336. Houden Waterschappers niet van water?

In mijn activiteitenkalender staat een solexrit van Waterschappers gepland. Mensen die ik ken en oud-collega van mij zijn geweest. Ik heb er zin in.

Ik haal mijn Tuinderijshirt en -jack naar beneden. Er staat een beetje wind en het zonnetje zorgt voor een lekker temperatuurtje. Nog even wat gel in mijn haar en dan op de bike. Een lekker voordewindje. In het Westland hangen donkere wolken. Het zal toch niet gaan regenen? Op de site van het waterschap wordt aangegeven dat er voorgemalen is. Men verwacht veel regen.

Bij de Tuinderij staan de solexen netjes in het gelid opgesteld. De groep Waterschappers zit nog aan de lunch. Ik loop even bij hen naar binnen. Er is direct herkenning. Wat leuk. Dan terug naar de werkplaats voor de gele hes en de houder voor de portofoon. Ook ik wil een leren jasje scoren. Inmiddels begint het zachtjes te spetteren. De donkere wolken trekken over de kassen van het bedrijf. De solexgroep moet worden opgehaald voor de leren jas, de helm enne, de regenbroek. In de hoek van de giga kleedruimte hoor ik al gemor. “Ik ga echt de regen niet in”, zegt een van de mannelijke solexer. Ik kijk hem aan. “Je bent Waterschapper, toch?”, zeg ik hem, “en dan niet de regen in.” Wat zijn dit voor mannen die bij een Hoogheemraadschap werken?

Het duurt lang voor de juiste jas gevonden is. Nog een en nog een en dan nog een ander. De keuzemogelijkheid is kennelijk te groot. Een vrouwelijk deelnemer twijfelt of ze mee gaat rijden omdat ze het eng vindt. Ik kan haar overtuigen dat dit best meevalt. We rijden zo hard als de langzaamste solexrijder. Ze vindt een jas en trekt hem aan. De fototoestellen komen tevoorschijn. De historische beelden moet worden vastgelegd. Wanneer bijna iedereen een jas heeft gevonden, is het wachten op nog een deelnemer. Hij moet van een cursus komen en heeft nog niet gegeten.

De tijd loopt verder. Waar gestart moet worden om half drie is men om tien over halfdrie nog niet klaar. De cursusganger is inmiddels binnen, is de grootste en zwaarste van alle deelnemers. Een jas vinden is een crime. Hij krijgt zijn broodjes voorgeschoteld en propt deze naar binnen. Het is te hopen dat de kroket niet te heet is, anders brandt hij zijn gehemelte. Nu de jas nog. Er is er slechts één die redelijk past. Niet de fraaiste en waterdicht zeker niet.

Eenmaal buiten kan de uitleg gebeuren. De regen valt met dikke druppels naar beneden. Ook voor mij een leren kapje op het hoofd en een regenbroek. Mijn gehoorversterking mag niet nat worden. Na de uitleg vertrekken voor het oefenrondje. Dat gaat niet lekker. Het hoost van de hemel en als je solex dan niet starten wil, is dat niet leuk. Medewerkers springen bij. Het eerste oefenrondje lukt met vijf van de eenentwintig rijders. De rest komt niet weg. Weet niet hoe het moet of denkt dat gas geven de oplossing is zonder de motor op de band te zetten. Ook mijn eigen solex weigert plots. Regen, ik weet het niet. Ik ga terug om een andere solex op te halen.

Dan op weg. Slechts tien deelnemers volgen. De anderen komen maar niet, terwijl de regen met bakken naar beneden valt. ‘Niet de leukste rit’, gaat door mijn hoofd. We wachten op de brug en zien in de verte nog wat solexrijders aankomen. Dan een melding dat een van de rijders heeft besloten niet mee te gaan. De regen? Geen idee. Er wordt gemopperd op het weer en dat voor mensen die altijd met water bezig zijn. Ik krijg een signaal om gas te geven, daar gaan we dan eindelijk.

Het houdt op met hard regen, de druppels worden nog groter. Mijn schoenen zijn van lichtbruin in donkerbruin veranderd. De regenbroek is te kort en de onderkant van mijn spijkerbroek is zeiknat. De grote man komt naast mij rijden. “Heb je het een beetje naar je zin, nu je met pensioen bent”, vraagt hij. Ik kan het beamen. Het is leuk, maar nu even niet, ook voor mij niet.

Door de late start komt het schema van stops in de knoei. De rit moet worden aangepast. Ook de locatie verwacht op een bepaald moment de groep. Er is intussen al een solex gewisseld, de beugel van de motor is afgebroken. Ook krijg ik te horen dat de man met de grote jas doorweekt is. Er is geen reserve materiaal voorhanden.

Aangekomen bij het Raadhuis is men makkelijk. Natte jassen en broeken mogen worden uitgehangen. Als de jassen uitgaan blijkt dat er geen jas waterdicht is. Shirts vertonen vele natte plekken. Na een kopje koffie en een appeltaartje met een flink schep echte slagroom voor onze gasten, gaan we weer op pad. De regen is gestopt. De regenbroeken en kapjes gaan achterop de bezemwagen. De grote jas besluit om aan zijn blouse te gaan rijden en bij de Tuinderij af te haken. Nu zijn de solexrijders gretig en gaan voor mij uit rijden. Dat is niet de bedoeling. Gelukkig hebben we er een bromfietser bij rijden, hij kan de groep terug manen.

Als we de Tuinderij passeren verliezen we wederom een rijder. Hij heeft het koud gekregen en gaat naar binnen. We nemen een korte route naar de volgende stop. De Witte in de Lier. Onderweg vraagt men waar we zijn. Dit zijn duidelijk niet allemaal buitenmedewerkers.

Bij de Witte een drankje en dan op weg naar de thuisbasis. Dat gaat snel, al zijn er altijd langzame rijders die afstand willen houden en het gas niet open durft te trekken.

In de buurt van de thuishaven wordt nog eenmaal vaart gemaakt. Dan het terrein op en de loods in. De solexen gaan op de standaard. Iedereen is inmiddels weer droog. De stemming is goed, de regen is vergeten.

