de taxistandplaats zetten.” De man kijkt haar aan en loopt haar straal voorbij. “Meneer, meneer, wilt u uw auto weghalen”, vraagt ze opnieuw. “Daar heb jij niks over te zeggen”, blaast de man haar toe en loopt door. Ze is boos, zichtbaar boos. “Ik spreek hem zo meteen nog wel even aan”, zegt ze, “zo gaan we niet met elkaar om.

Ik zit te wachten op een klant die heeft laten bellen door de receptie van het ziekenhuis. Ze zit kennelijk nog binnen, ik ga naar haar op zoek. Wanneer ik even later terug kom wandelen achter een rolstoel en mijn klant help in de MUS, pakt de vrijwilligster mijn rolstoel. Ze geeft mevrouw een muntstuk terug en zet de rolstoel in de rij van rolstoelen. “Sterkte mevrouw”, zegt ze als ze nog even terug komt lopen.

Wanneer ik op een keer aan kom rijden met de MUS is er geen plekje om mijn klant af te leveren. De plek van de Reinier de Graaf shuttle is leeg. De shuttle is onderweg. Ik parkeer de MUS op die plek. Daar komt de vrijwilligster aan stieren. “Je mag hem hier niet zetten”, zegt ze met een doordringende toon. Ik heb geen uitzonderingspositie ondanks het feit dat ik haar elke week tegenkom en altijd een praatje met haar maak. “Ik hoef alleen maar even uit te laten en ga direct weer weg”, probeer ik. “Nou vooruit”, zegt ze. “Mevrouw heeft u een rolstoel nodig”, vraagt ze aan mijn klant die haar zoon achterin heeft zitten. “Graag”, zegt mevrouw op leeftijd. Ze graait even in haar broekzak en haalt er een muntstuk uit. “Soms krijg ik die euro niet terug”, geeft ze aan. “Mensen zetten dan zelf de stoel teug en vergeten om die munt terug te geven. Gaat onbewust”, zegt ze. “Soms ook mag ik die euro houden als ik de rolstoel terug zet. Het heft elkaar op.”

De parkeertarieven ook zoiets waar ze op wordt aangesproken. Wanneer een vrouw op middelbare leeftijd haar auto naast mijn karretje zet, parkeert ze strak in. Dat wil zeggen zo dicht bij mijn bijrijderskant dat mijn klant er niet meer in kan. Uit de auto komt uit de achterzit een oudere vrouw. Met twee mensen wordt ze uit de auto getrokken. De deur moet wijd open en dat kan alleen wanneer je dicht op een andere parkeert. Wanneer de vrouw uit de auto in de rolstoel, die uit de achterbak wordt getild, is gehesen, sluit de chauffeuse de auto. Met z’n drieën wandelen ze naar de ingang toe. “Waar gaan we heen, mevrouw?” Vraagt de vrijwillig medewerkster. “Naar binnen”, antwoordt een van de drie. “Dan moet u de auto naar de garage rijden”, zegt de vrouw in het gele hesje. “Weet u wat dat kost?”, vraagt de persoon die zojuist het antwoord gaf. “Dat weet ik”, antwoordt de vraagstelster. “Wij moeten hier elke dag zijn voor een injectie voor onze moeder, en zijn zo weer terug, dat kost een vermogen als we steeds naar de parkeergarage moeten.” “Sorry mevrouw, dat zijn hier de regels. Deze plekken zijn alleen voor halen en brengen. Ik kan dit niet toestaan.” Morrend loopt een van de dames terug om de auto naar de garage te brengen. “Ze moeten niet bij mij klagen, ik kan daar ook niets aan doen.”

