408. Een dagje MUSsen

Het is het dagje MUSSEN wel. Ik moet al vroeg op om mijn eerste klant richting ziekenhuis te brengen. Ze staat al met haar jas aan in de deuropening als ik aan kom rijden. “Mooi op tijd”, zeg ze en probeert in te stappen. Dat gaat moeizaam. “Volgende keer de trede uitschuiven”, zeg ze. Dat heb ik geprobeerd, maar deze zat met zoveel bagger vast aan de car, dat ie niet wilde schuiven. Ik maak hem straks baggervrij.

We gaan op weg, richting Den Hoorn. Scholieren onderweg rijden regelmatig telefonerend voor me uit of tegemoet. Het rijk zou er goed geld mee kunnen verdienen en echt kunnen inspecteren. Soms gaan ze niet opzij. Mijn claxon doet het niet, dat is jammer. Ik probeer het met mijn stem. Meestal maken ze ruimte.

Bij de voetbal in Den Hoorn moet ik onder het tunneltje door. Er is op sommige plekken een nieuwe bituumlaag aangebracht. De paaltjes zijn daardoor weggehaald. Een klein stukje omrijden en dan de Reinier de Graafweg op naar het gelijknamige ziekenhuis.

Als ik aan kom rijden, komt de suppoost met een rolstoel aan. Dat is dit keer kennelijk niet nodig. Mevrouw kan zelf lopen. Ik spreek met haar af dat ze me belt of laat bellen als ze klaar is.

Terug naar Schipluiden. Een vrouw ophalen die naar een verjaardag wil. Het is 10:00 uur. Wanneer ik aankom is ze nog niet klaar. De zuster van het verzorgingsteam is met haar steunkousen bezig. “Ben bijna klaar hoor”, zegt de jong verzorgende. Ze houdt de deur voor me open als ze weggaat en laat de lift vast komen. Ik neem mevrouw mee naar mijn voertuig, terwijl de zuster op haar scooter haar weg vervolgd. “Nog vijf uit bed halen”, zegt ze, als ze ons voorbij rijdt. Ik verbaas me. Even over tienen en dan nog vijf helpen opstarten? Dat kan toch niet.

Ik rijd met mevrouw nog even terug naar de standplaats. Ik ben mijn invalide parkeerkaart vergeten. Ik zal deze niet nodig hebben, maar toch. We gaan op weg. Een toeristische route voor mijn passagier, voor mij is het standaard.

Bij de stop in Den Hoorn kan ik even mee naar binnen. De jarige is een bekende van mij. 89 jaar is ze geworden. Na een kopje koffie opnieuw terug naar Schipluiden.

Mijn volgende klant is een al wat oudere vrouw. Ik heb haar regelmatig in de MUS. Ze wil naar de apotheek in Den Hoorn. “Wil je wachten”, vraagt ze me. Ik heb tijd en blijf voor de apotheek staan. Met 10 minuten is ze terug. Ik breng haar weer terug naar huis. Onderweg krijg ik te horen dat ze vandaag wederom geen hulp heeft ontvangen van haar huishoudelijke hulp. Het is al de derde keer deze maand. “En weet je wat zo erg is”, zegt ze, “ze laten van te voren ook niets weten. Ik heb ‘recht’ op twee uur hulp. Vorige week kreeg ik een jongetje van een jaar of 16. Heeft nog nooit een stofdoek in z’n handen gehad. Na een uur ging ie al weer weg. Hij zegt tussen neus en lippen nog even: “oh ja mevrouw, vanaf volgende week krijgt u een half uurtje minder hulp. Ik heb er over gebeld. Ze hebben niemand.” Ik hoor meer van soortgelijke verhalen. Ik besluit om het eens mee te nemen naar het Burgerplatform waar ik lid van ben. Ook de wethouder moet dit weten. Ik wens mevrouw sterkte toe en zet haar thuis af.

De telefoon gaat. ”Receptie Reinier de Graaf, met Mies”, zegt de vrouw aan de andere kant van de lijn. “U kunt mevrouw X weer ophalen hoor, ze zit in de hal.” Ik geef aan dat ik er met vijf minuten ben en ga naar het Reinier op pad. Mevrouw heeft geen fijne boodschap gehad, van de oncoloog. Ze verhaalt er uitgebreid over. Dat doet me wat. Ik kan met moeite mijn emotie binnenhouden. Ik zet haar thuis af, waarop ze vraagt of ik tijd heb voor een kopje koffie. Dat heb ik, een kwartiertje. Ik ga even mee naar binnen drink mijn koffie op, aanhoor haar verhaal en wens haar sterkte als ik wegga. “Fijn dat je even tijd had”, zegt ze als ik de gang uitloop.

Op naar mijn volgende klant. Ik ben er iets te vroeg en wil iemand niet opjagen. Ik wacht even in mijn MUS. Al snel gaat de deur open en komt mevrouw naar me toe lopen. “Ik zag je komen, mooi op tijd”. Ik help haar even met instappen en rijd naar de Basalt. Mevrouw gaat terug met haar aangepaste schoenen. “Voor de zoveelste keer”, zegt ze. “Ik ben boos, heel erg boos”, geeft ze te kennen. “Ik ga er nu voor de vijfde keer voor terug”. “Ik zal de schoenmaker eens even goed van repliek dienen.” Ik ken haar niet zo als strijdig persoon, maar nu is ‘t menens, merk ik. Onderweg praten we over eenzaamheid, maar ook over het feit dat ze de dinsdagse maaltijd in de Dorpshoeve heeft ontdekt. Zo vertelt er met plezier over. Ik zet haar af bij de Basalt. “Denk om uw hart, hé”, geef ik haar mee. Ik spreek met haar af dat ze me zal bellen als ze klaar is.

