330. Zomerfeest Schipluiden 2018

Al ruim van tevoren krijg ik een aankondiging dat men mensen zoekt voor de EHBO bij de Zomerfeesten in Schipluiden. Ik laat het even op zijn beloop, wacht tot het schema bijna vol is om dan te reageren. Na enige tijd komt het ingevulde schema. Er zijn nog losse plekken en zo schrijf ik in voor een EHBO-dienst op donderdag- en zaterdagavond.

Rond de klok van acht uur wandel ik met mijn geelblauwe hesje richting Zomerfeestterrein. Bij aankomst is het nog rustig. Wat medewerkers, een enkele gast en bij de band wordt het geluid ingeregeld. Het terrein ziet er weer fantastisch uit. Dit ben ik zo gewend bij het Zomerfeest. Veel creatieve breinen en handige medewerkers toveren elke dag opnieuw een fantastisch decor in het thema dat die avond geldt. Kosten nog moeite wordt gespaard om het geheel een mooi aanzien te geven. Al vraag ik me soms af of het publiek die creativiteit ook daadwerkelijk beleeft en waardeert.

Na een kopje koffie even een praatje aan een statafel. De dj draait inmiddels zijn muziek waardoor praten al bijna niet kan. In een rustmomentje kan ik mijn vraag nogmaals stellen. Medewerkers die rondlopen hebben oordopjes in. Soms het model van de A.C. Tion anderen hebben ze laten gieten. Een verstandige besluit.

Om even over halfnegen wandel ik naar mijn EHBO-plek voor die avond. Ik neem met een vrouwelijke collega plaats naast het verkooppunt van de munten. Er staan twee krukken waar we die avond ons domicilie hebben. Een kruk van het formaat ‘je zit boven de bar’, de ander voor een lilliputter, waardoor je met de neus net aan boven de bar uitkomt, zelfs ik. Ik besluit die avond te blijven staan en de kruk als steuntje voor mijn knie te gebruiken.

We halen de AED en EHBO-tas uit de kast in de school. En nemen onze plaatsen in. De vrouw van de muntenverkoop verzorgt ons met opnieuw een kopje koffie. Dan is het wachten op de gasten. Er is nog te communiceren en zo vertellen we elkaar wat wetenswaardigheden over het dorp.

Langzaamaan komen de eerste gasten binnendruppelen. Zeemannen, mariniers, zeerovers, schatgravers, kapitein Eenoog. Met pruiken en versieringen tot zelfs een aantal kwallen lopen er rond, net als een tweetal dolfijnen. Veel gasten hebben er weer een heel verkleed gedoe van gemaakt. Leuk om te zien, maar dit zou ik niet doen, al ben ik wel van het verkleden.

We krijgen nog wat instructies over het aanbrengen van polsbandjes. Jonge mensen tussen 18 en 25 krijgen een bandje om. 18 + staat erop het bandje als teken dat men alcohol mag drinken.

Dan de eerste langskomer. Bij het spoelen, de avond ervoor, heeft hij een blaar op gelopen op een van zijn vingers. Deze is opengegaan. Vanavond staat hij weer de hele avond achter de tap. Ik adviseer hem een plastic handschoentje aan te doen. Hij gaat er mee weg. Al bedenk ik me al snel dat het misschien toch niet zo handig is. Ik loop hem achterna en breng bij hem een pleister aan met een breder leukoplastje. Nu is het wondje goed ingepakt en kan hij aan de slag. Van alle handelingen moet een melding worden gemaakt. Dat gaat dan ook op het papier, als de secretaris van de EHBO-vereniging zegt dit te doen. Nu is het opnieuw wachten op wat komen gaat.

Vlak naast ons staan drie mensen van de WOS, de Westlandse Omroep Stichting. Een cameraman, een interviewer en vrouwelijke assistente. De camera staat op de grond. Ik had op de website van de zender al gelezen dat ze deze avond aanwezig zouden zijn en opname zouden maken. Dat weet ook een aantal Schipluidenaren. Sommige proberen ook daadwerkelijk in beeld te komen, anderen moeten er niets van weten en duiken weg. Er wordt een spel gespeeld tussen drie jongens en drie meisjes en er worden opname gemaakt van het zo beruchte ‘ik doe de groeten aan’. De hele avond zie ik de cameraman zeulen met de camera op zijn nek.

Het blijft rustig op het feestterrein, d.w.z. wij hebben niet zoveel te doen. Ik kijk intussen mijn ogen uit, ben de jeugd wat ontgroeid en ken heel veel jongelui niet, of niet meer. Jonge meiden en jongens die bij onze buren munten kopen. De pinpas komt tevoorschijn en men krijgt munten. Een jongeman van, naar schatting 18 tot 20 jaar koopt maar direct voor €150,00 munten. Het contante is er wel redelijk vanaf. Veel pinpassers. Het psychologische van geen geld meer in de portemonnee te hebben is weg, pinnen zie je pas de volgende dag.

