293. Solistenconcours

Ik schreef al eerder dat er veel muziek zit in de familie Van Meurs. Als trompettisten bekend in Den Hoorn en omgeving. Als lid van de muziekvereniging ‘Kunst Na Arbeid’ veel optredens verzorgd, maar zo hier en daar onze klanken laten klinken via een boerenkapel of dansband bij carnaval, trouwerijen, kerken en meer.

Om de twee jaar organiseert men bij de muziekvereniging een solistenconcours. Zulke evenementen verhogen het niveau van de vereniging, want niemand wil afgaan. Het is geen verplichting om mee te doen, maar je laat het niet aan je voorbijgaan.

Op 11-jarige leeftijd doe ik voor de eerste keer mee. Droomland is het nummer dat voor een beginnend trompettist al lastig genoeg is. Het is repeteren, repeteren en nogmaals repeteren. Dan in de week waarin het concours plaatsvindt een keer met de pianiste meedoen. Zij begeleidt de hele avond alle solisten en moet dus ook flink aan de bak.

Het gaat die eerste keer zeker niet slecht, de jury, dirigent Kornet en de heer Van Seuren, beschrijven in een rapport waar het aan ontbreekt, maar ook waar men met genoegen heeft geluisterd. Er worden punten uitgedeeld, voor samenspel, inhoud, techniek en toonvorming. Het geheel wordt met een echt diploma afgerond.

Door de jaren heen spelen we, mijn vader, mijn broers en ikzelf heel wat nummers op deze concoursen. Het is niet altijd hosanna, maar je weet wel waar je ongeveer staat. Ik heb altijd een hekel gehad aan repeteren, dat is door de jaren heen wel duidelijk geworden. De kwaliteit en kwantiteit bij mij staan op een veel lager peil dan dat van mijn, nu nog spelende broers Martin en Loek. Zij zijn veel meer van de techniek en repeteren bijna dagelijks minimaal een uur per dag. Ik speelde nooit meer dan een uur in de week.

Tijdens het laatste solistenconcours spelen we het concert voor twee trompetten van Vivaldi. Samen met vriend André zijn we weken bezig om het concertstuk onder de knie te krijgen. Een lastig muziekstuk en voor mij misschien wel veel te hoog gegrepen. Maar toch verdraait het gaat niet slecht. Het is dan wel dagen achtereen repeteren, herhalen van stukken uit het concert, loopjes nogmaals doen. Eerst de eigen partij onder de knie zien te krijgen, dan het samenspel met de ander en vervolgens met de pianiste, Mw. Poldervaart uit Leidschendam.

Op de avond van het concert, ik ben schijtzenuwachtig. Maar dat ben ik niet alleen, dat is mijn maat nog veel meer, maar dan zowel letterlijk als figuurlijk. Wanneer er wordt aangekondigd dat wij aan de beurt zijn heb je nog een kwartiertje om in te blazen. Maar waar ik ook zoek, ik ben mijn maatje kwijt. Waar is ie gebleven? Ik kijk de zaal nogmaals rond, maar wie ik zie geen André. We zouden samen nog even onze instrumenten warm blazen, maar ik zie hem nergens. Wanneer ik richting toiletten loop, hoor ik plots dat er nog iemand aanwezig is. “André”, roep ik. “Ja”, geeft hij te kennen. “Waar blijf je nou?” “Ik ben gigantisch aan de schijt en durf de wc niet meer af.” Het zijn puur de zenuwen, waarvan ik altijd dacht dat hij die wel onder bedwang had. Hij speelt in een tv-orkest, begeleidt vaak grote artiesten en zou het klappen van de zweep toch moeten kennen.

Na enig aarzelen komt hij van de wc af. Lijkbleek. “Ik voel me niet goed”, zegt hij. “Ah, joh dat zakt wel als we eenmaal naast de piano staan”, beur ik hem op. Als we op moeten, verdwijnt hij wederom het toilet in. Daarna gaan we het ‘podium’ op.

Het muziekstuk gaat als een speer. De hoge noten waar ik altijd zo bang voor ben raak ik feilloos. Het samenspel gaat heerlijk. Tijdens een kort stukje pianospel kijken we elkaar aan en lachen naar elkaar. Ik geef hem nog een knipoog. We zetten opnieuw aan en spelen het tweede deel alsof het voor ons is geschreven. Vivaldi heeft moeten geweten dat wij het stuk zo zouden neerzetten.

Als we klaar zijn, komt er een applaus. We voelen ons goed, supergoed. Al huppelt mijn maat alsof hij door een wesp is gestoken op het podium. “Ik moet weer naar de wc”, laat hij mij weten. Nog even wachten voor de cijfers. Die mochten er zijn. Het diploma was dubbel en dwars verdiend. Het concertstuk werd later op de lessenaar gezet bij onze fanfare, daar mocht niet ik maar mijn broer Martin mijn solospel spelen samen met mijn maatje André. Ik ben ook geen trompettist, maar speelde piston en het was geschreven voor trompettisten.

Na het concert heeft mijn maatje niets meer gedronken is linea recta naar huis gegaan. Hij kroop direct onder de wol. Het waren niet de zenuwen die hem te pakken hadden maar een flinke griep die hij onder de leden had.

Een volgend solistenconcours heb ik niet meer meegemaakt.

En wilt u weten hoe het trompetconcert moet het klinken dan op onderliggende link.