Het is maar een kort stukje van de Basalt naar een klant in Den Hoorn. Mevrouw gaat naar de pedicure. Ik kan goed met haar praten. Ze geeft aan dat ze eenzaam is. Gescheiden van haar man en haar kinderen. Ze zijn ver van haar weg gaan wonen. Mevrouw is echt eenzaam en vertelt dat er nooit iemand bij haar komt. Ze heeft geprobeerd om zich aan te sluiten bij de Zonnebloem, maar eenzaamheid is geen criterium geeft men aan. Ze hoeft geen bezoek, maar wil af en toe met een activiteit mee doen. Ook dat is niet gelukt. Dan breekt mevrouw en zit huilend naast me. Een lastig moment. Ik probeer haar enige troost te geven. Ze vindt me aardig, zegt ze. “Ik plan altijd op dinsdag, omdat ik graag met u meerijdt.” Ik zet haar af bij de pedicure.

Het is inmiddels half twee. Ik schiet nu snel naar huis heb even tijd voor een broodje. Ik heb mijn boterham net gesmeerd als mijn privé-telefoon afgaat. Het is de coördinator. Mevrouw bij de Basalt is klaar. De boterhammen gaan in een zakje mee, voor onderweg.

Aangekomen bij Basalt, komt mevrouw met een lach naar buiten. “En”, zeg ik, “heeft u de schoenmaker zijn vet gegeven.” “Nee”, zegt mevrouw, “het was een Limburger en die hebben zo’n leuk taaltje, daar kan ik niet boos op worden. Over 14 dagen kan ik mijn schoenen weer ophalen.” Ik breng haar terug naar Schipluiden.

Onderweg merk ik dat mijn karretje moeite krijgt om te rijden. De kleurtjes op de display zijn al behoorlijk terug gelopen. Ik besluit om deze MUS om te ruilen voor een die aan de oplader staat.

Mijn volgende rit. Mevrouw moet worden opgehaald van de verjaardag. Ze heeft om half drie afgesproken. Ik rijd terug naar Den Hoorn. Onderweg een belletje. Mevrouw van de pedicure is klaar. Het wordt een combinatieritje. Als ik beiden heb teruggebracht heb ik even tijd voor een kopje koffie. Dat doe ik in Akkerleven.

Nog een ritje. Vanuit de basis weer naar Den Hoorn. Een nog jonge vrouw moet naar de Basalt. Een intakegesprek. Mevrouw vertelt dat haar iets heel ernstig is overkomen, waardoor ze zich moet melden bij het revalidatiecentrum. “Ik wist niet van jullie bestaan af”, zegt ze, “maar door een vriendin werd ik er opmerkzaam op gemaakt. “We bestaan al ruim anderhalf jaar”, geef ik haar te kennen”. “Blijf je wachten”, vraagt ze. Ik heb er geen ritten meer achteraan, dat zou dus kunnen. Het wagentje gaat langs de kant, ik probeer binnen een kopje koffie te scoren en neem wat leesvoer door. De receptioniste vraagt voor wie ik kom. Als ik haar uitleg dat ik van de MUS ben, ik heb bedrijfskleding aan, wil mevrouw zien wat dat is. “Dat zouden ze in Delft ook moeten hebben”, zeg ze, “de regiotaxi is zo onbetrouwbaar.

Na 20 minuten is mevrouw klaar. Ze komt naar me toe. “Dit is toch ideaal”, zegt ze, wijzend op mij. De receptioniste beaamt het.

We rijden terug, maar ik merk al dat mijn wagentje van lieverlee aan z’n eind is. Ik haal het nog tot de Bolle Kickert, de brug over de Gaag. Dan is het over. “En nu”, zegt mevrouw, ik ga het slepend proberen, maar het is nog wel een eindje. Ik hoop dat ik het haal. Mevrouw krijg ik thuis, maar daar is alles mee gezegd. Bij een bevriend iemand mag ik de stekker even in het stopcontact stoppen. Twintig minuten, dan ga ik proberen om thuis te komen. De display geeft ‘vol’ aan, maar is dat zeker niet. Langzaam rijd ik terug naar Akkerleven de basisplaats in Schipluiden. Ook nu moet ik het slepend doen, dat geeft geen goed gevoel. Angstig zelfs, je weet niet waar het definitief ophoudt. Meer chauffeurs klagen er over. Het zal toch niet zo zijn dat we aan ons eigen succes ten onder gaan.

Het vervoersproject voldoet aan een behoefte, meer dan dat, zelfs. Sociaal, mooie gesprekken, angstig soms, maar bovenal met veel plezier rijden de vrijwillig chauffeurs hun dagelijkse ritten. I.v.m. de beperkte actieradius gaan we toch terug naar een minder aantal ritten. Een iets grotere investering vanuit de opdrachtgevers zou helpen. Maar dat is aan de politiek.

Volgende week sta ik er weer, met evenveel plezier. Want je laat de mensen niet in de kou staan. Maar kom ik aan het eind van de dag met mijn MUS thuis? Dat blijft elke week weer een dingetje.

397. Voor de gezelligheid of politieagent

Elke dinsdag kom ik haar tegen. Een vrouw, achterin de veertig/begin vijftig. In haar gele hesje loopt ze voor het Reinier de Graafziekenhuis en regelt dat het geen puinhoop wordt bij het kort parkeren.

