400. Een magisch getal en even zovele blogs, verhalen

Vierhonderd keer. Vierhonderd keer begon ik mijn vertellingen op mijn telefoon. Met één vinger tikte ik de verhalen, blogs. Vierhonderd keer kreeg ik van mijn lief te horen: “wat ben je nou weer aan ‘t tikken.” Vierhonderd keer kopieerde ik de tekst naar mijn WordPressaccount. Vierhonderd keer vermoeide ik u met mijn hersenspinsels, lang, meestal te lang. Ik schreef de verhalen voor mezelf. Niemand hoeft het te lezen, maar voor mezelf heb ik zaken vastgelegd, zoals ik dat ook zeg tegen mijn lezers. Schrijf, schrijf, er gaat al zoveel verloren, leg het vast.

Verhalen, blogs die ik maakte werden gelezen, veel gelezen. Ruim 78.000 leesmomenten door meer dan 31.000 personen. Dan heb je het niet alleen voor jezelf gedaan. 150 keer kwam er een reactie onder het verhaal, veel meer kreeg ik er via Facebook, Twitter of LinkedIn.

Sommige blogs schoten door het ‘plafond’, dan werd de blog binnen een uur meer dan 100 keer gelezen. Sommige bleven achter en zijn totaal slechts 34 keer gelezen.

De blog met de meeste lezers is die over de consternatie die ontstond toen onze burgemeester plots werd weggestemd. Over deze blog werd ik ook benaderd door het Algemeen Dagblad, de Telegraaf en de Volkskrant. Meerdere blogs hebben de aandacht getrokken van de media. Wat te denken over het besluit van het bestuur Varend Corso om ook naar Den Haag te gaan. Of het verhaal dat ik schreef over de ballenvanger van Schipluiden. Aan het laatst genoemde verhaal zit zelfs nog een heel triest staartje, waar ik niets over kan/mag vertellen. Maar dat het een triest verhaal is is zeker. Verder werd de blog over het opheffen van de Oranjevereniging er een waar de Volkskrant lucht van kreeg. Een journalist kwam naar de opheffingsvergadering en rapporteerde er over.

Vele verhalen gingen over mijn solexritten, over onze jongens René en André, of over belevenissen die ik heb meegemaakt. Soms schreef ik een verzonnen verhaal andere keer deed ik mee met een schrijfwedstrijd en kreeg ik een opdracht. Een enkele keer reageerde men door een hele heftige reacties te sturen. Maar over het algemeen slikte men het als zoete koek en werd ik er soms op een positieve manier over aangesproken.

Regelmatig schreef ik over mijn jeugd in Den Hoorn. De detailhandel in mijn jeugd of de bewoners van de Dijkshoornseweg. Maar ook hoe Den Hoorn er vroeger uitzag. Ik wijdde een blog aan alles wat ik deed aan vrijwilligerswerk. ‘k ben zeker nog niet klaar met schrijven, ik zal u er ook mee blijven ‘bestoken’ of zoals iemand ooit tegen mij zei: “Blijf lekker schrijven, ik koop geen boeken meer. Jouw verhalen zijn te leuk om niet te lezen en deze te laten gaan.”

Ik heb weleens overwogen om te stoppen. Gewoon geen zin meer in. Toch heb ik doorgezet en staat de 400ste nu online. Er zijn er nog veel meer, die houd ik voor mijzelf.

“Kan je geen boekje maken, van jouw blogs”, vroeg een mijn mijn fervente lezers. “Dan neem ik je mee op vakantie.” Nee, dat ga ik niet doen. Ik heb er geen zin meer in om te leuren met boekjes, zoals ik moest doen met mijn boekje BEEStENKRABBELS. Nog altijd heb ik er daarvan op de plank liggen.

Op mijn Facebooksite kom je ook regelmatig huwelijksblogs tegen. Deze tellen niet mee in het aantal van 400. Meetellen zou betekenen meer dan 500 verhalen, blogs. Niet niks, en soms begrijp ik mijn eega wel. “Je zet nog net niet op internet wanneer je naar de WC gaat.” Echter ik heb er schik in en plaats mijn verhalen. Ik blijf gewoon schrijven en u kunt gewoon blijven lezen. Tot de volgende blog.