126. Koninginnedag in de vorige eeuw

30 april 1960/70/80 en alle tussenjaren. Het is vroeg dag bij de families De Wit/La Croix, Piguillet, Graafland, Van Ieperen, Bosman en Van Meurs. Door deze namen te noemen heb ik de muziekvereniging ‘Kunst Na Arbeid’, bijna in zijn geheel benoemd. De fanfare bestaat uit een tamboergroep, waar de families De Wit/La Croix en Graafland de hoofdmoot uitmaakten. Het fanfaregedeelte bestond uit de overige families, met daartussen nog een aantal passanten, niet chargerend bedoeld overigens. 

Het is reveille. Op de Markt in Delft verzamelen de diverse muziekgezelschappen zich om de Koninginnedag in te luiden.

Daar gaan we, pa op de bromfiets, bariton op zijn rug en één van de zoons achterop. Wie? Dat ging per toerbeurt. Repetities of uitvoeringen dat maakt niet uit. Het dorp Den Hoorn en de stad Delft is nog stil als wij het ene jaar richting Koningsplein, het andere jaar naar de Jorisweg rijden. De verkeerslichten knipperen nog op oranje. Eerst met twee later met drie broertjes fietsen we eerder weg, om even later vader Lau voorbij te zien rijden. De lachende derde/vierde broer achterop.

Aangekomen op de plek van vertrek is het even een chaos. Koffers van instrumenten dwalen door de gangen van het St.Joris. Iedereen gaat alvast aan de gang. Harpjes, standaardjes waar de muziek tussen wordt vastgeklemd, werken niet. De veer is lam. Het schroefje waar het harpje mee vastzet wordt is dol. Er wordt van te voren vaak niet gecontroleerd. Als je dan het mondstuk in je hand hebt, moet deze ook aan de mond. Je maakt even een riedel. Waarom? Ach, wat maakt het uit. Mensen met een ochtendhumeur haal je er zo uit. Ze zitten stil in een hoekje te wachten tot dirigent Kornet het signaal geeft om te gaan.

Als jong ventje, ik was negen jaar toen ik in 1961 voor de eerste keer mee mocht, val je in het niet tussen al die grote mannen en die enkele vrouw. In jouw uniform, waarvan je je pet met een zoef kan ronddraaien op het hoofd en een veel te grote broek aan, die met bretels moet worden op gehouden stap je naar buiten. Ieder heeft een eigen plek, dat wil zeggen, de solisten, trompettisten en eerste trombonisten aan de buitenkant. De wat ‘mindere’ goden vullen de middenrij.

De eerste trommelaar Leo de Wit of Hans La Croix slaat af op de rand van zijn trom. Daar gaan we. Was het nou eerste links, of eerst rechts welke voet als eerste start. Wat maakt het uit, als klein ventje kon je de pas toch niet bijhouden en moest je regelmatig verspringen om weer ‘in de maat’ te lopen. Sommigen ouderen hebben het helemaal niet en moeten regelmatig worden gesouffleerd welke voet voor moet.

Vanaf het Koningsplein, links af naar de Annastraat, richting de Kolk. Het eerste nummer wordt ingezet. Onderweg is het draaien van je marsboekje om het juiste nummer voor te hebben. Later, stukken later, spelen we, sommige leden, bijna alles uit het hoofd. Schuin oversteken naar rechterkant van de Voorstraat. Het klinkt op de grachten. Vlaggen hangen wapperend aan de huizen. Er is feest. Langs de achterkant van de Oude Jan richting Hippolytusbuurt. Twee vingers gaan de lucht in van dirigent Kornet. Dat betekent nogmaals hetzelfde nummer. We steken de Nieuwstraat over naar de Wijnhaven. Van andere kanten horen we meer muziek aankomen. Delft wordt wakker geschud, ‘kom op naar de aubade op de Markt’. Dan linksaf De Oude Langedijk op tot aan de T-splitsing bij de Maria van Jessekerk. Een nieuw nummer wordt opgezet. We gaan de Markt op. De eerste orkesten zijn er al. De Red Hunters, Victoria, Tamboer- en Pijperkorps Prins Willem I, Soli deo Gloria, De Harmoniekapel, De Politiekapel, Showband Excelsior Delft junioren en senioren, Drumgards Delft met hun uitzonderlijke uniformen, die ik heel mooi vond. Ook bij hen de jeugd en het seniorenorkest en wij. Diverse majorettengroepen complimenteren het bonte gezelschap.

Delft is in die tijd een stad waar me gaf om deze dingen. De subsidiepot hangt er aan. Aanwezig zijn tijdens de reveille betekent geld verdienen uit de subsidiepot.

We lopen de Markt op. Deze is in vakken verdeeld. Keurig netjes heeft elk orkest een plek gekregen. Deze plek staat vast. Het marktplein staat vol. Mensen met vlaggetjes en applaus als je opkomt. Even manoeuvreren naar de plek die voor jou bestemd is en dan is het even genoeg. De eerste keer spelen, mag ik u verklappen, is niks geworden, ik heb alleen maar rond lopen kijken. De indrukken die over je heen komen zijn uitzonderlijk. Later als je aan de buitenkant mag lopen moet je er staan en alles geven wat je hebt. Geen tijd om rond te kijken: SPELEN.