“Goedemorgen”, zegt ze als ik ‘s morgens aan kom rijden met de MUS, het vervoersproject dat rijdt in de Gemeente Midden-Delfland. Voor ik het weet staat ze naast het portier aan de bijrijderskant. Ze helpt de vrouw die naast me zit uit mijn karretje. Ik sta achter haar en kijk toe. Ik krijg niet de gelegenheid om te helpen. “Ik haal even een rolstoel”, zegt de dochter die achterin heeft gezeten. “Succes mevrouw”, zegt de vrijwilligster van het ziekenhuis. “Tot strakjes”, zegt ze als ik heb aangegeven dat ik straks nog iemand kom brengen.

Vrijwilliger is ze. Zoekt een baan maar dat is na vele pogingen nog steeds niet gelukt. “Ja, dan kan ik thuis gaan zitten, maar daar ben ik alleen en spreek ik niemand.” Ik raak met haar in gesprek als mijn ‘klant’ nog in geen velden of wegen is te zien. “Voor het geld hoef ik dit niet te doen, je krijgt hier een ochtend of middagbijdrage. Het is meer de gezelligheid.”

Soms is het meer dan de gezelligheid en moet ze politieagentje spelen.

Er komt een taxichauffeur aanrijden. Hij parkeert zijn auto op de plek van afhalers. “Meneer”, zegt ze, “wilt u uw auto op de taxistandplaats zetten.” De man kijkt haar aan en loopt haar straal voorbij. “Meneer, meneer, wilt u uw auto weghalen”, vraagt ze opnieuw. “Daar heb jij niks over te zeggen”, blaast de man haar toe en loopt door. Ze is boos, zichtbaar boos. “Ik spreek hem zo meteen nog wel even aan”, zegt ze, “zo gaan we niet met elkaar om.

Ik zit te wachten op een klant die heeft laten bellen door de receptie van het ziekenhuis. Ze zit kennelijk nog binnen, ik ga naar haar op zoek. Wanneer ik even later terug kom wandelen achter een rolstoel en mijn klant help in de MUS, pakt de vrijwilligster mijn rolstoel. Ze geeft mevrouw een muntstuk terug en zet de rolstoel in de rij van rolstoelen. “Sterkte mevrouw”, zegt ze als ze nog even terug komt lopen.

Wanneer ik op een keer aan kom rijden met de MUS is er geen plekje om mijn klant af te leveren. De plek van de Reinier de Graaf shuttle is leeg. De shuttle is onderweg. Ik parkeer de MUS op die plek. Daar komt de vrijwilligster aan stieren. “Je mag hem hier niet zetten”, zegt ze met een doordringende toon. Ik heb geen uitzonderingspositie ondanks het feit dat ik haar elke week tegenkom en altijd een praatje met haar maak. “Ik hoef alleen maar even uit te laten en ga direct weer weg”, probeer ik. “Nou vooruit”, zegt ze. “Mevrouw heeft u een rolstoel nodig”, vraagt ze aan mijn klant die haar zoon achterin heeft zitten. “Graag”, zegt mevrouw op leeftijd. Ze graait even in haar broekzak en haalt er een muntstuk uit. “Soms krijg ik die euro niet terug”, geeft ze aan. “Mensen zetten dan zelf de stoel teug en vergeten om die munt terug te geven. Gaat onbewust”, zegt ze. “Soms ook mag ik die euro houden als ik de rolstoel terug zet. Het heft elkaar op.”

De parkeertarieven ook zoiets waar ze op wordt aangesproken. Wanneer een vrouw op middelbare leeftijd haar auto naast mijn karretje zet, parkeert ze strak in. Dat wil zeggen zo dicht bij mijn bijrijderskant dat mijn klant er niet meer in kan. Uit de auto komt uit de achterzit een oudere vrouw. Met twee mensen wordt ze uit de auto getrokken. De deur moet wijd open en dat kan alleen wanneer je dicht op een andere parkeert. Wanneer de vrouw uit de auto in de rolstoel, die uit de achterbak wordt getild, is gehesen, sluit de chauffeuse de auto. Met z’n drieën wandelen ze naar de ingang toe. “Waar gaan we heen, mevrouw?” Vraagt de vrijwillig medewerkster. “Naar binnen”, antwoordt een van de drie. “Dan moet u de auto naar de garage rijden”, zegt de vrouw in het gele hesje. “Weet u wat dat kost?”, vraagt de persoon die zojuist het antwoord gaf. “Dat weet ik”, antwoordt de vraagstelster. “Wij moeten hier elke dag zijn voor een injectie voor onze moeder, en zijn zo weer terug, dat kost een vermogen als we steeds naar de parkeergarage moeten.” “Sorry mevrouw, dat zijn hier de regels. Deze plekken zijn alleen voor halen en brengen. Ik kan dit niet toestaan.” Morrend loopt een van de dames terug om de auto naar de garage te brengen. “Ze moeten niet bij mij klagen, ik kan daar ook niets aan doen.”

Een jongeman komt aanrijden in een busje. Achterin heeft hij een oudere man zitten. Hij zet zijn auto op de laad- en losplek. “Goedemiddag meneer.” Ze spreekt de gasten van het ziekenhuis altijd netjes aan, “komt u meneer alleen brengen en gaat u dan weer weg.” “Ja”, zegt de jongeman, “mijn vader heeft een afspraak.” “Dan mag u uw vader hier wel afzetten, maar de auto moet naar de parkeergarage.” “Nee, doe ik niet”, zegt de man, “Dan zit mijn vader hier alleen.” “Let ik toch even op hem”, biedt ze aan. “Dat is aardig”, antwoordt de jongeman. “Ik overleg even met mijn vader.” Even later staat ze achter de rolstoel te wachten tot de jonge chauffeur terug is. “Dank u”, zegt hij en geeft haar een fooitje.