Het is verzamelen voor de groepsfoto en dan gaan de jassen terug op het rek. De regenbroeken en kapjes krijgen een plekje om te drogen, terwijl het gezelschap naar de warme maaltijd gaat. Nog even een diploma uitreiken en dan is het voor de begeleiders van de solexen afgelopen.

De man met het diploma heeft nog een tip. “Kunnen jullie geen oortjes verstrekken en wetenswaardigheden over het gebied vertellen.” Een goede suggestie, iets voor de ideeënbus. Al zal iedere solexbegeleider zich dan wel moeten inlezen.

Na een dankwoord van een der deelnemers voor de leuke rit, nemen we afscheid. Het is te hopen dat het niet verder gaat regenen, dan kan de groep Waterschappers op het gemak genieten van de warme prak en hoeven niet naar de Calamiteitenorganisatie van hun bedrijf.

291. Werkgerelateerde zaken

Ruim 34 jaar heb ik bij mijn werkgever gewerkt. Het Hoogheemraadschap van Delfland was de plek waar ik zoveel jaar met veel plezier heb mogen werken, al was het het plezier de laatste jaren wel wat minder. In die tijd heb ik heel wat belevenissen meegemaakt. Ik wil er een aantal opsommen.

Nog maar net in dienst wordt er een voorstelronde gedaan. Op kantoor aan de Phoenixstraat met een collega, die er al langer werkt, langs de bureaus om kennis te maken met medewerkers die je tegen kunt komen of mee moet werken. Aan zo’n 150 medewerkers word ik voorgesteld. Men gaat staan naast het bureau als men mij een hand geeft. De naam wordt genoemd en mij wordt succes toegewenst als ik naar het volgende bureau ga. Bij een toenmalig afdelingshoofd word ik wel heel hartelijk welkom geheten. “Zo, weer iemand die uit de ruif komt vreten”, zegt hij. “Jullie hebben inmiddels toch wel genoeg medewerkers op personeelszaken, zeker”, zegt hij tegen mijn collega. In de kamer hangt een penetrante lucht. Als we de kamer verlaten, vraag ik hiernaar aan mijn collega. “Deze man gaat op donderdag tussen de middag even vis halen op de markt en neemt die aan het eind van de middag mee naar huis. Het ligt in het ladeblok van zijn bureau.” Niet gekoeld bewaard hij een portie haringen in zijn bureau tussen de dossiers die hij nog moet behandelen.

Met de collega waar ik de voorstelronde heb gedaan, wandel ik tussen de middag altijd door de stad. Mijn maat is waterpolokeeper die op hoog niveau aan die sport doet. Hij heeft schoenmaat 48. Is nog een kop groter dan ik en is veel steviger gebouwd dan ik ben. Hij houdt van een geintje en dus stappen we regelmatig een winkel binnen, waar hij zeker niet zal slagen. Als we bij Van Haaren, schoenen, binnen zijn vraagt hij om schoenen maat 48. Die heeft men niet. Wel heeft men acht paar met maat 47. “Vallen groot” zegt de verkoopster. Hij gaat aan ’t passen, maar weet eigenlijk van tevoren dat het niet gaat lukken. Op een gegeven moment staan er zestien schoenen op de verkoopvloer. Welke schoenen in welke doos moeten, is ons niet bekend. Verschillende schoenen worden gewisseld en door elkaar in de dozen teruggezet. We zijn nooit meer terug gegaan, maar had een volgende klant weleens willen zien die verschillende schoenen aantreft in een doos en mogelijk ook nog niet eens in de juiste doos.

La Venezia, een ijszaak op de Markt, is in de zomermaanden onze vaste ijsleverancier. Elke dag gaan we even bij hen naar binnen en kopen er een ijsje. Als we dit opnieuw willen doen, zegt mijn collega een grapje uit te willen halen. Met de handen in de hoogte, en bij iemand van die lengte is dat heel indrukwekkend, stapt hij naar binnen. “Goedemiddag”, zegt hij, “We zijn vandaag jubilaris. We komen vandaag voor de 500ste keer ijs eten.” Ik kijk hem aan, maar verblik of verbloos niet. “Oké”, zegt de ijssaloneigenaar speelt het spelletje mee en zegt, “gaat u zitten.” Even later komt hij met een ijscoupe aanzetten die zo groot is als een uit de kluiten gewassen windlicht. “Alstublieft”, zeg de ijscoman, “het is u gegund, ik heb er echter wel een voorwaarde bij. Als u de coupe opeet betaalt u niets, maar blijft er iets over in de coupe dan betaalt u de waarde van het ijsje dat u heeft gekregen.” We kijken elkaar aan, maar zeggen niets. We gaan aan ’t eten. Nooit heb ik zoveel moeite gehad om mijn ijsje op te eten. Die middag is mijn buik volledig van streek. De waarde van het ijsje was fl.35,00 per stuk. Daar wil je best het ijs voor opeten.

Jaarlijks worden aan het eind van het jaar de gratificaties en periodieke extra verhogingen uitgereikt. Zo rond eind november is er een besloten vergadering van de bestuursleden en directie. We hebben in die tijd nog twee ‘directeuren’, de een heeft de functie van secretaris-rentmeester, de andere is directeur technische dienst. Aan de hand van de voorstellen van afdelingshoofden worden de rapporten van beoordeling door genomen. Het spannendste is hoeveel heeft de secretaris-rentmeester er en welk aantal komt er van de directeur. Dat moet in evenwicht zijn. En zo kan het voorkomen dat er kandidaten afvallen omdat het evenwicht is verstoord. Dossiers worden dan ongeopend en willekeurig opzij gelegd, deze deden niet meer mee. Ik heb me laten vertellen dat men blind de dossiers trekt. Of je ooit tot die laatste niet gelukkigen behoorden, wist je dus nooit. Dan aan het eind van het jaar, op de dag dat de genomineerden ook daadwerkelijk in de prijzen zijn gevallen en bekend gemaakt, wordt er een grote pot zure bommen op de balie bij de receptie gezet voor hen die dit jaar geen extra geld krijgen. De dag is altijd de zurebommendag genoemd. Op de afdeling Financiën kent men de regel dat wie extra geld krijgt een bedrag in de pot moet stoppen voor hen die niets extra krijgen. Zij krijgen dan een aardigheidje.

