280. Keuzemogelijkheid voor vervolgonderwijs

De Cito toets komt er nog aan. Op 17, 18 en 19 april is het zover dan mogen de leerlingen van groep 8 laten zien wat ze waard zijn. Dan is het keuzemoment voor welke school de volgende is, mogelijk al voorbij. Advertenties van onderwijsinstellingen doen geloven dat hun scholen echt de beste zijn. In mijn tijd had je die keuzemogelijkheid niet dan werd dat bepaalt, door je afkomst, je geloofsovertuiging, of dat men je mocht of niet. Willekeur bepaalde vaak waar je naar toe ‘moest’, tenminste zo heb ik dat ervaren. Ik heb mijn lagere schooltijd op een rijtje gezet. Voor mensen uit oud Den Hoorn (Ik zeg bewust geen Hoornees, of Hoornaar om elke discussie uit de weg te gaan) een mogelijk herkenbaar gebeuren.

Als oudste uit het gezin mag ik als eerste naar de R.K. kleuterschool in Den Hoorn. Moeder brengt mij weg. Er zijn een aantal gevaarlijke oversteken te maken en zeker loeispannend als je voor het eerst naar school gaat. De kleuterschool staat achter de katholieke kerk H.H. Antonius en Cornelius die aan de Hoornseweg staat. Het is daarna de Schoolstraat uitlopen, langs het zusterhuis van De Zusters Franciscanessen van Aerdenhout met de veiling aan de andere kant. Op de veiling heb je nog de diverse havens die veiligheidshalve met een gaashek zijn afgesloten. Dan een smalle poort door waar aan je linkerhand de Mariaschool staat. Als je in de poort rechtdoor loopt kom je uit bij de St. Jozefkleuterschool. De school wordt ook geleid door zusters Franciscanessen. Ik kom er terecht in de klas van juffrouw Ria. Juffrouw Ria was Ria Vollering, zij komt van een boerderij die dan staat aan de Woudseweg. Het is de plek waar lange tijd de ingang is van de voetbalvereniging RKSV Den Hoorn. Het tweede ‘leerjaar’ kom ik terecht in de kleuterklas van zuster Christella. Gekscherend wordt er weleens gesproken over Castella, maar dat was een merknaam van een zeepproduct. Het zijn gemengde klassen van jongens en meisjes. Ik weet me nog van heel vroeg te herinneren dat er ook een altaartje is. Er hangt een kinderkazuifel en voor mij is dat de ideale kleding. Dan al ben ik er niet vies van om me af en toe te verkleden. Ik kies vaak voor het kazuifel en eigenlijk wordt het mijn standaard speelplek. Ik maakt die keuze omdat ik later ook echt priester wil worden. Ik weet, dan hoef je niet in militaire dienst, ik ben een schijthuis en wil alles wat met geweld te maken heeft zoveel als maar mogelijk is vermijden. De speelkwartieren zijn eigenlijk de mooiste en spannendste van de hele dag. Je kan dan vanaf de speelplaats het treinverkeer volgen dat vanaf de veiling richting Schipluiden rijdt. Immens grote locomotieven die met achterhangende wagons de groente en fruit, maar ook de steenkool vervoerde. Een machtig gezicht. Bij het naar huis gaan staat de kleine zuster Justina met nog meer verkeersbrigadiers, altijd met het rood-witte oversteekbord op de Hoornseweg om het, dan nog niet zo drukke, verkeer tot stoppen te dwingen. Een enkele keer gaat dat fout en rijdt men gewoon door. Er zijn kinderen aangereden op dat zebrapad.

De Mariaschool uit die tijd is een jongens en meisjesschool. Daaraan vast zit de zgn. naaischool. De V.G.L.O. Bernadette. Hier krijgen meisje uit Den Hoorn, maar ook Delft, de Lier, Schipluiden en Maasland les in de huishoudelijke activiteiten. Tegenwoordig doet men kennelijk maar wat waar men vroeger zelfs een school voor nodig had.

