126. Koninginnedag in de vorige eeuw

30 april 1960/70/80 en alle tussenjaren. Het is vroeg dag bij de families De Wit/La Croix, Piguillet, Graafland, Van Ieperen, Bosman en Van Meurs. Door deze namen te noemen heb ik de muziekvereniging ‘Kunst Na Arbeid’, bijna in zijn geheel benoemd. De fanfare bestaat uit een tamboergroep, waar de families De Wit/La Croix en Graafland de hoofdmoot uitmaakten. Het fanfaregedeelte bestond uit de overige families, met daartussen nog een aantal passanten, niet chargerend bedoeld overigens. 

Het is reveille. Op de Markt in Delft verzamelen de diverse muziekgezelschappen zich om de Koninginnedag in te luiden.

Daar gaan we, pa op de bromfiets, bariton op zijn rug en één van de zoons achterop. Wie? Dat ging per toerbeurt. Repetities of uitvoeringen dat maakt niet uit. Het dorp Den Hoorn en de stad Delft is nog stil als wij het ene jaar richting Koningsplein, het andere jaar naar de Jorisweg rijden. De verkeerslichten knipperen nog op oranje. Eerst met twee later met drie broertjes fietsen we eerder weg, om even later vader Lau voorbij te zien rijden. De lachende derde/vierde broer achterop.

Aangekomen op de plek van vertrek is het even een chaos. Koffers van instrumenten dwalen door de gangen van het St.Joris. Iedereen gaat alvast aan de gang. Harpjes, standaardjes waar de muziek tussen wordt vastgeklemd, werken niet. De veer is lam. Het schroefje waar het harpje mee vastzet wordt is dol. Er wordt van te voren vaak niet gecontroleerd. Als je dan het mondstuk in je hand hebt, moet deze ook aan de mond. Je maakt even een riedel. Waarom? Ach, wat maakt het uit. Mensen met een ochtendhumeur haal je er zo uit. Ze zitten stil in een hoekje te wachten tot dirigent Kornet het signaal geeft om te gaan.

Als jong ventje, ik was negen jaar toen ik in 1961 voor de eerste keer mee mocht, val je in het niet tussen al die grote mannen en die enkele vrouw. In jouw uniform, waarvan je je pet met een zoef kan ronddraaien op het hoofd en een veel te grote broek aan, die met bretels moet worden op gehouden stap je naar buiten. Ieder heeft een eigen plek, dat wil zeggen, de solisten, trompettisten en eerste trombonisten aan de buitenkant. De wat ‘mindere’ goden vullen de middenrij.

De eerste trommelaar Leo de Wit of Hans La Croix slaat af op de rand van zijn trom. Daar gaan we. Was het nou eerste links, of eerst rechts welke voet als eerste start. Wat maakt het uit, als klein ventje kon je de pas toch niet bijhouden en moest je regelmatig verspringen om weer ‘in de maat’ te lopen. Sommigen ouderen hebben het helemaal niet en moeten regelmatig worden gesouffleerd welke voet voor moet.

Vanaf het Koningsplein, links af naar de Annastraat, richting de Kolk. Het eerste nummer wordt ingezet. Onderweg is het draaien van je marsboekje om het juiste nummer voor te hebben. Later, stukken later, spelen we, sommige leden, bijna alles uit het hoofd. Schuin oversteken naar rechterkant van de Voorstraat. Het klinkt op de grachten. Vlaggen hangen wapperend aan de huizen. Er is feest. Langs de achterkant van de Oude Jan richting Hippolytusbuurt. Twee vingers gaan de lucht in van dirigent Kornet. Dat betekent nogmaals hetzelfde nummer. We steken de Nieuwstraat over naar de Wijnhaven. Van andere kanten horen we meer muziek aankomen. Delft wordt wakker geschud, ‘kom op naar de aubade op de Markt’. Dan linksaf De Oude Langedijk op tot aan de T-splitsing bij de Maria van Jessekerk. Een nieuw nummer wordt opgezet. We gaan de Markt op. De eerste orkesten zijn er al. De Red Hunters, Victoria, Tamboer- en Pijperkorps Prins Willem I, Soli deo Gloria, De Harmoniekapel, De Politiekapel, Showband Excelsior Delft junioren en senioren, Drumgards Delft met hun uitzonderlijke uniformen, die ik heel mooi vond. Ook bij hen de jeugd en het seniorenorkest en wij. Diverse majorettengroepen complimenteren het bonte gezelschap.