Eind januari maak ik voor het hele personeel de vakantiekaart. Een kaart waarop de wettelijke dagen, de leeftijdsdagen, het extra verlof op basis van wachtdienst en salaris en nieuw, de ADV-dagen staan vermeld. Altijd een tijdrovend en ingewikkeld proces. Kort op het moment van uitreiken der kaarten komt er een machinist aan mijn tafel. “Hé, Meurs wat heb je nou gedaan?”, zegt de machinist die op kousenvoeten is komen binnenlopen. Het tussenvoegsel ‘Van’ wordt weggelaten als je je boos bent. “Je hebt me extra verlof toegekend. Die ADV-dagen mag ie bij mij wel schrappen dat kost geld.” Ik begrijp de man niet. “Weet je wat het is”, zegt hij, “nou wil mijn wijf op die dag gaan shoppen, nou dat kost geld. Dus haal die dagen er maar heel erg snel af.”

Als men op één van de vestigingen een schoonmaakster zoekt, besluit men bij Personeelszaken dat aan alle medewerkers een vacaturebeschrijving wordt toegestuurd. Van hoog tot laag krijgt men dezelfde brief. Kort nadat de brief aan iedereen is verstuurd komt er een teamleider op mij afgestapt. ‘Of ik wel helemaal goed bij mijn hoofd ben, om hem zo’n vacaturebeschrijving toe te sturen.’ “Alsof ik niet functioneer en jullie deze functie voor mij in petto hebben.” In het vervolg worden de vacatures vermeld in de Waterlijn, het personeelskrantje dat maandelijks uitkomt.

Ik ben nog lang niet uitgepraat over wat ik allemaal heb meegemaakt. In een van de volgende blogs vertrouw ik hierover ongetwijfeld nog weleens het e.e.a. aan het papier toe.

276. Waterschappers en hun CAO

Ze schijnen er niet uit te komen, de bestuurders van de Waterschappen en de medewerkers delegaties. Al meer dan een jaar liggen ze rollebollend over de werkvloer over het afsluiten van een CAO.

Het mooie vak van waterschapsambtenaar, toch net even meer dan ambtenaar, wordt door de burger vaak verguist. Wat doen ze in vredesnaam? Beetje langs sloten lopen, wat sloten uit baggeren en verder niets. Niets is minder waar wat dacht u van de het beheren en controleren van de waterkwaliteit in sloten en kanalen. Wat dacht u van droge voeten, ook voor de mens die op zeven hoog op een flat woont en wat dacht u van het zuiveren van water waar Jan en rap en zijn maat van alles door het toilet heen spoelt. Ooit gehoord van waterschapen? Waterschapen zijn ophopingen van allerlei maandverbanden, inlegkruisjes, onderbroeken, kledingresten en frituurvet. Daarnaast wat men nog meer meent via het toilet te moeten wegsluizend of met het bad- en toiletwater wordt weggespoeld. Deze schapen worden gevangen bij de Zuiveringsinstallaties. Daar werken de mensen die met hun handen en grijpers bezig zijn Nederland en het milieu een dienst te bewijzen. Met blote handen een ander zijn rotzooi opruimen. Een heel vies werkje, maar dat hoort bij jouw taak als waterschapper.

Deze waterschappers worden aangestuurd door een eigen bestuur, Dijkgraaf en Hoogheemraad, vergelijkbaar met Burgemeester en Wethouders van een gemeente. Zij zijn ook de vertegenwoordigers die zitting hebben in één van overheidssectoren, de Unie van Waterschap. Gezamenlijke bestuurders die de dienst uitmaken voor wat de onderliggende Water- en Hoogheemraadschappen kunnen en mogen doen, al vindt er veel autonoom plaats bij een waterschap zelf.

Al in 2016 starten de eerste verkennende gesprekken voor de inzet van een nieuwe CAO, bij de waterschappen, Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschappen. De oude CAO stopt per 1 januari 2017. Vakbondsbestuurders die langs de waterschappen gaan om bij de achterban te toetsen en inventariseren wat men in de toekomst mee wil nemen in de onderhandelingen voor de CAO van 2017. Daar komen veel suggesties uit. De vakbonden toetsen deze eisen en verlangens en maken er een inzet voor de nieuwe CAO voor.

In de tussentijd gaan de Overheidssectoren en andere aangeslotenen bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds aan de slag voor een upgrade – update van de pensioenrechten en verplichtingen, het zgn. loonruimteakkoord 2015. Hier wordt door beide partijen een revolutionair nieuwe zienswijze en uitvoering vastgelegd waardoor de werkgevers minder premies hoeven te betalen voor hun werknemers. Het gaat hier om 1,4% van de loonsom die de werkgevers overhouden en zullen moeten worden uitbetaald aan de werknemers. Een verbetering van de loonsituatie een andere berekeningswijze van de uit te keren pensioenen. Bijna alle werkgevers doen hier aan mee. Niet de Unie van Waterschappen, zij distantiëren zich van de uitbetaling van die 1,4% aan hun werknemers. Nee, ze steken het in eigen zak. Miljoenen van werknemers die niet worden uitgekeerd aan hun eigen werknemers. Ze zijn niet bij het overleg uitgenodigd en hebben ook hun handtekening niet gezet onder het gesloten akkoord. Ze hoeven niet mee te doen. Punt uit.

De vakbonden laten het er niet bij zitten. Gaan over tot acties en organiseren een petitie met een handtekeningactie. Een ruime meerderheid, tussen 70% en 80%, van de werknemers ondertekenen het formulier waarop de 1,4% moet worden terugbetaald aan de werknemers. De Unie heeft er lak aan. Gaat voorbij aan het akkoord en zegt dat zij niet gaan betalen.

De onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers zijn intussen in volle gang. Waar rondom ons heen de CAO’s bij gemeente, provincie en rijk zijn beslag krijgen en waar zij wel de 1,4% uitbetalen aan hun personeel blijft het bij de waterschappen stil, angstig stil.

Intussen blijkt dat de bestuurders van de waterschappen ook die 1,4% hebben ontvangen. Zij vallen niet onder de CAO van het waterschap, maar zijn ingedeeld bij Rijksarbeidsvoorwaarden. Hoe krom en wrang is het om het dan niet aan de werknemers van de waterschappen uit te keren. De Unie houdt vast aan haar principe om niet uit te betalen.