300. 300 blogs en verhalen

Nummer 300. 300 blogs, verhalen die ik schreef naar aanleiding van zaken die ik zelf heb meegemaakt, heb gehoord of waar ik een mening over heb. 300 keer achter de computer of laptop om een verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Alles bij elkaar ruim 1100 A4tjes vol teksten.

Met heel veel plezier duik ik graag achter de PC om een stukje te schrijven. Nou ja stukje, “meestal is het het lang”, hoorde ik afgelopen week nog. “Ik begin eraan maar soms lees ik het niet af, omdat het te lang is.” Ik weet het het is vaak te detaillistisch, te lang ook misschien. Maar dat is zoals ik schrijf. Ik maak mijn verhaal zoals ik praat. “Dat maakt het juist zo leuk”, zei één van mijn vaste lezers, “ik zie je gezicht erbij en het is net alsof je tegenover mij staat en het verhaal tegen mij vertelt”. Nooit heb ik een opleiding of cursus gevolgd. Geen begeleiding gehad om te schrijven en geen journalistieke ervaring. Ik ben het gewoon gaan doen. Voor wie? Voor mezelf en het is leuk als ik mensen daarmee ook kan plezieren. Dat er vaak gelezen wordt is een feit, getuige de meer dan 52000 leesmomenten die er geregistreerd staan.

Er zijn uitschieters bij het lezen van de blogs. De blog over het buiten spel zetten van de burgemeester is er zo een. Meer dan 4000 mensen lazen deze blog. Vanuit de hele wereld werd deze blog gelezen. Waar ook veel interesse in was was het verhaal over de detailhandel in Den Hoorn, mijn geboortedorp, in de jaren ’60. Meer dan 1500 leesmomenten leverde het op. Ik zou de blog nog weleens na willen lopen in levenden lijve. Een boekje met foto’s van de genoemde objecten. Maar er zijn evengoed blogs bij die niet meer dan 18, 20 of 22 keer zijn gelezen. Nogmaals het zijn verhalen en blogs die ik voor mezelf vastleg.

Meerdere blogs zijn ter sprake gekomen. Over de beslissing dat het Varend Corso zijn route zou gaan wijzigen. Over mijn verhaal over Careyn, waar het niet helemaal goed ging, maar waar ik een positieve ervaring mee had en dat beschreef. Vele reacties ontving ik op mijn verhalen door middel van e-mail, facebook of onder de blog. Meestal heel positief, andere keren wat mindere reacties.

Inmiddels heb ik bijna 950 volgers, mensen die de gelegenheid hebben om mijn verhaaltjes te lezen. Soms bewust aangemeld of via Social Media. Een mooi getal dat ik nog graag zou uitbouwen naar 1000, maar dat heb ik niet in de hand.

Zoals ik al eens eerder schreef is het vastleggen van mijn en jouw leven van zo’n enorme waarde. Uitspraken van mijn vader waren geweldig. Jammer genoeg zijn ze niet meer terug te halen, verloren gegaan door de tijd. Dat wil ik voorkomen. Iemands leven eindigt niet als hij of zij er niet meer is. Het leven moet levend gehouden worden, en of je dat, zoals ik, vastleg in een blog die voor iedereen zichtbaar is of dat je dat in schriftje of aantekenboek doet, doe het!

Met veel plezier hoop ik er nog een flink aantal te kunnen maken, van het verleden, het heden of de toekomst het maakt niet uit. Ik vind het erg leuk als u mij volgt en een reactie achter laat. Veel lees plezier.

286. Een voornaam is ook maar een naam

Een voornaam is maar een naam. Ik kwam ter wereld met de voornamen: Adrianus Lambertus. Vernoemd naar de vader van mijn vader, Arie van Meurs en opa Bertus Charlier, de vader van mijn moeder. Zo ging dat vroeger, waar men tegenwoordig vaak een voornaam associeert met een groot sportmens, filmster, favoriete vriend of vriendin of men kijkt naar het lijstje dat de meest gebruikte nieuwe namen publiceert. Overigens staat op mijn geboortekaart mijn roepnaam als Adrie. Zo werd ik vroeger ook genoemd, Adrie. Naarmate ik ouder werd ging men mij Aad noemen.

