402. Een verhaal met een donker randje

85 jaar is ze, vertelt ze me. Ik neem haar mee in de MUS, het vervoersproject in Midden-Delfland. Om 14:15 uur moet ik haar ophalen bij haar woning. Ze gaat naar het ziekenhuis voor haar ogen. Ik krijg een indringend verhaal van haar te horen.

Wanneer ik de straat in rijd waar mevrouw woont ben ik aan de vroege kant. Nog even neem ik de kans waar om een andere bewoner te ontmoeten en doe er wat zaken mee. Strikt om 14:15 uur bel ik bij mevrouw aan. Ze woont op de derde galerij. “Kom er aan hoor”, roept ze door het luidsprekertje dat bij het huis is bevestigd. Ik hoef niet te zeggen wie ik ben.

Even later komt er een kleine vrouw achter een rollator naar me toe. Ze heeft een zonnebril op. “Goedemiddag”, zegt ze, “mag mijn rollator ook mee.” “Natuurlijk mevrouw”, geef ik haar te kennen. “Zeg maar Geertje* hoor, mevrouw vind ik zo’n deftig woord.” Ik help Geertje de MUS is. Omdat ze klein van stuk is, schuif ik een hulptrede uit. Nu komt ze makkelijker in het voertuig. Nog even ben ik aan ’t wurmen om de rollator achterin te krijgen. Elke rollator is verschillend, het is steeds een puzzel om die dingen ingeklapt te krijgen.

Ik maak mevrouw vast met de gordel. Deze zit van binnen naar buiten, anders dus dan bij een auto. Ik moet dan ook altijd even over mijn passagier heen. “Ben je bang dat ik wegloop”, zegt mevrouw met een lachend gezicht.

Ik stap aan de andere kant in en vervolg mijn rit richting ziekenhuis. “U heeft een bekend gezicht”, zegt mevrouw tijdens de rit, “maar ik kan u niet thuisbrengen.” Ik help mevrouw uit de droom en vertel wie ik ben. Dan komt de herkenning en weet ze waar ik geboren en opgegroeid ben. “U lijkt op uw vader”, zegt ze.

Ik vraag haar of ze eerder met de MUS is meegereden. “Ja hoor”, zegt ze, “al twee keer. Ik vind het een ideale uitvinding.”

Bij het ziekenhuis aangekomen help ik mevrouw uit mijn karretje, en geef haar de rollator aan. Ik geef haar een kaartje mee met daarop mijn rechtstreeks telefoonnummer voor de terugreis en wens haar succes. Ik rijd hierop terug naar huis en wacht.

Om kwart voor vijf krijg ik een belletje van de receptie van het ziekenhuis. “Mevrouw X is klaar en wil graag opgehaald worden.” Ik geef haar aan dat ik met vijf minuten bij het ziekenhuis ben.

Ik ga opnieuw op weg. Bij het ziekenhuis aangekomen zie ik mevrouw aan komen lopen. Ze heeft een man achter haar aan lopen. Eind veertig, begin vijftig. Het is een keurig geklede man met in zijn ene hand een aktetas. Hij loopt de vrouw voorbij en komt op mij af. “Goeiemiddag, wat leuk u te zien”, zegt hij. Ik ken de man niet. Nou laat mijn geheugen me weleens in de steek, zeker met de herkenbaarheid van mensen. Maar deze man ken ik echt niet of kan hem niet thuisbrengen. Mevrouw komt naar me toelopen. “Dit is Diederik*”, zegt ze, “mijn jongste zoon.”

“Ga jij vast naar mijn huis, ik kom er zo aan.”, geeft ze de man aan. De man loopt van me weg en geeft mij opnieuw een hand. Wanneer ik mevrouw in de MUS heb geholpen en ik de deur dicht wil doen begint mevrouw tegen me te praten. “Ken je hem niet meer”, zegt ze. “Ik zou het niet weten”, geef ik aan. Ik ken al haar zoons en ze heeft er zeven. Ze begint het gesprek. Ik zak door mijn hurken, houd me vast aan de deuropening en luister. “Hij heeft de ziekte dementie”, zegt mevrouw, “al vanaf zijn 39e.”  “Hij woont in Amersfoort met zijn gezin en komt met de trein naar hier. Zijn vrouw zet hem op de trein. Bij het station in Delft huurt hij een fiets en rijdt dan naar het ziekenhuis.” Ik schrik er van. Nu weet ik opeens wie het is. Maar wat is hij veranderd. Ooit werkte ik met hem samen en nu herken ik hem niet meer. “Hij praat kindertaal”, zegt de vrouw. “Hij wil altijd mee naar het ziekenhuis”, zegt ze, “maar ik heb liever dat hij thuis blijft. Hij stelt soms kinderlijke vragen aan de arts, waarop ik uit moet leggen dat hij ziek is in zijn hoofd.” “Hoe komt hij uit Amersfoort hier naar toe”, vraag ik haar. “Dat doet hij met zijn telefoon. Zijn telefoon is zijn richting aangever. Hij heeft een universitaire opleiding gedaan, er is niets meer van hem over. Ja, het kinderlijke. Ik heb daar zorgen over.”

Ik ken het gezin nog van vroeger. Weet wie haar man is en zeg haar hoe hij in mijn herinnering zit. “Prachtig”, zegt ze, “wat leuk dat u hem nog zo kan beschrijven.” Ze geeft aan dat hij inmiddels vijf jaar ‘weg’ is. Overleden. “En weet u, een half jaar eerder is er ook een zoon gestorven. Hij had dezelfde naam als zijn vader.”

Inmiddels ben ik ingestapt en op weg naar haar woning. “Het geloof heeft me er doorheen geholpen”, zegt ze. “Gelooft U?”, vraagt ze. Ik geef aan dat ik niet meer kerk, wel geloof en zo regelmatig een gebedje doe. ’s Avonds in bed. “Fijn”, zegt ze, “daar heb je houvast aan.”

De rit gaat snel en voor ik het weet ben ik aanbeland bij haar huis. Haar zoon staat haar op te wachten. “Goeiemiddag”, zegt hij, “wat leuk u te zien.” Hij steekt opnieuw zijn hand uit. “Kom mam dan drinken we een kopje thee.”

Hij neemt haar aan de arm en samen lopen ze naar binnen. “Dag meneertje”, zegt hij, draait zich om en zwaait nog een keer. Ontroerend.

* zijn gefingeerde namen

397. Voor de gezelligheid of politieagent

Elke dinsdag kom ik haar tegen. Een vrouw, achterin de veertig/begin vijftig. In haar gele hesje loopt ze voor het Reinier de Graafziekenhuis en regelt dat het geen puinhoop wordt bij het kort parkeren.

“Goedemorgen”, zegt ze als ik ‘s morgens aan kom rijden met de MUS, het vervoersproject dat rijdt in de Gemeente Midden-Delfland. Voor ik het weet staat ze naast het portier aan de bijrijderskant. Ze helpt de vrouw die naast me zit uit mijn karretje. Ik sta achter haar en kijk toe. Ik krijg niet de gelegenheid om te helpen. “Ik haal even een rolstoel”, zegt de dochter die achterin heeft gezeten. “Succes mevrouw”, zegt de vrijwilligster van het ziekenhuis. “Tot strakjes”, zegt ze als ik heb aangegeven dat ik straks nog iemand kom brengen.

Vrijwilliger is ze. Zoekt een baan maar dat is na vele pogingen nog steeds niet gelukt. “Ja, dan kan ik thuis gaan zitten, maar daar ben ik alleen en spreek ik niemand.” Ik raak met haar in gesprek als mijn ‘klant’ nog in geen velden of wegen is te zien. “Voor het geld hoef ik dit niet te doen, je krijgt hier een ochtend of middagbijdrage. Het is meer de gezelligheid.”

Soms is het meer dan de gezelligheid en moet ze politieagentje spelen.

Er komt een taxichauffeur aanrijden. Hij parkeert zijn auto op de plek van afhalers. “Meneer”, zegt ze, “wilt u uw auto op de taxistandplaats zetten.” De man kijkt haar aan en loopt haar straal voorbij. “Meneer, meneer, wilt u uw auto weghalen”, vraagt ze opnieuw. “Daar heb jij niks over te zeggen”, blaast de man haar toe en loopt door. Ze is boos, zichtbaar boos. “Ik spreek hem zo meteen nog wel even aan”, zegt ze, “zo gaan we niet met elkaar om.

Ik zit te wachten op een klant die heeft laten bellen door de receptie van het ziekenhuis. Ze zit kennelijk nog binnen, ik ga naar haar op zoek. Wanneer ik even later terug kom wandelen achter een rolstoel en mijn klant help in de MUS, pakt de vrijwilligster mijn rolstoel. Ze geeft mevrouw een muntstuk terug en zet de rolstoel in de rij van rolstoelen. “Sterkte mevrouw”, zegt ze als ze nog even terug komt lopen.

Wanneer ik op een keer aan kom rijden met de MUS is er geen plekje om mijn klant af te leveren. De plek van de Reinier de Graaf shuttle is leeg. De shuttle is onderweg. Ik parkeer de MUS op die plek. Daar komt de vrijwilligster aan stieren. “Je mag hem hier niet zetten”, zegt ze met een doordringende toon. Ik heb geen uitzonderingspositie ondanks het feit dat ik haar elke week tegenkom en altijd een praatje met haar maak. “Ik hoef alleen maar even uit te laten en ga direct weer weg”, probeer ik. “Nou vooruit”, zegt ze. “Mevrouw heeft u een rolstoel nodig”, vraagt ze aan mijn klant die haar zoon achterin heeft zitten. “Graag”, zegt mevrouw op leeftijd. Ze graait even in haar broekzak en haalt er een muntstuk uit. “Soms krijg ik die euro niet terug”, geeft ze aan. “Mensen zetten dan zelf de stoel teug en vergeten om die munt terug te geven. Gaat onbewust”, zegt ze. “Soms ook mag ik die euro houden als ik de rolstoel terug zet. Het heft elkaar op.”

De parkeertarieven ook zoiets waar ze op wordt aangesproken. Wanneer een vrouw op middelbare leeftijd haar auto naast mijn karretje zet, parkeert ze strak in. Dat wil zeggen zo dicht bij mijn bijrijderskant dat mijn klant er niet meer in kan. Uit de auto komt uit de achterzit een oudere vrouw. Met twee mensen wordt ze uit de auto getrokken. De deur moet wijd open en dat kan alleen wanneer je dicht op een andere parkeert. Wanneer de vrouw uit de auto in de rolstoel, die uit de achterbak wordt getild, is gehesen, sluit de chauffeuse de auto. Met z’n drieën wandelen ze naar de ingang toe. “Waar gaan we heen, mevrouw?” Vraagt de vrijwillig medewerkster. “Naar binnen”, antwoordt een van de drie. “Dan moet u de auto naar de garage rijden”, zegt de vrouw in het gele hesje. “Weet u wat dat kost?”, vraagt de persoon die zojuist het antwoord gaf. “Dat weet ik”, antwoordt de vraagstelster. “Wij moeten hier elke dag zijn voor een injectie voor onze moeder, en zijn zo weer terug, dat kost een vermogen als we steeds naar de parkeergarage moeten.” “Sorry mevrouw, dat zijn hier de regels. Deze plekken zijn alleen voor halen en brengen. Ik kan dit niet toestaan.” Morrend loopt een van de dames terug om de auto naar de garage te brengen. “Ze moeten niet bij mij klagen, ik kan daar ook niets aan doen.”

Een jongeman komt aanrijden in een busje. Achterin heeft hij een oudere man zitten. Hij zet zijn auto op de laad- en losplek. “Goedemiddag meneer.” Ze spreekt de gasten van het ziekenhuis altijd netjes aan, “komt u meneer alleen brengen en gaat u dan weer weg.” “Ja”, zegt de jongeman, “mijn vader heeft een afspraak.” “Dan mag u uw vader hier wel afzetten, maar de auto moet naar de parkeergarage.” “Nee, doe ik niet”, zegt de man, “Dan zit mijn vader hier alleen.” “Let ik toch even op hem”, biedt ze aan. “Dat is aardig”, antwoordt de jongeman. “Ik overleg even met mijn vader.” Even later staat ze achter de rolstoel te wachten tot de jonge chauffeur terug is. “Dank u”, zegt hij en geeft haar een fooitje.