In 1958, als ik zes jaar oud ben, wordt, omdat Den Hoorn uitbreidt, een nieuwe jongensschool gebouwd aan het Koningin Julianaplein, de Justus van Schoonhovenschool. De meisjes blijven achter in de Mariaschool. Ik behoor dus tot de eerste lichting leerlingen die gebruik gaat maken van die school. Ik kom er terecht met een groep jongens uit de buurt. Simon de Kok, Alphons (Pim) de Wit, Jan van der Kraan en Peter van Mil. Het is een grote klas, 41 leerlingen. Juffrouw (Gerda) Lander zwaait de scepter in het eerste leerjaar. Ik behoor niet tot de grootste bollebozen, kan goed meekomen, maar behaal nooit de top tien in de klas, waar juffrouw Lander er altijd een competitie van probeert te maken. Het volgende jaar kom ik terecht bij Juffrouw Boukamp. Haar voornaam kan ik niet meer achterhalen. Een in mijn herinnering prachtige jonge leerkracht, waar je zo verliefd op zou kunnen worden. Prachtig donker haar en een heel lief poppengezichtje. In de jaren 80 heb ik ooit nog eens geprobeerd contact met haar te zoeken, louter uit belangstelling, zij gaf mij echter te kennen dat het nooit haar gelukkigste tijd is geweest en het er absoluut niet over te willen hebben. De derde klas is een klas, waar we er plots een aantal leerlingen bij krijgen. De klassenjuf, Ans Pieper, is een strenge onderwijzeres. Er blijven in die klas veel leerlingen zitten. Je doet het niet gauw goed bij deze in mijn ogen, oude prentenboek. Zij heeft een passie voor alles wat te maken heeft met de Mariaverschijning tussen mei en oktober 1917, waar Maria zes keer verschenen zou zijn aan de drie herderskinderen (Zuster) Lucia, Francisco en Jacinta nabij het Portugese stadje Fátima. Zij wist er prachtige verhalen over te vertellen en heeft er bij haar thuis een kapelletje voor ingericht. Om de beurt mag er op een zaterdag een groepje met haar mee, om dat ook te zien. Aan het eind van het jaar blijven ook van mijn klas weer aardig wat leerlingen zitten en moeten het jaar overdoen. Het vierde jaar komen we terecht bij meester Jan Dukker. Jan was eerder gymnastiekleraar geweest aan de school, had de kweekschool gedaan en koos er dat jaar voor om klassenleraar te worden. Wat er van hem is bijgebleven: Dat hij fantastische verhalen kan vertellen. Leerlingen uit de klas kijken uit naar de vrijdagmiddag wanneer er weer zo’n verhaal uit de boeken komt. Maar ook de fantasieverhalen die hij vertelt zijn mij lang bij gebleven. Als leerlingen hebben we hem ooit te pakken gehad als er op een maandagavond in de krant staat dat Jan bij zijn DHL, hij speelt er in het eerste van ie club, in eigen doel heeft gekopt. De volgende dag brengt iedereen het krantenknipsel mee. Kort geleden ben ik hem nog eens tegen gekomen. Hij kijkt mij aan en met een paar woorden herkent hij mij weer. Het vijfde leerjaar. Meester Henk Ortgiess is de klassenleraar. Hier wordt de klas gesplitst. Een A-klas voor de technische school, een B-klas voor de Mulo en een C-klas voor het Stanisslascollege. Ik mag naar de C-klas. Daarnaast zing ik in het kinderkoor van deze klassenleraar. Een koor dat regelmatig mag opdraven, om op school of in de kerk de mooiste liederen ten gehore te brengen. Hij ruilt mijn zorgvuldig opgebouwde postzegelverzameling die ik van mijn oma heb gekregen voor een niets zeggende verzameling suikerzakjes. Hij zal er niet minder van zijn geworden, maar wist ik wat het waard was. Op latere leeftijd trouwt hij met de juf van de eerste klas, Gerda Lander. De zesde klas is niet mijn gelukkigste klas. Ik heb moeite met mijn talen, heb nog enige maanden in de C-klas gezeten, die ook op zaterdag naar school moet, maar dan moet ik afhaken. Meester Jan Ham, hoofdonderwijzer van de school, heeft bij mijn ouders aangegeven dat ze veel meer handarbeiders nodig hebben. Omdat ik al uit de categorie arbeiders kom, moest dat mijn keuze worden, die er dus eigenlijk niet is.

Zo gaan mijn eerste schooljaren, die de basis zijn van hoe mijn leven verder verloopt. Geen hoogvlieger, een middenmoter. Maar nog altijd denk ik terug aan die tijd, want als, ja, als ik toch die kans had gehad om te mogen doorleren? Omkijken heeft geen zin. Ik heb een zeer gelukkig leven achter mij liggen, met een fantastische vrouw aan mijn zijde. Met twee geweldige aardige en getalenteerde zoons. Het is eigenlijk prima verlopen. Misschien is de keuze die de hoofdonderwijzer heeft gemaakt wel de enige juiste geweest.