Een jongeman komt aanrijden in een busje. Achterin heeft hij een oudere man zitten. Hij zet zijn auto op de laad- en losplek. “Goedemiddag meneer.” Ze spreekt de gasten van het ziekenhuis altijd netjes aan, “komt u meneer alleen brengen en gaat u dan weer weg.” “Ja”, zegt de jongeman, “mijn vader heeft een afspraak.” “Dan mag u uw vader hier wel afzetten, maar de auto moet naar de parkeergarage.” “Nee, doe ik niet”, zegt de man, “Dan zit mijn vader hier alleen.” “Let ik toch even op hem”, biedt ze aan. “Dat is aardig”, antwoordt de jongeman. “Ik overleg even met mijn vader.” Even later staat ze achter de rolstoel te wachten tot de jonge chauffeur terug is. “Dank u”, zegt hij en geeft haar een fooitje.

Op een betonnen blok voor het ziekenhuis zit een man van buitenlandse afkomst. “Hé”, roept hij naar de vrijwilliger van het ziekenhuis. “Hé, kom jij weleens bij het Kruidvat of zo.” De vrouw loopt naar de man toe. “Trees* heet ik”, zegt ze. “Trees, kom jij weleens bij het Kruidvat?”, vraagt hij opnieuw, maar nu netjes. “Ik heb deodorant nodig”, zegt hij. “Ik heb weinig familie die dat kan halen, zou u dat willen doen.” Trees trekt haar wenkbrauwen op. “Hoezo vraagt u dat aan mij”, zegt ze, “en wat voor deodorant.” “Ik heb niemand die ik het kan vragen en ik dacht aan u. Ik moet hier nog ruim 14 dagen blijven en ben bang dat ze me dan ruiken”, zegt hij lachend. “Ik heb er vooralsnog pas op donderdag tijd voor om het te doen”, antwoordt Trees. “Welke deodorant moet ik dan meebrengen.” “Maakt niet uit, welke u lekker vindt.” De man haalt zijn portemonnee tevoorschijn. Hij haalt er een briefje van vijftig uit. “Hier”, zegt hij, “laat de rest maar zitten.” Trees kleurt, door haar bruine tint op het gezicht, komt een rode kleur tevoorschijn. “Nee”, zegt ze, “dat wil ik niet, dat kan en mag ik niet aanpakken.” De man rekt zijn arm en geeft haar het briefje van vijftig. “Ik kan het pas donderdag halen”, zegt ze waarop ze hoopt dat de man het briefje terug stopt. Hij blijft echter aandringen. Ze pakt het briefje aan, maar ik zie aan haar gezicht dat ze er vreselijk mee verlegen is. Met zijn krukken onder de oksels wandelt de man het ziekenhuis weer in. Een week later zie ik Trees weer. “En”, vraag ik, “deodorant gekocht.” “Ja, en het was nog de goede ook”, lacht ze. “En het geld?”, vraag ik. “Hij wilde het niet aanpakken, hij had er genoeg van in zijn portemonnee”, zei hij. Elke keer als ik Trees zie moet ik denken aan de deodorant.

Ik maak haar nu al ruim anderhalf jaar mee. Benijd haar niet, maar heb wel ontzettend veel respect voor haar. Ze blijft vriendelijk en beleefd. Doet gewoon wat haar is opgedragen en blijft erbij lachen. Ik vind ze top.

* Trees is een gefingeerde naam uit privacy overweging

389. Wat doet een EMG met je?

Al enige tijd kamp ik met een voet die niet echt wil. En echt niet wil, wil zeggen dat ie slaapt. Ik heb er dus ook regelmatig een uitval in. Lopen kan ik als een hinde, maar bij het zitten is het waardeloos. Het lijkt er op dat er ergens iets bekneld zit. Maar waar.

Door de huisarts ben ik doorgestuurd. Bij de kliniek Annatommie wil men het zekere voor het onzekere. Men plant een MRI-scan in. Daar komt uit dat ik een kalkfabriek met me meedraag. Dat wist ik stilletjes aan al wel. Na een meniscusoperatie, hielspooroperatie, galsteenoperatie en niersteenoperatie volgde er tot tweemaal toe ook nog eens operatie aan de schouder waar ook kalkafzetting in is geconstateerd.