Op een betonnen blok voor het ziekenhuis zit een man van buitenlandse afkomst. “Hé”, roept hij naar de vrijwilliger van het ziekenhuis. “Hé, kom jij weleens bij het Kruidvat of zo.” De vrouw loopt naar de man toe. “Trees* heet ik”, zegt ze. “Trees, kom jij weleens bij het Kruidvat?”, vraagt hij opnieuw, maar nu netjes. “Ik heb deodorant nodig”, zegt hij. “Ik heb weinig familie die dat kan halen, zou u dat willen doen.” Trees trekt haar wenkbrauwen op. “Hoezo vraagt u dat aan mij”, zegt ze, “en wat voor deodorant.” “Ik heb niemand die ik het kan vragen en ik dacht aan u. Ik moet hier nog ruim 14 dagen blijven en ben bang dat ze me dan ruiken”, zegt hij lachend. “Ik heb er vooralsnog pas op donderdag tijd voor om het te doen”, antwoordt Trees. “Welke deodorant moet ik dan meebrengen.” “Maakt niet uit, welke u lekker vindt.” De man haalt zijn portemonnee tevoorschijn. Hij haalt er een briefje van vijftig uit. “Hier”, zegt hij, “laat de rest maar zitten.” Trees kleurt, door haar bruine tint op het gezicht, komt een rode kleur tevoorschijn. “Nee”, zegt ze, “dat wil ik niet, dat kan en mag ik niet aanpakken.” De man rekt zijn arm en geeft haar het briefje van vijftig. “Ik kan het pas donderdag halen”, zegt ze waarop ze hoopt dat de man het briefje terug stopt. Hij blijft echter aandringen. Ze pakt het briefje aan, maar ik zie aan haar gezicht dat ze er vreselijk mee verlegen is. Met zijn krukken onder de oksels wandelt de man het ziekenhuis weer in. Een week later zie ik Trees weer. “En”, vraag ik, “deodorant gekocht.” “Ja, en het was nog de goede ook”, lacht ze. “En het geld?”, vraag ik. “Hij wilde het niet aanpakken, hij had er genoeg van in zijn portemonnee”, zei hij. Elke keer als ik Trees zie moet ik denken aan de deodorant.

Ik maak haar nu al ruim anderhalf jaar mee. Benijd haar niet, maar heb wel ontzettend veel respect voor haar. Ze blijft vriendelijk en beleefd. Doet gewoon wat haar is opgedragen en blijft erbij lachen. Ik vind ze top.

* Trees is een gefingeerde naam uit privacy overweging

372. De Dijkshoornseweg en haar bewoners

Vooraf: Ik sprak onderstaande tekst uit bij Over de Dijk, een cultureel festival van Cultuurstek Den Hoorn. Niet iedereen heeft een plekje kunnen bemachtigen bij mijn vertelling. Omdat ik inmiddels meerdere e-mailtjes heb ontvangen om de tekst toegestuurd te krijgen, plaats ik deze op mijn website. Ik wens je veel leesplezier.

Aad, wat weet jij van de Dijkshoornseweg in Den Hoorn? Het zou zo maar een vraag kunnen zijn die men kan stellen bij de Slimste Mens, versie Cultuurstek. Ik ben geboren in Den Hoorn, dus voor mij is het een gemakkelijke vraag. Maar heb ik ook alles goed onthouden van de bewoners en gebouwen? Daarnaast, mijn vader is geboren is op de Dijkshoornseweg, dat dan behoort aan Hof van Delft. Den Hoorn is al eeuwen oud. Al in 1317 komt men de naam Dijkshoorn, zoals Den Hoorn vroeger heette, tegen in rekeningen van de graaf van Holland. De Dijkshoornseweg oorspronkelijk aangelegd als waterkering, een dijk om het oostelijke gebied, de latere Voordijkshoornsepolder, te beschermen. Langs de dijk lopen twee slootjes. Meer bagger dan water.

Er vestigen zich boeren en later tuinders, weer later worden tuinders- en boerenbedrijven uitgekocht en komt er woningbouw voor in de plaats. In 2004 vindt er iets historisch plaats. De gemeente Schipluiden en Maasland gaan samen verder onder de naam Midden-Delfland. Als dit gebeurt krijgt Delft er een paar stukken van Den Hoorn bij: delen van de Voordijkshoorn en een heel stuk Harnaschpolder. De bewoners van de Dijkshoornseweg die er onder vallen begrijpen niets van die beslissing. De Dijkshoornseweg wordt in drieën gesplitst. Het eerste deel, gezien vanuit de kern Den Hoorn, valt onder Midden-Delfland. Dan een deel dat aan Delft gaat behoren om vervolgens het laatste stuk weer aan Midden-Delfland te laten. Bewoners ouder dan 12 jaar krijgen nog een Schipluidense pas, zij hebben een emotionele binding aan Den Hoorn. Ben je jonger dan krijg je die pas niet. Wat de waarde van die pas is wordt niet meegedeeld.

Ik neem u mee naar de zestiger jaren. In die jaren wordt het pand van opa Bak, Dijkshoornseweg nr. 1, nadat hij is overleden, flink onderhanden genomen en vestigen Schipluidenaren Henoch en Cees van der Burgh zich op de hoek van de Hoornsewal en Dijkshoornseweg onder de naam: Corona, als elektronicazaak. Menig eerste tv-toestel in Den Hoorn is door hen aan de Hoornse bevolking verkocht. Naast Corona het slob. De familie Leet Schenkeveld neemt er hun intrek. Een van de zoons krijgt de bijnaam Hoena. Nadien woont Jan de Vette er met zijn gezin. Hij werkt als bakker bij Warmenhoven. Er is een kleine voordeur aan de Dijkshoornseweg en een achterom in de poort. Later trekt de familie Teuthof in dit huisje. Zij woonden hier met drie jongens, Paul, Rob en Lex.

Aan dezelfde kant van de weg een rijtje kleine arbeidershuisjes van de familie Koop. Een bekende familie die er heeft gewoond is het gezin van Dirk van Zanten, wonend op nr. 5.. Hij heeft veel karakteristieke woningen uit Den Hoorn getekend. Dirk was getrouwd met Doortje Nowee. Zij was er geboren. Haar vader en moeder Leen en Geertruida, kregen in dit huisje 15 kinderen. Leen Nowee, Doortje’s vader dus, werd vol trots ‘Het Vaandel’ genoemd. Nowee liep altijd met het vaandel vóór de muziek uit. Leendert zag je op latere leeftijd regelmatig in donker kostuum en hoedje op al wandelend zijn blokje om lopen. Zijn zoon Cor was ‘de kromme’ want van rechtop lopen had hij nog nooit gehoord. Een andere bijnaam was ‘prummeltje’ omdat hij klein van stuk was. Daarnaast komen we familienamen tegen als Klok, Gordijn en Bekkers en ook mijn jongste broertje Loek heeft er enige tijd van zijn leven doorgebracht. Het laatste huis voor de poort bij de bakker is een grotere woning hier woont de weduwe Van Marrewijk. Nadat zij is overleden dient het pand enige tijd als opslag voor de bakker. Weer later koopt Tom Mollier het pand. Hij vestigt er een kapperszaak in. Hij is overigens de tweede kapper in de straat, want bij Van Galen aan de overzijde van de straat, kan je je haar al veel eerder laten knippen. Van Galen is een thuiskapper. De winkel van Mollier is thans de kaas- en notenbar van Wessels. Als je de poort onderdoor gaat kom je uit bij het huisje van Hein Holierhoek. Dit huis werd later toegevoegd aan de bakkerij. Aan de andere kant van de poort was die bakkerij, van Cees Koop. Cees had er ooit de bakkerij overgenomen van zijn vader. Na de oorlog wordt de bakkerij overgenomen door bakker Piet Warmenhoven. Piet Pils, zoals hij als bijnaam kreeg. En dat was niet omdat hij regelmatig frisdrank dronk. In de winkel bedient zijn altijd deftige geklede vrouw de klanten. Zij hebben een mooie dochter, Carola. Ik was er verkikkerd op. Ik heb er vakantiewerk gedaan en rijd er met Toon Duifhuis of Jan Gerritsen CorZn. op de bakfiets de Dijkshoornseweg af om er brood te verkopen. Zittend op het spatbord van het wiel van de bakfiets rijden we tot aan het Bonthuis en zijn er een hele zaterdag mee bezig. Naast de bakkerij zit het slachthuis en de slagerij van Van Rooijen. Vader Dries, klein van stuk en kromme benen, vanwege het varkens vangen, werd gezegd, voert er de leiding. Hij koopt zijn koeien bij boeren uit het dorp en Abtswoude. Hij heeft er zijn eigen slachthuis. Wekelijk worden er de botten opgehaald door een grote vrachtwagen. Ze worden afgevoerd naar de Lijm- en Gelatinefabriek. Mannen met een witte kap over hun hoofd brengen er af en toe delen van reeds geslachte dieren. Een van zijn meesterknechten is Toon van Bergen Henegouwen. Andere slagersknechts, Aad Keuzekamp en George Vermeulen. Nadat vader Van Rooijen stopt gaat de zaak over naar zijn zoons Lau en André. In 1960 wordt de winkel heropend op het moment dat mijn oma boven aarde staat. De festiviteiten rond de opening worden enigszins aangepast omdat men het niet gepast vindt om er een groot feest te vieren. Later is de winkel overgegaan naar Slagerij van Geest.

Naast de slagerij een deftige woning, een voormalige tuinderswoning van Willem Bentvelsen. Later wordt het huis in twee delen gesplitst en is de ene kant voor de vrijgezellen dames Bentvelzen. De ‘tantes’ worden ze genoemd. Het huis verliest zijn functie als tuinderswoning nadat het achterliggende land is verkocht voor nieuwbouw aan de Hof van Delftstraat. In het andere deel van de woning wonen Bert en Bets van Leeuwen, gekscherend Jozef en Maria genoemd. Zij kregen in het kleine huisje vijf meisjes en een jongen, Gerard. Bets van Leeuwen – Bentvelsen leeft nog en is in de gezegende leeftijd van 100 jaar. Zij is op 8 februari 2019 101 jaar oud geworden. Ze heeft nog een ijzeren geheugen heb ik kortgeleden ervaren, nadat ik haar dochter Leny heb gesproken.

Dan een even niets om vervolgens de woning van Jan Keijzer en Pia Bentvelsen tegen te komen. In het gezin worden alleen jongens geboren, net als bij ons thuis. Daar aansluitend staat de tabakswinkel van Lannetje van Velzen. Van Velzen is ooit begonnen in een schuurtje met de verkoop van sigaren en sigaretten. Het schuurtje stond schuin aan de overzijde waar anno 2019 Zoes is gevestigd. De locatie van Van Velzen wordt dan ook ’t Schuurke genoemd. Meneer van Velzen krijgt de bijnaam Lannetje, omdat zijn voorletters L.A.N. zijn en de man klein van stuk is. Zijn eigenlijke naam is Leo. Zijn ietwat deftige echtgenote kan zich boos maken als men Lannetje zegt. “Hij heet Leo”, zei ze dan enigszins geaffecteerd. Later wordt het ook het postagentschap. Daarna komt het in handen van de familie Bouter, Janus en Mien, en wordt het weer later een Primera. Inmiddels heeft de tweede generatie Bouter de winkel verlaten en heeft het een nieuwe eigenaar. Naast de winkel van Van Velzen is een kleine werkplaats waar, de aan de overkant van de straat wonende, Toon Wilmer schoenen repareert. Bert Gerritsen is er zijn ‘leerling schoenmaker’.

Tussen de tabakswinkel van Van Velzen en de winkel van Cor en Toos van Dijk-Arkesteijn die manufacturen en kleding verkopen, heb je de achterzijde van GEKA, Garage Kleijweg. De hoofdingang van het garagebedrijf van Kleyweg ligt aan de Hof van Delftstraat, met een doorgang naar de Dijkshoornseweg. De benzinepomp midden in het dorp is een druk bezocht punt. Toos Spek, die eigenlijk Van der Drift heet na haar huwelijk, bedient de pomp. Toos is een bekende voor iedereen. Er kan nog op de lat worden getankt.

Een beetje uit de loop van de Dijkshoornseweg het woonhuis en winkel van Loek Loomans. Loomans heeft een groot gezin. Vader Loomans haalt de respectabele leeftijd van 100 jaar. Aan het driehoekig plantsoentje begint hij met een winkel in spullen voor electra. Hij krijgt dan ook de bijnaam Loek ‘Lampie’ Loomans. Men verkoopt er o.a. lampen, stopcontacten, zekeringen, draad en pijp. Later wordt het een echte doe-het-zelver en breidt het bedrijf zich o.a. uit met een groot assortiment verf. Als je binnen gaat tingelt er een belletje dat boven de toegangsdeur is bevestigd en komt meestal moeder of een van de kinderen naar beneden. Dochter Jos neemt later de zaak over. De familie Loomans woont met de familie Van Dijk in een portiekje, waar vier deuren de toegang gaven tot winkel en woonhuis.