Waarom ik geen toegevoegde naam Maria heb gekregen is mij een raadsel. Ik kan het niet meer navragen. Mijn drie broers hebben die naam wel meegekregen. Het sluit bij hen de rij voornamen. Deze voornaam is meestal een logisch gevolg bij mensen die de katholieke leer aanhangen. De toevoeging is in de jaren 60 van de negentiende eeuw een traditie om alle kinderen, ook de jongens, de naam ‘Maria’ als een van de voornamen te geven.

Wanneer ik word uitgenodigd om een huwelijksbevestiging te voldoen kijk ik altijd naar de voornamen. Waar zou zo’n voornaam vandaan komen? Weet men de betekenis van zijn of haar voornaam. Ik zoek er altijd even over op internet. Kan ik er wat mee in de toespraak die ik houd? Kan reuze interessant zijn.

Waar ik ook naar kijk is de reeks van eerste letters van de voornamen. Omdat ik 23 jaar als personeels- en salarisadministrateur heb gewerkt heb ik altijd geprobeerd om de voorletters te koppelen aan de achternaam. Soms dacht ik, dat kan toch niet waar zijn. Hoe kan je zo’n keuze maken. Simon Theodorus Adrianus Nicolaas Pot, (STANPOT) Hendrika Odelette Frederike Stadt (HOFSTADT). Waar een vrouwelijke collega Kimberley Adriana Renate Irene Nicolette – K.A.R.I.N. als voornamen heeft gekregen en haar roepnaam ook Karin is. Jan Smit noemde zijn dochter Emma Monique Maria Alida – E.M.M.A. Voorletters zijn ook geschikt voor een subtiele vernoeming. In Amsterdam loopt een Andy Jaime Anthony Xander (A.J.A.X.) rond. Theodorus Otto Martin kan een mooi eerbetoon zijn aan broer Tom.

Voornamen worden vaak ook bepaald door de afkomst. Namen als Ernest-Jan, Olivier, Roderick, Lodewijck (met ck) voor jongens en Isabella, Frederique voor meisjes worden vaak geassaisoneerd met adel, waar dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Ik trouwde ooit een Hugo-Maximiliaan waar de namen afkomstig waren van beide opa’s Huug en Max. De bruidegom was machinebankwerker.

Aan een eenmaal gegeven voornaam kan je zelf weinig kosteloos meer doen. Het is nog wel mogelijk. Een aantal reden: Er is een fout gemaakt bij de geboorteaangifte; Er is een fout gemaakt in de spelling van de voornaam; De gekozen voornaam verwijst naar een persoon die nare associaties oproept; De voornaam leidt ongewenst tot pesterijen of vervelende vragen; Het kind wordt gepest met de voornaam. Notariskantoren moeten worden ingeschakeld om je hier behulpzaam bij te zijn.

Heeft het altijd een kans van slagen? Voorafgaand aan het verzoek tot voornaamswijziging zal het notariskantoor altijd een nauwkeurige inschatting maken omtrent de kans van slagen. Als blijkt dat de slagingskans klein is, zullen zij hun klant daarover altijd eerlijk informeren en waar mogelijk alternatieven aanbieden. Het advies omtrent de slagingskans van een naamswijzigingsverzoek is gratis. De definitieve voornaamwijziging is niet kosteloos.

Soms neemt men zelf een nieuwe voornaam. Artiesten hebben hier nog weleens een handje van. Een voorbeeld hiervan is de zanger Jacob Marinus (Jaap) Bakker. Hij is nu bekend onder de naam Marco Bakker. Nu nemen artiesten vaker een andere naam aan. Klinkt nationaal of internationaal beter. Bekende naamswijzigingen Willeke Alberti – Willy Albertina Verbrugge, André van Duin – Adrianus Marinus Kyvon. Zo ook onze jongste zoon André Petrus Maria van Meurs – Andrew Mathers. Namen overigens die men niet wijzigt in de Basisregistratie Personen (BRP).