Dan is iedereen in afwachting van de Burgemeester. Na een korte toespraak en een driewerf hoera voor de Koningin, volgt het Wilhelmus om vervolgens een gezamenlijke mars ten gehore te brengen met de harmonie en fanfareorkesten. De showbands hebben hun eigen gezamenlijke nummer. Hiermee is de Koninginnedag geopend.

Terug naar de basis, dat wil zeggen, naar de buitenafdeling van St. Joris Gasthuis. Via de Nieuwe Langendijk, Koepoortbrug, Van Miereveltlaan naar de Jorisweg. Het wordt tijd voor een kopje koffie, of voor de jongste onder ons, een glas limonade. In de keuken van St. Joris heeft men hun best gedaan op de moorkop die tevens wordt uitgeserveerd.

Na de koffie doen we de rondgang over de paviljoens om daarna te vertrekken naar de binnenafdeling aan het Koningsplein. Ook daar spelen we door de gangen en in de tuinen onze mooiste/beste nummers. Bewoners hebben ook hun rood-wit-blauwe vlag bij zich en wiebelen mee op de maat van de muziek. Als afsluiting is er altijd de verjaardag van de vrouw van Adrie Kornet, onze dirigent. Samen wonen zij in een dienstwoning aan het Koningsplein en zij krijgt even haar eigen aubade. Dan is het afnokken en naar huis. Het is intussen half twee. Later die dag staat er soms alsnog een optreden gepland.

In Delft heeft men een groot muzikaal en cultureel gebeuren binnen de stadsmuren. Je moet soms vechten en delen met anderen om subsidie. Je wordt ‘ontboden’ ten stadhuize om de begroting toe te lichten, even met de billen bloot. Buiten het zicht van de ambtenaren wordt er gesproken over de ‘zwarte kas’. Op een gegeven moment weet men het bij de bestuurders: subsidie wordt niet meer gegeven op de aanwezigheid op Koninginnedag. Ondernemers kiezen niet meer voor dat Delftse orkest, maar zoeken elders naar goedkoper en zo komen orkesten vanuit Den Haag, het Westland en Schiedam de stad in, waar ‘eigen’ orkesten niet meer in zwang zijn.

Nu is het helemaal afgelopen. Krantenkoppen over het niet meer doorgaan van een reveille. Het geld is op. Uiteindelijk dan weer wel, maar in afgeslankte vorm. Wordt er zo-ie-zo nog wel subsidie gegeven door de gemeente aan muziekverenigingen, showbands en majorettenkorpsen?

Terug in de tijd is onmogelijk. Het is nostalgie, mijmeringen van mijn part. Maar we hebben er van genoten en dat wat we toen hebben ervaren neemt niemand ons meer af. Het was een feest.

125. Geen 4 mei voor mij dit jaar

4 mei 2016. Herdenken, gedenken en vergeven. Jarenlang ben ik betrokken geweest bij de herdenkingen rond 4 mei. Eerst als muzikant bij de muziekvereniging ‘Kunst Na Arbeid’, later bij de Delftse Politiekapel en weer later als coördinator bij de 4/5 mei vieringen in mijn eigen dorp.

Ik heb de oorlog niet meegemaakt. Heb er wel veel van meegekregen via mijn ouders maar heb het gelukkig nooit zelf ondervonden. Daar ben ik dankbaar voor. Dankbaar ook voor diegene die mij de vrijheid hebben gegeven die ik kan genieten.

Al op jonge leeftijd raak ik, via de muziekvereniging ‘Kunst Na Arbeid’ van het St. Jorisgasthuis te Delft, betrokken bij de herdenkingen. Met deze muziekvereniging wandelen we vanuit het binnen’gesticht’ op het Koningsplein naar het monument op de Nieuwe Plantage. In een dode pas lopen we met stille trom naar het verzetsmonument, een bronzen beeld van een staande vrouwenfiguur met een fakkel in de hand. Op de sokkel een tekst van Muus Jacobse.

Aangekomen bij het monument gaan de hekken open en mogen we met het muziekgezelschap dichter toe naar waar het gebeurt. Rondom het grasveld een grote ring van stalen hekken, waarachter mensen in afwachting zijn van de stoet die komt uit de Nieuwe Kerk op de Markt.

In de tussentijd spelen we koralen van Bach als, ‘Bist du bei mir’ en ‘Die Nacht ist kommen’. Ook de diverse dodenmarsen van o.a. Chopin, Beethoven en Mozart komen voorbij. Twee weken eerder zijn deze op de lessenaar terecht gekomen. Het mocht niet misgaan tijdens dit ‘optreden’ er stonden immers duizenden mensen te luisteren.

Waar het ook om ging was de ‘Last Post’. (Bij officiële ceremonies wordt trouwens het Nederlandse Taptoe-signaal gebruikt vanwege de lange traditie.) Eén van de gelukkige van het orkest mag naar voren treden en het signaal spelen. Helemaal in je eentje sta je daar. Slechts één keer heb ik het zelf mogen doen. Mijn broers Martin en Loek of Ronald La Croix waren er beter in en ik liet hen graag de eer. Bibberend trad je naar voren, je knieën stilhouden was een kunst en als je dan het instrument aan de mond zet, moet het er staan. Ik deed het net niet dun in de broek, maar het was aan mij niet besteed.