231. Vlekkeloos door het leven

Ik moet u wat bekennen. Biechten, in mijn jonge jaren een goed gebruik. Zo vlak voor de feestdagen even langs bij meneer pastoor of de kapelaan. Ik ben rooms katholiek opgevoed. Heb in mijn jeugd veelvuldig de kerk van binnen gezien en dus ook de biechtstoel. De stoel stond, denk ik in het andere hokje, want ik heb nooit een stoel in het hokje gezien en moest altijd op de knieën. Met name vlak voor Pasen was het een goede gewoonte om even wat zonden op te biechten.

lk denk dat ik in de eerste klas van de Justus van Schoonhovenschool te Den Hoorn zat toen ik voor het eerst te maken kreeg met biechten. Biechten is een sacrament in het katholieke gebeuren. In dit sacrament kan een gevolmachtigde priester, in Christus’ naam zonden vergeven. Toen ik mijn eerste heilige Communie deed, moest ik daarvoor eerst biechten. Wist ik veel wat ik moest opbiechten. Wat had ik nou fout gedaan op een leeftijd van zes of zeven jaar? Ik had hooguit een snoepje gepikt uit het trommeltje dat in de kast stond, of een keertje tegen het schuurtje van de buurvrouw gepiest. Maar waren dat zonden?

Zo vlak voor onze eerste heilige Communie kwam meneer pastoor bij ons in de klas. Een notabele in de Hoornse gemeenschap. Pastoor Stroek, een Volendammer van origine, die de leerlingen uit de eerste klas, nu groep 3, kwam vertellen wat biechten was. Het staat nog in mijn geheugen gegrift alsof het gisteren heeft plaatsgevonden. Een pastoor die van die dikke sigaren rookte, altijd in het zwart was gekleed en als hij de mis niet deed, liep te brevieren in een lange zwarte toga met misschien wel honderd kleine knoopjes. Toen hij bij ons in de klas was, legde hij het hele ritueel van biechten uit. Hij gaf zelfs voorbeelden van zonden. Dat was mooi, want die onthield ik. Daar was ook het snoepjes jatten uit moeder’s blikje bij. Het waren maar voorbeelden, had hij ons gezegd. Onze juffrouw uit de klas, ‘juf’ Lander, Gerda, voor intimi, moest als pastoor Simon Stroek de klas in kwam, vertrekken. Hij had kennelijk niets met vrouwen, maar wist ik in die tijd veel. Waar ze dan naar toe ging? Ik denk de lerarenkamer of haar vriendje van die tijd, Henk Ortgiess, ook onderwijzer van die school. De pastoor ging op een speciale stoel zitten, die voor hem was neergezet, kruiste de armen voor zijn borst, maakte een kruisteken en begon zijn verhaal. Hij vertelde o.a. dat je alles mocht opbiechten wat je ooit had uitgespookt en dat dit binnenskamers zou blijven. Nou ja, binnen dat donkere hokje waar je in moest kruipen als je eenmaal ter audiëntie op je knietjes voor de met gaas bespannen opening, moest spreken. Hij vertelde erbij dat hij geheimhoudingsplicht had en dat er daardoor nooit iets naar buiten zou komen. Ik fantaseerde er al van alles bij. Wat zou zo’n pastoor allemaal horen? En deed hij er stiekempjes weg toch niet iets mee? Het bleef voor mij een open vraag.

In mei van dat jaar mogen we onze eerste heilige Communie doen. De jongensklas van 41 leerlingen en de meisjesklas van 39 leerlingen. Verschillende keren worden we meegenomen naar de kerk om te ‘oefenen’. Er mag absoluut niets fout gaan tijdens zo’n heilige mis. We worden gekoppeld, bijna elke jongen krijgt een meisje toegewezen. In de week voorafgaand aan dit katholieke feest zitten we alle dagen in de kerk. Buiten het oefenen voor de mis, wordt er ook aan een ‘nep’ biecht gedaan. Je mag even in het donkere hokje kijken, de deur gaat dicht en daar zit je dan alleen. Wie er aan de andere kant zit, kan je door de donkere opening niet waarnemen en of er iemand zit, weet je al helemaal niet. Na de nepbiecht wordt er uitgelegd wat dan de bedoeling is. Een paar banken verderop zak je op de knieën om je taakstraf te voldoen. Het is allemaal reuze interessant.