We gaan even terug richting Hoornsekade. Op de hoek Hoornsekade/Dijkshoornseweg woont Fried Koop, mede oprichter van Benfried. Daarnaast heb je het groentehalletje van Marius Bernöster. Hij duwt zijn trapfiets vaak voort. Naar mijn idee kan hij met zijn korte beentjes niet bij de trappers van de bakfiets. Men moet hem regelmatig een duwtje geven als hij de Hoornsebrug over moet. Naast Marius, het aannemersbedrijf van Toon (A.F.) Keijzer. Met zijn vier zoons, Jan, Joop, Ben en Ton, een echt familiebedrijf. Inmiddels hebben achterkleinzoons van deze Toon weer diverse bedrijven op het gebied van bouw-, metsel- en loodgieterswerkzaamheden opgestart. Daar weer naast is de smederij annex fietsenwinkel van Ot en later zoon Jan Groen gevestigd. Jan is jarenlang ‘de brandweercommandant’ van de vrijwillige brandweer van Den Hoorn. Na zijn pensionering neemt Jan Keijzer deze functie over.

Een poort scheidt de winkels en bedrijven van het rijtje huizen waar mijn vader is geboren. Arbeiderswoningen, vaak met grote gezinnen. De familie Lekkerkerk is de opdrachtgever om eerst in 1903-1904 de tweede rij, het dichts bij de PlusMarkt, te laten bouwen. De eerste rij, meer liggend naar de Hoornsekade, volgt in 1909-1910. Ik herinner me nog de plee die op de achterstraat buiten was. De huizen kennen nl. geen toiletvoorziening in huis. Achter het huis staat een schuurtje, waar je, ook ’s nachts en ‘s winters, buiten op de pot moet. Je licht een deksel op en neemt plaats op de altijd koude, stenen rand van de ton. Wc-papier is er niet, dat is de krant van gisteren, die in repen is geknipt of gescheurd. Een keer in de twee weken komt de ‘tonneur’ of ‘pleeboy ’ met de boldootkar voorbij. Het merk Boldoot is al snel zo bekend dat de karren die destijds huis aan huis de poeptonnetjes komen legen, schertsenderwijs boldootwagen worden genoemd. De tonnen worden geleegd in de vaart. De twee rijen worden gescheiden door een poortje, fietsstuur breed. Aan het eind van de poort heeft men een waterput gemetseld. Met het water uit de put worden de achterplaats en de stoepen aan de voorzijde elke vrijdag geschrobd. Enige bekende bewoners van deze woningen zijn: Vader Floop Schenkeveld, hij woont er met zijn dochter Ploon. Zij trouwt later met de weduwnaar Cor Rieken en blijft in de rij wonen. Overige bewoners uit de twee rijtjes: de familie Quak, Van der Lans, Van Galen, Van Meurs, Van Leeuwen (bijnaam Jan Rat). Verder, nadat de familie Quak de Dijkshoornseweg heeft verlaten trekt Louis de Gier (bijnaam de Lord) in die woning. Aan de andere kant van de poort Aad de Gier, waar wij altijd op woensdagmiddag televisie gaan kijken, Theo Schenkeveld, hij heeft de bijnaam Theet de Krul, vanwege zijn kuif voor op zijn hoofd. In die rij ook Loek Kuipers, met zijn kromme benen een bekendheid in het dorp. Hier hangen de afkeuringslijsten op het raam. Je kan er zien of jouw voetbalwedstrijd al dan niet doorgaat. Tot op vrij hoge leeftijd speelt Loek zijn voetbalwedstrijden in een veteranenteam. Daarnaast de schoenmaker/uitvaartverzorger Toon Wilmer. Toon, de dorpsschoenmaker’, is ook doodgraver en -bidder. Hij verzorgt begrafenissen en daarbij behoort ook het bidden van de rozenkransgebed hetgeen door hem op een onnavolgbare manier wordt afgeroffeld. In het voorlaatste huis woont bode Biemans en in het laatste huis van het rijtje woont Bergwerff. Deze woning wordt later bewoond door Riet en John Reijpert. John krijgt al snel de bijnaam “John Soep”. Hij werkt voor een bedrijf dat allerlei soepen en kruiden verkoopt.

Vervolgens een poort dan een schuurtje van de schillenboer Koene. Hij heeft hier zijn hond zitten waarmee hij schillen ophaalt in het dorp. Dan het witte huis van de familie Van der Vaart. Hein van der Vaart heeft een groot gezin. Zij hebben een talentvolle voetballer in huis, Reinier, hij gaat voetballen voor het toenmalige Holland Sport. De eerste betaalde voetballer van Den Hoorn. Op het moment dat de schuur van Koene wordt afgebroken krijgt Van der Vaart er een buitenplaats bij. Ze noemen het een pleintje. Er heeft jaren een straatnaambordje op het huis gehangen met het ‘Van der Vaartpleintje’.

Op de hoek van de Dijkshoornseweg en de Pr. Beatrixstraat het transportbedrijf/melkrijder van Arie van den Berg. Hij houdt er midden in het dorp ook zijn beestjes. Koetjes en varkens. Het stinkt er altijd in deze omgeving, een penetrante varkenslucht komt uit de staldeuren. Als we naar school gaan moeten we er langs. Hij heeft ook een vrachtwagenweegbrug op het terrein. Eind 80-er jaren worden de woning van Van der Vaart en de woning en stallen van Van den Berg afgebroken en start GAM van Leeuwen met zijn project. Leeuwenberg. De naam is een samenvoeging tussen Van Leeuwen en Van den Berg. Op 24 oktober 1990 wordt het complex in gebruik genomen.

We steken de Pr. Beatrixstraat over. Opnieuw een rijtje arbeidershuisjes. Wat ik er van weet is dat er vooral protestantse mensen in woonden. De contacten en verhoudingen tussen katholieken en protestanten zijn in die tijd niet optimaal. Zo erg dat de aanvang- en eindtijden van scholen een kwartier uit elkaar liggen, zodat men elkaar niet tegenkomt. Gelukkig is dat niet meer. Op de hoek woont Arend van Geest met zijn gezin. Hij rijdt in het begin met een mandenfiets rond om zijn comestibles, fijne vleeswaren, kaas en eieren te bezorgen. In zijn mond altijd een klein peukie. Later opent hij een winkel aan het Koningin Julianaplein. De familie Nowee woont er, waarvan een van de zoons Eddy heet. Wat mij opvalt in de bewonersnamen is dat ik over de gehele Dijkshoornseweg de familienaam Nowee tegen kom. Vanaf Dijkshoornsweg nr. 5 tot aan de Blauwe brug. Niet alleen katholieke gezinnen waren groot, ook aan protestantse kant kent men grote gezinnen. Terug naar het rijtje huizen, waar ik eerder over sprak. In de kleine huizen woonden ook de gebroeders Brouwer, tuinders, die er met hun huishoudster Marie wonen. Na het overlijden van de broers Brouwer en de huishoudster valt hun woning toe aan de katholieke kerk. Pastoor Leo de Groot neemt er later zijn intrek in. Dan woont er ook nog Gerard van Oosten, ook een tuinder. Verder in het rijtje Piet en Nel van der Gaag. In mijn herinnering werden zij vaak met de nek aangekeken. Nel herinnert zich een paar jaar geleden dat er ooit in de oorlog een bom is gevallen voor hun huizen. Het wordt serieus opgepakt door de gemeente. Men laat er zonder resultaat overigens, onderzoek naar doen. Familie Van der Gaag verliezen een zoon, Piet, op een nog jonge leeftijd, na een ongeval. Een bijzonder figuur in dat rijtje huizen is wel ome Freek. Hij woont in het allerlaatste huis van de tweede rij. Ome Freek is Freek Steenks. Een echtpaar zonder kinderen, maar wel iemand die kinderen probeert te vermaken. Rond Sinterklaas verkleedt hij zich als zwarte Piet en doet allerlei gekke dingen voor zijn slaapkamerraam. Een paar keer per avond strooit hij uit het raam Er staan vaak meerdere kinderen te kijken.

We steken over en gaan richting Sion. Daar komen we aan de linkerkant van de Dijkshoornseweg eerst de woning van Piet Eijgenraam, bijgenaamd Piet Pet, tegen. Een tuinder met louter dochters. Vier in getal. De man is in mijn herinnering lang. Hij had een kleine vrouw. “Anderhalve cent” noemen we dat. Dan komen we het bedrijf van Benfried tegen. Het bedrijf wordt opgestart op de weilanden van de familie Van Geest, waar Arend er een van is. Het heeft een ingang aan de Dijkshoornseweg, maar ook aan de Looksingel. Ooit opgericht door Ben Lansbergen en Fried Koop. Het bedrijf levert spullen aan de tuinbouw. Met chauffeur Lau de Kok mag ik regelmatig meerijden om meststoffen, buizen en andere materialen weg te brengen. Aan de voorzijde van de Dijkshoornseweg zit een benzinepomp, Witte Raaf, Ton van Wijk is daar een tijd de beheerder van. Daartegenover heb je de boerderij van Van Leeuwen, waar later het meststoffenbedrijf van Goeijenbier, onder de naam Perguano zijn zakken met mest verkoopt. Wim van Dijk, getrouwd met Truus van Leeuwen, dochter van de boer, is er vertegenwoordiger. De woning is thans de kapsalon van Rob Crijns. Daarnaast het land dat toebehoort aan de boerderij van Van Leeuwen.

Aan de kant van Benfried kom je verderop eerst een grote woning tegen waar Koos en Anna Arkesteijn in wonen. Daarnaast de Taswoning, in 1852 gebouwd aan een watering die uitkomt op de Lookwatering. Een Taswoning is een boerenwoning met alles onder één dak. Op het erf ook een hooiberg en stallen. Het is een groot huis waar Leen Arkesteijn, bijgenaamd Leen de Tas woont met zijn gezin. Daarnaast de tuinderij van Leen Eijgenraam. Platglas nog, waar later kasopstallen worden gebouwd. Nu is er de Look op gebouwd. Langs de stoeprand een slootje met een lage buis langs de walkant.

Voorbij de tuin heb je een smal paadje dat je leidt via een boogbruggetje naar de Lookwatering. Het is een verboden pad, is mijn herinnering.

Aan de overzijde tuinde Jan Kalkman sr. Daar ook vind je de familie Schrier. Zij hebben er wat beestjes lopen en halen met paard en wagen schillen op in het dorp. Hier zijn wat meer volkstuintjes, Hein van der Vaart en ook de Cor Nowee, die ik eerder noemde, verzorgen zo de inwendige mens thuis. Daarnaast een klein huisje waar ene Van der Windt woont. Van der Windt met dt, zoals mijn informant hen noemt.

Aan de overkant van de straat het witte kabouterhuisje, niet groter dan een forse bungalowtent. Het gezin Ruijgrok heeft er met 10 kinderen gewoond. In de jaren 50 emigreert de familie naar Canada. Daarna neemt Ton Koop er zijn intrek in. Hij krijgt er twee kinderen. Als ook hij het huis verlaten heeft wordt het een opslagplek van ene Henk Steijger, is eigenaar van de kistenfabriek in Delft. Ook hier doet hij iets met hout. Daarna heeft het enige tijd leeggestaan en wordt het een vuilopslagplek. Later maakt Joop Keijzer sr. er een opslagplaats van. Hij gaat er wonen nadat hij het huis heeft gekocht van Bep Koop in huize Veldzicht. Joop komt met zijn gezin vanaf de Emmastraat. In die tijd heeft men nog zicht over het veld. Vanuit het huis kijk je over het weiland tot aan de slinksloot, de tocht genaamd, tot aan Delft. Het land is van Boers, een koopman op de veiling die er wat vetweiders op heeft lopen. Naast Veldzicht een kleine kas met aangrenzend woonhuis. Dat is het huis van Cor en Bep van Paassen. Zij wonen er met hun dochter Plony en zoon Hans. Ook aan de overzijde is hij zijn bedrijf gevestigd. Een rails over de weg leidt naar de schuur bij het huis waar de sortering plaats vindt, zoals je dat op meer plaatsen in de Dijkshoornseweg tegenkomt.

Een sloot scheidt het perceel met de volgende bewoners, de familie Van der Maarel, dat later wordt overgenomen door de ondernemer Maarten Buijing van het gelijknamige tuincentrum annex surfplankenhandel. Maarten heeft met zijn zoons nogal wat succes bij surfkampioenschappen en besluit om naast zijn planten ook surfplanken te gaan verkopen.

Naast hem de familie Overgaag. Overgaag, met de bijnaam ‘de Waterpiano’. De geschiedenis verhaalt dat Overgaag na het melken zijn melkbussen geopend buiten zette zodat tijdens de regen de inhoud van die bussen vermeerderde en dat hij van die extra opbrengst een piano heeft gekocht. Het was bijzonder als je in die tijd een piano in huis had. Aan de overzijde het land van Overgaag. Ook Dick van der Windt heeft er een stukje, hij huurt dat van Overgaag waar zijn schapen op lopen. Nadat het land van Overgaag, aan de overzijde van de weg, is verkocht aan de Gemeente Delft komt er een boomkwekerij op van de Gemeente Delft. Er wordt aansluitend een park aangelegd waar ook de L-vijver in lag. Een ‘zwembad’ voor jonge Hoornezen en Delvenaren uit de buurt van de Foreestweg. De heer Kramer is de beheerder van de boomkwekerij. De gemeente Delft trekt hier haar bomen op die door Delft heen worden neergezet.