Intussen zijn er vier gespreksronden geweest tussen werkgevers en werknemers. Het resultaat is dat men er niet uitkomt. De werkgever blijft vasthouden aan het niet uitbetalen van de 1,4%. Eén van de hoofdpunten, die eigenlijk niet tot de CAO onderhandelingen behoort. Hierdoor ontstaat een patstelling.

De werkgever heeft nu een definitief eindbod voorgelegd aan de werknemersdelegatie. Dit loonaanbod behelst een algemene structurele loonontwikkeling van 3% voor twee jaar; hetzelfde percentage dat zij in het eerste bod van juli jl. al had aangegeven. Daarnaast een eenmalige uitkering voor 2017 van € 1000,= en een eenmalige voor 2018 van € 500,= (in het eerste bod was er sprake van twee eenmalige uitkeringen van € 500,= en € 200,=). Verder vindt de werkgever dat zij loonruimte kan besteden aan vereenvoudiging van het Individueel Keuze Budget (IKB), aan een salarisverbetering van 0,5 % voor de schalen tot 7 en aan een algemene inconvenientenregeling.

De inzet van de vakbonden wordt door de werkgever nog steeds bovenmatig gevonden omdat de vakbonden niet alleen vast blijven houden aan de 1,4% pensioenpremievrijval (geld van de werknemer; iets waar de grote meerderheid van de waterschappers een petitie voor heeft getekend), maar ook een reële structurele loonsverhoging in de orde van 4,5% voor twee jaar. Een gedeelte van de pensioenpremievrijval uit het loonakkoord kan wat de vakbonden betreft ook gebruikt worden voor een pensioenverbetering via het volledig pensioengevend maken van het IKB.

De vakbonden hebben in de onderhandelingsperiode regelmatig aanpassingen gedaan in de inzet waar de werkgevers standvastig blijft vasthouden aan hun eerste inzet.

Het aanbod van werkgeverskant en de inzet van werknemerskant liggen te ver van elkaar, waardoor men niet tot overeenstemming zal en kan komen.

Wat gaat dit voor de burger betekenen? Er zouden acties kunnen volgen. Het land zal niet onder water worden gezet is mijn inschatting, er zal gezuiverd blijven worden. Zo’n proces is niet te stoppen, maar wat er wel gaat gebeuren is aan de werknemers. Op 16 januari a.s. worden de vakbondsdelegaties en werknemersdelegaties uitgenodigd om e.e.a. te bespreken. Ik ben benieuwd.

241. Swim to Fight Cancer Delft 2017


Na de woorden van Maarten van der Weijden en Marja van Bijsterveld, burgemeester van Delft, mag men los voor het goede doel. Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, een. Daar gaan ze met 15 tegelijk het water in. Als eerste Maarten, daarna nog 14 anderen. Het evenement Swim to Fight Cancer Delft 2017 is van start gegaan.

Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar volledige medewerking verleend. Er zijn metingen gedaan naar de kwaliteit van het water. Vastgesteld is dat deze op orde is. Het kroos is die morgen verwijderd met behulp van zogeheten olieschermen. Verder is het parcours tijdelijk afgezet voor vrachtschepen. Alles is tiptop in orde.

Bruun van der Steuijt en Peter Vermeulen praten het evenement aan elkaar. De DJ’s van de Delftse Helden verzorgen belangeloos hun medewerking. De brandweer is aanwezig evenals een ambulance. Elke vijf minuten springt of duikt een groep zwemmers in het water rond het Arsenaal, voorheen het Legermuseum, in Delft. Wij, mijn lief en ik en nog velen met ons, staan langs de kant om het applaus te geven aan de moedige zwemmers en zwemsters.

Net onder de brug bij de Zuidwal komen ze op ons af zwemmen. 215 stoere kerels en meiden die twee kilometer zullen afleggen en daarbij een mooi bedrag ophalen voor onderzoek naar de meest gevreesde ziekte: kanker. Stoere mannen die met borstcrawlbewegingen, hoofd in het water en lange halen, niet op- of omkijken en zo voorbijzwemmen. Lachen en groeten is er niet bij. Het is stoempen. Hoe anders vergaat het de zwemmers en zwemsters die zich een paar weken tevoren even hebben voorbereid in de Delftse Hout, zwembad Kerkpolder of de vaart van Den Hoorn naar Schipluiden. Zij lachen, zwaaien en roepen. De schoolslag is voor hen favoriet. Zij hebben oog voor broer of zus, vader of moeder en oom of tante langs de kant van het water en voelen zich groots. Een enkeling probeert het zelfs met de rugslag, om 25 meter verderop om te draaien en toch ook maar met de schoolslag verder te gaan.

Soms is het lastig om te zien wie er zwemt, ze hebben immers allemaal die blauwe badmuts op, wel met een nummer. Hier en daar is een ballon, of ander attribuut vastgemaakt aan de badmuts. Wetsuits dragen is verplicht.

Elke vijf minuten gaan er weer een aantal het water in. Ik zoek mijn collega’s heb geen idee hoe laat ze worden afgeteld, maar komen zullen ze. Net voor mijn vakantie kwamen ze nog even langs. Ze hebben een busje bij zich voor sponsoring. Diana, Joyce, Anoeska en Lex, stoere Delflanders die de eer van het Hoogheemraadschap van Delfland hooghouden. Dan in de zesde groep zie ik ze Droppie Water als twee oortjes op de badmuts vastgemaakt. Ik krijg ze in beeld en leg het vast met de IPhone. Succes meiden, Lex heb ik niet herkend, dat heb je met zoveel nieuw personeel.

De strijd tegen kanker wordt nu uitgevochten in het water. Zwemmers die de afstand toch hebben onderschat maar niet opgeven. De laatste zijn nog niet weg als Maarten alweer terugkeert. Als eerste tikt hij het finishboard aan om daarna door Peter Vermeulen nog even naar de ervaringen te worden ondervraagd.