Op een betonnen blok voor het ziekenhuis zit een man van buitenlandse afkomst. “Hé”, roept hij naar de vrijwilliger van het ziekenhuis. “Hé, kom jij weleens bij het Kruidvat of zo.” De vrouw loopt naar de man toe. “Trees* heet ik”, zegt ze. “Trees, kom jij weleens bij het Kruidvat?”, vraagt hij opnieuw, maar nu netjes. “Ik heb deodorant nodig”, zegt hij. “Ik heb weinig familie die dat kan halen, zou u dat willen doen.” Trees trekt haar wenkbrauwen op. “Hoezo vraagt u dat aan mij”, zegt ze, “en wat voor deodorant.” “Ik heb niemand die ik het kan vragen en ik dacht aan u. Ik moet hier nog ruim 14 dagen blijven en ben bang dat ze me dan ruiken”, zegt hij lachend. “Ik heb er vooralsnog pas op donderdag tijd voor om het te doen”, antwoordt Trees. “Welke deodorant moet ik dan meebrengen.” “Maakt niet uit, welke u lekker vindt.” De man haalt zijn portemonnee tevoorschijn. Hij haalt er een briefje van vijftig uit. “Hier”, zegt hij, “laat de rest maar zitten.” Trees kleurt, door haar bruine tint op het gezicht, komt een rode kleur tevoorschijn. “Nee”, zegt ze, “dat wil ik niet, dat kan en mag ik niet aanpakken.” De man rekt zijn arm en geeft haar het briefje van vijftig. “Ik kan het pas donderdag halen”, zegt ze waarop ze hoopt dat de man het briefje terug stopt. Hij blijft echter aandringen. Ze pakt het briefje aan, maar ik zie aan haar gezicht dat ze er vreselijk mee verlegen is. Met zijn krukken onder de oksels wandelt de man het ziekenhuis weer in. Een week later zie ik Trees weer. “En”, vraag ik, “deodorant gekocht.” “Ja, en het was nog de goede ook”, lacht ze. “En het geld?”, vraag ik. “Hij wilde het niet aanpakken, hij had er genoeg van in zijn portemonnee”, zei hij. Elke keer als ik Trees zie moet ik denken aan de deodorant.

Ik maak haar nu al ruim anderhalf jaar mee. Benijd haar niet, maar heb wel ontzettend veel respect voor haar. Ze blijft vriendelijk en beleefd. Doet gewoon wat haar is opgedragen en blijft erbij lachen. Ik vind ze top.

* Trees is een gefingeerde naam uit privacy overweging

353. Veel regen en mooie momenten

De regen valt met bakken tegelijk uit de hemel. De weergoden zijn ons niet goed gezind. Ik heb MUS-dienst. De eerste rit staat vroeg gepland. Om 09:00uur moet ik mijn eerste klant ophalen. Mijn buitentemperatuurmeter (mooi scrabble woord) geeft aan dat het 3,8° Celsius is. Ik twijfel of ik mijn handschoenen aan zal doen. De MUS heeft geen verwarming dus misschien is het wel handig. Ik haal om halfnegen mijn fiets uit de schuur. Ik heb al snel een natte haardos. Snel, snel fietsen naar Akkerleven. Daar aangekomen gaat de deur niet open. Begint er niemand zo vroeg, en wat is vroeg, het is 08:35uur. Wanneer ik op de bel heb gedrukt gaat zonder woorden de deur open. Ik wil snel doorlopen en loop met mijn snufferd tegen de volgende deur aan. Dan zie ik de mededeling dat deze deur pas open gaat als de eerder gepasseerde deur is gesloten. Het zomerse weer is ook hier voorbij of heeft het met de wintertijd te maken? Ik haal de sleutel, de telefoon en de kenteken papieren van de MUS op en wandel naar het onder stroom staande voertuig. Als ik de deur open ligt er een plasje water voorin. Via de zijkant aansluitingen zie ik een straaltje water naar binnen lopen. Ik trek de stekker uit de wandcontactdoos. Mijn dag kan beginnen.

Omdat ik inmiddels de ervaring heb dat de snelheid invloed heeft op de duur van de accu, rijd ik als een slak het terrein af. Ik ga niet harder rijden dan 30 km vandaag en hoop daardoor de dag uit te kunnen zingen. Door het slechte weer gaat het licht aan en de ruitenwissers constant op heen en weer gaan, ook dat heeft invloed. Er staat wel het e.e.a. gepland voor vandaag. Terwijl ik rijd beslaan mijn ramen. Ik kan zo niet vegen dat het raam schoon blijft. Gelukkig is er weinig verkeer op het fietspad.

De eerste klant haal ik op in Den Hoorn. Betrokken klant moet worden afgezet bij het Reinier de Graafziekenhuis. Na een vakantie heeft mijn passagier wat ribbreuken over gehouden aan een quadrit. Hij gaat voor controle terug naar het ziekenhuis. In Den Hoorn moet ik tot tweemaal toe tussen wat paaltjes door. Dat is centimeterwerk. Men verbaast zich erover dat we er zonder kleerscheuren tussendoor kunnen. Bij het ziekenhuis geef ik betrokkene een kaartje mee met het rechtstreekse nummer van de MUS. De receptie is zo vriendelijk om mij direct te bellen als betrokkene klaar is zodat ik snel de klant weer op kan halen.

Ik heb nu een half uurtje pauze en rijd naar huis.