Bij het monument is al vroegtijdig een afvaardiging van de NATRES gestationeerd. Onder leiding van Luitenant Matthijs de Bruijne uit Schipluiden, die het peloton aanvoert, komen ze aan gemarcheerd om links en rechts van het monument een eren opstelling te maken. Later heb ik veel met hem samengewerkt in het comité in Schipluiden.

Dan uit de verte hoor je de tromslagers van Showkorps Excelsior Delft. Drie op rij die op hun omfloerste trom de maat aangeven. Achter hen een grote mensenmassa, die elk jaar groter werd. In de stoet afvaardigingen van het Delfts College, scoutinggroepen, afvaardigingen van Joodse genootschappen, politieke partijen, homoafvaardigingen, nabestaanden van oorlogslachtoffers, mensen van buitenlandse mogendheden. Zij sloten zich aan bij de mensen die er al stonden. Dan is het wachten op het trompetsignaal. Het licht van de straatlantaarns die uitgaan, als markering dat de twee minuten ingaan. Na de twee minuten het Wilhelmus en dan de gelegenheid tot langs het monument lopen voor wie dat wil. Menig keer steekt de dirigent, Adrie Kornet, twee vingers op om aan te geven dat het stuk dat we bijna beëindigden nog een keer zouden doen. Als iedereen was langs geweest mochten wij ook weg. Dat ging dan in gewoon marstempo terug.

Vele jaren gaat het op dezelfde manier. Je zou het zo maar traditie kunnen noemen, behorend bij hoe het Nederlandse volk er in staat .

Later deed ik mee met de Delftse Politiekapel. We zaten op het grasveld bij het monument en speelden ook dan weer allerlei koralen. Na ruim vijfendertig jaar wordt het tijd om iets te gaan doen in eigen dorp. Namens scouting treed ik toe tot het 4/5 mei comité van Midden-Delfland. Dat wil zeggen, Schipluiden. Den Hoorn heeft geen eigen comité en Maasland regelt het voor zich zelf. Omdat ik al veel heb gezien tijdens de herdenkingen in Delft probeer ik er wat veranderingen in te brengen in Schipluiden. Wat goed is blijft, wat uitgebreid kan worden, doen. Zo neemt scouting tegenwoordig de kransen mee vanuit de Dorpskerk naar het monument aan de Burgemeester Musquetiersingel. De stoet wordt voorafgegaan door drie leden, met omfloerste trom, van St Caecilia. Bij het monument vinden aankondigingen plaats wie er aan het woord komt en namens wie er bloemen worden neergelegd. De harmonievereniging St. Caecilia speelt een koraal en het Wilhelmus. Scouting wordt betrokken bij het aanreiken van de kransen en bloemstukken. Ook hier neemt de drukte langzamerhand toe.

En dan waarom ik eigenlijk deze blog begon. ‘#geen4meivoormij’ dat zit er voor mij dit jaar ook niet in. Alleen blijft bij mij de ‘#’ weg. Voor mij dit jaar geen 4 mei. Dit heeft te maken met het feit dat ik er door een keelontsteking en hevige hoestbuien niet aan moet denken om er bij te zijn. Het zal maar gebeuren dat ik midden in de twee minuten stilte zo’n hoestaanval krijg. Ik zou me diep schamen.

Wat ik wel heel erg vind is dat het op Social Media een hype is geworden om na de hastag ‘#geen4meivoormij’ zoveel reacties te zien. Veel negatieve, maar zeker ook veel positieve reacties. Kennelijk heeft men de herdenking van 4 mei niet begrepen. Natuurlijk is het triest dat er overal in de wereld oorlog wordt gevoerd. Natuurlijk is het heftig als je wordt gediscrimineerd. Natuurlijk is het uitermate triest als je ervaart dat je nergens meer bij hoort. Maar heeft de gevallene er om gevraagd om zich voor volk en vaderland af te laten schieten, om uitgezonden te worden naar vreemde mogendheden om er vrede te brengen en vervolgens om te komen. Mensen die omgebracht worden omdat ze hun geloof verdedigen, opgejaagd worden en moeten vechten om hun vrijheid te behouden. Verdienen de mensen die we gedenken niet het respect om herdacht te worden? Dit is toch van een veel hogere waarde?

Zaken die men nu aanhaalt om tegen te zijn, zijn van een hele andere orde en dienen op een andere manier ter discussie te worden gesteld. Ik heb er niets op tegen dat men ergens tegen is of juist voor. Gelukkig hebben we de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Maar ik vind wel dat dit dan ook op de juiste plaats moet gebeuren en dan niet een herdenking van 4 mei hiervoor te misbruiken.

Mijn telefoon gaat vanavond gedurende die twee minuten uit. Ik denk na over mijn vrijheid van schrijven, van beleven, van vieren. Ik zal denken aan hen die het leven lieten in eerdere oorlogen en veldslagen, ongeacht kleur, mogendheid, geslacht of afkomst in welke tijd ook. Verleden en heden, het maakt niets uit.

Ik wens u een goede 4 mei herdenking.

123. Vrijwilliger ben je voor het leven

Het is 26 april 2016. Zo meteen mag ik deelnemen aan een lunch ter ere van iemand die zojuist een koninklijke onderscheiding heeft ontvangen. Ik denk dan terug aan die gelegenheid dat ikzelf onderscheiden werd. Een volkomen onverwachte waardering voor al het vrijwilligerswerk waar ik altijd ontzettend veel energie uit heb gekregen en dat me zoveel heeft opgeleverd. Ik ging terug in de tijd en vertrouwde het aan het papier toe.