De ploeg van de familie Kleijweg gaat voorbij, neven, nichten en kouwe kant. Een hele club, zij hebben de Gaag, het water langs de Rijksstraatweg tussen Den Hoorn en Schipluiden, onveilig gemaakt tijdens hun eerdere training. Ook zij hebben velen bekenden langs de kant staan en een flinke duit in de opbrengstzak gedeponeerd.

Ploeg voor ploeg gaat aan ons voorbij. Voor ieder is er applaus. Als ze onder de brug door zijn, drijven ze op het Rijn-Schiekanaal, waar de reddingsbrigade een oogje in het zeil houdt. Dan plots komt er een boot van deze brigade onder de brug door terugvaren. Een manspersoon heeft zijn wetsuit gedeeltelijk uitgetrokken. Hij wordt met een ‘bezem’boot teruggebracht, waar ambulancepersoneel hem opvangt.

Steeds meer zwemmers komen terug. Nog even een sprintje naar de finish. Sommige gaan voorbij zoals ze zijn begonnen. Hoofd in het water, met lange klappen snel thuis. Anderen wachten tot de ploeg weer compleet is. Het wachten is op onze Delflandse meiden. Dan hoor ik ze giebelen onder de brug. Ik klap mijn camera open en leg het in een filmpje vast. Ze zijn nog met z’n drieën, Diana, Joyce en Anoeska. Lex heb ik gemist. Ze hebben me in de gaten en zwaaien. Goed gedaan meiden!

Dan opnieuw een bootje van de reddingsbrigade. Een man ligt met zijn hoofd in de schoot van één van de vrouwen van de brigade. Het blijkt mee te vallen. De twee thuisgebrachte hebben de tocht niet uit kunnen zwemmen door kramp. Daar is het ambulancepersoneel voor. Nog even blijven we staan. Er gaan zwemmers voor de tweede keer het water in. Vader en zoon Van Leeuwen krijgen extra aandacht. Als zij voorbij zijn is het voor ons tijd om te gaan. Dan roept een andere afspraak.

Zwemmers en zwemsters hebben een bedrag bij elkaar gezwommen van €130.000,00, voorwaar een prachtig resultaat.

156. Nog 14 maanden te gaan

Het is 4 oktober 2016 als ik me realiseer dat ik nog slechts even meer dan 14 maanden mag ‘genieten’ van mijn werkzaam leven. Het kabinet moet dan geen roet in het eten gooien, anders wordt het mogelijk nog twee of drie maanden langer.

Ik begin me hoe langer hoe meer te realiseren, dat ik ouder begin te worden. Ik geef er niet aan toe en blijf gewoon doen wat ik altijd al deed. Ik houd van uitdagingen en ben op mijn zestigste nog begonnen als trouwambtenaar. Ook andere zaken als mijn vrijwilligersinspanningen blijf ik gewoon doen. Toch merk ik, ook in mijn werk, dat het me wat lastiger afgaat. De technologische ontwikkelingen gaan hard en hoe houd ik dit nog bij? Ik heb me altijd voorgenomen om er niet aan toe te geven, maar soms ontkom je er niet aan om zaken los te laten. Het lukt je gewoonweg niet om alles bij te houden, al begrijpt men het soms niet.

Als ik terugkijk naar mijn eigen jeugd, waar ik mijn opa en oma terug zie als 64ers, oude mensen al, bedenk ik me dat ik nu zelf die leeftijd heb. Maar ben ik oud. Ik dacht het niet. Ik heb nog veel ideeën en ben eigenlijk nog lang niet klaar. Ik wil me nog volledig inzetten waar ze me vragen, maar eerlijkheidshalve moet ik bekennen, dat ik strammer wordt. Mijn lichaam laat het soms afweten. Mijn heup wil niet altijd, mijn rug sputtert soms tegen. Ik krijg groeven in mijn gezicht en mijn grijze haarkleur geeft wat ontzag. Maar opgeven, nee hoor. Ik ga ervoor, altijd, maar geef me soms even de tijd.

Toen ik een jaar of veertig was keek ik er heel anders tegen aan. Ik kocht lijfrentepolissen die zouden uitkeren als ik 59 jaar zou worden. Mijn VUT zou ingaan als ik 60 was. Er was ook een mogelijkheid om te stoppen met werken als ik 40 dienstjaren bij de overheid zou hebben. Niets, helemaal niets is er van overgebleven. De wetgeving werd aangepast, langer doorwerken werd het motto. 67 jaar werd geroepen. Voor de iets oudere werd er een overgangsregeling bedacht. Zodoende is het voor mij 65 jaar en 9 maanden, ik heb dan wel bijna 49,5 jaar aan het arbeidsproces deelgenomen. Nog even meer dan 14 maanden, dan is het werkzaam leven over.

Als ik achterom kijk vind ik dat het snel is gegaan. Ik weet nog als de dag van gisteren hoe ik bij mijn huidige werkgever terecht ben gekomen. Hoe ik altijd met veel plezier in mijn functie heb gewerkt. Dat het mij niet uitmaakte hoeveel uren ik per dag moest werken. Ik maakte er gerust 45 of 46 uur per week. Maar ook hoe een mishandeling door een hoofd P&O mijn leven heeft beïnvloed. Hoe collega’s in mijn naaste omgeving aangaven dat ik er maar mee moest zien te leren leven. Hoe ik er toen zelf voor heb gekozen een functie buiten P&O te gaan doen. Dat ik wegging met een overschot van 1567uur opgebouwd in 23 jaar en dat was niet omdat ik het niet naar mijn zin had. Hoe mijn laatste jaren niet altijd fijn zijn verlopen bij mijn huidige werkgever. Hoe het zakelijke beslag wist te leggen op het handelen van de meerdere. Hoe mijn werkzaamheden zijn veranderd, omdat ik sommige dingen niet meer mocht doen. Hoe ik dingen door modernisering niet meer kon volgen. Dat ik te horen kreeg geen zakelijke instelling te hebben en dat terwijl menigeen behoefte heeft aan mensen-mensen. Hoe ik ook te horen kreeg dat mijn functie niet meer zou worden opgevuld, als ik de leeftijd had. Ja er is veel veranderd in de laatste 8 jaren.