Mijn volgende klant haal ik op in Schipluiden. Een vrouw van de Zonnebloem die haar cheque op gaat halen van de stemmenactie die de RaboBank heeft georganiseerd. Ik ben wat aan de vroege kant, mede gezien het feit dat ik tegelijk een andere klant op moet halen. Het is een zgn. combinatierit. Wanneer ik heb gebeld duurt het even voor mevrouw naar buiten komt. De regen valt en valt. Een goed gebruik is om mensen te helpen met in en uitstappen. Omdat ik denk dat het snel zal gaan wacht ik buiten in de regen. Wanneer mevrouw is ingestapt geeft ze te kennen dat ze zich wat opgelaten voelt in mijn karretje. “Is dit wel voor mij bedoelt?”, vraagt ze zich hardop af. Er staat nergens dat je niet mee zou mogen en er is plek. Dan door naar mijn volgend adres. Het is even zoeken waar mevrouw ook al weer precies woont. Wanneer ik het heb gevonden bel ik aan. De rollator staat al pontificaal te wachten onder het afdak. De schoenen van meneer liggen ondersteboven op de buitenmat. Na de bel, roept mevrouw dat ze er aan komt. Ook zij gaat naar het ziekenhuis. Ze gaat alleen. “Ik mag niet mee”, zegt meneer. “Nee”, zegt mevrouw, “hij houdt niet van wachten en het kan vandaag wel even duren.” Wanneer mevrouw is ingestapt gaat de rollator ook achterin. Dan gaan we op weg. Eerst het ziekenhuis, dan de RaboBank. Bij het Reinier moet ik op een kaartje schrijven wat mijn rechtstreeks nummer is. Mevrouw heeft voor mij een potloodje, omdat de balpoints liggen verstopt. Wat ik wel vind is de anticondens spuitbus. Dat scheelt een slok op een borrel. Wanneer mevrouw klaar is belt ze me. Nu naar de Rabo om de andere vrouw af te zetten. Ik spreek met haar af om rond de klok van 11 weer terug te zijn.

Bij mijn schoonmoeder in Den Hoorn vind ik deze keer de koffiepauze. Hierdoor hoef ik niet helemaal naar Schipluiden en ben ik snel bij het ziekenhuis als er wordt gebeld.

Wanneer ik een half uurtje aan de koffie zit gaat de telefoon. Mijn eerste klant kan worden opgehaald. Ik ga opnieuw op pad. Bij het ziekenhuis staat er een file voor de parkeergarage. Ik ben blij dat ik daar geen gebruik van hoef te maken en te mogen staan op de afhaalplek. Mijn MUS-meerijder komt al aan wandelen. Ik breng hem weer naar huis. Hij heeft geen leuke boodschap gehad, als chauffeur van de MUS ben je de eerste uitlaadklep. Als ik de man heb thuisgebracht kan ik direct door naar de Rabo. Mevrouw komt met een mooie cheque naar buiten. Ik breng haar blij naar huis terug.

Ik ga wederom terug naar schoonmama. Mijn volgende rit start in Den Hoorn. Op tijd ga ik een vrouw ophalen. Zij heeft na 46 jaar huwelijk haar man moeten achterlaten in een verzorgingshuis. Na lange tijd zelf de verzorging te hebben gedaan is er geen terugweg meer. Als ze instapt ruik ik een lekker geurtje uit een van haar tassen. “Ik heb drie appeltaarten gebakken”, zegt ze. “Ik ga die oudjes lekker verwennen.” We hebben een indrukwekkend gesprek. Ze woont alleen en is blij met een luisterend oor, zegt ze. De rit gaat sneller dan mij lief is. Ik wil haar nog zoveel aanbieden, maar we zijn gearriveerd. “Tot 16:00uur”, zegt ze als ze het verzorgingshuis binnenwandelt. De appeltaarten gaan mee.

Omdat de accu toch harder leegloopt dan gedacht besluit ik om de MUS aan de prik te hangen. Ik heb zo’n anderhalf uur, dan kan het voertuig wat opladen. In de stromende regen fiets ik huiswaarts.

In afwachting van het telefoontje uit het ziekenhuis wacht ik het nu verder thuis af. Even een broodje eten en dan de middagsessie. Het telefoontje uit het ziekenhuis blijft uit. Waarom? Duurt het dan zo lang? Ik waag er een telefoontje aan en bel het telefoonnummer van mevrouw. Ze neemt zelf de telefoon op. Hoe kan dat? En waarom niet even gebeld dat ik niet hoeft te wachten? Ik vergeet er naar de vragen.

Om 14:00uur haal ik mijn vaste klant op. Altijd op dinsdag om 14:00uur staat de afspraak om meneer op te halen en bij Albert Heijn af te zetten. Daarna naar het appelvrouwtje voor het oude gemeentehuis. Wanneer ik in Akkerleven aan kom, zie ik geen klant, waar hij doorgaans al op zijn rollator zit te wachten. Ik wacht het even af. Als het echter een kwartier wordt vraag ik aan de receptie om hem te bellen. Hij blijkt een ‘slaapie’ te hebben gedaan en wordt wakker geschud door een verpleegkundige. Hij komt naar beneden. Dan komt direct de humor van de man weer naar boven en maakt hij zich er met een grap vanaf. We gaan op weg naar supermarkt die op de kleintjes let. Wanneer er een jongeman op een scooter van links komt denk ik mijn voorrang te krijgen. Dat is echter niet het geval. De jongeman rijdt met zijn voorband zachtjes tegen mijn deur. Hij steekt zijn middelvinger op. Ik weet dat het regent, maar daardoor veranderen de verkeersregels nog niet. De oude man naast me maakt er wederom een grap over. Bij Albert Heijn haal ik een winkelwagentje, zijn rollator, dan ga ik in het halletje achter de ingang staan. Mijn jas is nat, mijn handen en mijn voeten koud en hier brandt de kachel. Aan de overkant het appelvrouwtje. “Ga jij effe”, zegt meneer, “hier is mijn portemonnee. Ik wil 15 appels. Het meissie weet wel welke.” Ik doe wat me wordt opgedragen. Dan kunnen we terug naar huis. Nog een ritje, mevrouw ophalen uit het verzorgingshuis en haar dan weer naar huis brengen.

