360. Als engeltjes gaan praten

Daar hangt ze weer het engeltje van glas dat al jaren de boom versiert tijdens Kerst. Ze hangt naast het nieuwe vogeltje en de dennenappel. De vogel staat er met een knijpertje aan de pootjes, de dennenappel heeft een draadje door de stam. Het engeltje heeft een stalen klipje aan haar voetje. Een jaar heeft de engel vertoefd in de kerstkist op zolder. Het is er donker geweest en koud en nu, nu moet ze stralen. Tijdens hun verblijf in de doos met andere kerstartikelen hebben ze regelmatig een discussie gehad. Wie zal het eerste sneuvelen, want ja, ze zijn toch van glas en breekbaar.

Al sinds mensenheugenis hangen ballen, de lichtjes en de andere figuurtjes in de kerstboom. De piek staat fier bovenop de boom. Zo rond half december komt de kerstkist of -doos naar beneden. Het is even wennen aan het licht na bijna een jaar achter het luik op zolder te hebben gestaan. Het is er koud en de gezelligheid is ver te zoeken, anders dan dat de boom weer is opgetuigd. De lichtjes die stralen langs de kerstfiguurtjes geven warmte af en dat doet de glazen figuurtjes goed.

Ze hebben geen benul van tijd en lijken volledig in hun winterslaap te zijn verzonken als de kleine Wim, van zes jaar, met zijn vader het luik, dat de schuine kant van de zolder afsluit, opent. Het is schrikken. Opeens is er het licht van de zolderlamp die haar warme gloed doet schijnen over de kist. De flauwe spleetjes in de houten kist, die door verdroging zijn ontstaan, laten een klein lichtje door. De kist wordt opgepakt en verschoven. De figuurtjes krijgen een andere plek en komen plots tegen elkaar aan te liggen. De rode bal heeft een aanraking met het glazen huisje. De groene en gele dennenappels hebben ineens innig contact. Het engeltje schiet door de verschuiving dieper de kist in. ‘Kan het niet rustiger’, denkt ze, ‘ik ben wel van glas, ja’.

De kist gaat open en dan ontdekt men al direct dat er figuurtjes zijn gesneuveld. Een gele en een zilveren bal hebben het jaar niet overleefd. Een glazen kersthuisje is van zijn dak verlost. Wim’s vader geeft aan de glassplinters beneden wel uit de kist te zullen vissen.

In de grote groene standaard in de kamer is een diep groene Nordmannboom geplaatst. Dit keer een echte boom, waar vorig jaar een kunstexemplaar stond. Heel voorzichtig haalt kleine Wim de figuurtjes een voor een uit de kist en legt ze op tafel. Vader zal ze in de boom hangen. Maar eerst moeten de verlichtingsstrengen in de boom. Altijd een heel gehannes, want ze zitten gegarandeerd in de knoop, hoe netjes ze de verlichtingssnoeren ook oprolt. Dit keer heeft vader het advies gekregen om de lichtjes niet horizontaal op te hangen maar verticaal. Waar men altijd om de boom heen liep is het nu een kwestie van een trapje pakken en de verlichting van bovenuit naar beneden aanbrengen. Geen gedonder meer met in de klit geraakte lichtjes en eruit halen gaat ook veel gemakkelijker. Als de lichtjes eenmaal hangen is het de beurt aan de kerstfiguurtjes. Dit keer kiest vader voor de goudgele en de zilveren ballen. De overige sets, blauw, rood, en paars mogen terug in de verpakking.

Na een goed uur is het klaar en hangt de boom vol. De verlichting wordt ontstoken en de Kerstsfeer is in huis. Aan de overzijde komt de Kerststal te staan. De beelden komen een voor een uit het krantenpapier. “1968”, leest vader op de bovenzijde van de krant. Nog even leest hij een kop. ‘Raket naar de maan’. Op 21 december 1968 werd de Apollo 8 met aan boord de astronauten Borman, Lovell en Anders gelanceerd……….