Ik wil en zal me de laatste 14 maanden nog volledig geven aan een bedrijf waar ik de bedrijfstrots langzaam aan voel wegvloeien. Mijn Ondernemingsraadwerk vraagt nog genoeg. Het is leuk om er tot april van het jaar waarin ik afscheid mag nemen nog een aantal zaken ‘uit te slepen’.

Dan in 2017 krijg ik de kans om aan een tweede leven te beginnen. Al zal dat tweede leven korter zijn dan mijn eerste. Ik hoop nog veel voor de maatschappij te kunnen betekenen en hoop daar mijn energie nog in te kunnen stoppen, voordat ik zelf de hulp krijg die ik nodig heb.

Ik zal mijn jongens blijven volgen en ondersteunen daar waar nodig. Als ze me bellen zal ik er zijn en helpen. Het zal allemaal op een wat lager pitje gaan misschien, maar ik zal me er tegen verzetten als het niet lukt zoals ik het graag zou willen.

2017, een bewogen jaar zal het worden. In maart van dat jaar vier ik mijn 65e verjaardag en dan in december, 20 december neem ik afscheid van ‘mijn Delfland’ en lever ik mijn pasje, mijn sleutel en mijn password in. Dan is het voorbij. Nog even meer dan 14 maanden te gaan.

101. Een nieuwe werkplek, een nieuwe locatie

Het blijft apart om na bijna 33 jaar naar steeds hetzelfde adres te hebben gereden nu ineens naar een nieuwe locatie te moeten gaan. Die ochtend ben ik zelfs een beetje zenuwachtig. De dag er voor heb ik al uitgestippeld hoe en wat de snelste weg is om er naar toe te rijden. Eigenlijk onzin want ik zou er zelfs met mijn ogen dicht nog heen kunnen fietsen, maar toch. Ik zet de wekker een kwartiertje vroeger dan toen ik naar het oude adres fietste. Om 05:45uur loopt nu de wekker af. Ik ben een ochtendmens dus dat is geen probleem. Het is zeker 3 of misschien 4 kilometer meer. Wat ik ook zeker wil weten is of ik er een werkplek kan bemachtigen, al is bemachtigen wel een zwaar beladen woord. In het kader van ‘DMvW’ (Delflandse Manier van Werken) zou het niet uit moeten maken waar je werkt. Het aantal werkplekken is wel afgenomen. Waar je op de oude locatie nog gebruik mocht maken van een hele werkplek, moet je het nu doen met 0,7 van een werkplek. Betekent overigens niet dat je met meer mensen aan één tafel zit, zo gaat het niet op. Na een inventarisatie van een bureau heeft men vastgesteld dat 0,3 fulltime functie niet aanwezig is op een dag, door wat voor reden dan ook. Ik ben er sceptisch over en moet het nog zien.

Als om 05:45uur mijn wekker afloopt kleed ik mij aan en haal de vaatwasser leeg. Ik maak mijn brood klaar, lees de koppen van de krant en vertrek. Ik stel even mijn computer in van mijn elektronisch ondersteunde fiets. Ik wil toch wat routes rijden om te zien wat het kortste is en welke route het veiligst is en de minste stoplichten heeft. Ik zeg met recht ‘stop’licht omdat doorrijden minder snel voorkomt dan dat ik direct gebruik kan maken van het groene licht. Ik zou overigens weleens een statistiek willen zien van een stoplicht met daarbij de percentages van de tijd van rood, oranje en groen. Het woord stoplicht komt er dan zeker het beste uit.

Omdat het die nacht flink heeft gevroren is het oppassen waar te fietsen. Voorgaande jaren wist ik meestal de gladde plekken zo te benoemen, nu moet ik goed om me heen kijken en oppassen. Als ik anderhalve kilometer onderweg ben, lopen de tranen al over mijn gezicht. Nee, niet van emotie om naar een nieuwe werkplek te gaan, maar de kou heeft me goed in de greep.

Na wat zoeken arriveer ik, na 10 km en 26 minuten, aan de voorzijde van het nieuwe gebouw aan het Brassersplein. De fietsenstalling, waar is de fietsenstalling? Ik zet mijn fiets even op het voorterrein om naar binnen te lopen. Een waar ontvangstcomité verwelkomt me lachend en wijst me de weg naar de fietsenstalling. Als ik mijn fiets heb weggezet is het geen probleem om het gebouw binnen te gaan, om echter ook na de schuifdeuren te komen is het even zoeken naar de pasjesscanner. Dan ontmoet ik opnieuw mijn collega’s ontvangstcomité. Één van mijn collega’s komt ook binnen en is jarig. Hij wordt door de medewerkers direct gefeliciteerd. Zou, dat iedere dag gebeuren, is wel erg attent. Elke medewerker krijgt een plastic zakje uitgereikt met drie dropsleutels. De sleutels tot het gebouw, tot de nieuwe locatie, tot het nieuwe werken. Nu is het zoeken naar ‘de’ werkplek. Ik weet dat ons team is geplaatst op de vijfde etage. Dat betekent toch de lift, waar ik gewoon was altijd de trap te pakken. Ik lijk gepromoveerd, van een eerste etage op de Phoenixstraat naar een vijfde aan de Brashof.

Aangekomen op de vijfde etage is het even zoeken naar waar ik moet zijn. Een collega van facilitair wijst me de weg. Omdat ik één van de eerste ben kies ik voor een plek met uitzicht over de A13. Niet dat ik tijd heb om naar buiten te kijken, maar om tegen een blinde muur, zonder schilderijen aan te gaan zitten kijken, vind ik niks. Het is nog donker dus het enige dat ik zie is een lang gerekt lint van lichtjes. Het is overigens wel een strategische plek, ik kan zien hoe druk het is op de A13 en of de afrit beschikbaar is. Collega’s die twijfelen, kunnen mij bellen hoe het zit met de mobiliteitsbewegingen.

