298. Wat zoekt ze toch?

We zijn een paar dagen in Amsterdam. Zoals je van ons gewend zou zijn nemen we meestal een buitje regen met ons mee. Dit keer zijn de weergoden ons gunstig gezind en genieten we van het mooie lenteweer.

Omdat Amsterdam zich leent om mooie gebouwen te bekijken stappen we binnen in het Koninklijk Paleis. De prachtige kamers, waar WimLex zo af en toe wat gasten ontvangt, staan er allemaal tot in de puntjes bij. Somber, in de zin van donker, zijn ze wel maar hoogwaardigheidsbekleders zijn vaak niet veel anders, al boffen we op dat gebied met ons Koninklijk paar. Na een bezoek aan het Paleis op de Dam doen we een terras. Op dat moment probeert het zonnetje tussen de wolken door wat stralen te schieten. We zijn niet de enige die aan een versnapering toe zijn. De terrassen zitten vol. Het is op de uitkijk staan om een plek te veroveren. Op een gegeven moment is het zover, net geen sprintje maar wel haasten. En dan is het mensen kijken. Ik vind dit het mooiste wat er is. We bestellen een drankje en kijken ons ogen uit.

Wat een verscheidenheid van mensen lopen er op de wereld en zeker in Amsterdam. Blond, donker, geel, zwart. Kaalgeschoren, opgeschoren, staartjes, stekels, lang golvend, haardrachten zo divers. Ook hoofddoeken komen we tegen kleurrijk, maar altijd één kleur en nooit met een dessin. Actieve mensen, wezenloze, levend in een eigen wereld. Hardlopers, wandelaars, genieters. Mannen in een rokje, vrouwen in een rokje dat nauwelijks als rokje mag worden aangeduid i.v.m. de lengte van het kledingstuk. Getatoeëerde mensen, tot het gezicht aan toe. Mannen en vrouwen met ringen en piercings. Ringen soms waar men aan zou kunnen worden opgehangen. Dames die uit een spuiterij komen met bruine gespoten make-up, maar ook die het gezicht hebben witgeschilderd alsof de dood hen tegemoet treedt. Wimpers waar een dikke Audi een moord voor zou doen als ze zulke ruitenwissers zouden krijgen. Dikke en nog dikkere mensen en dan ook nog de mens zoals jij en ik. En dan, dan loopt daar dat meisje. Ik schat haar 15, 16 jaar oud. Ze schuifelt tussen het winkelend publiek door, duikt soms ineens een hoekje in waar een blikje bier is neergegooid. Ze zet het aan haar mond en probeert er de laatste druppels uit te krijgen. We schieten een winkel in en komen haar even later weer tegen. Ze staat in een steegje heeft zojuist een restje van een sigaret opgeraapt en heeft dat kennelijk vaker gedaan. Ze probeert er opnieuw een sigaret van te maken en deze aan te steken. We blijven even staan om te zien wat er gebeurt. Het lukt niet ze wordt boos en stampvoet. Even verderop haalt ze een patatzakje uit een prullenbak. Ze likt er met haar vingers de mayonaise uit. Ik heb medelijden met haar. Maar zij wil denk ik niet anders. Ik vraag me af: hoe is het zo gekomen?

De volgende dag zie ik haar weer, ze kijkt somber. Opnieuw zoekt ze in hoekjes naar etenswaren en drank. De regen in miezer. De straten zijn omgetoverd in kleine spiegeltjes, de goten voeren het afval mee naar de straatkolken. Ze ziet eruit als een verzopen katje. Ze praat met twee jongens van dezelfde leeftijd. Ze trekt aan een peukje. Op een vreemde manier houdt ze de rest van een jointje vast. Ze geniet ervan. Het is haar leven. Het rokje dat ze draagt is kort, te kort, vind ik. Haar haar is smoezelig, ze ziet er onverzorgd uit. Welke toekomst heeft ze?

In eigen dorp kom je ze niet tegen, maar hier, er zijn er meer van. Mannen en vrouwen met ingevallen gezicht. Alsof men is uitgemergeld. Lopen met de dood in hun schoenen en zijn zoekend, altijd maar zoekend.

Wanneer we in de Kalverstraat lopen zien we ‘ons’ meisje zitten. Ze heeft haar hoofd in haar handen gelegd, een Starbucksbeker staat op 50 centimeter van haar af. Er zit een munt in van 20 cent. Wat kan ze ervoor kopen? Zit ze er de hele dag? Vraagtekens in mijn hoofd brengen de twijfels over de toekomst van deze jeugdige. Ik vind het triest, zou haar graag meenemen, maar met welk resultaat. Ik moet het uit mijn hoofd zetten en haar bij mij deleten. Je zult er maar de ouders van zijn. Wat een verdriet moet je ervan hebben. Ik loop door met de wetenschap dat ze zal blijven zoeken, naar wat? Ik heb geen idee.