Om 10 voor vier ben ik al bij Akkerleven. Ik kijk op het gemak het aangeboden fotoboek door dat op de tafel ligt. Herkenbare plekken die men heeft vastgelegd en zo veel doet met mensen die niet meer echt in de maatschappij staan en zich soms het verleden nog wel herinneren en het heden niet.

Om 16:00uur exact komt mevrouw naar beneden. Ik help haar met instappen. Het tasje met de appeltaarten is er niet meer bij. Ik ga in gesprek met mevrouw, dan vertelt ze dat ze vandaag jarig is. Daarom wilde ze de mensen trakteren. Ze heeft geholpen met eten geven, ze heeft met bewoners gesjoeld, gesprekken gevoerd. Een mooi gesprek dat ik met haar kan voeren. Bij thuiskomst geeft ze aan dat haar zonen haar op komen halen. Ze hoeft niet te koken vanavond en wordt mee uit eten genomen.

Mijn dag zit erop als ik naar huis rijd. De regenachtige dag hebben me weer mooie contacten opgeleverd. Een luisterend oor heb ik geboden. De kou is uit mijn handen, mijn lichaam gloeit. Wat mooi dat ik me vandaag weer verdienstelijk heb mogen maken.

333. Van de Valys moet je het hebben.

Daar gaat ze met haar ‘truttenkarretje’ achter zich aan. Ze komt van achter uit het dorp en wil met het openbaar vervoer. Dat is niet niks in een dorp waar men het openbaar vervoer niet echt hoog heeft zitten. Ik doel dan met name op het reguliere openbaar vervoer als Connexxion. Om tien voor tien gaat ze wandelen, ze is nog redelijk ter been, maar moet wel regelmatig even zitten. Dan, als je vanachter uit het dorp naar de eerst mogelijke opstapplaats in het dorp moet is dat al gauw zo’n twintig minuten lopen, voor een gezond persoon. Mevrouw van 87 doet er iets langer over.

“Ze zouden ook op zaterdag moeten gaan rijden van die MUS, daar bent u toch van”, zegt zo langs haar neus weg. Ik geef haar aan dat je dan wel met meer vrijwilligers moet gaan rijden. Ze is eerder met de MUS mee geweest en vindt het een geweldig leuk karretje. Ze wil naar haar dochter in Heerhugowaard en blijft een paar nachtjes slapen. Haar schone pyama, wat ondergoed en een schone blouse. Dat is genoeg en dan trekt zo’n karretje het makkelijkst. Ik wandel een stukje met haar mee.

Bij de Dorpshoeve een bank. Even zitten. Met een zakdoek veegt ze de bank af. Er ligt stof op en de bank is niet meer zo onderhouden dat het aantrekt om er op te gaan zitten. Ze tilt de achterkant van haar jas op om niet op de slippen van de jas te gaan zitten. Dan hijgt ze even uit. “Is de valys niets voor u”, vraag ik haar. “Daar heb ik zo’n rotervaring mee”, zegt ze. “Ik ging naar mijn ander dochter en ben er om acht uur ’s avonds vertrokken en was om kwart voor twaalf pas thuis”. “Dan kwam u vast van heeeel ver weg?” vraag ik haar. “Nee hoor valt wel mee”, antwoordt ze me, “maar ik had een chauffeur die kennelijk voor het eerst reed.” “Toen ik hem aangaf dat ik naar Schipluiden moest, vroeg de man waar dat lag. Ik legde het hem uit.” In de taxi zat nog iemand uit Alphen a/d Rijn en iemand uit Heiloo, die moesten eerst naar huis worden gebracht. “Waar kwam u vandaan”, vraag ik haar. “Uit Barsingerhorn”. Ik frons mijn wenkbrauwen. “Barsingerhorn, waar ligt dat?” vraag ik. “Bij Schagen”, zegt ze, “het is zo’n deelgemeente.” “En toen u instapte zaten die mensen er al in?“ vraag ik haar. “Jazeker, het was erg gezellig”. “De rit naar Heiloo ging heel voorspoedig. Hier en daar wat binnenwegen, maar daar waren we zo.” Nadat de medepassagier was uitgestapt gingen we richting Alphen a/d Rijn. “En daar ging het mis”, zegt mevrouw die alles nog haarfijn kan navertellen. “De chauffeur nam allemaal binnenwegen, we hebben geen rijksweg meer gezien.” Mevrouw geeft aan dat hij maar bleef rijden, en maar rijden. We reden langs weilanden, in het stikkedonker. Ze had het gevoel dat de chauffeur echt niet wist waar hij zat. Ik vraag haar of hij geen navigatie had. “Ja”, zegt ze, “die lag op zijn schoot. Hij keek regelmatig tussen zijn stuur door naar het verlichte schermpje.” “Uiteindelijk bent u er wel gekomen”, vraag ik haar. “Ja gelukkig wel. Maar daarna ging het pas echt fout.” Ik keek haar met een verdwaasde blik aan. “Dan was je al aardig in de buurt”, zeg ik haar. “Precies, maar wat doet ie oet, die neemt de verkeerde afslag. Nu rijden we terug naar Amsterdam.” Mevrouw probeert het hem nog uit te leggen dat ie verkeerd gaat. De chauffeur rijdt echter gewoon door tot hij bij Schiphol aan komt. Dan zegt hij tegen mevrouw “Ik geloof dat u gelijk heeft.” Het is inmiddels al bijna elf uur als we omdraaien. Uiteindelijk zet hij haar om kwart voor twaalf thuis af. “Dan heeft u een mooie rit gehad voor weinig”, zeg ik gekscherend. Ze lacht als een boer die kiespijn heeft, maar zegt dan lachend “het was wel donker, hé.” Ik vraag haar of ze een klacht heeft ingediend bij Valys. “Jazeker”, zegt ze, “Ze konden daar op een schermpie zien hoe hij gereden had. Ik hoefde de rit niet te betalen en het aantal kilometers ging niet van mijn totaal af.” “ Dan kook je toch zeker in die auto”, vraag ik haar. “Dat deed ik ook, maar het was zo’n aardige man, hij kon er ook niets aan doen.” Ze heeft bij de Valys wel gevraagd of de goede man is thuis gekomen. Dat bleek zo te zijn. “Maar met de Valies ga ik niet meer”, zegt ze zeer gedegen.