Delft is in die tijd een stad waar me gaf om deze dingen. De subsidiepot hangt er aan. Aanwezig zijn tijdens de reveille betekent geld verdienen uit de subsidiepot.

We lopen de Markt op. Deze is in vakken verdeeld. Keurig netjes heeft elk orkest een plek gekregen. Deze plek staat vast. Het marktplein staat vol. Mensen met vlaggetjes en applaus als je opkomt. Even manoeuvreren naar de plek die voor jou bestemd is en dan is het even genoeg. De eerste keer spelen, mag ik u verklappen, is niks geworden, ik heb alleen maar rond lopen kijken. De indrukken die over je heen komen zijn uitzonderlijk. Later als je aan de buitenkant mag lopen moet je er staan en alles geven wat je hebt. Geen tijd om rond te kijken: SPELEN.

Dan is iedereen in afwachting van de Burgemeester. Na een korte toespraak en een driewerf hoera voor de Koningin, volgt het Wilhelmus om vervolgens een gezamenlijke mars ten gehore te brengen met de harmonie en fanfareorkesten. De showbands hebben hun eigen gezamenlijke nummer. Hiermee is de Koninginnedag geopend.

Terug naar de basis, dat wil zeggen, naar de buitenafdeling van St. Joris Gasthuis. Via de Nieuwe Langendijk, Koepoortbrug, Van Miereveltlaan naar de Jorisweg. Het wordt tijd voor een kopje koffie, of voor de jongste onder ons, een glas limonade. In de keuken van St. Joris heeft men hun best gedaan op de moorkop die tevens wordt uitgeserveerd.

Na de koffie doen we de rondgang over de paviljoens om daarna te vertrekken naar de binnenafdeling aan het Koningsplein. Ook daar spelen we door de gangen en in de tuinen onze mooiste/beste nummers. Bewoners hebben ook hun rood-wit-blauwe vlag bij zich en wiebelen mee op de maat van de muziek. Als afsluiting is er altijd de verjaardag van de vrouw van Adrie Kornet, onze dirigent. Samen wonen zij in een dienstwoning aan het Koningsplein en zij krijgt even haar eigen aubade. Dan is het afnokken en naar huis. Het is intussen half twee. Later die dag staat er soms alsnog een optreden gepland.

In Delft heeft men een groot muzikaal en cultureel gebeuren binnen de stadsmuren. Je moet soms vechten en delen met anderen om subsidie. Je wordt ‘ontboden’ ten stadhuize om de begroting toe te lichten, even met de billen bloot. Buiten het zicht van de ambtenaren wordt er gesproken over de ‘zwarte kas’. Op een gegeven moment weet men het bij de bestuurders: subsidie wordt niet meer gegeven op de aanwezigheid op Koninginnedag. Ondernemers kiezen niet meer voor dat Delftse orkest, maar zoeken elders naar goedkoper en zo komen orkesten vanuit Den Haag, het Westland en Schiedam de stad in, waar ‘eigen’ orkesten niet meer in zwang zijn.

Nu is het helemaal afgelopen. Krantenkoppen over het niet meer doorgaan van een reveille. Het geld is op. Uiteindelijk dan weer wel, maar in afgeslankte vorm. Wordt er zo-ie-zo nog wel subsidie gegeven door de gemeente aan muziekverenigingen, showbands en majorettenkorpsen?

Terug in de tijd is onmogelijk. Het is nostalgie, mijmeringen van mijn part. Maar we hebben er van genoten en dat wat we toen hebben ervaren neemt niemand ons meer af. Het was een feest.