Bij de laatste scan komt naar voren dat er tussenwervelschijven zijn geconstateerd die bijna zo groot zijn als een wervelschijf zelf met allerlei uitstekels en oneffenheden. Mogelijk de oorzaak dat er druk wordt uitgeoefend op de zenuwbanen die naar mijn voet leiden.

Het advies is om er een corticosteroïdenspuit in te zetten en zo vast te stellen wat en waar het probleem zich voordoet.

Ik maak een afspraak in het Bronovoziekenhuis met een neurochirurg. Dan lekker op het gemakje op de fiets naar het ‘Koninklijk Ziekenhuis’. Ik moet er een patiëntenkaartje laten maken. Het is daarna even zoeken, want de arts zit in een soort bijgebouwtje in een kelder. Na enig wachten ben ik aan de beurt. Eenmaal binnen toont de neuroloog mij op een kaart hoe de zenuwbanen lopen en stelt voor om een injectie te plaatsen bij de tussenwervelschijf L4/L5. Zo wordt het afgesproken en daar ga ik voor.

Vijf weken later kan ik terecht in het Westeinde ziekenhuis. Opnieuw een patiëntenkaart aan laten maken. Inmiddels heb ik er al een hele verzameling van, ik kan zelfs al kwartetten, elk ziekenhuis heeft zijn eigen systeem. Echter de computer ligt er uit en een kaartje maken is niet mogelijk. Ik krijg een tijdelijk kaartje met streepjescode waar met de hand mijn naam op wordt gezet. Op het kaartje staat dat ik bij een volgend bezoek een nieuw kaartje moet laten maken. Omdat ik zelf niet terug mag rijden na de prikactie is er een vriendin met me meegegaan.

Daar zitten we al zo’n half uur. Mijn afspraaktijd is inmiddels al met 20 minuten overschreden. Ik zie een arts voorbij lopen en even later mag ik zelf naar binnen. Liggend op mijn buik krijg ik een verdovende prik. Ik hoor de arts steunen en kreunen. “Het lukt niet”, zegt hij, om even later toch te zeggen, “hebbes”. Nog even moet ik blijven liggen, dan ondersteund men mij naar een stoel. De benen bengelen onder mijn lichaam, ik heb er even geen gevoel in. Ik moet meteen gaan zitten en wachten tot de verdoving is uitgewerkt. Er is een kopje koffie en een alleraardigste verpleegkundige. Af en toe komt ze vragen hoe het gaat. “Zijn dat mijn benen”, vraag ik naar de bekende weg. “Ja meneer”, zegt de zuster. “Ik haal uw vervoerder even”, zegt ze. Als mijn chauffeuse is gearriveerd krijgt ze ook koffie. “Hoelang moet ik hier zitten”, vraag ik de zuster. “Ga maar uit van twee uur”, zegt ze. Dat gaat het ook worden. In een rolstoel word ik het ziekenhuis uitgereden. We doorkruisen het Haagse met nog steeds weinig gevoel in mijn benen.

Thuis aangekomen loop ik als een aangeschoten hert naar de voordeur. Is dit het nu? Ik laat me zakken op de bank. Probeer zelf nog een bakkie te scoren, maar dat valt niet mee. Later op de dag is de verdoving uitgewerkt en heb ik een vreemd gevoel in het ‘gezonde’ been. Het zal toch niet zo zijn dat de beste man in mijn verkeerde been de troep heeft gespoten? Een paar dagen later nog steeds dat vreemde branderige gevoel in mijn linkerbeen. Ik moet zes weken wachten en dan neemt de neurochirurg contact met mij op.

Inmiddels heb ik contact met een vriendin van mijn lief. Haar man is fysiotherapeut. “En een goede”, laat ze me weten. “Hij kan je vast helpen.” Als dat zou kunnen.

Ik neem contact op. Hij gaat over tot behandeling en verdraaid, ik zak niet meer door het been heen. Eerst eens in de week, dan eens in de twee weken behandeling.