Waar ik maar helemaal niet over ga hebben is het bijnamenfenomeen. Vaak krijgt men op dorpen een bijnaam. Gerelateerd aan vaders beroep of onhandigheid. Zo had ik er zelf ook één: Ali. Waar ie vandaan kwam, Joost mag het weten. Ik keek om als men Ali riep. Nu zou dat anders zijn, denk ik. Toen ik in Den Hoorn woonde kende ik de meeste bijnamen. Nu, als ik op een verjaardag zit in mijn huidig woondorp, en men begint over Jaap Gras, Kees Mus, de Mol, de Berenboer, Rinus Bloemkool, dan haak ik af. Ze blijven wel mooi die bijnamen, waar ze vaak vandaan komen weet men niet meer. Men weet wie er mee bedoeld wordt en dat is voldoende. En zo is een naam maar een naam.

264. Het was geweldig!

Op 9 november is het dan zover. Het officiële afscheid van een werkgever waar ik 34 jaar en 8 maanden met plezier heb gewerkt. Al was het de laatste jaren wat minder dan in de beginjaren.

Ik maak me er niet druk over. Heb in de ochtend een afspraak ingepland met een collega waar ik gedurende jaren mee heb samengewerkt en ziek is. Ik heb hem een uitnodiging gestuurd om op mijn afscheid te komen. Door zijn ziekte is het onmogelijk om te komen, waardoor ik bij hem op de koffie ga.

Met een iettewat donkere lucht rijd ik richting Den Haag. Zou ik het droog treffen? Met een hoge ondersteuning van de elektrisch ondersteunde fiets ben ik met een goed half uurtje over. Ik kom droog aan. Als ik heb aangebeld hoor ik de stem door het luidsprekertje: “Aad, de deur gaat automatisch open. De negende verdieping” Ik stap de lift in en in een zucht en een … ben ik boven. Mijn collega wacht me op in de deuropening. De zuurstoffles hangt over zijn schouder heen. Met een glimlach word ik begroet. “Kom binnen.” Er vindt een geanimeerd gesprek plaats We praten over het werk, mijn afscheid, mijn privé, zijn ziekteproces en hoe nu verder en onze families. Kortom een heerlijk gesprek. Om even over twaalven fiets ik weer terug. Met het zonnetje in het gezicht en windje in de rug, ben ik ruim binnen het half uur weer thuis.

Onze jongste stuurt een appje. Hij mag weer optreden in Marokko. “YES”, schrijft hij in hoofdletters. ‘Ik ben nog aan het regelen dat mijn cameraman ook mee mag’, geeft hij aan. Een promotiefilmpje van dit soort evenementen kan wonderen verrichten. Hij besluit het appje met ‘tot zo’.

Om even twee uur is hij er. Nu is het wachten op de taxi. De taxi? Ja, waar mijn vrouw het liefst met de fiets zou gaan, heb ik met onze managementassistente afgesproken met de taxi te gaan. “Hoe laat komt de taxi eigenlijk?”, vraagt mijn zoon. Ik weet het niet. We wachten het af.

Om drie uur wordt er gebeld. Een onbekende vrouw staat voor de deur. “De taxi”, zegt ze. We stappen in en worden als een vorst bij mijn werkgever voorgereden. Bijna door de draaideuren heen stopt ze. “Veel plezier”, zegt ze als ze weer instapt en vertrekt.

Als we de draaideur in stappen stopt deze plots. Daar staan we tussen twee deuren. We kunnen er niet meer uit. Logisch eigenlijk, ik heb mijn pasje niet langs de keypasslezer gehaald. Maar wat blijkt, we staan met teveel in de kleine ruimte, waardoor de deur niet verder draait. Als we binnen zijn staat de fotograaf al op ons te wachten. “Leuk dat je er bent”, zegt hij. De dames van de receptie lachen al bij binnenkomst. Ik ken hen niet anders.

In de ontvangstruimte waar het afscheid zal gaan plaatsvinden heeft men de tafels al gedekt. Statafels met nootjes en hartige koekjes, een tafel met allerlei drankjes. Dat allemaal voor mij.