Het is tijd voor een natje. Bij de naastgelegen bar kunnen we de hele avond ons drankje halen. Daar wordt niet moeilijk over gedaan. Ook de beveiliger die aan de andere kant van ons staat doet mee. Hij bewaakt een deur waar medewerkers te pas en te onpas doorheen willen. Een blik op een bandje om de pols is voldoende om doorgang te verlenen.

Het is negen uur als een stel naar onze post komt wandelen. “Ik heb zo’n hoofdpijn”, zegt het vrouwelijk gedeelte. “Heeft u een paracetamol voor mij.” Dat hebben we als EHBO-ers niet in de tas zitten. Ik adviseer haar naar huis te gaan en daar een pilletje te nemen. Daar wil ze niets van weten. Ze wil genieten en dan komt de oplossing. Ze krijgt een extra kaart om thuis een paracetamol te halen en terug te keren. Ze gaat met een glimlach weg. “Goed geregeld”, zegt ze.

Het volume van de band en de dj’s neemt toe. De straat dreunt, de straatstenen komen dit jaar weer vaster in verband te liggen. Praten is nauwelijks mogelijk. Waarom moet het zo hard dat je lichaam zelfs schokt op de maat van de muziek. Je hart neemt het ritme aan van de bas.

In de hoek van het binnenterrein staat een Rolling Stones-coverband. Het blaast, maakt muziek maar Rolling Stones, nee, zeker niet en komt er niet eens in de buurt. Het publiek vermaakt zich, dus prima.

In de andere hoek van het feestterrein is het de Delftse Helden die er hun kunsten vertonen. Een dj collectief uit Delft, bestaande uit DJ’s: AjeN, DiVino, Marvinski, Layon Nais en MC: Di MC, die gezamenlijk het gezelschap vormen, waar men regelmatig mee op stap gaat. Het toeval wil dat ik deze mannen ken, door mijn jongste, die ook dj is. Het publiek gaat ervoor, de handen gaan de lucht in. Groot vermaak. Wanneer zij even vrij zijn zie ik ze langslopen. Even een gil en dan gaan ze verder.

De drank gaat meer en meer vloeien en dat zie je aan de mensen. Men probeert zelfs over de dreunen heen te schreeuwen en als dan op een gegeven een regenbui losbarst komt het geluid nog dichter bij en staat men nog meer tegen onze plek aan. De kratjes bier komen op onze werkplek te staan en dat vind ik niet goed. Even een lelijk gezicht, als ik er iets van zeg, maar even later lacht men weer. De vrolijkheid komt hoe langer hoe meer in de mens.

Dan opnieuw een pleistermomentje. Een vrouwelijke medewerkster heeft vanmiddag de blik worstjes geopend en daarbij haar vinger opengehaald. Een pleister erop en men is tevreden.

Met de regendruppels die inmiddels vallen komt de vraag bij ons of we poncho’s hebben. Een vraag aan iemand van de organisatie en de poncho’s worden aangereikt. We krijgen er een taak bij, poncho’s uitreiken. Als zoete broodjes trekt men de kleine pakjes van de tafel. “Heb je ook gele poncho’s”, vraagt een jong meisje, “ik vind die witte niet leuk.” Ja, je kunt het proberen. Sommige bedanken, anderen trekken het pakketje van de tafel en lopen zonder een ‘dankjewel’ weg. Al vrij snel zijn we door de plasticjes heen. Wanneer ik er nog één in handen heb probeer ik deze quasi per opbod te verkopen, om het pakketje alsnog zo weg te geven. De vraag om deze plastic jasje blijft de avond. Waar we helaas ‘nee’ moeten verkopen.

Verschillende gasten hebben van lieverlee hun zakken vol. Kratjes bier staan op de grond te verschralen. Even overgooien en dan heeft het weer schuim. Halve plastic glazen worden bij ons op de bar gezet om niet meer te worden leeggedronken. Het gaat richting twaalf uur.

Om klokslag twaalf uur gaat de muntjesverkoop dicht. Het pinapparaat wordt weer netjes opgeborgen en doos met muntjes gaat de kluis weer in. En dan komt men toch nog om muntjes vragen. We moeten opnieuw ‘nee’ verkopen. Vol ongeloof druipt men af.

Om kwart over twaalf gaat de tap dicht. Dan neemt de activiteit ook af. Glazen worden in elkaar overgegooid om het overgebleven biertje nog te nuttigen. De band knalt zijn laatste nummers nog door de tent, maar de eerste weggaanders zijn er al.

Om half één is het schluss. Einde van de avond Zeemansgraven en Goudstaven. De bezems komen uit de kast en het publiek wordt letterlijk de tent uitgeveegd. Het is mooi geweest. Jonge medewerkers vegen, zoals ze nog nooit hebben geveegd. Het is zaak om voor de bezem uit te lopen. Even later komen er twee jongens teruglopen. Eén van hen is zijn fietssleuteltje verloren. Maar wat er voor de bezem komt is opgeschept en in de container terecht gekomen. Het zal lopen worden.

Als het terrein leeg is wandel ik met een ervaren barkeeper mee naar de catering. “Even een broodje scoren”, zegt hij. Tijdens de avond trouwens, komt men regelmatig met een broodje langs. Wanneer we bij de uitbater komen heeft hij alleen nog een broodje bal. Laat ik nou de allerlaatste uit de jus gevist krijgen. Heerlijk.