Ze is weer aardig uitgerust en we wandelen rustig naar de dichtstbijzijnde bushalte. “Jammer hé, dat ze die bij de Vergulde Valk hebben weggehaald. Vaak als ik in de zomer terug kwam met de bus nam ik er zo’n lekker ijsje.”

Terwijl ik de Brugstraat inschiet sloft mevrouw verder, haar karretje trekkend. Thuis aangekomen heb ik geprobeerd de reis naar Heerhugowaard te analyseren met het openbaar vervoer. Om 10:30 uur neemt ze bus naar Delft, Daar stapt ze op de trein om om 11:49 uur aan te komen op Sloterdijk, dan een Intercity naar Uitgeest en met de snelbus naar Heerhugowaard waar ze als alles meezit om 13:14uur aankomt. Mevrouw is 3uur en 14 minuten onderweg, bijna net zolang als de Valies van toen, al was dat een stukje verder. Ik geef het je doen voor iemand van 87 jaar.

322. En toen stond ie stil

Een drukke dag met de MUS, het vervoersproject van Midden-Delfland. Al vroeg ben ik op pad. Ik kan direct even bij iemand langsrijden die nog wat techplaatjes heeft van de Appie. Omdat we voor de voedselbankkinderen setjes maken is elke aanvulling meegenomen.

Om halfnegen uur komt de Excelsheet binnen met de ritten voor vandaag. Diverse ziekenhuisafspraken zijn er in schema verwerkt. Hierbij geldt dat de beginafspraak is in te plannen. De terugreis is altijd open.

Om halftwaalf mag ik een echtpaar ophalen. Een gestudeerd iemand, merk ik aan het taalgebruik. Als ik hem vraag wat hij heeft gedaan vertelt hij uitgebreid dat hij een hoge functie heeft gehad bij een ministerie. Maar meneer is ook benieuwd naar mijn privéleven. “Mag ik u iets vragen”. De man kijkt mij aan. “Bent u toevallig ook de vader van”, vraagt hij. Wanneer ik dat met een ‘ja’ bevestig, zegt hij: “zie je wel vrouw, dat ik gelijk had”. Ik heb het echtpaar eerder ook al eens in de MUS gehad. Dat gebeurde spontaan. Terwijl ik iemand naar het ziekenhuis heb gebracht komt meneer hardlopend naar mij toe. “Mogen wij mee terugrijden?”, vraagt meneer, om op een holletje terug te gaan naar de ontvangsthal van het ziekenhuis, als ik met “ja hoor” heb geantwoord. “Rustig aan, rustig aan”, roep ik hem na. Even later komt hij met zijn echtgenote aanlopen.

Ik heb meneer en mevrouw afgeleverd bij het ziekenhuis en geef hem een kaartje mee met het rechtstreekse telefoonnummer van de MUS. “Als u klaar bent kunt u mij bellen”, geef ik hen mee. “Het kan wel even aanlopen hoor”, zegt meneer. Ik ga terug naar Schipluiden, waar ik de car bij mij thuis parkeer. Ik heb even de tijd om mijn brood te maken, op te eten en vervolgens opnieuw op pad te gaan.

Ik heb mijn brood net aan uit het blik gehaald als de MUS-telefoon gaat. Het is de portier van het Reinier. “Goedemiddag, meneer en mevrouw willen weer opgehaald worden.” Ik sla mijn boterhammen dicht en wandel terug naar de MUS. Onderweg naar het ziekenhuis steek ik het brood in mijn mond. Bij het ziekenhuis komt het echtpaar al naar buiten. “Het was een volle wachtkamer, maar ik was toch snel aan de beurt.” Het gesprek van eerder gaat verder. “Een mooi interview in de Volkskrant van uw zoon.” “Hij doet het goed”, zegt mevrouw van achterin. “Komt hij weleens op tv.” Ik beaam het. “Wat heeft u eigenlijk gedaan”, vraagt de man. Ik vertel het hem. Het is een leuk gesprek. “Vrijdag moeten we weer naar het ziekenhuis”, krijg ik te horen, “bent u er dan ook.” Ik geef aan dan geen dienst te hebben en met vakantie te gaan. Meneer legt vijf munten van een euro in het bakje op het dashboard. Ik geef aan dat ik dit niet nodig vind, maar meneer staat er op om het aan te nemen. Ik heb besloten om het voor een goed doel te bestemmen. “Fijne vakantie en tot volgende keer.” We nemen afscheid en ik trek op naar het volgende adres.