50 jaar vrijwilliger. Al mijn hele leven ben ik vrijwilliger. Het is me aangeboren of zit in mijn genen. Op 14 jarige leeftijd ben ik er mee begonnen. Ik voetbal bij SV Den Hoorn en er wordt een mini-afdeling opgezet. Kinderen tussen 4 en 6 jaar mogen komen voetballen en spelen op de grote groene weide. Op zaterdagochtend rond de klok van 7:00 uur haalt mijn moeder mij uit bed om op tijd te zijn bij activiteiten rondom het jonge spul. Met acht tot tien leiders komen we om 8:00uur bij elkaar in de oude houten kantine op het sportcomplex aan de Woudseweg. Er wordt een heel spelprogramma in elkaar getimmerd voor de ruim 100 krioelende kleine knulletjes. Het gaat niet om het voetballen alleen, er zitten spelelementen in die soms met voetballen te maken hebben, maar even goed spelen we met het grut een levend ganzenbord. Een glaasje limonade aan het eind van de spellenochtend is voor de jeugd de kers op de taart. De mooiste herinneringen heb ik aan de ochtenden dat de kids volledig onder de modder naar huis gaan. Als het die nacht heeft geregend doen we het spel: buikschuiven. De meest smerige speler ontvangt na zijn glaasje ranja ook nog een Mars. Dat de ouders daar niet altijd even gelukkig mee zijn, hebben we regelmatig ervaren.

Eens in de zoveel tijd worden er wedstrijdjes gespeeld. Bij Delft en Delfia hebben ze ook een dergelijk mini-afdeling. Wedstrijden 15 tegen 15 of soms wel 20 tegen 20. Wat hebben we er een plezier aan beleefd. Tot aan mijn diensttijd ben ik er altijd zeer actief mee bezig geweest.

Op 16 jarige leeftijd kom ik tot de ontdekking, dat ik geen hoogvlieger ben qua voetballen. Ik word winnaar van een spelregelquiz van de KNVB en besluit me in het zwarte pak te hijsen om voetwedstrijden te leiden. Acht dinsdagavonden op de fiets naar de Suezkade in Den Haag om me verder te bekwamen in de spelregels, waarna ik na het slagen de KNVB-badge van de afdeling HVB (Haagse Voetbalbond) krijg uitgereikt. Mijn allereerste wedstrijd is die tussen ADS 13 – Oliveo 9. Mannen die mijn vader en wat voor sommige geldt, zelfs mijn opa kunnen zijn. Het is de veteranencompetitie waar ik mijn eerste wedstrijd mag fluiten. Uiteindelijk ben ik scheidsrechter gebleven tot net na mijn trouwen. Op 29 jarige leeftijd houdt ik het voor gezien. Soms doe ik het met heel veel plezier, maar meerdere keren ben ik blij als ik weer heelhuids thuis ben. Een leuke anekdote is het feit dat toen ik een wedstrijd floot voor de bedrijvencompetitie in Delft ik bij het verkleden, plots een enveloppe met daarin fl. 200,00 aantrof in mijn sporttas. Twee concurrerende cafés spelen om de bedrijvenbokaal in de finale. Een besnorde eigenaar van één van de cafés heeft kans gezien om, terwijl ik even naar het toilet ben, de enveloppe in mijn tas te doen. Het is vrij simpel om vast te stellen om welke café het gaat. Er zit een briefje bij dat ik ben uitgenodigd voor het buffet en het feest dat zal worden gegeven bij het ‘winnende’ café. Ik heb me niet laten beïnvloeden en heb de enveloppe uiteindelijk afgegeven aan de organisatie van het bedrijventoernooi. Dat het café, waarvan ik vermoed dat de enveloppe is, won, is puur omdat ze meer kwaliteiten in huis hebben.

Op 17 jarige leeftijd treed ik toe tot de jeugdcommissie van SV. Den Hoorn. Als secretaris van deze commissie heb ik me zeven jaar met veel plezier ingezet. Ik heb geen tijd of eigenlijk geen zin om te studeren en geef er alles aan om me als vrijwilliger in te zetten. Ik heb nauwelijks tijd om op tijd mee te eten omdat ik weer naar de voetbal moet. Mijn MTS-opleiding laat ik voor wat het is. Dat laatste wordt met name door mijn moeder niet in dank afgenomen.

Elftallen van de SV gaan in de zomermaanden op kamp. Zo komt het voor dat ik in één jaar mijn volledige eigen vakantie opgeef om met hen mee te gaan. In één jaar zelfs drie weken achtereen. Mijn moeder weet niet hoe ze de was op tijd weer schoon en gestreken mee kan geven. De Nederlandse kampen waar ik mee naar ben toe ben geweest, 9 in totaal, worden gehouden in Borculo, Weert, Zundert, Amersfoort of Leusden. Één kamp waar ik als leider meega, vertrekt naar Duitsland, Feschweiler om precies te zijn. Op 22 jarige leeftijd ga ik voor het eerst vliegen met een groep A-junioren. Ook dit gaat uit van SV Den Hoorn. Pineda da Mar is de ‘place to be’. Met 18, jonge haantjes gedrag vertonende, jongens in de leeftijd van 17 t/m 19 jaar en twee andere leiders (Ton van Ginkel en Ko de Vast) spelen we daar wedstrijden en vieren vakantie. Onze jongens laten zich gelden in het uitgaansleven. Tot tweemaal toe hebben we een bemiddelende rol moeten spelen tussen de Gardia Civil en één van hen.