De neurochirurg belt me na zes weken op. “Hoe gaat ‘t”, vraagt hij. Ik vertel hem mijn bevindingen en geef hem aan dat ik denk dat er in het verkeerde been is geprikt. “Dat bestaat niet”, zegt de beste man. “Meneer ik weet het zeker”, geef ik aan. Ik heb geen vooruitgang geboekt en het vreemde gevoel op links is er nog steeds. “Meneer Van Meurs, ik laat de anesthesist naar u terugbellen. Vertel hem uw verhaal.” Het is inmiddels twee jaar later maar gebeld heeft hij niet. Ik wel, ik heb hem geprobeerd te bellen en heb gevraagd naar het dossier. Dat is er niet. De arts heb ik niet te pakken gekregen. Komt dat door die computerstoring soms?

We zijn inmiddels dus ruim twee jaar verder. Ik zak niet meer door het been heen, maar slapen doet het wel. Ik heb nog steeds mijn fysiotherapie, sport ook gewoon, maar als ik ga zitten, brandt mijn voet of slaapt het.

Ik laat het niet op z’n beloop en neem opnieuw contact op met mijn huisarts. Opnieuw een verwijzing voor neurochirurgie, nu in het Reinier de Graafziekenhuis.

Ik maak een afspraak en keurig op tijd roept een jonge arts in opleiding mij binnen. Hij gaat stevig aan de slag waarbij ik soms denk: ‘hallo het gaat over mijn voet, niet over mijn ogen of mijn handen. Hij zal er een doel mee hebben. Na wat oefeningen, uitvragingen mag ik door naar de neuroloog. Het is jammer die is gaan eten. 40 minuten later mag ik naar binnen.

Opnieuw ontkleden en gaan liggen. Er komt een puntig voorwerp tevoorschijn waar ze me mee bekrast. Ze maakt geen wonden, maar wil weten wat het verschil is tussen links en rechts. Ik vertel haar intussen mijn story over eerdere onderzoeken en wat er fout is gegaan naar mijn mening. Ze slaat er nauwelijks acht op en laat me in de ruimte kletsen. Ik geef wel aan dat ik geen vertrouwen meer heb in het medische handelen. Daar reageert ze op, maar echt veel wijzer word ik niet. Ze wil alles uitsluiten en stelt me een EMG voor, een electro-myografie. Een maand later kan ik er terecht.

Vanuit verschillende hoeken bemerk ik dat het een pijnlijk onderzoek kan zijn. Ik ben echter niet kleinzerig, hoor het aan en ga het zien.

Op de bewuste dag bestel ik de MUS. Nu eens naast inplaats van achter het stuur. Exact op tijd komt de chauffeuse voorrijden. “Wil jij rijden”, vraagt ze. “Nee hoor, ik ga naast je zitten.”

Bij het ziekenhuis aangekomen wandel ik via de roltrap naar boven. Aangekomen op de afdeling pak ik mijn aanwezigheidsbonnetje. Dan door naar wachtkamer 2. Onder het informatiebord schuift een tekst: Zenuw- en spieronderzoek uitloop 40 minuten. Nog geen vijf minuten later rolt de tekst Zenuw- en spieronderzoek 55 minuten over het scherm. Dat wordt een lange zit stel ik me zo voor. (Mooi de tijd om een blog te schrijven. Echter exact op het uitgenodigd tijdstip mag ik binnen. Ik maak een opmerking over de tekst op het scherm. De verpleegkundige moet er om lachen, ze kunnen er helaas niet aan doen.

“Wilt u uw schoenen en sokken uitdoen”, zegt de zuster. “U mag met uw voeten in het warm waterbad.” Er staat een heerlijk warm bad voor me klaar. Naast de stoel ook nog twee baden om je armen en handen in te steken. Dat is voor mij niet van toepassing. Wanneer ik word binnengeroepen, komt er een nieuwe zuster met een handdoek. “Heeft uw broek nog niet uit”, zegt ze. Ik had het kennelijk niet goed gehoord. Ik rits mijn broek uit, nadat ik mijn voeten heb afgedroogd. “Gaat u mee met mij”, zegt ze, “U mag op uw buik”, zegt de verpleegkundige achter het beeldscherm. “We plakken wat stickers en geven wat stroomstoten.” Heel even denk ik aan varkens of criminelen, die geven zo’n stoot ook weleens.