Terug naar de overzijde. Hier woont Piet Overgaag met zijn Ludy. Een klein stukje verderop op de Dijkshoornseweg zit ‘de Scheepswerf’. Op een bok staat altijd een scheepje te wachten. Of het ooit zal worden afgemaakt, weet ik niet. Van oorsprong eigendom van Ton Winkes. Hij gaat met de bijnaam ‘Gandhi’ door het leven en dat is niet omdat hij een flink postuur heeft. Als Winkes vertrekt wordt het de werf van Janus Bouter. Wanneer ook Janus vertrekt en de winkel van Lannetje van Velzen overneemt komt het bedrijf in handen van Cor van de Sluis. Hij richtte er ook een lasbedrijf bij.

We komen aan bij de Willibrordus en G.A. van Marrewijkstraat. Beide straten worden rond 1927/1928 opgeleverd. Omdat er steeds meer tuinbouw komt in Den Hoorn moeten er woningen komen en zo wordt de woningbouwvereniging Willibrordus opgericht. Het wordt bestuurd door tuindersbazen. Om het eerste bestuur te noemen: De heren J.A. v.d. Krogt (voorzitter), G.J.A. van Marrewijk (secretaris), G.C.van Marrewijk (penningmeester), J.J. Nederpel (lid) en A. v.d. Burg (lid).

Direct tegen de Willibrordusstraat aan staat, tegen de sloot aan, een loods. Hier is het aannemersbedrijf Sperling gevestigd. Ook de aannemer Jan. Hendrik van de Meij heeft er jarenlang zijn domicilie gehad. Meer naar de wegkant staat een groot woonhuis van boer Leen van Dien. Er horen ook andere opstallen bij. Leen heeft zijn landerijen aan de overzijde van de weg. In een bij de woning behorend bijgebouwtje probeert men een patatzaak te vestigen. Dit bedrijf heeft er niet lang gezeten. Bewoners zijn de frietlucht al heel snel zat. Op een gegeven moment sticht vader Preuninger er nog een autobedrijf met benzinepomp naast en gaat wonen in het grote woonhuis. Wat verderop in de Dijkshoornseweg staat het fietsen- en garagebedrijf van Piet Verhagen. Hier heb je ook een oversteek naar de Lookwatering. Piet Verhagen runt er ook een benzinestation bij. Later wordt het bedrijf overgenomen door de familie Dijkshoorn en komt garagebedrijf KOFRA (Koos en Frans) ervoor in de plaats. Als ook zij naar een andere locatie zijn vertrokken, laat Preuninger een groter pand neerzetten en heeft daar zijn doorstart. In één van de zijstraatjes van de Dijkshoornseweg woont ook de eigenaar van de Vishandel Van der Eijk. Hij heeft zijn winkel aan de Verwersdijk, maar ook vanuit zijn woonhuis vent hij zijn vis uit.

Aansluitend aan de Van Marrewijkstraat staat de Prinses Margrietschool. De onderbouw van de Juliana van Stolbergschool die aan de Looksingel is gebouwd. De school is van protestantse origine. Deze school komt in de plaats voor de kleuterschool die verderop richting Sion stond.

Aan de overkant, aansluitend aan de boomkwekerij, allemaal tuinderijen. Met daarop hun tuindershuis. Van der Maarel, Moerman Nowee, Overgaag en Joh. en Koos Van Paassen. Aan die kant ook de woning van de familie Nowee. Dirigente/organiste Sonja heeft er gewoond. Ook Midden-Delflands historicus Jacques Moerman komt van die kant. Na het vertrek van Overgaag naar California doet de familie de Vreede zijn intrede. Aan de kant van de Lookwatering grote tuindershuizen. Het eerste huis wordt bewoond door de drie gezusters Pols. Zij hebben altijd jonge katjes te koop. Verdere bewoners De Wilde, Lekkerkerk en Van der Gaag. Op nr. 159, de familie Nowee. Zes meiden en één jongen, Piet. De overige bewoners van deze huizen ken ik niet. Na het laatste huis het rabarerveld. Bij elke Hoornees bekend. Lekkerkerk, van wie de tuin is, heeft in een clausule op laten nemen dat er op dit veld nooit gebouwd zal mogen worden. Ik heb begrepen dat er een verjaringstermijn aan zit en dat er nu wel mogelijkheden zijn. Het is ‘helaas’ Delfts grondgebied.

In het huisje Weltevreden woont Joh. van Paassen met zijn gezin. Na eerst in een gebouwde houten schuur te hebben gewoond, werd de schuur versteend door de aannemer Louis (Wiet) van Velzen. Naast tuinder was Van Paassen ook kerkmeester en bestuurder bij de Boerenleenbank.

Dan een aantal statige huizen, van o.a. Arend Lansbergen en Lekkerkerken. Tussen de statige woningen, de inham, vind je op dit moment garages er hangt thans een bordje met Lansbergenpleintje. Hier was in het verleden de kleuterschool die toebehoorde aan de Juliana van Stolbergschool. Kinderen uit Den Hoorn moesten toen ver lopen om naar school te gaan. Het mooie witte huis Anno 1730 is niet het oudste huis dat Den Hoorn bezit. Dat staat een stuk verderop (zie verderop in dit verhaal). Ook hier een Lekkerkerk die voortvarend te werk gaat en huizen laat bouwen in Den Hoorn. De tuinderij van de familie Lekkerkerk ligt overigens zowel aan de Dijkshoornseweg als aan de Lookwatering. Een boogbruggetje verbindt daar nog altijd de woning met het gebied waar de oorspronkelijke tuinderij heeft gelegen. Daarnaast een tweelingwoning. De familie Van der Velden sticht daar hun gezin, ook zij hebben een tuin aan de Lookwatering. Daarnaast woont Frans Roessen, hij heeft een grondverzetbedrijf en klompenhandel. Tegenover deze statige woningen staat het huis en bedrijf van Jan Bentvelsen, bekend onder de naam ‘ou-baas’ Hij is jaren de hoogste padvinder geweest bij scouting Den Hoorn. Hij krijg ook de bijnaam ‘Jan Pis’, waar die laatste naam vandaan komt vertelt de historie niet.

Na de statige woningen twee tussenwoningen, gebouwd in een latere tijd waarbij in een van de woningen Joh. van Marrewijk woonde. Jo, was ‘slappe Joh.’. Hij kreeg de bijnaam vanwege zijn zwabberende benen. Joh. was een zoon van ‘radio Bert’ Bert van Marrewijk, die aan de Lookwatering woonde. Bert was de 2e inwoner van Den Hoorn die zich mocht beroemen op het bezit van een radio.(De 1e was van de toenmalig kapelaan Versteege). In de andere woning woonde Otting. Hij is van schaatsen en alles wat je er omheen hangt.

Dan de huisjes zonder voordeur, beter bekend onder de 11 huizen. Zij hebben alleen een achterom. Wederom gebouwd in opdracht van Lekkerkerk op het verlengde van zijn tuin. Ze zijn van het begin van de 20e eeuw. De huur bedraagt 80 cent, maar voor het hoekhuis bedraagt het een dubbeltje meer. Er werd in de zomer 9 gulden verdiend en de winter zes gulden. Al met al een hoop geld, dus. Waarom de verschillen in salaris? De werktijden liggen anders. Men werkt van licht tot donker, waarbij de ‘baas’ bepaalt wanneer het licht en wanneer het donker is. De woningen bestaan uit een woonkamer, een keuken en zolder over het hele huis. Men woont er met wel 10 kinderen. De mensen koken op een fornuis dat wordt gevoed door koolstronken. Er is geen gas en geen elektriciteit. De was spoelt men in de Lookwatering en hangt te drogen op het achtererf. Men leeft meer mét dan langs elkaar heen. Bij ziekte en zeer springen buren elkaar bij. Daar zou in deze tijd veel meer aan moeten worden gedaan. De huizenrijen worden evenals de twee rijtjes aan het begin van de Dijkshoornseweg in na elkaar met tussenpozen gebouwd. Hier heeft de eerste en enige olympisch kampioen van Den Hoorn, Piet Makkus, gewoond. Hij won tweemaal goud op de Paralympische Zomerspelen 1968 in Tel Aviv. Hij woont er bij zijn ouders. Piet wordt eerste op de 50 m Rugslag special class (m) en eerste op de 50 m Vrije Slag special class (m). In deze rij komen we nog de volgende namen tegen, Van Scheijndel, Makkus, Gerritsen, Fonkert, Langstraat, De Koning, Moerman, Huisman en Koster, Lagerwerf.

We passeren de Laan van Groenwegen. Van de eerste woning is mij bekend dat daar eerst een Boers woonde, later werd het huis bewoond door Van der Helm, van het transportbedrijf. De bewoners van het tweede huis zijn mij onbekend.

De woning van Nolletjeje van der Maarel, aan de overzijde van de straat, wordt veel later gebouwd evenals het huis van Frans ‘Heineken’ Keijzer en van de verzekeringsman, ex-politieagent Paul Friskes. Aan de overzijde achter op de laan een woning, verscholen achter de coniferen, genaamd Groenoord. Jan van Paassen woont er, zoon van Nic. Van Paassen laatstgenoemde verhuisde vanaf de hoek Beatrixstraat/Wilhelminalaan naar het huis naast de woning Groenoord. De woning heeft thans het adres aan de Laan van Groenewegen. Dan twee statige woningen van broers Bentvelsen. De woningen zijn gebouwd door Jan Hendrik van der Meij, waar Keijzer doorgaans altijd de voorkeur kreeg voor het bouwen van woningen. Dit is echter een particuliere opdracht en niet van de woningbouwvereniging.

Dan komen we het huis en bedrijf van ketelbouwer Ben Groen tegen. Daarnaast een ‘supermarkt’. In eerste instantie gestart als melkwinkeltje door Kees Overgaag. De winkel werd nog even overgenomen door zijn zoon Aad. Nadien krijgt deze winkel een doorstart door Jan de Vette, een Sparvestiging. Deze winkel werd voornamelijk door de buurtbewoners en inwoners van het streekgebied Sion bezocht.

Tegenover de supermarkt opnieuw een tuinderswoning, het huis met het rieten zadeldak. Deze dateert uit de beginperiode van de Hoornse tuinbouw anno 1650. Dit huis wordt beschouwd als het eerste huis dat Den Hoorn rijk is. In de woning was een ruimte gecreëerd voor een melkkoe en wat varkens. In het begin van de twintigste eeuw woont in dit tuindershuis, de familie Van Rijt. Oom en tante van mijn oma en opa. In 1942 koopt Jan Pruisken (‘Dove Pruus’) het pand, dat later wordt gehuurd en bewoond door de familie Gerritsen. Van Cor Gerritsen kan ik me nog herinneren dat hem een ernstig ongeluk overkomt als hij de voetbalvelden van Den Hoorn aan het frezen is. Hij verliest er zijn been aan één van de frezen van zijn machine. Cor was vrijwillig bezig en op zaterdag. De verzekering die hij heeft keert door de laatste twee feiten niet uit. Door zijn ernstig ongeluk heeft hij geen inkomsten meer. In 1957 verhuist het gezin naar het dorp.

In 1959 gaan Jan en Jo van der Stap hier wonen in de tuinderswoning. Hun zoon Aad en zijn vrouw hebben er nog enige tijd gewoond toen vader was overleden en ook moeder het huis had verlaten. In 2001 werd de woning een gemeentelijk monument.

Naast de woning van Van der Stap het bedrijf en woning van Harry Stoel. Hij heeft er een kleine kas en voert er een soort tuincentrum. Dagelijks staan er transportwagens met planten op de oprit voor de ingang. Tot lang heeft hij het afgehouden, maar de kans van bebouwing zal ook hier mogelijk straks toeslaan.

Komen we aan bij de rij huizen ten overzijde van Stoel. De eerste woning van een uitzonderlijke groot formaat, de anderen veel malen kleiner. Woningen waar ik wat te weinig van weet om er echts iets over te kunnen vertellen. Wie ik me nog wel kan herinneren is Henk Holsteijn, hij reed door en wind de kranten. Hij werd in mijn herinnering ‘Witte Henk’ genoemd. Later verhuisde het gezin naar de Van Marrewijkstraat. Diepgeworteld zit ook nog het ongeluk dat zijn zoon Cor, later het gezicht van SV Den Hoorn, overkwam op de hoek van de Laan van Groenewegen en de Dijkshoornseweg. Ik zie hem daar nog liggen. Aangereden door een auto. Ambulances erbij. Het heeft mij nooit losgelaten. Wie woonde er nog meer: mijn Ome Cor en tante Bets, de familie Aarts, Dessens, Van Geest, Dijkshoorn, Gielesen en…….