Bij thuiskomst vertel ik vader Lau en moeder Agnes wat we die dag allemaal hebben gedaan. Mijn ouders zijn reuze trots op hun zoon die als eerste kind uit het gezin de eerste heilige Communie gaat ontvangen. Toch heb ik wel een vraag aan mijn moeder. Kan Jan, die Protestant is, ook biechten. “Nee”, zegt mijn moeder, “dat kan hij niet, dat hebben ze bij Protestanten niet.”. Maar hoe zit dat dan? Katholieken zijn vlekvrij als ze zijn wezen biechten en Protestanten behouden alle zonden? “Zij komen dan zeker in de hel”, had ik mijn moeder gevraagd en wij in de hemel. Ik weet niet goed meer wat haar antwoord is geweest. Ik bleef wel met vragen zitten. Dat er in die tijd ook nog andere geloven zijn en er soms mensen zijn die helemaal geen geloof hebben en rondlopen op deze aardkloot weet ik al helemaal niet. Moeder geeft wel mee dat als je niet regelmatig gaat biechten er ook nog een vagevuur is. Hier word je gestoofd, bedacht ik me, waar je in de hel verbrand en zwart geblakerd het leven niet zou kunnen navertellen. Ach, je was pas zes, zeven, wist jij veel. Fantasie had ik toen al.

De vrijdag voor het feest van de eerste heilige Communie was het zover. Mijn moeder liep al dagen zenuwachtig door het huis, niet omdat ze bang was dat ik van alles zou gaan vertellen wat ik op de kerfstok had, maar meer omdat ze weinig geld hadden om er ook een mooi en gezellig feest van te maken. Want het kostte wel wat zo’n Katholiek feest. Als kind moest je in het nieuw. Je kreeg een pakje aan met stropdas. Een mooi overhemd en nieuwe schoenen. Ja, je moest er net zo mooi uitzien als de kinderen van de tuinder, de winkelier, de politieagent of de bankdirecteur. Er kwam ook veel visite. Dat men die week weinig te eten had en alle eindjes aan elkaar moest knopen om er iets moois van te maken, had je als kind niet in de gaten.

Opnieuw: Die vrijdag was het echt zover. Voor het eerst voor het ‘eggie’ de biechtstoel in. Zenuwachtig als ik was, had ik al geoefend wat ik zou gaan zeggen. Ik wilde graag van mijn zondigheid af en absoluut in de hemel terecht komen. Het was mijn beurt. Ik stapte in het oud-eikenhouten hokje aan de rechterzijde van het zijschip van de kerk naar binnen. Het rook er naar brandende kaars en vocht. Het was er eng en diep donker. Nadat ik de houten deur achter me had gesloten, knielde ik op de met stof beklede knielbank. Dat hadden de kerkbanken niet. Daar hing een kussentje aan een haakje, tenminste als je een vaste plaats had in de kerk. Aan de andere kant van de opening zag ik een schim. Was het pastoor Stroek, onze Volendammer of immer populaire kapelaan Harry Mourits, of was het kapelaan Van Adrichem? Ik had geen idee. De aanhoorder mompelde wat? Mocht ik het al zeggen. Er viel een lichte stilte. Ik vertelde op zachte toon, wat ik zoal al uitgevreten. Zacht, omdat ik bij klasgenoot Jan, die voor mij aan de beurt was, precies kon verstaan wat zijn zonden waren. Ik zou ook niet teveel zonden opbiechten, want anders zouden de offers die ik moest doen ook groot zijn en ik moest wat bewaren voor als ik de volgende keer zou moeten. Na twee op gebiechte zonden, ik weet al lang niet meer wat ik had verzonnen, kreeg ik de absolutie, de vergeving namens Jezus. De oefening van berouw (wie kent deze nog), drie Weesgegroeten en een Onze Vader was de ‘straf’, die men mij gaf. Een paar banken daarvoor mocht je inschuiven om op je knieën deze gebeden te doen. Ik was eerder klaar dan Jan, had ik minder uitgevreten of bad Jan zo langzaam.

Na het gebed ging je vlekkeloos de kerk weer uit, opgelucht, dat de priester aan de andere kant niet meer had gevraagd over jouw zonden en dat hij deze ook had aanvaard. Met een gerust gevoel kon ik die zondag mijn eerste heilige Communie doen. De hele familie kwam op visite, er waren cadeautjes en lekker eten. Van oma en opa Charlier kreeg ik een horloge cadeau, zij waren mijn peetouders. Later op de dag kwam ook meneer Pastoor nog even langs, om een sigaar of fooitje op te halen. Ik hoopte dat hij niet aan de menigte zou vertellen wat ik zoal had opgebiecht. Ze zouden me vast niet geloven.

Nog even heeft het bij mij standgehouden, mede omdat mijn ouders dit graag wilden. Later heb ik geen zonden meer begaan en was de noodzaak van biechten niet meer nodig.