Hij heeft de stal geërfd van zijn ouders. En zij hebben de beeldengroep weer van hun ouders. Bij het uitpakken van de beelden blijkt bij een van de herders de nek gebroken. “Daar moet je mee naar een poppendokter”, zegt kleine Wim. Maar vader zoekt de twee seconden lijm. Wanneer de stal volledig is bezet, rest alleen de lijmpoging nog. Voorzichtig spuit vader een klein beetje lijm op de twee delen van de breuk van de herder. Het engeltje aan de overzijde in de boom ziet het met argusogen aan. Vader drukt de twee kapotte delen op elkaar en drukt ze stevig vast. Wanneer hij het gebroken beeldje los wil laten zitten zijn duim en wijsvinger vast aan het beeldje. Een laagje lijm was langs de voor- en achterkant van het beeldje gelopen. Na wat kracht komen beide vingers los. Nu is ook de stal echt compleet.

Het engeltje in de boom ontdekt aan de overzijde ook een engel. Het hangt aan een ijzerdraadje aan de stal. Gewaagd, want ze zou maar op de grond kunnen vallen. Vorig jaar had de boomengel de overzijde niet kunnen zien. Zij hing toen aan de achterzijde van de kunstboom.

Het werd avond en nacht. De lichtjes werden gedoofd. Het kleine kaarsje in de Kerststal is blijven branden. “Hey pssssst, jij daar”, fluistert het boomengeltje, “wat heb je daar in je handen”. De engel uit de stal kijkt eens goed op het pamflet dat zij tussen haar vleugels beet heeft. “Gloria in Excelsis dei”, fluistert de engel terug. “Maar van mij mag die strook weg. Ik moet de tekst hooghouden en krijg er van lieverlee zere schouders en lamme armen van. Daarnaast hangen er ook mijn vleugels nog aan.” “Wat betekent het”, vraagt de boomengel. “Ere zij God in de hoge”, zegt de stalengel, “het is latijn”. “Het is de eerste regel van een lied over vrede”. “Vrede”, zegt de boomengel, “is die er niet dan.” “Ja, hier in huis wel, maar de grote boze buitenwereld heeft er maling aan.” “Hoezo maling aan”, zegt de engel uit de boom. “Heb je het niet meegekregen dan?”, zegt de stalengel. “Een en al ellende buiten de deur. Sommigen gunnen een ander het licht in de ogen niet.” “Nou bij mij schijnt ie de hele dag in de ogen. Dat lampje van hiernaast is zo fel, dat ik regelmatig een oogje dichtknijp.” “Nee, dat bedoel ik niet.” “De mensen gunnen elkaar geen geluk. Nou sommigen wel, maar heel veel ook niet.” “Ze pakken rustig een wapen en schieten de ander dood. Laatst nog op een kerstmarkt in Straatsburg.” “Niks van meegekregen”, zegt de boomengel. “We zijn er weer een jaar tussenuit geweest hé, dan mis je weleens wat.”

“Hoe heb jij het dit jaar ervaren daar boven op de zolder”, vraagt de boomengel. “Oh, vrij rustig”, zegt de kerststalengel, “maar wel fris.” “Nadat Nelis, de herder, zijn nek heeft gebroken zijn we wat voorzichtiger naar elkaar geweest.” “Alleen toen we vanmorgen uit het luik zijn weggehaald heb ik wel even mijn hart vastgehouden.” “Wat ging dat ruw.” “Wij glasfiguren hebben het er ook steeds over”, zegt boomengel, “wie zal er het eerst sneuvelen?” “Maar we zijn er nog, gelukkig.”

Het tijd om te gaan slapen. De engel, die aan de stal hangt kijkt of er nog leven is in de stal en blaast. Hij wil het kaarsje doven dat men heeft laten branden. Het lukt hem niet. De lichtjes in de kerstboom zijn al eerder uitgegaan. Langzaam vallen de oogjes van de engeltjes dicht.

Midden in de nacht ineens een gigantische herrie. Het licht gaat aan. De hele familie staat in de kamer. Ze zien dat de kerstboom is omgevallen. De figuurtjes liggen kapot op de grond. Overal ligt glas. Het kerstengeltje is verdwenen. Zou zij de oorzaak zijn en waar is ze gebleven?. Wanneer de boom overeind wordt getild, ontdekken ze de engel. Ze ligt tussen de naalden en is nog heel. Ze is volledig verdoofd van de val die ze heeft gemaakt op de grond. Wanneer ze door vader wordt opgeraapt, zingt ze opeens. “Glohohoria in Excelsis Deo”. De kerst gedachte is ze niet kwijt.