69. Nationale lintjesdag

In 2009 besluit een bekende van mij om één van mijn buurmannen een Koninklijke onderscheiding te bezorgen. Na het invullen van een aantal formulieren is het zaak om medestanders te vinden die dit verzoek ook willen ondersteunen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik ben één van de ondersteuners en schrijf mijn motivatie. Voor 1 augustus moet alles bij de gemeente binnen zijn. Na diverse contacten hebben we nog vier andere ondersteuners. Dan wordt het afwachten of het hare Majesteit het ook heeft behaagd.

Een dag of wat voor 30 april komt het verlossende woord. Koningin Beatrix heeft besloten om zo’n kleine 3000 onderscheidingen uit te reiken. Ik denk dat ze er een dagtaak aan heeft gehad om alle formaliteiten ook daadwerkelijk te onderzoeken, maar ze zal het ongetwijfeld niet allemaal zelf hebben gedaan. Ook onze genomineerde zit er tussen. Er ligt een zwaar embargo op. Niemand, maar dan ook niemand mag het weten. Ook ik niet, want ik ben geen initiatiefnemer. Maar de opstarter fluistert me bij een gelegenheid in het oor dat het is gelukt.

Dan gebeurt er iets geks. Eén van mijn buren komt langs voor een kleine bijdrage voor een bloemetje voor de buurman die een Koninklijke onderscheiding gaat krijgen. Dat is vreemd, niemand mocht het immers weten. Er is dus kennelijk gelekt, maar door wie? Ik besteed er verder geen aandacht aan.

Mijn vrouw vraagt me een paar dagen van te voren of ik ook nog naar de uitreiking ga. Ik ben het niet van plan. Er ligt nog aardig wat werk en dat wil ik graag afmaken. Mijn vrouw blijft echter aandringen. “Ga dan alleen even naar de uitreiking”, zegt ze, “je hebt er eigenlijk wel wat werk aan gehad en het is toch leuk als er iemand uit de straat ook bij is”. Ik ben het niet van plan.

Drie dagen voor de uitreiking word ik gebeld. De initiatiefneemster heeft een blessure aan haar voet en ziet geen kans om naar de uitreiking te gaan. “Wil jij het niet overnemen”, vraagt ze me. Ik twijfel. Ik bespreek het nogmaals met mijn vrouw die opnieuw vindt dat ik er echt naar toe moet gaan. “Je kunt dan meteen de initiatiefneemster meenemen”, geeft ze aan.

Ik besluit uiteindelijk om op mijn werk aan te geven de dag van de uitreiking niet aanwezig te zullen zijn.

De dag van de festiviteiten zoek ik ’s morgens een jasje op, een overhemd en een spijkerbroek. Mijn vrouw vindt het geen goed plan. “Trek je driedelig aan”, zegt ze, “het is wel een speciale gelegenheid”. Met enig gemor laat ik me overhalen. Als ik weer beneden ben, zoek ik naar mijn fotocamera. Ik kan deze nergens vinden. Ik begrijp het niet, of eigenlijk wel, want opruimen is niet mijn sterkste punt. Ik vraag er naar bij mijn echtgenote. Zij weet altijd alles terug te vinden. Heel bijzonder dat ook zij niet weet waar de camera is gebleven. Ik word er nijdig over. Maar ik zal het best zelf niet hebben opgeruimd.

Een uur voor de festiviteiten pak ik mijn autosleutels om naar de uitreiking te gaan. Ik haal de geblesseerde initiatiefneemster op en rijd er mee naar Maasland. In het Trefpunt zal de burgemeester de uitreiking verrichten.

Als ik net binnen ben zie ik een aantal bekende mensen van scouting in de zaal zitten. Ik neem mijn medepassagier mee en zoek aan een tafeltje een plek. Ik kijk nog even in het rond of ik de buurman zie zitten. Hij is er nog niet. Even later komt hij met zijn vrouw binnen en komt bij mij in de buurt zitten. Ik vraag verwonderd aan hem bij welke gelegenheid hij hier is, waarop hij toefluistert dat mijn medepassagier ook genomineerd is en een lintje zal ontvangen. Ik ben verbaasd, dat ik daar niets van wist.