Inmiddels komen er collega’s binnen en zoeken ook een plek. Al snel is de kamer vol en zijn alle werkplekken bezet. Ik krijg al wel direct de opmerking dat ik één van de mooiere plekken heb uitgezocht. Ik geef hen mee, dat het alleen voor vandaag geldt, morgen ben ik er niet, en woensdag zie ik wel weer. Het zoeken is nu naar mijn verhuisdoos. Die vind ik snel terug. Na het leegruimen kan ik aan de slag. Tenminste dat wil ik graag. Nog meer collega’s komen binnen en gaan zoeken en vragen, een sectorhoofd die klaagt dat hij van een kamer wordt ‘af gestuurd’. Uiteindelijk heeft iedereen toch een plekje weten te vinden en kan het werken beginnen. Het nieuwe werken op een nieuwe plek, in een nieuwe omgeving. Delflanders zijn er klaar voor. Het is ten slotte maar voor zeventien maanden.

80. Dijkinspectie

Door de grote droogte heeft mijn werkgever, Hoogheemraadschap van Delfland, de dijkinspectie ingesteld. Met twee mensen loop je op en onder de dijk langs het water om te controleren of er door te weinig regenval scheuren zijn ontstaan in kades en dijken. Op 10 augustus jl. mocht ik er ook aan deelnemen.

Aan het begin van mijn vakantie komt er een e-mail langs waarin wordt gevraagd om je op te geven voor dijkinspectie. Omdat mijn vakantie slechts één dag oud is en ik niet kan vermoeden dat de periode van droogte zo lang zou aanhouden verwijder ik het e-mailtje. Als ik na mijn vakantie terugkom blijkt dat, ondanks mijn verregende vakantie, de dijkinspecties nog steeds doorgaan. Als één van mijn collega’s aangeeft op vakantie te zijn als hij een dienst moet lopen, bied ik me spontaan aan om zijn dienst over te nemen. Omdat ik echter het eerdere e-mailtje heb verwijderd weet ik niet goed hoe laat ik waar moet zijn en wat er van mij wordt verwacht. Te laat stuur ik één dag voordat ik ‘dienst’ heb een e-mail naar de coördinator van de activiteit. Er wordt niet meer op gereageerd.

Op de dag dat ik mee moet lopen met de dijkinspectie ben ik al vroeg op het werk. Aan één van mijn collega’s vraag ik of hij weet hoe laat ik waar moet zijn. Tot mijn schrik blijkt dit in Kijkduin te zijn. Omdat ik op de fiets naar mijn werk ben gegaan zal het me niet lukken om op tijd op de locatie te komen. Ik krijg de suggestie mee om bij één van mijn naaste collega’s te informeren die ook is ingedeeld. Ik ga naar hem op zoek, maar hij blijkt rechtstreeks te gaan. Ik baal, verdorie waarom heb ik niet eerder gereageerd. Als ik langs de receptie loop krijg ik een ingeving. Misschien is er iemand die een auto heeft gereserveerd om naar Kijkduin te rijden. Dat blijkt zo te zijn. Betrokken reserveerder heb ik eerder die ochtend gezien, hij is dus nog niet weg. Ik besluit hem te bellen. Tot tweemaal toe lukt het me niet om hem te bereiken. Ik ga in het gebouw naar hem op zoek. Hij blijkt de nodige cafeïne tot zich te willen nemen en staat bij de koffieautomaat. Als ik hem vertel graag met hem mee te willen rijden is de deal snel gemaakt.

Met de Delflandse auto rijden we richting Kijkduin. Daar aangekomen blijken meer collega’s te zijn uitgenodigd. Ook mensen van de dijkbewaking, burgers die zich spontaan hebben aangemeld en schouwmeesters zitten in de kantine wachtend wat er voor briefing zou komen. Men begint met de indeling van de teams. Er worden tweetallen gevormd. Één iemand die kennis heeft van dijken en kades en iemand die dat niet heeft. Ik heb dat dus niet. Die ochtend zullen er 18 teams lopen. Ik word gekoppeld aan iemand van het Projectenbureau.

Er worden tassen uitgedeeld met daarin: een gebiedskaart, een meetlint, veiligheidshesjes en een smartphone. Na te hebben verteld wat de bedoeling is, krijgen we uitleg over de app. die is geïnstalleerd op de telefoon. Een ingewikkelde en soms wat omslachtige activiteit. Gelukkig is er een A4-tje waar de instructie op staat. Uit een evaluatie kan de app. mogelijk worden aangepast, waardoor het simpeler kan. Na de uitleg kunnen we vertrekken. Ik loop met mijn collega naar de auto en neem onderweg de prikstok en een tasje met voedingsmiddelen mee. Dat is prima geregeld.

We moeten naar Nootdorp. De TomTom wordt ingesteld en we rijden naar de plaats der controle. De controle moet gebeuren aan de overzijde van het water, dat betekent dat je regelmatig op privéterrein van mensen komt. Als we de auto hebben geparkeerd lopen we langs de kade die hoog begroeid is met grasstengels, brandnetels, stekels en distels. Gelukkig heb ik een lange broek aan, want anders is het een pijnlijk klusje. Als we op de kaart kijken ontdekken we dat een deel van de kade die rood is aangegeven, het gebied dat we moeten controleren, niet (meer) bestaat. Is de kaart wel bij. Goed om er een aantekening van te maken. We stappen naar de overkant en klimmen over een hek heen om in de tuin van een bewoner onze controle te doen. Als we verder willen lopen, kunnen we door een schuur die er staat niet aan de slootkant komen. Een vrouw die er aan haar koffie zit, is bereid om de deur van de schuur van het slot te halen en ons door te laten. Een maal door de schuur heen komt ook haar man achter ons aan. “Kenne jullie ook iets aan die kreeffies doen”, vraagt hij, “het is hier stinkwater van die beessies”. We leggen uit dat we hier niet van zijn en alleen de controle op scheuren doen. We lopen verder en verlaten een eindje verder de tuin. Opnieuw is het door het hoge gras banjeren. Mijn schoenen zien er inmiddels niet meer uit, zijn drijfnat evenals de onderkant van mijn broekspijpen. We lopen verder proberen de kaart te volgen maar stranden als we opnieuw een stukje missen. De app. Kaarten op mijn Iphone wordt opgestart om te kijken of we op de juiste locatie zijn beland. Dat blijkt zo te zijn, maar de kaart is niet in evenwicht met wat de app. Kaarten aangeeft.