Op een oud-collega na is het mijn familie die zich als eerste meldt. Tijdens de begroeting merk ik al dat de ruimte eigenlijk volledig ongeschikt is voor mensen met een gehoorbeperking. Het klinkt alsof je in een holle bolle boom staat. Als ik het dan maar kan volgen.

Van lieverlee druppelen collega’s binnen. Mensen waarbij ik zelf nog het intakegesprek heb gedaan, maar ook veel jongeren die de moeite hebben genomen om even een hand en glimlach weg te geven.

Ik krijg cadeautjes, een drankje, een boek met 650 bladzijde, getiteld, de Slinger van Foucault, een etensbon, een uitnodiging voor een borreltje en een hapje. Drie potjes met drop, waarbij op het kaartje staat. ‘Het zit d’rop.’ Hoe lief. Een collega heeft een setje markclips meegenomen voor mijn verzameling. Mijn lief krijgt een gigantische bos bloemen. Bij de buren lenen we er een vaas voor. Door het vele handen schudden en kletsen heb ik geen tijd om zelf een drankje in te schenken, daar zorgt mijn fotograaf voor. Iemand waarmee ik kan lezen en schrijven, maar met wie kan ik dat eigenlijk niet.

Dan na een half uur komt het teken dat mijn sectorhoofd een verhaaltje wil doen over wie ik ben, hoe ik in het leven sta, hoe ik als collega ben geweest, hoe ik met passie aanwezig ben geweest en hoe hij mij zeker de laatste tijd heeft leren kennen. Een mooi verhaal. Mijn teamleider spreekt mij aan als Sinterklaas. Niet in de zin van cadeautjesgever, maar hij vertelt het verhaal dat het lied: ‘Zie ginds komt de stoomboot’ eigenlijk helemaal niet meer kan. Hij verwijst daarbij naar allerlei zaken die in deze tijd zo nadrukkelijk worden verbannen. Leuk gevonden. Dan het woord aan de voorzitter van de Ondernemingsraad, waar ik twee termijnen lid van ben geweest, maar die ik vaak gevraagd of ongevraagd van informatie heb voorzien. Hij heeft mijn eerste geschreven speech gelezen en heeft er wat, nou ja wat, behoorlijk uit “gejat”, zoals hij zelf zegt. Ik ben blij een compleet nieuwe toespraak te hebben geschreven. Dan mijn beurt. Doordat ik inmiddels een ruime ervaring heb met spreken in het openbaar, lees ik op rustige toon mijn kant van het verhaal voor. Het is muisstil, zelfs als ik mijn blad moet omdraaien. Ik word ervoor met een langdurig applaus beloond. Dat doet me wat en ik moet even vechten tegen de emotie.

Dan gaat het los. Meer collega’s die stiekem binnen zijn gelopen geven me de hand. Een enkele vrouwelijke collega vraagt me, aan de hand van een blog over zoenen of kussen, of ik dit wel wil. Een maakt zelfs de opmerking geen opgespoten lippen te hebben. Er wordt gelezen dat blijkt.

Tegen zes uur is het merendeel van mijn bezoek weg. De cadeautafel staat vol. Mensen van de personeelsvereniging zoeken een krat op om mijn cadeaus te vervoeren. Ze zetten de krat in de inmiddels gearriveerde taxi.

Daar gaan we terug naar huis. Mijn hoofd gloeit. De prachtige reacties op mijn toespraak doen iets met me. Ik luister naar wat mijn zoon en vrouw achter in de taxi tegen elkaar zeggen, maar in gedachte loop ik stuk voor stuk, de gezichten van collega’s en reacties langs die ik zojuist heb meegekregen. “Ga je vissen”, zegt de taxichauffeur die ons naar huis brengt en het verhaal van mijn pensionering heeft gehoord. Ik moet erom lachen, dat zeker niet.

