408. Een dagje MUSsen

Het is het dagje MUSSEN wel. Ik moet al vroeg op om mijn eerste klant richting ziekenhuis te brengen. Ze staat al met haar jas aan in de deuropening als ik aan kom rijden. “Mooi op tijd”, zeg ze en probeert in te stappen. Dat gaat moeizaam. “Volgende keer de trede uitschuiven”, zeg ze. Dat heb ik geprobeerd, maar deze zat met zoveel bagger vast aan de car, dat ie niet wilde schuiven. Ik maak hem straks baggervrij.

We gaan op weg, richting Den Hoorn. Scholieren onderweg rijden regelmatig telefonerend voor me uit of tegemoet. Het rijk zou er goed geld mee kunnen verdienen en echt kunnen inspecteren. Soms gaan ze niet opzij. Mijn claxon doet het niet, dat is jammer. Ik probeer het met mijn stem. Meestal maken ze ruimte.

Bij de voetbal in Den Hoorn moet ik onder het tunneltje door. Er is op sommige plekken een nieuwe bituumlaag aangebracht. De paaltjes zijn daardoor weggehaald. Een klein stukje omrijden en dan de Reinier de Graafweg op naar het gelijknamige ziekenhuis.

Als ik aan kom rijden, komt de suppoost met een rolstoel aan. Dat is dit keer kennelijk niet nodig. Mevrouw kan zelf lopen. Ik spreek met haar af dat ze me belt of laat bellen als ze klaar is.

Terug naar Schipluiden. Een vrouw ophalen die naar een verjaardag wil. Het is 10:00 uur. Wanneer ik aankom is ze nog niet klaar. De zuster van het verzorgingsteam is met haar steunkousen bezig. “Ben bijna klaar hoor”, zegt de jong verzorgende. Ze houdt de deur voor me open als ze weggaat en laat de lift vast komen. Ik neem mevrouw mee naar mijn voertuig, terwijl de zuster op haar scooter haar weg vervolgd. “Nog vijf uit bed halen”, zegt ze, als ze ons voorbij rijdt. Ik verbaas me. Even over tienen en dan nog vijf helpen opstarten? Dat kan toch niet.

Ik rijd met mevrouw nog even terug naar de standplaats. Ik ben mijn invalide parkeerkaart vergeten. Ik zal deze niet nodig hebben, maar toch. We gaan op weg. Een toeristische route voor mijn passagier, voor mij is het standaard.

Bij de stop in Den Hoorn kan ik even mee naar binnen. De jarige is een bekende van mij. 89 jaar is ze geworden. Na een kopje koffie opnieuw terug naar Schipluiden.

Mijn volgende klant is een al wat oudere vrouw. Ik heb haar regelmatig in de MUS. Ze wil naar de apotheek in Den Hoorn. “Wil je wachten”, vraagt ze me. Ik heb tijd en blijf voor de apotheek staan. Met 10 minuten is ze terug. Ik breng haar weer terug naar huis. Onderweg krijg ik te horen dat ze vandaag wederom geen hulp heeft ontvangen van haar huishoudelijke hulp. Het is al de derde keer deze maand. “En weet je wat zo erg is”, zegt ze, “ze laten van te voren ook niets weten. Ik heb ‘recht’ op twee uur hulp. Vorige week kreeg ik een jongetje van een jaar of 16. Heeft nog nooit een stofdoek in z’n handen gehad. Na een uur ging ie al weer weg. Hij zegt tussen neus en lippen nog even: “oh ja mevrouw, vanaf volgende week krijgt u een half uurtje minder hulp. Ik heb er over gebeld. Ze hebben niemand.” Ik hoor meer van soortgelijke verhalen. Ik besluit om het eens mee te nemen naar het Burgerplatform waar ik lid van ben. Ook de wethouder moet dit weten. Ik wens mevrouw sterkte toe en zet haar thuis af.

De telefoon gaat. ”Receptie Reinier de Graaf, met Mies”, zegt de vrouw aan de andere kant van de lijn. “U kunt mevrouw X weer ophalen hoor, ze zit in de hal.” Ik geef aan dat ik er met vijf minuten ben en ga naar het Reinier op pad. Mevrouw heeft geen fijne boodschap gehad, van de oncoloog. Ze verhaalt er uitgebreid over. Dat doet me wat. Ik kan met moeite mijn emotie binnenhouden. Ik zet haar thuis af, waarop ze vraagt of ik tijd heb voor een kopje koffie. Dat heb ik, een kwartiertje. Ik ga even mee naar binnen drink mijn koffie op, aanhoor haar verhaal en wens haar sterkte als ik wegga. “Fijn dat je even tijd had”, zegt ze als ik de gang uitloop.

Op naar mijn volgende klant. Ik ben er iets te vroeg en wil iemand niet opjagen. Ik wacht even in mijn MUS. Al snel gaat de deur open en komt mevrouw naar me toe lopen. “Ik zag je komen, mooi op tijd”. Ik help haar even met instappen en rijd naar de Basalt. Mevrouw gaat terug met haar aangepaste schoenen. “Voor de zoveelste keer”, zegt ze. “Ik ben boos, heel erg boos”, geeft ze te kennen. “Ik ga er nu voor de vijfde keer voor terug”. “Ik zal de schoenmaker eens even goed van repliek dienen.” Ik ken haar niet zo als strijdig persoon, maar nu is ‘t menens, merk ik. Onderweg praten we over eenzaamheid, maar ook over het feit dat ze de dinsdagse maaltijd in de Dorpshoeve heeft ontdekt. Zo vertelt er met plezier over. Ik zet haar af bij de Basalt. “Denk om uw hart, hé”, geef ik haar mee. Ik spreek met haar af dat ze me zal bellen als ze klaar is.