Het laatste rijtje huizen voor Stakenbrug is wederom gebouwd in opdracht van Cor Lekkerkerk. Arbeidershuisjes voor tuinarbeiders. Tuinarbeiders die in Sion werken of aan de Lookwatering of Woudselaan. Een voor mij bekende bewoner is Arie Broekhuizen. Arie is een ras muzikant. Geef hem een instrument en hij toetert er op weg. Ooit ben ik samen met hem op tournee geweest langs voetbalverenigingen. Na een paar drankjes klom hij op de tafel en speelde de meest fabuleuze stukken op zijn instrument. Dat konden gerust stukken zijn uit een opera en dat op een carnavalsavond. Hij was een charmeur en al helemaal als hij een borreltje ophad. Hij hield van vrouwen. Hij had op een avond zoveel gedronken dat we met de taxi terug moesten, die was duurder dan dat we die avond hebben verdiend, Maar Arie was in zijn element. De familie Dijkshoorn heeft er ook gewoond. Van hen is mij geen bijzonderheden bekend. Frappant is natuurlijk dat Dijkshoorn woonde op de Dijkshoornseweg.

Dan komen we uit aan de sluitbrug van mijn verhaal. Stakenbrug. De brug verbindt de Dijkshoornseweg met de Noordhoornseweg. Het is ook de onderdoorgang van de Look met de Kastanjewetering en de Noordhoornsewatering. De Stakenbrug werd in het verleden ook wel aangeduid met de naam Blauwe brug. Blauw en wit zijn vanouds de kleuren van het hoogheemraadschap van Delfland. Veel bruggen die het waterschap moest onderhouden, waren in de kleuren blauw en wit geschilderd. De huidige brug heeft overigens ook deze kleuren. Stakenbrug verwijst naar de staken, grote houten palen, waarop de brug oorspronkelijk rustte.

Het was een belangrijke onderdoorgang voor de tuinders die richting veiling gingen. Toen de brug moest worden gerepareerd en geschilderd haalde de schilder het in zijn hoofd om er een rode verf op te zetten. Bewoners grepen in en zette de schilder op het juiste spoor.

Hier eindigt mijn verhaal en mijn herinneringen aan de Dijkshoornseweg. Wil je meer weten over Den Hoorn klik dan hier. Bovenstaande gegevens hebben geen historisch belang, is mijn mening en zijn louter mijn gedachtekronkels. Een aantal woningen en de bewoners ervan heb ik niet kunnen noemen, omdat ik volledig praat uit wat ik me nog herinner. En heeft u aanvullingen, verbeteringen, er is een mogelijkheid om die in een reactie achter te laten. U kunt ook een abonnement nemen op mijn schrijfsels, laat dan uw e-mailadres achter. Ik hoor en zie het graag.

368. Jonge Bierbrouwerij in Den Hoorn

Jonge ondernemers zijn ze nog. Hebben een horecagelegenheid gestart in het dorp. ‘Het Raadhuis Schipluiden’ inmiddels een niet meer weg te denken lunchroom aan de Dorpsstraat. Het is een bedrijf met een ambitie. Naast de lunchroom brouwen zij hun eigen bier en dat wordt gretig afgenomen. Daarom het bericht: ‘Wij groeien door! B(r)ouw mee aan onze bierbrouwerij met Schenkhuis. In maart 2019 starten wij met de bouw van onze brouwerij in Den Hoorn.’ Een nieuwe discipline binnen de gemeente. Het maakt je nieuwsgierig.

Op een ‘doordeweekse’ maandagochtend nodigen wij Mark, met zijn vrouw Mariska de eigenaar, uit om onder het genot van een kopje koffie enig uitleg te komen geven. Hij is gretig en geeft direct zijn “ja”. Om 10 uur gaat de bel en kunnen we kennisnemen van zijn plannen.

Na een kort persoonlijk praatje komt zijn uitgebreide documentatiemap tevoorschijn. Teksten, financiën, tekeningen en een flyer. Ze willen straks op een nieuwe plek in Midden-Delfland een brouwerij voortzetten. De naam is bekend: brouwerij tHUIS. De plek waar ze nu hun bier brouwen was een tijdelijke. Via familie is er gelegenheid geweest om een ruimte te claimen, die tijd is nu achter de rug. En het mooie is ze hebben een nieuwe ruimte gevonden, huisvesting ligt te wachten en de ketels staan te popelen om te mogen brouwen. Het plan zal worden gerealiseerd in Den Hoorn aan de Woudseweg, recht tegenover Benfried aan de Harnasdreef 7. “En weet je wat het allerleukste is”, zegt de jonge brouwer, “iedereen kan van de bieren genieten in ons Schenkhuis of op het terras, die mogelijkheden hebben we. Daarnaast laten we zien hoe wij die lekkere bieren brouwen.” Bijkomend voordeel is dat er vlak naast de locatie een bushokje staat, ben je geen BOB dan stap je in de bus.

We zijn direct enthousiast en nemen er nog een kopje koffie op. “Weet je”, zegt hij, “Onze brouwerij staat bekend om zijn vriendelijke bieren. Vol van smaak, ongefilterd en nagegist op de fles.” Ik constateer er een vrolijke lach bij. Veel ingrediënten worden betrokken vanuit de buurt. Men is nog op zoek naar een landbouwboer die het ziet zitten om graan te verbouwen waardoor ook de mout, de voornaamste grondstof voor bier, uit eigen gebied en Cittaslow kan worden betrokken. Ze zien het helemaal zitten en de gedrevenheid die ze nu al hebben, ondanks wat tegenslagen, hebben ze getoond door hun huidige horecagelegenheid: Het Raadhuis.

Mark vertelt in zijn plannen dat ze qua financiën al een flinke stap in de goede richting hebben gezet. Ze hebben er voor gespaard. “Niet kopen als je het niet hebt”, zegt hij. Zo zijn wij ook opgevoed, maar soms heb je toch een steuntje in de rug nodig. Er rest nog een gaatje van 30%. “Dat gaatje willen we dichten door een crowdfundingsactie”, vertelt hij.

Wij zijn al bekend met crowdfunding, vandaar dat we hem hebben uitgenodigd. We doen het zo af en toe, een jonge horecaondernemer, die zijn zaakjes goed op orde heeft, willen we helpen. Voor ons staat het verhaal van Mark als een huis, wij stappen in. Lijkt het jou ook wat, of weet je toevallig iemand die mee zou willen doen? Instappen kan vanaf €1.000,00. Met 3,5 % rente per jaar betalen zij je in 4 jaar terug. Toch altijd meer dan dat je rente krijgt bij een bank. Ze willen beginnen met aflossen in januari 2020. Weet je wat het leuke aan deze actie is: Je krijgt jaarlijks ook nog eens een lekker bierpakketje. Enthousiast? Laat het hen weten! Zij komen graag hun plannen toelichten. Je kunt hen bereiken via e-mail, telefoon 06 20373226, of nuttig een broodje of kopje koffie in het Raadhuis. Mark en Mariska hebben er enorm veel zin in en zullen je dankbaar zijn.

366. De ballenvanger van Schipluiden

Het is prachtig weer. Fris maar daar kan je je op kleden. Vrouwlief wil een wandeling maken, maar samen lopen is eigenlijk niet fijn. Ik maak een grote pas, waar zij een korte pas zet. Dat betekent voor mij inhouden en voor haar iets harder lopen. Er is niemand die met haar wil wandelen, dan ga ik wel mee.

De regen heeft haar indrukken nog achtergelaten. Paden met zachte grond zijn nog drassig. Hier en daar ligt er ijs op een bevroren plasje. Na het pad langs de Vlaardingsevaart schieten we het Laantje van Piet van der Ende in. De weilanden zijn bijna leeg, geen koeien en hier daar wat schapen. Er zijn er veel met een kleurtje op de kont. Jong vee in aantocht. De slootjes langs het pad hebben een dun laagje ijs. Schorsie piepen is er nog niet bij.

Wanneer we bijna bij een tiental schapen zijn krijgen ze het op de heupen. Eerst een en dan de rest. Het spreekwoord klopt. Een van de schapen stapt door het hek heen en staat op de openbare weg. Ik kijk haar alleen maar lelijk aan, dan gaat ze terug.

We belanden op de Zouteveenseweg. Het is er rustig. We kunnen naast elkaar lopen. Een witte reiger die dicht bij de weg paradeert, gaat in de starthouding om weg te vliegen als hij ons hoort aankomen. Een grijze reiger staat op zijn stelten in een niet bevroren slootje. Geen last van kouwe pootjes? Over ons heen vliegen drie tweemotorige vliegtuigjes. Verder is het stil en genieten we van de ruime blik over de weilanden.

Bij de Zuidka schieten we rechtsaf om na het perceel van Suijker linksaf voor de golfbaan heen te gaan. Er wordt gegolfd. De stilte wordt doorbroken door een zoef van een golfstick. Een kalende man laat zijn hond uit. Hij gooit een balletje en de hond schiet er achter aan. Op de T-kruising besluiten we om tussen de golfbaan en het voetbalveld door te lopen. In de verte loopt een man met een stok.

Het is een landmeter, meent mijn vrouw. Ik denk aan iemand die golfballetjes uit het water haalt. Dat laatste is het geval. De man heeft een constructie gemaakt waarbij aan het uiteinde van de stok een netje is bevestigd. Hij loopt langs het water en tuurt in het water. “En een goede vangst”, vraag ik hem. “20 tot nu toe vandaag”, zegt de man. Dan raken we aan de praat. De man vertelt me dat hij hier 12 jaar geleden mee is begonnen. “Werkt u voor de golfbaan?”, vraag ik hem. “Nee”, zegt hij, “voor mezelf. Ik loop elke dag langs de golfbaan en zoek de kanten en de sloot langs. Ik ben er zo’n tweeënhalf uur per dag mee bezig.” “En dan doet u ze in de wasmachine?”, vraag ik. “Nee, alles op de hand”, zegt hij lachend, “in de Omo”. De man vertelt nu 72 jaar oud te zijn en deze hobby als een mooie aanvulling te zien op zijn pensioen. “Inmiddels heb ik zo tussen de 12.000 en 13.000 balletjes opgehaald. Ik was ze, sorteer ze en verkoop ze via Marktplaats.” “Gaan de golfers zelf niet op zoek dan?”, vraag ik hem nieuwsgierig. “Nee hoor”, antwoordt hij, “ze golfen niet graag met een modderige bal en schoppen hem liever het water in.” Ik kijk hem verbaasd aan. “Echt?” “Ja”, zegt hij, “en het zijn niet altijd de goedkoopste balletjes.” De golfballenvanger toont mij een balletje. “Deze”, zegt hij, “een Callaway Supersoft AAAA kost tweedehands toch altijd nog zijn €12,00/€13,00.”

Mijn lief is inmiddels doorgelopen en zie ik in de verte lopen. “Wil ze van je af?”, vraagt de man. Ik neem nog even de tijd om met de man te praten, terwijl ik zijn fiets in de graskant zie liggen. “Ze moesten me eerst niet hier”, zegt hij, “de twaalf aandeelhouders wilden dat ik de ballen terug zou geven. Ze zijn van de club”, zeiden ze. “Er is zelfs nog politie bij geweest.” Ik vind het een reuze interessant verhaal en zou graag meer willen horen, maar zie ook mijn eega uit beeld verdwijnen. “Nou, veel succes”, wens ik de man toe en zet er even een sprintje in. Blijft toch leuk om mensen te ontmoeten.

Ik heb mijn vrouw inmiddels weer ingehaald en vertel haar het zojuist gehoorde verhaal. Het interesseert haar niet. We schieten het Sophia van Wouwpad in. Ik heb ontzettend koude handen en voeten. “Je had door moeten lopen”, zegt mijn lief. We horen het verkeer van de A4 langs ons heen razen. Anders dan toen ik gisteravond naar huis reed. Een flink aantal auto’s hadden elkaar bij het viaduct geraakt.

We gaan linksaf de Tramkade op. Het zonnetje staat laag, het is gezond weer. Een eend duikt met zijn kop naar beneden en slobbert. Een wandelaar die we eerder tegen kwamen komen we opnieuw tegen. We blijven langs het water lopen en nemen het modderige pad langs het gemeentehuis. Nog een slalom en dan de Singel af. De ophaalbrug, Valbrug, over en de Bakkerstraat in. Het ruikt naar vers brood. Nog een klein stukje dan zijn we thuis. Ondanks dat we samen zijn opgelopen heb ik 50 meter meer gelopen dan mijn lief. Ik begrijp het niet goed, maar neem het voor lief.