Elke keer als er een stoot wordt gegeven, krijg ik een seintje. “Hoger”, zegt de vrouw achter het registratieapparaat. Ik voel ‘m nu echt door mijn voet gaan. De eerste waren speldenprikjes. “We gaan er nu een in uw knieholte geven”, zegt de vrouw die het stroomstootwapen in haar hand heeft. “Die is gemeen.” Mijn voet klapt naar boven als de stoot krijg. “U moet men niet schoppen”, zegt mevrouw. Ja, lekker dan, kan Ik er wat aan doen. Het is net als met dat hamertje op je knie. Dat heb je ook niet in de hand. Dan schop je ook. “We doen het andere been ook even”, zegt de registratieassistente. Opnieuw zo’n tik, maar pijn, nee. Elke keer komt de centimeter tevoorschijn. Waarom? Vergeten te vragen. “U mag komen zitten”, zegt de vrouw met het wapen. De bank waar ik op lig, wordt naar boven geklapt. Opnieuw wat stroomstootjes en opnieuw die centimeter.

“We gaan even de neurochirurg erbij halen”, zegt de assistente achter de computer. De neurochirurg die ik eerder zag, komt binnenlopen. “Goedemiddag”, zegt mevrouw. Ze kijkt op het beeldscherm. “We doen er nog een paar”, zegt ze. Opnieuw wat stootjes. “Ietsjes hoger”, zegt de chirurg. De stoot wordt wat zwaarder. Maar nog steeds niet echt pijnlijk. “We gaan u een paar prikjes geven”, zegt ze. Uit een laadje komt een ragfijne injectienaald tevoorschijn. Er zit een draad aan die leidt naar de computer. Heel langzaam steekt de chirurg de naald in mijn scheenbeen. Er wordt een frequentie op gezet. Ik voel de speldenprik in mijn been en hoor het rommelen op de computer. De naald gaat verder en nog een stukje. “Houdt uw been ontspannen”, zegt de arts en duwt nog iets verder. Even later moet ik de voet aanspannen, waar de arts mijn voet tegen houdt. Dat doet ze later ook nog eens in de kuit. “Ik ga uw rug aanprikken”, zegt mevrouw. “L4/L5”, zegt ze. Hé, dat is dezelfde tussenwervelschijf waar ik eerder een prik in heb gehad. Toen ging het niet. Nu schuift ze de naald zo tussen de wervels door. Dit begrijp ik niet. Mijn been is bij het onderzoek op verschillende manieren afgetekend. Ook de chirurg meet de tussenliggende lengtes op.

“U mag u zelf aankleden”, zegt de neurochirurg. “Ik ga alle getallen analyseren en achter elkaar leggen.” We hebben een nadere afspraak waar ik u ga vertellen wat mijn waarneming is. Ik zie u later terug. Dat is op 6 juni, weer een maand verder.

Wanneer ik beneden ben, bel ik de MUS, een kwartiertje later komt mijn chauffeuse voorrijden. “En meegevallen?” Vraagt ze. We rijden rustig naar Schipluiden terug. Die avond voel ik mijn voet meer dan de dag ervoor. Het resultaat van het onderzoek? Geen idee. We gaan het merken.

315. Wat een geweldige verbinding de A4 met de Reinier de Graafweg, of……..?

De verbindingsweg tussen de A4 en de Zuidhoornseweg is klaar. De brug Overgaag is klaar. De aansluiting op de Zuidhoornseweg is klaar en nu?

Het verkeer moet meer en meer geweerd worden uit de kern Den Hoorn. De doorgaande weg tussen de A4 en de aansluiting op de Hoornseweg moet rustiger worden en dus hebben hoge heren en/of dames besloten om een aansluiting te maken op de Reinier de Graafweg.