Langzaam wordt de kerstboom weer opgetuigd. Er komen nieuwe lichtjes in en het engeltje krijgt een prominente plek. De volgende dag is het Kerst. Er is gezelligheid in huis. Er wordt gezongen. Het engeltje heeft een gaatje in het hoofd, maar ze is er nog. Ze is met haar lied de boodschapper geworden van gezelligheid, van de vrede, waar engelen meestal mee worden geassocieerd. “Laten we elkaar de vrede toewensen”, hoort de familie haar zeggen. “En niet alleen toewensen maar ook naleven.” De engel heeft de Kerst weer overleeft en gaat, nadat ook de koningen zijn toegevoegd op 6 januari, na twee dagen weer in de Kerstkist. Het buitenleven is weer voorbij. De winterslaap gaat opnieuw in.

92. De kerstboom staat. Ik ben er klaar voor

Het is elk jaar weer een crime. De Kerst komt er aan en de versiering moet achter het luik vandaan komen. Het begint eigenlijk al met de aanschaf van de kerstboom. Waar haal ik deze dit keer vandaan? Ga ik naar de Ikea waar ik voor één euro een boom heb, wordt het de Hornbach of toch maar weer Gamma, dat zeg ik.

Op mijn vrije vrijdag wordt het de Gamma in Delft. Als ik er naar toe rijd met mijn auto ligt de weg naar waar onlangs de Irenetunnel stond volledig open. Met verkeersregelaars wordt het verkeer de goede kant op geleid. Na de afslag naar de Gamma volgt de weg waar ik de borden 30km tegen kom. Waarom men deze borden heeft neergezet is mij een raadsel. Op dezelfde weg liggen 3 heuvels op het wegdek waar men in Garmisch Partenkirchen jaloers op is. Harder dan 30km is schansspringen met een wereldrecord. Aangekomen bij de Gamma is de herdershut leeg. De man die er normaliter zou moeten staan heeft het te druk met zijn mobieltje. Intussen is het zachtjes gaan regenen. Ik loop het parkeerterrein op en ga zelf op zoek naar een boom. Die vind ik. De mobiele beller ziet mij staan maar gaat op het gemak verder met zijn gesprek. “Is goed schat”, hoor ik hem zeggen, “…………..ik ook van jou”. Dit gesprek is niet zakelijk, constateer ik. Wat ga ik doen? Ik besluit naar hem te toe te lopen en het gesprek mee te luisteren. De man gaat onverstoorbaar verder. Hij kijkt mij aan op een manier van: ‘Ga uit mijn buurt’. Even later eindigt hij toch zijn gesprek. “Je kunt beter in je hutje gaan staan,” zeg ik hem, “dan sta je droog.” De man lacht en knikt. Ik heb Inmiddels mijn boom uitgezocht en zet deze tegen het hek aan. “Binnen afrekenen”, zegt de boomverkoper. Hij geeft mij een bonnetje dat ik bij de kassa moet laten zijn. Bij de kassa is het erg druk. Er schijnt een storing met het kassasysteem. ‘Nog acht wachtende voor u’, denk ik bij mezelf. Bij Jumbo had ik mijn boom gratis meegekregen. Als ik aan de beurt ben, zegt het kassameisje naast mijn betaalpunt: “De eerst volgende mag bij mij komen”. Te laat dus.
Buiten laat ik eerst een stoel van mijn auto zakken, zodat mijn boom in de auto kan. De boom heeft intussen een net gekregen en kan makkelijk worden meegenomen. Op naar huis. Thuis aangekomen mag de boom een nachtje logeren in de schuur. Hij is nat en krijgt een rustplekje.

Twee dagen later is het dan zover. Ik haal mijn boomstandaard te voorschijn die ik vorig jaar heb gekocht op de rommelmarkt in Schipluiden. Ik wilde wat mij vorig jaar is overkomen niet nogmaals meemaken. Zie mijn blog: Het sprookje van de kerstboom en de rode vinger. In deze kerstboomstandaard past zelfs de boom die op de Markt in Delft staat. Met een stevige tik valt de stam van de boom in de gevaarlijk uitziende punt in het midden van de standaard. De schroeven worden stevig aangedraaid waarna de boom stevig op zijn poot staat.