Bij het volgende adres wederom iemand voor het ziekenhuis. “Ik rijd voor het eerst met de MUS mee”, zegt mevrouw, “en vind het spannend.” Mevrouw vertelt uitgebreid welk onderzoek ze moet ondergaan. We raken heerlijk aan de klets. Voor ze er erg in heeft rijd ik de ‘afleverplek’ van het ziekenhuis op. “Zijn we er al?” zegt mevrouw. “Normaal ga ik nooit zo en word ik door mijn kinderen met de auto gebracht. Ze zijn met vakantie, nu moet ik alleen.” Ik ben in staat om mee te gaan, maar er staat meer op de planning. Opnieuw terug naar Schipluiden. 20 minuten later wederom de portier van het Reinier de Graafziekenhuis. Een mooie service dat zij voor mijn klanten bellen. Opnieuw richting het ziekenhuis.

Mevrouw stapt bij mij in en wil naar een familielid aan de rand van Schipluiden en Maasland. Ik heb even mijn twijfel, want de powermeter van de MUS loopt gestaag terug. Toch doe ik het. “Ze zullen opkijken als ik daar aankom.”, zegt mevrouw. Ik vraag haar hoe ze terug gaat naar huis. “Oh, dat komt wel goed”, zegt ze.

Na haar afgezet te hebben rijd ik terug en kom ik aan bij Akkerleven. De accu staat inmiddels in het oranje. Ik parkeer de MUS en prik er even een stekker in. Mijn volgende klant geef ik een belletje dat het een kwartiertje later wordt. Wanneer ik weer opstart staat de meter weer in het geel. Op naar mevrouw. Zij gaat op visite bij haar schoonzus in Den Hoorn. Ik krijg een heel verhaal over het slecht presteren van de Regiotaxi. Ze heeft afgelopen dinsdag een uur staan wachten en nog steeds is geen Regiotaxi te zien. Ze had hoge nood want moest haar medicatie hebben. Uiteindelijk heeft een oud buurman haar opgehaald. Ze huldigt het principe van de MUS. “Daar kan je op rekenen.” Aangekomen in Den Hoorn moet ik snel mijn volgende klant ophalen voor een ziekenhuisbezoek. Haar man ligt in het ziekenhuis. Ik ben acht minuten te laat. Mevrouw heeft al naar het centrale nummer gebeld dat ik te laat ben.

Mijn klant staat te wachten met haar rollator voor het pand met de woningen voor ouderen. De rollator gaat tussen de voor- en achterstoelen en dan hup naar het ziekenhuis. Mevrouw heeft een eindtijd aangegeven. Dat kan als je op bezoek gaat. Dan terug naar Schipluiden en twee dames ophalen.

In Schipluiden kom ik een kwartier te laat, mevrouw zegt hier iets over. Maar ze is blij om me te zien. Als ik haar vertel dat ik nog iemand op moet halen in Schipluiden, kijkt ze lelijk. “Dan heb ik helemaal geen tijd om de visite te doen”, zegt ze. “Het is niet anders”, geef ik aan om mijn volgende klant op te halen. Mevrouw staat al voor het raam te kijken. Dat gaat snel. Dan op naar Den Hoorn. De een voor een visite, de ander voor apotheekbezoek en een koffiemomentje bij Holtkamp.

Wanneer ik net de Tramkade opdraai, neemt de kracht van de MUS af. Hij gaat langzaam rijden en stopt op een bepaald moment. Met steeds opnieuw uitzetten en weer aanzetten kunnen we weer 200 meter rijden. Maar dit is geen feest. Mijn klanten moeten er om lachen en ik lach mee, maar vanbinnen zint me dit niks, want ik ben nog niet klaar. De eerste mevrouw kan ik met tussenstops afzetten, bij de tweede kom ik er niet helemaal. Ik zet haar in de kern van Den Hoorn uit om bij de Kickerthoek wat langer op te laden. Nu heb ik even tijd voor een koffiemomentje.

Bij de Kickerthoek raak ik in gesprek met medewerkers met de Stichting Welzijn Midden-Delfland. IK laad op door een Senseo, de MUS laadt op aan de stekker.

Drie kwartier later haal ik mevrouw uit het centrum op en breng haar terug naar Schipluiden. De meter van de accu blijft op oranje staan. Zou ik het halen? Het lukt. Nu terug naar Den Hoorn om twee dames op te halen en terug naar Schipluiden te brengen en dan naar het ziekenhuis voor de laatste klant.

Ik ben koud het gemeentehuis gepasseerd als de MUS denkt: ‘doe het zelf maar.’ 10 meter en dan stopt hij. Wat nu. Ik keer om. Met onderbrekingen kom ik terug bij de oplaadplaats bij Akkerleven. Nu snel naar huis en mijn auto halen, mijn klanten moeten wel naar huis toe.

Een half uur later dan afgesproken, staan mijn klanten nog netjes te wachten. Geen kwaad woord en hulde voor de oplossing die ik heb bedacht.

In het vervolg toch maar wat minder ritten plannen. De promotie van het project lijkt nu het succes te achterhalen. Een ervaring rijker meld ik mijn belevenissen aan de coördinator. Het blijft leuk om te doen, maar het wagentje moet wel blijven rijden.