Het is maar een kort stukje van de Basalt naar een klant in Den Hoorn. Mevrouw gaat naar de pedicure. Ik kan goed met haar praten. Ze geeft aan dat ze eenzaam is. Gescheiden van haar man en haar kinderen. Ze zijn ver van haar weg gaan wonen. Mevrouw is echt eenzaam en vertelt dat er nooit iemand bij haar komt. Ze heeft geprobeerd om zich aan te sluiten bij de Zonnebloem, maar eenzaamheid is geen criterium geeft men aan. Ze hoeft geen bezoek, maar wil af en toe met een activiteit mee doen. Ook dat is niet gelukt. Dan breekt mevrouw en zit huilend naast me. Een lastig moment. Ik probeer haar enige troost te geven. Ze vindt me aardig, zegt ze. “Ik plan altijd op dinsdag, omdat ik graag met u meerijdt.” Ik zet haar af bij de pedicure.

Het is inmiddels half twee. Ik schiet nu snel naar huis heb even tijd voor een broodje. Ik heb mijn boterham net gesmeerd als mijn privé-telefoon afgaat. Het is de coördinator. Mevrouw bij de Basalt is klaar. De boterhammen gaan in een zakje mee, voor onderweg.

Aangekomen bij Basalt, komt mevrouw met een lach naar buiten. “En”, zeg ik, “heeft u de schoenmaker zijn vet gegeven.” “Nee”, zegt mevrouw, “het was een Limburger en die hebben zo’n leuk taaltje, daar kan ik niet boos op worden. Over 14 dagen kan ik mijn schoenen weer ophalen.” Ik breng haar terug naar Schipluiden.

Onderweg merk ik dat mijn karretje moeite krijgt om te rijden. De kleurtjes op de display zijn al behoorlijk terug gelopen. Ik besluit om deze MUS om te ruilen voor een die aan de oplader staat.

Mijn volgende rit. Mevrouw moet worden opgehaald van de verjaardag. Ze heeft om half drie afgesproken. Ik rijd terug naar Den Hoorn. Onderweg een belletje. Mevrouw van de pedicure is klaar. Het wordt een combinatieritje. Als ik beiden heb teruggebracht heb ik even tijd voor een kopje koffie. Dat doe ik in Akkerleven.

Nog een ritje. Vanuit de basis weer naar Den Hoorn. Een nog jonge vrouw moet naar de Basalt. Een intakegesprek. Mevrouw vertelt dat haar iets heel ernstig is overkomen, waardoor ze zich moet melden bij het revalidatiecentrum. “Ik wist niet van jullie bestaan af”, zegt ze, “maar door een vriendin werd ik er opmerkzaam op gemaakt. “We bestaan al ruim anderhalf jaar”, geef ik haar te kennen”. “Blijf je wachten”, vraagt ze. Ik heb er geen ritten meer achteraan, dat zou dus kunnen. Het wagentje gaat langs de kant, ik probeer binnen een kopje koffie te scoren en neem wat leesvoer door. De receptioniste vraagt voor wie ik kom. Als ik haar uitleg dat ik van de MUS ben, ik heb bedrijfskleding aan, wil mevrouw zien wat dat is. “Dat zouden ze in Delft ook moeten hebben”, zeg ze, “de regiotaxi is zo onbetrouwbaar.

Na 20 minuten is mevrouw klaar. Ze komt naar me toe. “Dit is toch ideaal”, zegt ze, wijzend op mij. De receptioniste beaamt het.

We rijden terug, maar ik merk al dat mijn wagentje van lieverlee aan z’n eind is. Ik haal het nog tot de Bolle Kickert, de brug over de Gaag. Dan is het over. “En nu”, zegt mevrouw, ik ga het slepend proberen, maar het is nog wel een eindje. Ik hoop dat ik het haal. Mevrouw krijg ik thuis, maar daar is alles mee gezegd. Bij een bevriend iemand mag ik de stekker even in het stopcontact stoppen. Twintig minuten, dan ga ik proberen om thuis te komen. De display geeft ‘vol’ aan, maar is dat zeker niet. Langzaam rijd ik terug naar Akkerleven de basisplaats in Schipluiden. Ook nu moet ik het slepend doen, dat geeft geen goed gevoel. Angstig zelfs, je weet niet waar het definitief ophoudt. Meer chauffeurs klagen er over. Het zal toch niet zo zijn dat we aan ons eigen succes ten onder gaan.

Het vervoersproject voldoet aan een behoefte, meer dan dat, zelfs. Sociaal, mooie gesprekken, angstig soms, maar bovenal met veel plezier rijden de vrijwillig chauffeurs hun dagelijkse ritten. I.v.m. de beperkte actieradius gaan we toch terug naar een minder aantal ritten. Een iets grotere investering vanuit de opdrachtgevers zou helpen. Maar dat is aan de politiek.

Volgende week sta ik er weer, met evenveel plezier. Want je laat de mensen niet in de kou staan. Maar kom ik aan het eind van de dag met mijn MUS thuis? Dat blijft elke week weer een dingetje.