We gaan naar de volgende locatie zo’n 3,5km verderop en zetten de auto langs de weg. Het is niet altijd even makkelijk een logische parkeerplek te vinden. Een kaartje met een tijdelijke ontheffing biedt op zo’n moment wel voordelen. Opnieuw lopen we over privéterreinen, moeten over hekken klimmen en lopen door zompig delen van de kaden. Doordat hekken klimmen niet even gemakkelijk gaat schieten we er soms tussendoor. Als we over een mooi aangelegd terras lopen blijkt er kortgeleden een hemelwaterafvoer te zijn aangebracht. Dwars door de kade heen mondt deze uit net onder het wateroppervlak. Er wordt een foto van gemaakt. De overige terreinen blijken na inspectie geen scheuren te bevatten.

Opnieuw verplaatsen we ons. Bij het eerste terras waar we over heen lopen komt de eigenaar naar buiten. Hij wil weten wat we doen. We leggen het uit, waarop de man alleen even blijft kijken en weer vertrekt als we zijn terrein af zijn. Aan het eind van onze controlestrook staat een hek. Die barrière kunnen we niet nemen. Het bedrijf is dicht. We doen geen moeite, nemen een foto van het object en gaan terug naar de auto.

Van wandelen krijg je honger. Terug bij de auto wordt de goedgevulde etenstas geopend. Lekkere broodjes, een gevulde koek, een stukje fruit en wat te drinken doet ons goed. Heel even nemen we een korte pauze om vervolgens naar de volgende locatie te gaan.

Dan wordt het zoeken. De in de TomTom aangegeven locatie leidt ons naar een straat waar een water aan ligt, maar niet voorkomt op onze meegebrachte kaart. We stappen uit en nemen de moeite om deze locatie ook maar even te controleren. De beschoeiing ligt zo’n anderhalve meter van de slootkant af. De kant tussen de sloot en de beschoeiing is met klei en zand aangevuld, waardoor er een vreemde waterkant ontstaat. Halverwege de sloot staan in het midden van de watergang twee verdwaalde palen. Wat ze er doen en wat voor dienst te hebben, geen idee. Tijd voor een fotomomentje. Ook hier is de walkant overwoekerd met hoog gras en andere begroeiing waardoor moeilijk is te zien of er scheuren zijn. Ik moet wel oppassen met lopen, want de walkant tegen de stoep aan ligt zo’n 30 cm hoger dan aan de andere kant van de beschoeiing. Bij een misstap lig ik in het water.

Na deze controle gaan we op zoek naar ons volgende controlepunt. Er is weinig mogelijkheid tot parkeren. Mijn chauffeur doet dat op een privéplek. We lopen ook hier weer door het hoge gras. Fijn die natuurlijke begroeiing, maar voor de controle is het lastig. We vinden opnieuw geen scheuren.

Nu naar de laatste watergang. We kunnen het niet vinden, omdat het straatnaambordje dat op het kaartje wel staat aangegeven, ontbreekt. We houden de app. Kaarten naast de meegebrachte kaart en vinden uiteindelijk de kade. Na over hekken en schrikdraad te zijn geklommen schiet ik met mijn voet in een gat. Ik vertrouw het niet en steek mijn prikstok in het gat. Dan is het even flink doorlopen, want ik heb zitten rommelen in een wespennest. Niet gestoken wandelen we verder en klimmen opnieuw over een hek. Een boer die wat verderop aan de koffie zit, ziet ons aankomen en loopt ons tegemoet. “Zo, zijn jullie er nu al weer”, zegt hij, “In vier weken tijd zijn jullie het vierde paar dat hier op bezoek komt.” We geven aan dat het door de droogte hard nodig is dat er gecontroleerd moet worden. “Kijk je gelijk even naar de afzetting die ik heb geplaatst”, gaat hij verder. “Vorige keer waren hier twee dames die zeiden dat ik mijn schapen van de dijk moet houden, dat heb ik zo toch netjes gedaan.” De schrikdraadafrastering staat er, dus dat is prima in orde. Dan klaagt de man over al het puin dat in de dijk is gestort bij het vernieuwen van de kade. “Ik heb nou al twee keer mijn messen van mijn maaimachine kapotgereden op de stukken beton die in de dijk zitten. Het bedrijf dat deze kade heeft vernieuwd heeft er lekker aan verdiend en ik zit met de stukken.” Ik maak wat foto’s en beloof hem dat ik het door ga geven. “Hoor ik er dan nog wat van”, vraagt de man. Ik beloof hem nogmaals, andere hebben hem dit ook al gezegd, dat ik het zal doorgeven, ik hoop dan dat mijn collega’s van Waterbeheer e.e.a. met hem zullen terugkoppelen. “Nou succes verder”, zegt hij, “mijn koffie staat koud te worden”. Hij draait zich om en sloft over het weiland terug naar de koffietafel.

Hiermee is onze laatste locatie ook gecontroleerd. Terug naar Kijkduin. We vonden op geen enkele locatie sporen van scheuren.

Bij onze startlocatie geven we de tas met inhoud terug, ook onze prikstokken gaan terug in de kruiwagen. We melden ons af en geven de bevindingen die we onderweg hebben geconstateerd door. Hierop rijd ik met mijn collega terug naar het hoofdgebouw in Delft. Ik bel onderweg nog even met mijn collega waar ik eerder mee naar Kijkduin ben gereden. Hij geeft aan dat hij flink wat scheuren heeft ontdekt bij Schipluiden. Ook de volgende dag hoor ik van andere lopers dat er sporen zijn gevonden. Goed dat we dus gelopen hebben.

Het is intussen half vier. Ik voel de kilometers in de benen, maar moet nog tot kwart voor vijf. Langzaam aan heb ik moeite om mijn ogen open te houden, maar ik houd vol. Zo’n dag is eigenlijk net zo intensief als de dag waarover ik eerder schreef toen ik naar Latin Village ben geweest. Om kwart voor vijf keer ik terug naar huis. De trapondersteuning gaat op de hoogste stand. Ik heb er niet veel zin meer in, maar kan terugkijken op een leuke dag. Er is sprake van teambuilding, samenwerken met collega’s die je anders niet ziet en allemaal voor hetzelfde doel: Droge voeten. Mocht ik volgende keer weer nodig zijn, dan ben ik van de partij. Ik neem wel andere schoenen mee, want blauw suède met grasplekken is niet in de mode.