Toch weer een leuke en gezonde wandeling. Leerzaam ook hoe je het pensioen kan aanvullen. Ik laat de eer aan de man die dit al 12 jaar doet. Zou hij een feestje krijgen als hij het 12,5 jaar heeft volgehouden?

338. De MUS nu al geslaagd te noemen

Wanneer de overheid en het pensioenfonds jouw ‘salaris’ gaan betalen ‘zou’ je meer tijd moeten krijgen. Dat is ook zo. Je bent zelf verantwoordelijk voor de tijdsinvulling van de dag. Niet direct overal ja op zeggen, maar ook oppassen dat je jezelf daardoor niet buiten de vraag laat vallen.

Zo heb ik me ingeschreven voor het vervoersproject De MUS (Midden-Delfland UitgaanService) vanaf 3 januari is het project actief. Mensen worden opgehaald en gebracht naar waar men naar toe wil. Er is wel een restrictie. Het moet binnen de grenzen van Den Hoorn en Schipluiden.

Het geleasde karretje komt bij Bringo vandaan een bedrijf dat karretjes maakt voor o.a. golfbanen. Zo is ook ons karretje een golfkarretje. De gemeente Midden-Delfland samen met de Stichting Welzijn Midden-Delfland, Pieter van Foreest en Stichting Doel zijn de opdrachtgevers van het project. Zij bepalen ook gezamenlijk aan welke veiligheidseisen het karretje moet voldoen en zo worden er deuren ingemaakt en krijgt het veiligheidsgordels. De coördinatie ligt bij Doel. Er worden chauffeurs gevraagd. Het project kan van start.

Besloten is om het een proefperiode te geven tot aan 1 april 2018. Daar moeten mensen aan wennen. Niet aan de vervoerskosten, want die zijn er niet, het project is vooralsnog gratis. Maar wie gaat er nou in zo’n raar karretje zitten? In het begin loopt het geen storm, langzaamaan komt het op gang. Er is iemand die graag naar het zwembad wil en dat zelf niet meer redt. Daar moet even een uitzondering op worden gemaakt. Dat gebeurt. Er worden op eerdere vastgestelde grenzen twee uitzonderingen gemaakt: Het Reinier de Graafziekenhuis en zwembad Kerkpolder. Zo kan mevrouw worden vervoerd om naar het zwembad te gaan. Ze boekt direct voor elke maandag, zelfde tijd. Ze is een ambassadeur voor de MUS. Verkoopt het binnen haar kennissenkring. In de Schakel Midden-Delfland komt elke week weer een berichtje over de MUS. Vier of vijf ritten per dag en soms een dag helemaal niets. Leeft het wel? Leest men wel? Kan dit een succes worden?

Inmiddels ben ik al weer geruime tijd betrokken aan de MUS. Samen met nog drie vrijwillig chauffeurs en twee mensen van de Stichting Doel. Hier zijn mensen aan verbonden met een achterstand op de arbeidsmarkt. Men bemiddelt en probeert hen terug te laten keren in het sociaal gebeuren en arbeidsproces.

Het wordt 1 april. De proefperiode is afgelopen en in de Schakel Midden-Delfland wordt aangekondigd dat vanaf 1 april er kosten zijn verbonden aan een rit. Men kan losse kaartjes kopen à € 1,50 per rit. Kaartjes kunnen slechts bij het Gemeentehuis, Akkerleven en de Kickerthoek worden gekocht. Een enkel kaartje is eigenlijk geen totale optie. 10-rittenkaarten worden in het leven geroepen. 10 ritten krijgen, 9 betalen. Ik heb de eerst betalende klant. Ik rijd nog even met mevrouw langs bij Akkerleven voor het ophalen van zo’n 10-rittenkaart. Het is wennen met het datumstempel. Ritten moeten op de kaart worden afgestempeld.

Het onbekende van zo’n voertuig schrikt soms af. “Daar ga ik echt niet in”, hoorde ik een potentiële klant zeggen. Bij de Albert Heijn zet ik ‘m pontificaal voor de deur als een klant zijn boodschappen doet met de MUS. Hij moet rijden, gepromoot worden en dit is een goede plek. De koffieochtend in de Dorpshoeve ook zo’n punt. Maar wat er gebeurt, het aantal ritten neemt juist af. Is het de prijs? Zijn we te duur? Hele dagen staat het karretje bij mij aan de Westlander. Maar ook de andere chauffeurs hebben er last van dat er bijna niemand meerijdt.

Ik meld het bij de coördinator. Maar overleg tussen de vier partijen om er iets aan te doen kost weken, maanden. Ik besluit de wethouder in te schakelen en dan gaat het snel. Donderdag gebeld, maandag een besluit: het wordt opnieuw gratis. En dat is te merken. Opeens loopt het aantal ritten op. Zo erg dat er soms ‘nee’ moet worden verkocht.

Meer mensen gaan gebruik maken van de MUS voor het ziekenhuis. Geen parkeerkosten, en als je klaar bent even bij de portier langs lopen. Deze belt de MUS en binnen tien minuten zijn we er.

Er wordt niet meer betaald voor de rit, maar de chauffeur krijgt regelmatig een fooitje. Een mooi potje om zo af en toe iemand in eenzaamheid uit het isolement te halen en een kopje koffie te gaan drinken. Dit wordt betaald uit het fooienpotje. Maar ook krijg ik een kopje koffie aangeboden als ik iemand op ga halen bij het ziekenhuis en daar hoort een gevulde koek bij of ik krijg een trosje druiven. Mensen waarderen het, dat is duidelijk.

Het Algemeen Dagblad is geïnteresseerd en een journaliste neem ik een dag op sleeptouw. De Krant op Zondag wil er meer over weten, belt me en plaatst er een artikel over. De Schakel Midden-Delfland plaatst er een stuk over. Aandacht alom, dat is prima.

Inmiddels heb ik tot twee keer mijn eigen auto moeten halen omdat de MUS leeg was. Zoveel ritten op één dag dat de accu leeg is. Naar een oplossing wordt gezocht.

Soms rijd ik een buitentijdse rit, een stukje voorlichting bij bijeenkomsten. Het ophalen een afscheid nemende pastor. Het is leuk om te doen. Het is regelmatig passen en meten om er op tijd te zijn. Sluiproutes waar een paaltje staat en er aan beide zijde slechts vijf centimeter over is. MUS-meerijders knijpen ‘m soms als je over het fietspad rijd. Schoolgaande jeugd die niet opzij gaat. Wandelaars die drie breed blijven lopen. Het blijft opletten en aanpassen. We zijn gast op een fietspad. Er wordt druk gewerkt aan vergunning om over alle fietspaden te rijden en niet alleen de Tramkade, waar we wel vrijstelling voor hebben.

Het project is een succes gebleken. Al ontstaan er gaten in de chauffeursbezetting. Op een vacature zijn aanmeldingen gekomen. Wat betekent dit voor de vertrouwde gezichten op de MUS Na de proefperiode vindt er nog wel een evaluatie plaats over de verlenging.

Intussen is de MUS binnen het gebied goed bekend. Mensen weten wie er rijdt, het is constant handen opsteken en zwaaien. Er zijn sociale contacten ontstaan tussen chauffeur en klant. Men deelt het leven, er is een luisterend oor en een schouderklopje, een ondersteunend woordje als je iemand naar het ziekenhuis brengt.

Hoe kunt u reserveren? U boekt een rit op maandag t/m vrijdag tussen 9:00u en 17:00u via het telefoonnummer 06 20 77 83 70 of via mailadres: De­Mus@ggz-delfland.nl.

Voor mij mag het project verlengd worden en worden omgezet naar een definitieve plek binnen de Midden-Delflandse samenleving. Uitbreiding met vervoer naar Maasland en het station in Delft. De MUS is nu al geslaagd te noemen, is mijn mening. Ik wil me er graag voor inzetten.

327. Gay Pride vs Varend Corso

Wat hebben de Gay Pride en het Varend Corso gemeen. Beiden vinden plaats in het eerste weekend van augustus, altijd. Beiden trekken een giga publiek. Beiden ook zijn kleurrijk, waarbij het bij de Gay Pride roze is dat de boventoon voert. Bij beiden straalt het enthousiasme uit. Het publiek is laaiend. Deelnemers, figuranten geven alles wat ze hebben. Twee meesterlijke evenementen.

Dit jaar is het voor de achtste keer dat ik als figurant meedoe aan het Varend Corso. Dit keer stap ik op zondag om 11:00uur aan boord van de boot van Vlaardingen. 1000 jaar Vlaardingen. Na een hevige strijd tussen de Duitse Keizer en de troepen van Dirck III wordt de victorie gevierd. De laatste, Dirck, wint namelijk de slag. De Slag bij Vlaardingen luidt een bloeiperiode in van het graafschap dat rond 1100 Holland gaat heten. Dat zullen de strijders op de boot van Flardinga (Vlaardingen), Holland in brengen. De plaatsen waar het Varend Corso door heen komt kunnen de victorie meevieren met de strijders. Een document van Dirck III zal meevaren van Vlaardingen naar Delft en daar worden overhandigd aan de bestuurder van die stad.

Bij de Gay Pride is het me nog nooit gelukt een plekje te veroveren op één van de boten. In Amsterdam wordt ook voor vrijheid gestreden. Vrijheid voor iedereen, ongeacht geslacht, kleur, of geaardheid. Deze vrijheid zou voor eenieder moeten gelden, maar nog altijd is men hier op verschillende plaatsen niet vrij in. Veroordeling om wie of wat je bent hoort niet in onze samenleving thuis. Gun elkaar het vrije leven en oordeel niet. Strijders voor deze vrijheid zullen tijdens de Pride hun enthousiasme laten zien, stralen plezier uit en genieten.

Arrangeurs hebben zich suf bedacht, hoe de aankleding van de boot moet zijn. Thema Heroes bij de Gay Pride en Helemaal Holland in het Westland, Maassluis, Midden-Delfland, Vlaardingen, Den Haag en Delft. Vrijwilligers die al dagen bezig zijn met het maken van de decors, het pimpen van de boten, de bloemen steken en in het sorteren en ordenen van fruit en groentes in het Westen. Het is te hopen dat de temperaturen in het redelijke blijven zodat het fraaie van de decors lang goed blijven.

Het afgelopen jaar hebben Circa 560.000 personen staan kijken naar de tachtig boten die door de Prinsengracht en over de Amstel voeren. De stad ligt lam. Er is geen doorkomen aan. Bij het Varend Corso waren dat er ook ruim een half miljoen. Evenementen die inmiddels hun status dubbel en dwars hebben veroverd. Waar het in Amsterdam om één dag gaat, geniet het publiek bij het Varend Corso dat op drie dagen. Dorpen en steden hebben zich ingezet om er iets moois van te maken.

Het worden opnieuw geweldige spektakels waar het publiek de winnaar van is. Rustig in je opnemen wat er zoal voorbijkomt. De muziek zal schallen, dat is gebruikelijk. Het enthousiasme van de walkant zal overslaan naar de figurant en zal hen blijvend aanmoedigen, want het is vermoeiend, dat kan ik u vertellen.

De kleurschakering zal ook dit jaar prachtig zijn. Bloemen die op kleur zijn gestoken. Fleurige en aangepaste kleding. Zowel bij de Gay Pride als bij het Varend Corso. Ruim 80 boten bij de Gay Pride en 41 bij het Varend Corso. Het feest zal zowel in Amsterdam als in het Westland en Omstreken, massaal zijn. Het wordt genieten door zowel de walkanter als de figurant en niet te vergeten de schippers. Ik wens u een prachtig evenement toe.

317. Een markante Schipluidenaar

Ik heb mijn wandelschoenen aan. Ben van plan om een flink rondje te lopen. Mijn ‘grote’ Sonycamera gaat mee. Ik wil dingen vastleggen. Wanneer ik de wijk uitloop kom ik uit op de Dorpsstraat. Ik schiet nog even een plaatje van onder de brug door en een van de Vlaardingsekade. Ik neem de Paardenbrug en dan…..

Wandelend langs de antiekzaak van Jan Holtkamp, ‘Jantiek’ staat de eigenaar onder aan de kade. “Moguh”, zegt hij tegen mij, “hoe is ie.” We raken aan de praat. Mensen die voorbij komen roept hij toe. “Fausto Coppi”, wanneer hij een oude wielrenner aan de overzijde voorbij ziet rijden. De al wat oudere wielrenner kent kennelijk zijn bijnaam en steekt zijn hand op. “Daar rijden dames uit Limburg”, zegt hij om zich daarna snel te verbeteren “oh nee, Friesland.” Ik vraag hem of hij iedereen kent. Hij lacht als ik die vraag stel.