Binnen Den Hoorn zoekt men mogelijkheden om de jeugd tussen 9 en 12 jaar iets leuks te laten doen op de zaterdagavonden. Dat krijgt gestalte in 1967. Naast dansclub Smurf is er voor deze jonge jeugd niets te doen. Met een aantal leden van de jeugdcommissie van SV Den Hoorn springen we in het gat en gaan we open-jeugdavonden organiseren. Er worden gezelschapspellen gespeeld, getafeltennist, geschaakt en gedamd, bingo gespeeld en gedanst. Het kleine toneeltje in de zaal van de toenmalige gymzaal is de discovloer. De eerste kusjes tussen jongeren worden er soms uitgedeeld. Er wordt gedanst en geslepen (dansvorm). Tot aan mijn militaire diensttijd ben ik hieraan verbonden.

Vanaf mijn negende jaar speel ik trompet/piston bij de fanfare van het Sint Joris-Gasthuis, Kunst Na Arbeid. Mijn opa heeft er gewerkt en zo is ook mijn vader er lid geworden. Net uit militaire dienst zoeken ze een secretaris. Ik ben er niet te beroerd voor om dit op me te nemen. Vier jaar lang schrijf ik met de hand de notulen van de vergaderingen, om deze later uit te typen op een typemachine. Menig keer moet ik Tipex gebruiken, typen was nl. niet mijn sterkste eigenschap.

Inmiddels heb ik verkering gekregen en moet ik mijn tijd wat meer gaan verdelen tussen het meisje en de hobby. Dat valt niet altijd mee. Ook omdat het meisje een flink aantal jaren jonger is dan dat ik ben. Ze mag/kan soms niet mee. Met nog twee broers en drie anderen hebben we een dansband geformeerd, genaamd Monday. De naam omdat we op maandag altijd repeteerden. Daarnaast speel ik ook weer met die zelfde twee broers in een boerenkapel. Dat betekent dat we soms nog laat op pad zijn. Omdat het meisje op tijd thuis moet zijn, rijd ik soms tussen twee optredens even heen en weer, breng haar thuis om vervolgens weer terug te keren en de optredens af te maken.

In Den Hoorn vindt men het tijd worden om jongeren meer te betrekken bij de kerk. Door het toenmalig parochiebestuur worden mensen benaderd om hierin mee te participeren. Ik ben er daar één van. Elke zaterdagavond sta ik op het altaar achter de organist om mijn deuntje op trompet mee te spelen. Ik doe dit meestal met mijn broer Martin samen. De kerk is vol tijdens de jongerenmissen. Ook Wilma staat er en doet mee in het koor. Tot aan ons trouwen zijn we trouwe deelnemers aan deze diensten. Menig keer kwam men naar de kerk voor de ‘gebroeders Brouwer’, zoals men ons noemde, naar een tweetal getalenteerde trompetartiesten.

Dan trouwen we en verhuizen van Holland naar België (voor de niet kenners van Den Hoorn naar Schipluiden). In Schipluiden wordt wel gebouwd, in Den Hoorn is er geen sprake meer van nieuwbouw. Door mijn leeftijd, ik ben dan inmiddels 27 jaar, en door mijn economische en sociale binding met de gemeente heb ik genoeg punten om ingeloot te worden voor een woning in de wijk Rozemarijn.

Intussen heb ik mijn scheidsrechters pak aan de wilgen gehangen door een akkefietje in het veld. Ik voelde me niet veilig meer en besluit om mijn scheidsrechters carrière te beëindigen. Wanneer ik echter in het huwelijk ben getreden en inmiddels in Schipluiden woon, kan ik het niet laten en ga ik wederom wedstrijden fluiten, nu voor de plaatselijke voetbalvereniging, toen nog ASSO, later VV Schipluiden.

In 1988 behaal ik via mijn werkgever mijn EHBO diploma. Daardoor ben ik veelvuldig betrokken bij evenementen waar ik behulpzaam ben met de gele tas met de blauwe letters EHBO erop, die ik dan over mijn schouder heb hangen. Hulp op de zaterdagen op het voetbalveld of de Zomerfeestenactiviteiten.

Als men bij het parochiebestuur van de katholieke kerk mensen zoekt om in de parochieraad plaats te nemen, komt men wederom bij mij terecht. Met negen jaar deelname, de maximale tijd, aan deze raad heb ik met veel plezier mensen in mijn nieuwe dorp leren kennen.

Wanneer de toneelvereniging VAT’75 het toneelstuk de Jantjes gaat opvoeren zoeken ze nog een ‘Amsterdammer’ die daarin zou kunnen spelen. Ik speel in het stuk een signaal op trompet en mag de rol van De Mop vervullen. Mijn enige toneelrol ooit. Wat ben ik zenuwachtig om die drie zinnen te zeggen. Later heb ik nog éénmaal op het podium gestaan bij de musical over Rozemarijn. Teksten onthouden, is niet aan mij besteed. Ik speel het liefst mijn eigen rol. Verzin het liefst mijn eigen teksten, wat voor tegenspelers niet altijd handig zal zijn.