Het publiek is vertrokken en dan treedt de schoonmaakploeg aan. De jongste medewerkers soppen de toiletten. Een niet zo prettig klusje, maar ook hygiëne is belangrijk. Een aantal medewerkers is alvast begonnen aan de afterparty en laten hun medecollega’s in de steek door het eerste biertje alvast te pakken. Jaren terug begon de afterparty als iedereen klaar was en op het teken van de voorzitter. Dat heeft men kennelijk losgelaten en de vrijheid gegeven.

Ik drink mijn eerste biertje van die avond, klets nog wat na met een van Delftse Helden en dan is het voor mij ook klaar. Om half twee ga ik het mandje in. Zaterdag is er weer zo’n avond.

234. Regen, regen, regen

Hoe komt het toch dat wij op vakantie altijd regen hebben? Voor het zesde vakantiejaar op rij vallen de buien gestaag naar beneden. Zegt de weerman dat er plaatselijk een bui valt, dan valt deze altijd net plaatselijk in de plaats waar wij vertoeven. Zegt de weerman dat het in het zuiden gaat regenen, dan hebben wij die plek net besproken. Valt er hier en daar een bui, dan is het steevast ‘hier’.

Gek worden we ervan. “Dan moet je niet in Nederland boeken”, hoor ik vrienden en collega’s regelmatig zeggen. Maar waarom valt de regen juist niet in de week ervoor en/of de week erna, maar precies in de week dat wij er zijn. Machteloos moet ik ook nu weer toekijken hoe de regendruppels opspatten op de tafel. Een klein vogeltje trippelt door een grote plas. “Goed voor de natuur”, zegt mijn overbuurman op het vakantiepark. “Ja, mehoela”, dat kan toch ook in de andere weken. Hij heeft er jaarrond een chalet en woont op fietsafstand, nog geen 40km, hiervan. Zint het hem niet dan crosst hij naar huis om die droge week later terug te komen.

Het gras is groen, de bomen en struiken staan erbij als nooit te voren. De eigenaresse heeft er schik in. “Het is hier zo prachtig”, zegt ze. Ja dat zie ik ook, vanachter de ramen of onder de luifel. Aanstalten maken om naar buiten te gaan is er niet bij. Met pijpenstelen komt de regen naar beneden. “Je kunt een overdekt winkelcentrum opzoeken”, is het advies van onze tijdelijke buurvrouw. Ja, zou kunnen, maar een week winkelen wordt wel eentonig. Eens ben je uitgekeken, het geld op, of heb je alles wat je hartje begeert.

We spraken af met iemand die had gezegd: “Je moet tegelijk met mij op vakantie gaan, dan komt het goed.” Ook hij heeft dit keer geen geluk, ook hij heeft regen. Zit op 1200km bij ons vandaan en klaagt steen en been. “Komt door jullie,” schreef hij mij. Nu ‘geniet’ ik ook van wat jullie elk jaar hebben. Ligt het dan echt aan ons.

De barbecue staat te wachten in het schuurtje. Het vlees is de vriezer weer ingegaan. Het nodigt niet uit om buiten te gaan zitten en gezellig aan een stukje vlees te knabbelen of aan een biertje te tjolken. Ik denk erover om het maar in de koekenpan te doen. De TV aan, een kaarsje aan een boek erbij en binnen genieten, van wat er buiten valt. De meegebrachte Jan van Haasterenpuzzel ligt al bijna af op tafel. Terwijl ik schrijf: “Whupup”, de melding dat de volgende bui er aankomt. Buienradar maakt bij ons tijdens de vakantie altijd overuren.

Ik weiger om tijdens de vakantie de auto van de staplek bij het chalet te rijden. Fietsen is het motto. Op verschillende plekken kochten we ooit een poncho omdat we dachten dat we wel een uurtje zouden kunnen fietsen zonder regen. Het zijn van die wegwerp dingen. Een keer gebruiken en dan goed voor de plasticbak. Een regenpak meenemen is, dacht ik, de goden verzoeken. Toch geloof ik dat ik het pak maar standaard in de fietstas meeneem. Elk jaar opnieuw.

Als ik naar mijn werk fiets heb ik het pak altijd bij mij. Zelden komen de schoentjes, de broek en het jasje uit de felblauwe zak. Ben ik dan echt zo naïef om te denken dat het dit jaar wel lukt zonder regenpak.

Vandaag hebben we besloten dat we niet meer in Nederland op vakantie gaan. Nou in augustus a.s. dan nog een keer. Maar daarna wordt het een vliegtuig. Ik hoop alleen niet dat de bui aan een touwtje aan mij verbonden zit en ons ook daar ‘schoon’regend. 

Mijn auto staat er weer stralend bij de harde druppels hebben het stof en zand van het mobiel afgeregend. Straks naar huis rijd ik met een blinkende auto. Dat is het enig voordeel van regen.

Fijne vakantie mocht je nog gaan, maar doe het pas de volgende week, want vrijdag gaan we pas naar huis.