De berging in ons huis moet worden uitgeruimd om een luik te openen. Als de weg vrij is komen de kerstdozen te voorschijn. Zes dozen en opbergkratten met kerstshizzle. Wat kan een mens verzamelen. Alle dozen moeten naar beneden. Wat zit er in welke doos? De kratten zijn doorzichtig. Wordt het dit jaar een rode, blauwe, gouden of zilveren boom? Elk jaar stel ik me die vraag. Dit jaar ga ik voor rood en zilver. Twee dozen vallen al direct af en verdwijnen terug achter het luik. De lichtjes komen uit de dozen. Zitten wederom volledig in de klit. Na wat puzzelen heb ik die strengen uitgerold in de kamer liggen. Het wordt wat draaien met de boom, zodat de mooiste kant voor komt te staan, dan de lampjes er in om vervolgens wisselend rode en zilveren ballen aan een ijzeren haakje op te hangen. Twee zilverkleurige slingers maken het geheel bijna compleet. De piek, zilverkleurig, maakt het helemaal af. De boom krijgt zijn plaats. De op die plek staande planten worden verbannen naar boven. Ze horen er dit jaar zoals gebruikelijk niet bij en brengen geen kerstsfeer.

De overige dozen worden opengemaakt. In krantenpapier komen de beeldjes uit de kerststal te voorschijn. Ik kijk even naar de kranten. Er zitten er tussen uit 1997. Oud nieuws maar als verpakking doet dit al heel lang dienst. De beeldjes zijn nog veel ouder. Een erfstuk van mijn oma en opa, richting 1920/1925. De herder heeft zijn nek als eens gebroken, bij Jozef is er een stukje van zijn neus af. De os heeft zijn zijkant geschaafd. Wat kale plekken zijn met waterverf bijgewerkt. Maar het is bijna een eeuw oud, dan is een mens ook niet meer puntgaaf. Elk jaar opnieuw is de vraag, komen de drie koningen ook al in de stal of wacht ik tot 6 januari, wanneer ze werkelijk naar de stal komen? We besluiten hen nu maar direct hun standaard plekje te geven. De kameel net buiten de stal, de koningen er rondom heen. Een neonlichtje dat brandt geeft een arme gloed. Zo is er ook ’s nachts licht. Éénmaal aan gaat dit lichtje niet meer uit tot de stal verdwijnt. De stal heeft ook al eens een metamorfose ondergaan, zij het dat het dak enige jaren geleden van nieuw riet is voorzien. De plaatselijke rietdekker heeft de stal ooit opgeknapt. De engel aan de voorkant van stal hangt aan het spijkertje. Ook de stal is nu compleet en af.

De rest van de dozen worden nog even geopend om de overige kerstspullen te bekijken. Een strengetje met lichtjes komt buiten te hangen. Een kitscherig kerstboompje met lichtjes siert het raampje in de keuken. De kerstkaarsjes krijgen een plekje. Mijn kerst kan niet meer kapot.

Als de boom twee dagen staat, begint het rond de kerstboom plots te stinken. Even later gaat er een hele lichtstreng uit. Een van de verplichtingen heeft het begeven. Shit, de hele kerstboom leeghalen, nee toch? Ik probeer voorzichtig de verlichting te verwijderen. De ballen vallen uit de boom. Klets, daar gaat er één aan diggelen. Had ik toch niet beter eerst de hele boom leeg moeten halen. Onze jongste zoon zit op de bank te gniffelen als ik bezig ben, zit me wat te stangen en probeert me boos te krijgen. Helaas, geen Lau en Tiny taferelen in huize Van Meurs. Waar ik wel eens impulsief kan handelen gun ik hem niet de lol van boos worden. Met wat prutsen hang ik er een nieuwe verlichting in. De ballen krijgen weer een plekje. Twintig minuten later kan de boom terug naar zijn plek. Weliswaar een bal minder, maar daar valt overheen te komen. Alleen zoonlief heeft er nog een opmerking over.

Kerst kan wat mij betreft komen.

Wat er nu als versiering staat heeft eigenlijk niets met het werkelijke Kerstmis te maken. Er wordt een kerstkind geboren. Het stenen kerstkind in mijn stal ligt als symbool voor de geboorte van dat kind, armpjes wijd gespreid. Een kind dat de vrede moet brengen. Vrede tussen volken, vrede tussen mensen. Laten we respectvoller met elkaar omgaan en Kerstmis vieren in liefdevolle genegenheid. Ik wens u een vredevolle Kerst toe.