Inmiddels hebben we een nieuwe bewoner in de straat gekregen. Hij stelt voor om een straatcomité te formeren. Met mijn vele ervaring ben ik de ‘juiste’ persoon om er deel van uit te maken. Het organiseren van de jaarlijkse BBQ en het beheren van de lief en leedpot van de straat behoort tot mijn functie. Ik maak de verslagen en koop met Wilma alles voor de BBQ in.

Dan gaan onze jongens naar scouting en op de voetbal. Met scouting heb ik niet zoveel, ben er zelf nooit lid van geweest en besluit me daar niet als hulp aan te bieden. Bij de voetbal wel, Ik ben er een aantal jaren leider bij één van de elftallen waar één van onze jongens in speelt.

Intussen wist ook de voetbalvereniging Schipluiden mij te strikken voor het jeugdbestuur. Met een zeer gedreven groep hebben we het jeugdbestuur een fantastische glans gegeven. Nog altijd wordt er over die tijd gesproken. Na zeven jaar wordt het tijd om het stokje over te dragen.

Het clubblad van de sportvereniging verdient een oppoetsbeurt. Zonder enige kennis van de computer bied ik aan om me er in te verdiepen. Mensen achter hun vodden aan zitten als men copy moet inleveren. En als er te weinig copy is maak ik zelf een verhaal over allerlei zaken die ik tegenkom. Menigeen heeft zich afgevraagd wie de “verhalen langs de lijn” schreef. Ik heb het nooit, nou ja, nu dan, bekend gemaakt.

Bij scoutinggroep Marco Polo komen ze in 1993 een Sinterklaas te kort. Men heeft een Sinterklaasfeest aangenomen bij het personeel van de Makro. Een Sint was niet te vinden. Dat was op mijn lijf geschreven. Vanaf november 1993 t/m heden vertolk ik die rol nog steeds.

Als in de zomermaand augustus de Zomerfeesten in Schipluiden plaatsvinden, beman ik één, twee, soms drie avonden één van de barren. Een hele avond tappen, tot de handen er als verdouwelde doekjes uit zien. In 2014 is het mijn laatste keer. Het is een zeer vermoeiende avond en sommige jeugdige bezoekers zijn van mening je te mogen bekritiseren en beledigende opmerking te mogen maken.

Na de voetbal komt toch scouting om de hoek. Men zoekt een secretaris. Omdat ik schrijven en besturen leuk vind, neem ik plaats in een bestuur dat er al heel lang zit. Als na één jaar ook de voorzitter opstapt, doe ik die taak er bij. Na 17 jaar is het welletjes en neem ik er afstand van. Een drukke functie met de vele vergaderingen, de verbouwing van het gebouw, gemeentebesprekingen, bestuursvergaderingen en groepsraden kosten mij veel tijd.

Als lid van het 4/5-meicomité zoekt men bij scouting Schipluiden ondersteuning voor bij de kranslegging bij het monument. Ook daar heb ik vanaf 1997 t/m 2013 deel van uitgemaakt. Ik verzorgde de teksten en deed de aankondiging/ceremoniemeester bij het monument.

Bij een braderie op het dorp, neemt Wilma twee inschrijfkaarten mee voor het bloeddonorschap. zij schrijft ons allebei in. Ik ben er wel een beetje huiverig voor, gezien mijn ervaring tijdens mijn dienstplicht. Ik was nog niet aan de beurt, als ik me flauw voel en onder een tafeltje wakker word. Als ik echter de eerste keer bij de bloedbank Sanquin op een hele goede manier word opgevangen, ben ik om. Ruim 80 keer heb ik hen vrijwillig mijn arm aangeboden en eerst vol bloed en later plasmaferese afgegeven. De beperktere openingstijden van Sanquin hebben me doen besluiten om er daarna mee te stoppen. Ik zal die roze koek met dat kopje koffie missen.

Als ik medio 2004 door Aad Schilperoort, van de katholieke kerk St. Jacobus de Meerdere in Schipluiden wordt gebeld, dat men in mij een prima koster ziet, moet ik er even over denken. Toch besluit ik om ook dat erbij te doen. Eéns in de drie weken een kosterbeurt. Wanneer het aantal kerkdiensten afnemen en in 2012 slechts één dienst per weekend is, besluit ik om er mee te stoppen.

In 2009 is men op zoek naar iemand bij de Oranjevereniging. Als bestuurslid van scouting wil men mij daar wel bij betrekken. Scouting zou mee kunnen participeren in de spelen die er op o.a. Koninginnedag zijn. Ik beloof niks en ga er één keer heen. Nog steeds beheer ik het ledenbestand. Verder actief ben ik niet meer.

Als Optiesport stopt in Schipluiden in De Dorpshoeve staat er een groep vrijwilligers op om dit op te pakken. Ook wij, Wilma en ik, zijn er bij betrokken. Overigens niet echt fanatiek maar we pikken wel de leukste avonden er uit.

De Dorpshoeve bezint zich over het feit dat men meer naamsbekendheid wil. Samen met Nico van de Besselaar, toenmalig voorzitter, hebben we toen een aantal ideeën bedacht. Eén ervan was om rommelmarkten te houden. Vier in één jaar, op zaterdag. We starten in de voorzaal van de Dorpshoeve met 28 kramen. Later groeide dit uit naar 62 kramen. Mensen komen op de wachtlijst te staan voor als er een kraam wordt afgezegd. De eerste rommelmarkt wordt bezocht door zo’n 280 man. De laatste door ruim 1000. Inmiddels is mijn stokje over genomen en huren we er zelf een kraam om er te gaan staan met onze handel.