De brug heeft men intussen aangepakt, er is een gescheiden fietspad gekomen met een meer dan fantastische afrit. Wat een stompzinnige ding hebben ze ervan gemaakt. Natuurlijk het kan niet anders. Er is geen plek voor, maar dat wist men toch? Nu komen fietsers en brommers met een vaartje van de brug afrijden om de Zuidhoornseweg op te schieten. Dat gaat snel, dat heb ik ervaren toen ik met de fiets komend uit de richting Delft naar Schipluiden wilde rijden. De haaientanden staan er niet voor niks, maar door de vaart die je naar beneden maakt is het even lastig om tot stilstand te komen. Dan de fietsers en bromfietsers die richting Schipluiden moeten. De bocht die men moet maken is nauwelijks te maken, zonder op de verkeerde weghelft terecht te komen. Om naar nog maar te zwijgen van de bromfiets die van uit tegenovergestelde richting vanachter een houten schot, dat om het aanliggende huis is geplaatst, ineens tevoorschijn komt. Hier komen gegarandeerd ongelukken van.

Van de week moest ik met de MUS rijden en iemand naar het ziekenhuis brengen. Het brengen gaat redelijk al is de oversteek maken vanachter de Reinier de Graafschool (Delftse kant), de Reinier de Graafweg op ook nog een dingetje. Auto’s komen razendsnel naar beneden. Ondanks de haaientanden stopt men niet of nauwelijks. Je rijdt daar op een drielandenpunt en komt er bijna ogen tekort. Ik houd mijn hart vast als straks de weg definitief open wordt gesteld en leerlingen van die school willen die oversteek maken.

De terugweg was nog erger. Komend vanaf de ophaalplek van het ziekenhuis en dan rechtsaf de Reinier de Graafweg op, dat is niet te doen. Auto’s rijden met een behoorlijke gang voorbij. Kan je rechts oversteken dan kan het vanaf links niet en omgekeerd. Ik betwijfel of er goed is nagedacht over de infrastructuur ter plekke. Ik zou met verkeerslichten gaan werken om geen ongelukken te krijgen. Nou weet ik, het ziekenhuis staat vlakbij, maar toch.

Het is te hopen dat men verkeersheuvels of rotondes gaat aanleggen op de Reinier om zo de snelheid af te remmen. Gaat dit straks ook ten koste van de fietser die ogen in zijn achterhoofd moet hebben om niet aangereden te worden.

Ik ben reuze benieuwd naar de definitieve invulling van het hele plan, tot nu toe ben ik minder positief.

262. Als het ambulancepersoneel staakt…….

Het ambulancepersoneel staakt. Ik las het vanmorgen in de krant en dacht terug aan een aantal jaren geleden toen we een ambulance wilde hebben maar er geen kwam voorrijden omdat ook toen de CAO niet rond wilde komen.

Onze banden zijn opgepompt, de zonnebril is uit de koker, onze vrienden staan te wachten. We willen de fietstocht, georganiseerd door de stichting Zomerfeesten Schipluiden, gaan rijden. Het is prachtig weer als onze voeten de pedalen rondtrappen. Eerst nog even naar het feestterrein om de route op te halen en dan op weg. Het is druk bij het inschrijfpunt. Meer Schipluidenaren genieten van het mooie weer en verwachten een heerlijke rit door het Midden-Delflandse.

Dan gaan we op weg. Richting de Albert Heijn, achterdoor naar de voetbalbalvelden. Tussen de voetbal en het golfterrein door richting A4. Bij het afrijden van het talud gaat het mis. Iemand zegt wat tegen mijn vrouw, waarop ze omkijkt, met haar voorwiel van de weg afschiet en valt. “Wat doe je nou?” is mijn eerste reactie. Ik loop naar haar toe en zie hoe ze haar pols vasthoudt. Ik zie ook dat haar hand met een vreemde stand vastzit aan haar pols. Dit is niet goed.