Wanneer we even zitten komt er een voormalig Schipluidenaar voorbij. Met de fiets aan de hand probeert hij langs ons heen te wandelen. “Koffie”, vraagt Jan. “Nee, ik heb het druk”, antwoordt de gevraagde. ”Jij toch wel”, zegt hij als hij mij aankijkt. Het gesprek gaat nog even verder. “Schipluiden verzakt”, zegt Jan en laat de afstap zien die rond 2000 is aangelegd. “Waar je die balk ziet die nu zo’n 10 cm onderwater ligt, is ie aangelegd zo’n 10 cm boven de waterlijn.” “Ik houd mijn hart vast.” “Je mot eens mee naar binnenlopen, dan ken je zien dat er allerlei scheuren in mijn huis komen door de verzakkingen.”

Ik wandel mee zijn winkeltje in. Voor mij ligt alles ongeorganiseerd in zijn winkeltje. Hij weet alles feilloos te vinden. Er liggen boeken, schilderijen en wandplaten, er staan beelden, glas in loodtafereeltjes, snuisterijen en andere zaken waar Jan handel in ziet. Een man die ongecompliceerd zo af en toe een lelijk woord laat vallen. Hij heeft een mening over zaken uit het Schipluidense.

Ik ben nog op zoek naar foto’s van oud-Den Hoorn laat ik hem weten. “Op de vitrine in het winkeltje”, zegt hij, “maar loop eens mee.” Hij laat mij de scheuren zien in het halletje. “Deze is er van de week bij gekomen. Die had ik nog niet eerder gezien.” Dan laat hij mij alleen en baant zich een weg naar boven. “Sterk of slap”, roept hij naar beneden. Het gaat over de koffie. “Sterk”, geef ik hem te kennen, “zodat mijn haren overeind gaan staan.”

Even later staat hij met twee kopjes koffie beneden. “Loop eens mee”, zegt hij opnieuw, terwijl hij de kopjes koffie in zijn handen houdt. We wandelen door de winkel naar achter buiten waar ik in een natuurtuin terecht kom. Een smal wandelpad geeft toegang tot een grote schuur aan het eind van het pad waar hij nog meer handel heeft staan. “Die stoel gebruik ik om op het gemak mijn boeken uit te zoeken. Ik heb er net weer een aardige partij gekocht.” Hij wijst op een aantal bananendozen die tot aan de rand toe vol zijn met boeken. De kopjes koffie houdt hij in zijn hand terwijl hij blijft praten.

We wandelen weer naar de kade. “Welke wil je”, vraagt hij en houdt de kopjes wat hoger. Ze zijn kennelijk of allebei net zo sterk of net zo slap. We settelen ons op het bankje voor zijn huis. Een bank die inmiddels al veel keer een zitplaats heeft geboden aan Jan, maar ook voorbijgangers. Een van de uiteinde zou zomaar tot de antiekhandel kunnen behoren de stukken vallen er uit. Aan de overkant rijdt zijn dochter Mariska voorbij, ze roept wat en hij wat terug. Twee dames komen uit de zaak. “We komen nog een keer terug”, zegt er een, “dan komen we hier en daar”. Mevrouw maakt met haar hand en gebaar naar de zaak van zijn dochter Mariska, Het Raadhuis. “Best”, zegt Jan. “Zie je trouwens dat alle terrassen vol zitten”, zegt Jan, wijzend op het terras bij Hoek, bij de Vergulde Valk en bij Het Raadhuis. “Ze doen het zo goed, he, Mariska en Mark”, geeft hij nog even mee.

“Ze moeten toch eens nadenken over het verzakken van Schipluiden, want dat gaat echt niet goed.”, gaat hij zijn verhaal verder. De gemeente geeft er geen aandacht aan of houdt het stil, maar ook het Hoogheemraadschap denkt er te gemakkelijk over, vertelt hij. “Gelukkig hebben ze wel het aanzicht van de Vlaardingsekade kunnen behouden. Wilden ze de bomen weg hebben en er betonnen bankjes neerzetten. Daar hebben we gezamenlijk een stokje voor gestoken.”

Ik weet dat hij gecharmeerd is van onze René en vraag of hij het artikel heeft gelezen in het Algemeen Dagblad. “Natuurlijk”, zegt hij, “maar heb jij de uitzending van Nooit meer Slapen gehoord, waar René ook in was”. Ik moet ontkennen. “Een VPRO-programma, ’s nachts tussen 12:00 en 02:00. Ik heb mijn oortjes in en luister dat programma altijd. Hij deed het goed”, zegt hij. Dan plots begint hij weer over iets anders.

“Ik hoop één ding”, geeft hij mee, “dat Midden-Delfland bestaansrecht blijft houden en dat Jaap Smit (commissaris van de Koning), straks niet zegt: Maasland en Maassluis voegen we toe aan Rotterdam en Schipluiden en Den Hoorn gaan naar Delft.” “Of naar het Westland”, merk ik op. “Dan ben ik hier acuut weg en emigreer ik gelijk naar Frankrijk”, zegt hij met een lelijk gezicht.

Op de rand van de kade ligt een bosje witte hortensia’s. “Neem jij die mee”, zegt hij. “Ik heb ze gekregen, maar ga volgende week met vakantie”.

Het is een markante Schipluidenaar. Karakteristiek, met een mening. Ik mag hem wel, geeft ongezouten zijn mening en zegt wat hij denkt.

Van mijn wandeling kwam niets meer. Later die middag heb ik het stuk laten lezen. “Je bent de Volkskrant voor, die komt volgende week”, geeft hij aan. Mijn wandeling die middag was een mooie met de gedachte aan het gesprek met Jan.

307. Wedstrijd Belgen – Bokken weinig spectaculair

De derby tussen Belgen en Bokken staat op het programma, en dat voor de cup Midden-Delfland. Ik mocht de wedstrijd eerder in 1977 fluiten. Altijd speciaal.

Het is kwart voor twee als ik richting sportpark Schipluiden rijd. Weinig mensen op weg naar de derby der ‘lage landen’. Op het sportpark aangekomen wemelt het van de fietsen. Ik kan er nog net aan een plekje vinden en zet mijn fiets met kettingslot vast aan de paal van de fietsenrekken.

Ik wandel naar de kantine als ik twee mensen van de WOS voorbijloop. Staan ze op potentiele mensen te wachten die men wilt interviewen? De Burgemeester, ja die hadden ze al gespot, hem was de eer te beurt gevallen een praatje te doen. Verderop zit de stemming er al goed in. Het terras is redelijk bezet, maar niet overdadig druk.

De tap is open, het weer werkt mee, een stralende zon doet wat er wordt verwacht: een mooie ambiance voor een historie die moet worden voortgezet. Spelers die zojuist nog een opwarmrondje deden, vertrekken richting kleedkamers. Het veld ligt er als een spiegel bij. Letterlijk en figuurlijk. De zon doet daar z’n uiterste best voor.

Dan om twee uur betreden de matadoren de autobandengrasmat. Keurig achter elkaar lopend, alsof het om een interland gaat, wandelen ze naar de middenstip. Voorop de leidsman met twee secondanten.

De burgemeester neemt het woord refereert aan de historie die in de jaren 1930 is ontstaan en wenst de teams een prettige maar bovenal sportieve wedstrijd.

Als de teams zijn opgesteld klinkt het beginsignaal. Het eerste balcontact is er. Maar dan opeens een uitglijdende scheidsrechter en twee teams die het veld weer verlaten. “Wat is er aan de hand”, hoor ik in mijn omgeving. Een afkoelingsperiode, nu al, ja, het is warm. Mijn telefoon geeft aan dat het 29° Celsius is. Maar nu na twee minuten al. Na elke twee minuten stoppen, dan kan het een lange middag worden.

Naast mij komt een jonge vrouw staan. Ik kijk op het wedstrijdboekje wat men zoal te melden heeft. De vrouw vraagt of ze even mee mag kijken. Ik had ze even niet herkend, kwam vast door mijn zonnebril.

De wedstrijd ligt intussen stil. Er is uitgebreid tijd om een biertje te gaan halen. De geluidsinstallatie gaat aan en de muziek schalt over het sportpark. Als snel gonst het over het sportpark: “De scheids heeft zijn pols gebroken.” En nu.

Even later komt er een nieuwe scheidsrechter aanfietsen, Hij mag voor deze gelegenheid met zijn fiets naar de kleedkamer. Tas over de schouder hangend fietst hij onder luid applaus tussen de menigte door. Na zo’n 10 minuten is de man in het zwart klaar met verkleden en wordt de wedstrijd hervat. Een wedstrijd die niet als ‘hoogstaand’ kan worden aangemerkt. Schipluiden wat verzorgder voetballend dan Den Hoorn. Het verschil in klasses is nauwelijks te zien. De wil om te winnen is bij Schipluiden duidelijk hoger dan bij Den Hoorn.

Naast mij aan het hek komt een groep supporters van Schipluiden staan. Zij hebben pitches bier gehaald. Gewoon drie op een groep van zes personen. Ik dacht dat er geen alcohol meer langs de velden mocht, maar dit is vriendschappelijk, dan is het kennelijk geen probleem.

Op het terras trekken mannen hun shirt uit. Dames hebben dunne blouses aan. Blote armen zijn zichtbaar, versierende taferelen in blauw getekend. Het weer is fantastisch, al merk ik al wel dat ik vergeten ben om mijn gezicht in te smeren.

1 – 0. Schipluiden is de eerst scorende ploeg. Er worden fouten gemaakt in de achterhoede van de op bezoekzijnde ploeg. Even later 2 – 0. “Tien, tien, tien”, wordt er vanaf het terras geroepen. Maar dat is niet te hopen.

Dan zie ik de ‘eerste’ scheidsrechter voorbijlopen. Hij heeft inderdaad zijn pols gebroken en is op weg naar het ziekenhuis. Hij had ongetwijfeld een andere aftocht gewild. Door de warmte is er een extra rustmoment ingelast. Even wat water drinken.

Het is rust. Opnieuw worden er pitches aangerukt. Ik kom even te spreken met iemand die kunstgras levert en wil er iets over weten. Het blijkt voor de leverancier een dure geschiedenis te zijn met allerlei licenties die men met de KNVB moet afsluiten.

De helden komen opnieuw het veld op voor de tweede helft. Al na 10 minuten is het weer raak. 3 – 0. Een blunderende keeper die onder de bal doorgaat en een strakscorende Schipluidenspeler tillen het resultaat op.

Het vierde doelpunt heeft een luchtje. Waar de grensjager terecht wijst dat het ingooi is voor Den Hoorn, wijst de scheidsrechter de andere kant op. Spelers en trainer van Den Hoorn hebben er zo hun bedenkingen bij en benaderen de scheidsrechter iets te dichtbij. Het loopt met een sisser af. Als de inworp wordt genomen is dat een complete assist. De speler van Schipluiden gooit verder dan dat hij trapt. Een complete voorzet: 4 – 0. Opnieuw scandeert men het getal met dubbele cijfers.

Een speler van Den Hoorn meent de snelle buitenspeler van Schipluiden een dusdanige trap te mogen geven, dat hij het voor de rest van de wedstrijd wel kan vergeten. Het valt mee, de waterzak doet wonderen, maar levert wel een gele kaart op voor de Den Hoorn-speler. Even later nog één. Even dreigt het grimmiger te worden, maar de gemoederen bedaren. Legt Den Hoorn zich al bij deze uitslag neer?

Na wat fouten in de achterhoede van Schipluiden is men met een inhaalslag begonnen bij Den Hoorn, 4 – 1 en even later 4 – 2. Naast mij komen er nog wat pitches bij. De glazen zijn nooit leeg.

Een bal tegen het scorebord geeft ineens een betere weergave van de tijd. Waar streepjes van cijfers zijn verdwenen, komen ze weer naar voren waar de bal er zojuist tegenaan is geschoten. Nog vijf minuten. Ik vind het genoeg, mijn kop staat in de fik, ik wandel richting uitgang. Dan plots zie ik iets met de tijd gebeuren op het scorebord. Is het ding van slag na die treffer met die bal, of zit er iemand met zijn tengels aan de knoppen. Op de valreep mag Den Hoorn nog één keer scoren waardoor de eindstand komt op 4 – 3. Gezien de verhoudingen in de wedstrijd een terechte uitslag, al zal men daar bij Den Hoorn vast anders over denken.

Als ik het terrein afloop wordt de geluidsinstallatie harder gezet. De DJ gaat aan de slag. Het blijft nog lang onrustig op het dorp, door de ver schallende muziek. Schipluiden zal er een beste dag aan hebben gehad. De penningmeester zal in zijn handen wrijven. Het extra kwartje op het biertje levert extra knaakkies op. De bierwagens kunnen weer aankomen rijden en de voorraad aanvullen.