2009 is ook het jaar dat ik toetreed tot de ledenraad van Rabobank te Delft. Na een motivatie te hebben geschreven word ik direct toegelaten. Ik haal er uiteindelijk niet uit wat ik er van heb verwacht, zit mijn termijn van drie jaar uit en verlaat de raad. Ik proef hier weinig van inspraak en democratie. Degene met de grootste mond wint. Jammer, maar wel een periode waar ik dingen heb geleerd.

In 2011 ga ik even een brief posten, om onderweg aangesproken te worden door de voorzitter van het bestuur Varend Corso Schipluiden. Men heeft mij in gedachte om een rol te spelen op één van de dagen begin augustus. Ik doe aan dit spektakel intussen voor de vijfde maal mee. Het eerste jaar speelde ik de grote kat uit de musical Cats, het tweede jaar was ik Mickey Mouse. Daar ging het bijna mis. Teveel gegeven, te weinig gedronken en gegeten waardoor ik niet meer wist hoe en aan welke kant ik van de boot af moet. Drop en water redde me. Het derde jaar mocht ik een nummer van Marco Borsato zingen om het vierde jaar achter de piano plaats te nemen en de rol van Ramses Shaffy te spelen. Afgelopen jaar had ik een saaie rol en mocht ik op de boot van Schipluiden de paal laten zakken die stond op de Midzomernachtboot. Dat is als je ADHD hebt, te weinig.

In 2011 geef ik mijn echtgenote Wilma te kennen dat ik nog een hele grote wens heb. Ik wil graag huwelijken voltrekken. Dan, als Wilma een avond heeft met oud-collega’s van de gemeente Schipluiden, krijgt zij te horen dat men op zoek is naar een mannelijke trouwambtenaar. Peter Vermeulen is er mee gestopt en men zoekt een mannelijke vervanger. Het komt dan ineens heel dichtbij. Als het hoofd KCC van de gemeente Midden-Delfland mij belt om te vragen of ik inderdaad belangstelling heb, is het gauw beklonken. Zij heeft van burgemeester Arnoud gehoord dat ik daar een geschikte figuur voor ben. Een kort gesprekje en op 16 mei 2012 doe ik mijn eerste huwelijksvoltrekking. En zo heb ik vanaf mei 2012 t/m vandaag inmiddels 68 huwelijken voltrokken.

Als in 2014 mijn buurman mij aanspreekt op het feit dat men iemand zoekt die de coördinatie van activiteiten wil doen bij de Zonnebloem, wil ik dit eerst met eigen ogen beleven. Het is weinig werk en je doet het vanuit huis. Dat het weinig werk is, is mij inmiddels duidelijk, maar als je zoals ik altijd meer wil dan is weinig niet meer het goede woord. Een hele leuk taak is weer op mijn pad gekomen waar ik nog lang mee door hoop te gaan.

In september 2014 word ik aangesproken door Govert van Oort, wethouder in de gemeente Midden-Delfland. Men wil in Schipluiden een Burgerplatvorm gaan starten en hij ziet mij wel als voorzitter. Daar pas ik voor. Lid is prima, als voorzitter mag hij een ander zoeken. En zo doe ik dat nog steeds . Eens in de twee maanden beleggen we een bijeenkomst over het reilen en zeilen in de kern Schipluiden. Waaronder het vluchtelingen probleem.

In 2015 heeft mijn werkgever een groot jubileum. Als afsluiting van dit feest neemt men deel aan een manifestatie met het Delfts Symfonie Orkest en een 100 man/vrouw groot koor. In de Oude Jan wordt een muziekstuk opgevoerd over de wetten die Hugo de Groot heeft opgesteld over de handelsverdragen. Men zoekt een Hugo. Één van mijn collegaatjes wist het meteen, dat is iets voor Aad. En zo loop ik een hele zaterdag verkleed als Hugo de Groot rond om mijn verhaal te doen over ‘mijn’ wetten. Tot tweemaal toe in een ‘uitverkochte’ kerk, mocht ik, op mijn knieën zittend in een kist, worden gebracht naar het podium, waar ik het gehoor mocht informeren over wat men te horen zal krijgen.

In mei a.s. lever ik 5 dagen in om vrijwillig mee te gaan met een groep gasten van de Zonnebloem. Het zal er niet zo levendig aan toe gaan als die keer dat we naar Spanje gingen met een groep jongeren. Maar ik weet zeker dit geeft net zo veel of misschien wel meer voldoening. Ik kijk er naar uit en laat onze gasten genieten, dan geniet ik zelf ook.

Dit is in het kort mijn vrijwilligerswerk vastgelegd op papier. Terugkijkend kom ik tot de conclusie dat ik aan meer dan 40 activiteiten mijn medewerking heb verleend. Deze waren van uiteenlopende aard. Soms kleine projectjes andere keer projecten van jaren. Maar altijd met plezier. De voor mij interessantste heb ik beschreven. Eendagsvliegen heb ik even niet benoemd. Het levert mij nog steeds de energie op waardoor ik ben zoals ik ben. Kijk naar morgen, fluiten is leuker dan sacherijnig zijn en een dag niet lachen is een dag niet geleefd.