“Een ambulance bellen?”, vraagt een fietser die ons achterop reed. Ik had gelezen dat zij deze zaterdag zouden staken. Wat nu? Onze vriend stelt voor zijn auto te gaan halen. Daar zitten we langs de kant van de weg. Je hebt een EHBO-diploma maar kan eigenlijk niets anders dan praten en aangeven dat ze de pols moet ondersteunen.

Na enige tijd komt onze vriend het talud oprijden. Mijn vrouw stapt bij hem in. Hij brengt haar naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, het Reinier de Graaf. Ik ga op de fiets. Bijna tegelijkertijd komen we aan bij de schuifdeur van de afdeling spoedeisend. We nemen plaats in de wachtruimte en nemen de tijd voor wat komen gaat. Mijn echtgenote krijgt meer pijn.

Dan worden we opgehaald door een zuster. Even later komt er een arts bij. Er zullen foto’s moeten worden genomen, want het ziet er niet goed uit. Zittend op een bed wordt ze meegenomen naar de röntgen. Na verloop van tijd komt ze terug. Het is gecompliceerd gebroken. De pols ligt in 40 stukjes uit elkaar. Dan moeten we terug naar de wachtruimte om even later weer te worden opgeroepen. “Sorry mevrouw we hebben geen bed voor u. Komt u woensdag maar terug.” Ik kan dit niet aanhoren en zonder het te voelen komt de stoom uit mijn oren. “Wat? @&$^^G%#?£¥$*^”. Ik heb het niet meer en zeg haar mee te nemen naar een ander ziekenhuis. Nog ben ik niet uitgeraasd. Weldra is er ineens wel een bed beschikbaar op de maag-, lever-, darmafdeling. Wat maakt dat nou uit waar je ligt. Iemand wegsturen met de boodschap dat ze maar paracetamol moet slikken tegen de pijn met een gecompliceerde polsbreuk. Het getuigt van amateurisme.

Nog diezelfde avond wordt mijn lief geopereerd. “Wat doet u voor werk”, wil de operatiearts weten. Mijn vrouw geeft aan tandartsassistente te zijn. “Dat kunt u wel op uw buik schrijven”, zegt de arts. De organisatie van het zomerfeest is attenter en meelevender. Er wordt een prachtige bos bloemen bezorgd.

Wanneer ik de volgende ochtend naar het ziekenhuis ga, zit mijn vrouw in bed. Ze heeft een hele stellage ingeboord gekregen rondom de pols. Deze stabilisatie moet alles op de plek houden. Het is niet volledig gelukt om alle gebroken botjes weer te lijmen en op hun plaats te krijgen. Ze mag weer mee naar huis om thuis verder te revalideren.

Dat het zo lang revalideren zou worden, was niet in te schatten. Na 90 fysiotherapeutische behandelingen is er geen meerwaarde meer te behalen. Gelukkig geen 9, 14 of 32 behandelingen zoals nu het maximum is.

Intussen is de buurt ingesprongen. Naaste buur komt de badkamer soppen in ruil voor een kopje koffie. Overbuurvrouw doet de strijk. Een buurvrouw uit de straat, verpleegkundige en net met zwangerschapsverlof, komt elke ochtend de wonden verzorgen. Pennen van de stellage en het vlees rondom de pols mogen niet aan elkaar groeien. Weer een andere buurvrouw neemt de ramen voor haar rekening. Er is hulp, niet van Careyn, waar je jarenlang lid van bent, maar juist die broodnodige buren.

Na verloop van tijd gaat mijn lief weer werken. Eerst op therapeutische basis, later weer volledig. De eerste tijd wordt ze opgehaald door de vrouw van haar werkgever. Later gaat ze zelf weer op het fietsie. Met de tandarts, haar werkgever, maakt ze afspraken wat ze nog wel kan en niet wat ze niet meer kan. Het is bespreekbaar.

Nog altijd heeft ze een beperking, zij het een lichte. Als je het niet weet zie je het niet. Er valt goed mee te leven.

Zo kwam er weer een verhaal tot stand omdat het ambulancepersoneel hun CAO niet rond konden krijgen.