De koffie wordt ingeschonken en er komt een heerlijk gebakje bij. De zaal loopt hoe langer hoe voller. Ik ga nog eens staan om te kijken wie er mogelijk nog meer gedecoreerd zouden kunnen worden. Dan zie ik plots dat mijn eigen familie, vrouw, zoons en een vriendin van een zoon ook in de zaal zitten. ‘Verdorie, ik hoor er dus kennelijk zelf ook tussen’, schiet er door mijn hoofd. Zo vallen er allerlei kwartjes. Het mee moeten gaan, het driedelig pak, de camera die zoek is.

De één na de ander wordt door de burgemeester in het zonnetje gezet. Zo ook mijn persoontje. De informatie klopt er is geen speld tussen te krijgen. Achteraf hoorde ik dat ik de informatie zelf had verstrekt aan één van mijn zoons die er mee aan de haal was gegaan naar de aanvrager voor mijn lintje.

Opeens ben je zelf gedecoreerde en het zonnetje in huis. Ik mag wel zeggen zeer onverwachts. Ik had er geen flauw idee van er ooit toe te mogen behoren, de club van gedecoreerde. Als een trotse bezitter gaat het lintje op mijn pak bij officiële gelegenheden.

Die dag hebben we onvoldoende vazen voor de bloemen die zijn overhandigd.

De volgende dag staat mijn foto in de krant. Er wordt opnieuw een bos bloemen bezorgd die afkomstig is van de Rabobank. Van zowel de gemeente, de kerk en scouting krijg ik bloemen overhandigd. Ik voel me die dagen een prins met een lintje op. Op Koninginnedag opnieuw een bos bloemen, nu van de Oranjevereniging. In de middag pak ik mijn vrijwilligerswerk weer op. Het lintje op mijn scoutingtrui gespeld. Het kan eigenlijk niet, maar mijn trots wint het van het protocol. Aan het eind van de dag zit mijn zegelring van mijn ringvinger in mijn middelvinger van het vele handen schudden. Wat een gave dag.

Als ik twee dagen later weer naar mijn werk ga, vangt het gewone leven weer gewoon aan. Ze weten het daar niet eens. Of eigenlijk wel, want men heeft ook info aan moeten leveren. Er wordt echter geen aandacht aan besteed, de dagen gaan weer voorbij zoals ze ook voorbij gaan voordat ik de onderscheiding heb gehad.

Een paar jaar later vraag ik met een aantal anderen opnieuw een lintje aan. Een vrouw die veel voor de gemeenschap doet, mag naar mijn mening best eens in het zonnetje worden gezet. Het kost me veel tijd om het voor elkaar te krijgen. Ik moet meerdere motivaties insturen. Over de tijdsbesteding, men moet verklaren dat er geen betalingen mee zijn gemoeid en meer van die soort zaken. Kortom naar mijn mening wordt er erg zorgvuldig mee om gegaan. Ook zij krijgt haar onderscheiding.

Het is 2015. Ik lees in de krant en zie op de tv dat een man een onderscheiding krijgt uitgereikt die er geen recht op heeft. Medewerkers van het programma RamBam hebben bij de gemeente Utrecht een onderscheiding aangevraagd voor een niet bestaande persoon. Een onsmakelijke actie al wordt hiermee misschien wel aangetoond wat de kwaliteit is van het gemeentekorps ter plaatse. De gemeenteambtenaren daar hebben er kennelijk zitten slapen en hebben niet zoals in onze gemeente gedegen onderzoek gedaan naar de achtergronden. Ik kan me er boos over maken. De waarde van het lintje krijgt hierdoor voor mij wel een andere betekenis. Ik zal mijn lintje echter altijd met gepaste trots dragen, want hier is wel onderzoek naar gedaan, dat weet ik zeker. Ook al heb ik de informatie zelf aangereikt.