296. Wat gebeurt er in een stemlokaal?

Het zit er weer op de verkiezing van de volksvertegenwoordigers voor de gemeenteraden, maar ook de stemmen voor het referendum werden uitgebracht. Ik heb net als een aantal jaar terug deel mogen uitmaken van een team leden van een stembureau. Dit keer in Den Hoorn, waar ik geboren ben. Na een rustig verlopen dag wordt het om vijf uur zo druk dat er wachttijden zijn. Kiesgerechtigden wachten geduldig om het recht van stemmen tot uiting te brengen. Voor kinderen van kiezers is er een paaseitje. Zo hebben zij ook wat te kiezen, al gaat het hier alleen om de kleur van het papiertje.

Het is kwart voor zes als mijn wekker afloopt. Vandaag mag ik als stembureaulid optreden en dan begint de dag vroeg. Het is net een werkdag, maar wel een met veel overuren. Mijn nieuwjaar, ik was de dag ervoor jarig, begint actief. Vrouwlief is al op als ik beneden kom, de vaatwasser is uitgeruimd en de attributen om mijn brood klaar te maken liggen op de aanrecht. Na het eten nog even scheren en dan wachten tot ‘mijn’ chauffeur voor komt rijden. Ik duik nog even de koelkast in voor een traktatie later op de dag voor bij de koffie. Daar moet wel een groot mes bij. Als men had geweten dat ik met een mes in mijn tas naar het stembureau zou komen, had men gerild, denk ik. Maar ik weet niet of er ter plekke zo’n mes is om mijn traktatie aan te snijden. Ik houd hem angstvallig in de tas.

Om kwart voor zeven wordt er gebeld, mijn mede-stembureaulid staat aan de deur. Met nog twee leden van een ander stembureau gaan we op weg naar Den Hoorn, voor deze dag ons domicilie. We worden afgezet waarna de andere leden doorreizen.

Als we uit de auto stappen worden we toegewuifd door de stembureauleden die reeds aanwezig zijn. Men wacht duidelijk op ons. We wandelen het gebouw in, de trap op, naar het stemlokaal. Het is er smerig bemerk ik. Het stof dwarrelt door de gangen. Hier en daar ligt een hoopje zand. Een fonteintje is begroeid. Bij binnenkomst stellen we ons aan elkaar voor. De overige twee stembureauleden heb ik nooit gezien en ken ik alleen van naam. Het zou een hecht team worden die dag.

In de lokaliteit loopt nog een man rond, gekleed in een wit T-shirt en spijkerbroek. Hij heeft de bezem in zijn handen. Nog even driftig de laatste pluizen het gebouw uitvegend spreek ik hem aan. “U bent de conciërge?”, vraag ik hem. Hij kijkt mij aan met een blik die mijn vraag niet bevestigend beantwoordt. “Nee”, zegt hij, “ik ben hier de schooldirecteur.” Ik kan wel even door de grond zakken. Maar meneer neemt het heel sportief op en maakt er nog een grap over. “Als onderwijsgevende moet je van alle markten thuis zijn”, zegt hij en gaat driftig verder met schoonmaken. Het lokaal dat we gebruiken om te stemmen blijkt al twee jaar niet meer gebruikt en “dan moet je er ook geen energie en geld in steken”, is zijn conclusie. Daar ben ik het mee eens.

De stemhokjes moeten nog in elkaar worden gezet, de posters opgehangen, het rode potlood zodanig bevestigd dat het niet kan worden mee genomen en er moet koffie komen.

Na de posters te hebben opgehangen haal ik uit de krat die is aangeleverd, Senseopads. Dan moet ik op zoek naar een apparaat daarvoor. De andere drie stembureauleden maken intussen de administratieve zaken op orde. Na navraag bij een leerkracht vind ik de lerarenkamer. Nu nog kopjes. Het is in kastjes en laadjes zoeken maar dan vind ik vier attributen die op een kopje moeten lijken. Ze vertonen wat theesporen. Dat vind ik vies. Met wat ik kan vinden, een borsteltje en handzeep, krijg ik de bruine strepen redelijk uit het kopje. De Senseo warmt intussen op. Even later heb ik wat ik hebben wil en kan ik mijn medeleden voorzien van een kopje bruin vocht. Helaas nog geen suiker en melk.

Om tien voor halfacht staat plots de eerste stemmer al voor mijn neus op de trap. “Ik mag toch al wel?”, vraagt hij. “Nee meneer, om halfacht gaat het stembureau pas open. “En tot hoe laat dan?”, vraagt hij me terwijl hij zijn stempas in de hand heeft waar dit op staat. “Negen uur meneer.” “Kom ik mogelijk later terug”, is zijn antwoord. Hij vervolgt zijn weg en keert om weer terug naar beneden.

De installatie van het stembureau is inmiddels afgerond. De tweede en volgende stemmers kunnen komen. Ik mag op de reservebank, het vierde stembureaulid. Op een stembureau moeten altijd drie stembureauleden aanwezig zijn achter de tafel. Bij menselijke calamiteiten vervult de vierde de plek achter de stemtafel. Tijdens de dag rouleren we als stembureauleden, met uitzondering van de voorzitter van het bureau. Deze mag niet weg, is de verantwoordelijke tijdens zo’n dag en dient de volledige controle te doen. Voor het plasje is het even kijken of er niemand in aantocht is. Bij ons is een juridisch medewerker van de gemeente met deze taak belast.

Tijdens het naar school gaan of naar de opvang brengen van hun kinderen komen de eerste stemmers binnen. Sommige hebben hun zoontje of dochtertje nog bij zich en willen snel. De controle dient uiterst precies te gebeuren, sneller dan die handeling kan niet. Zo sukkelt het de gehele dag door. Weinig spectaculairs en ik kan nog wel een keer koffie maken en halen.

Om even elf uur komt er man het stembureau in wandelen. Hij duikt met zijn handen diep in zijn binnenzak en tovert ineens zes stempassen tevoorschijn. Je mag echter niet zoveel stemmen uitbrengen. Dan blijkt dat hij in zijn onschuld een aantal kiespassen te hebben meegenomen van een ander stembureau. De man schrikt ervan, maar weet niet hoe het is gebeurd. Hij is gaan stemmen bij een ander stemdistrict en zou bij volmacht stemmen voor zijn zoon. Hij heeft echter het legitimatiebewijs van zijn zoon niet bij zich, waarop hij de stempas weer mee mag nemen en daar gaat het mis. Het meenemen. Na enig bellen naar het stembureau waar hij eerder is geweest blijken zij inderdaad de passen te missen. Een mooie wandeling die richting op lost het raadsel weer op. Ik word er met een blij gezicht ontvangen.

De leerkracht die ik eerder sprak over de lerarenkamer vraagt mij of het goed is als hij met een klein groepje even mag kijken bij het stemlokaal. Dat gebeurt ook, na toestemming van de voorzitter van het stembureau. “Het moet wel rustig hoor”, geeft ze mij te kennen. Dan op enig moment komt hij met de eerste groep naar boven. Hij vertelt hen wat er zoal gebeurt. Ik probeer de kinderen aan de hand van de stemlijst, die men ooit thuis heeft gekregen, uit te leggen wat er plaatsvindt. “En hoe laat bent u dan thuis vanavond?”, vraagt een leerling nadat ik heb gezegd ook bij de telling aanwezig te zijn. “Ik denk rond een uurtje of twaalf”, leg ik hem uit. “So hé”, zegt hij, “dan zit jij hier ook lang”. Er komen nog wat losse vragen op mij af, waarna zij weer verder de les ingaan. Zo komt de leerkracht nog tweemaal met een groepje naar boven.

Wanneer een vader met zijn dochter het stembureau betreedt wil dochter graag overal bij zijn. Het gaat echter te ver als de vader het rode potlood aan zijn dochter geeft en zij de kleurplaat denkt af te mogen maken. Dat is niet toegestaan. De man krijgt er vanachter de stemtafel een opmerking over dat dit niet de bedoeling is. Er zijn immers regels en die zijn er niet voor niks.

Het gaat er redelijk relaxed aan toe en er is tijd voor een praatje, een hapje en een lach. Rond elf uur wordt het eten gebracht. Ook daar is redelijk de tijd voor al heeft men soms net een hapje genomen als er weer iemand voor de tafel staat. Tussentijds tellen we, want tellen is belangrijk. Klopt het aantal stempassen voor de gemeenteraad met het aantal in de bus gedeponeerde stembiljetten, die worden geturfd als ze in de stembus worden gedeponeerd. Datzelfde geldt voor de referendumpassen. De aantallen zijn prachtig in evenwicht. Stempassen worden gebundeld in tientallen. Daarna nog een keer geteld en dan opgeborgen in het magisch koffertje van het stembureau. En zo gebeurt dit meerdere keren per dag.

Even na het middaguur bezoek van de burgemeester met gevolg. Cameramensen en medewerkers van de gemeente. Er wordt druk gefilmd en foto’s genomen. Na en kort woordje vertrekken zij weer naar verderop.

Om even na tweeën plots een hele klas in het stemlokaal. Dat is te veel. Toch probeer ik uitleg te geven over de gang van zaken. Maar hier veel meer vragen. Als een van de opgekomen stemmers aangeeft dat het rustiger moet zijn, vertrek ik met de klas naar beneden om hen daar nog andere zaken uit te leggen. Ik vind het ineens leuk om zo even voor de klas te staan. Had ik eerder moeten weten.

Opnieuw is het hierna niet echt druk. Een gebracht lauw broodje warm vlees kan rustig worden opgegeten. Het broodje ‘eeii met uuii’ van een van de leden doet het stemlokaal even een ander geurtje geven. Een bakje vers fruit wordt opgepeuzeld en is een aangename verrassing.

Dan om vijf uur gaat het lopen. De meestal jonge bewoners uit de wijk komen thuis van hun werk en gaan nog even naar het stembureau. Veel volmachten en dat houdt op. Ons zojuist gebrachte avondeten blijft in de doos, er is geen tijd meer voor. De stroom is op gang gekomen en er is een wachttijd die kan oplopen tot wel twintig minuten tot een half uur. Tot halverwege de trap staan mensen geduldig te wachten tot men aan de beurt is. Het is een sociaal gebeuren geworden, men praat met elkaar en op de gang wordt hard gelachen. Als een jonge vrouw met een Chinese identiteit haar stempas inlevert is controle niet mogelijk. Slechts mensen met een Europees identiteitsbewijs kunnen stemmen. Ze gaat terug om haar Nederlands rijbewijs op te halen, een half uurtje later is ze terug. Stemmen is een recht en daar moet je gebruik van maken.

Tot aan drie minuten voor negen staan er mensen te wachten om hun kiesrecht uit te kunnen voeren. Dan om klokslag negen uur gaat de deur dicht. De doos met broodjes gezond, vlees of kaas staan nog op dezelfde plek die de cateraar heeft uitgezocht. Een binnen komen wandelend raadslid helpt met het ontmantelen van het stemlokaal.

Het tellen der stemmen kan beginnen. Tussen het tellen door even een hap van een broodje. De voorzitster die de hele dag heel relaxed de zaak in toom heeft gehouden krijgt plots haast. Als door een wesp gestoken deelt ze orders uit. “We moeten snel zijn”, zegt ze, “liefst de eerste.” Drie tellers, collega’s van het team van de voorzitter, hebben zich toegevoegd aan de groep van vier. Als we net bezig zijn komt de bittergarnituur binnen. Een hap en door. Alle stembiljetten openvouwen, sorteren op partij, en dan op kandidaat. Referendumbiljetten moeten worden gesorteerd, ‘voor’, ‘tegen’, ‘blanco’. Het proces-verbaal van de dag moet worden opgemaakt. Zittend op kleine krukjes, of op de grond zittend krijgt elk biljet zijn plekje. De grote enveloppen waar alles in moet worden opgeborgen zijn in de loop van de dag reeds gemaakt en beschreven. Dat is een stukje extra gemak. Tussendoor worden aantallen opgevraagd. Bij het gemeentehuis is men reuze benieuwd. Hier vindt straks de after-party plaats. Dan blijkt dat bij een eerste telling en herhaalde telling exact de aantallen stempassen overeenkomen met de uitgebrachte stemmen. Ook bij het referendum wijkt het niet af. Een high-five is op zijn plaat. Er is die dag zuiver en effectief gewerkt.

Als om halftwaalf de schooldirecteur is gebeld om af te sluiten, doen we nog even een toast op de geslaagde dag. Een leuk team van leden aangevuld met tellers stoten het plastic bekertje tegen elkaar. We hebben het lekker gefixt.

Nog even naar de after-party in het gemeentehuis, waar blije, maar ook teleurgestelde partijen rondlopen. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden, kleine partijen zijn toegetreden tot de raad. De partij met het grootst aantal stemmen mag gaan proberen een regerende coalitie te vormen. Na een biertje en warm hapje is het voor mij genoeg. Ik wandel naar huis, mijn gedachten gaan over of ik een blog/verhaal zal maken.

Mijn dank gaat uit naar eenieder waar ik vandaag een zinvolle dag mee heb gehad.