Vlak nadat we thuis zijn aangekomen, komt ook de oudste zoon thuis. Door zijn drukke werkzaamheden heeft hij geen kans gezien om erbij te zijn. Hij baalt ervan, maar het is niet anders. Zijn show, Ik beloof niks, moet ook goed op de rails komen. We gaan uit eten. Eetcafé De Witte in De Lier is de plek waar we op het gemak met ons eigen gezinnetje de dag hebben afgesloten.

Ik heb genoten, een dag zoals ik me die heb voorgesteld, die verlopen is zoals ik dat heb gewild. Dankjewel als je erbij was, en wie ik niet heb gezien: Het ga je goed. Het was geweldig.

194. Je wordt er zo lekker rustig van

Het is niet leuk om altijd maar die actie te hebben in je hoofd. Nooit rust en altijd maar druk. Een hobby van legpuzzelen geeft je dan wel die rust, waarin ik me rustig twee tot drie uur volledig kan afsluiten en in mijn eigen wereld passende stukjes kan zoeken en leggen.

Het is zo’n veertien/vijftien jaar geleden dat we onze eerste Jan van Haasterenpuzzel scoorden. Puzzels die net als in mijn hoofd altijd een druk karakter hebben. Altijd ligt er één op tafel. Zomer of winter dat maakt niet uit. De triplexplaat ligt er altijd. Met een speciale constructie is de puzzel rechtop weg te zetten, al zal dat zelden gebeuren. Mensen die op visite komen zoeken vaak eerst naar een stukje om te leggen voordat de hand wordt geschud.

Jan van Haasterenpuzzels, wereldberoemd. De in 1936 geboren Schiedamse tekenaar maakte in 1975 zijn eerste tekeningen. Was het eerst Popey die het zo herkenbare beeld vormde, nu is dat de vin van een dolfijn en Sinterklaas in allerlei vormen en uitmonsteringen. Echter meerdere koppen van poppetjes kom je regelmatig tegen in zijn tekeningen. En meestal herken je ook de eigen kop van Jan.

Het leggen van Jan van Haasterenpuzzel pakt je als een virus. Eenmaal begonnen, kan je er niet meer mee ophouden. Bedtijden worden verlegd naar nog wat later, want waar ligt nou dat ene stukje? De tafereeltjes die Jan tekent hebben vaak een komisch of humoristisch karakter, of het nu voorkomt op een puzzeltje van 10 of van 5000 stukjes. Als de puzzel af is kijk je met plezier nog eens terug naar leuke dingen die op de tekeningen terugkomen.

Onze verzameling groeit gestaag. Per jaar komen er nieuwe puzzels uit. Nog steeds tekent Jan, ook nog op hoge leeftijd, zijn puzzels. De zo karakteristieke tafereeltjes geven de puzzel zo’n herkenbaar plaatje. Dagelijkse activiteiten met zoveel passie getekend, geven de puzzels juist zo’n Jan van Haasterengezicht. Maar ook de vele thema puzzels, als voetbalkampioenschappen, het jubileum van de Hockeybond, Zijn eigen 80-ste verjaardag en de inhuldiging van de koning. Uit duizenden haal je zijn puzzels er tussen uit.

Naast de nieuwe puzzels kopen we ook regelmatig een partij tweedehands puzzels op. We maken ze weer en kijken of ze compleet zijn. We hebben hierbij hulp van vrienden die het ook leuk vinden om te leggen. Arie, Nico, Kees en Miriam, ze komen regelmatig langs voor weer een puzzeltje. Soms neemt men er meerdere tegelijk mee en levert deze soms alweer binnen een week weer terug in. Zo snel kunnen wij het niet. In alle rust leggen we de stukjes.

De verkopende partij van tweedehands puzzels is niet altijd eerlijk of weet het niet, want ook in onze verzameling hebben we inmiddels zo’n dertig puzzels die niet compleet zijn. Die verdwijnen naar de zolder, wachtend op iemand die hier nog weer belangstelling voor heeft voor weer een ander invulling van een hobby. Complete puzzels die we al in onze verzameling hebben, verkopen wij weer. Voor aangepaste prijzen gaan de puzzels de deur weer uit. Soms via Marktplaats, kringloop Schipluiden of kringloop Den Hoorn, facebooksites die op kleine schaal zijn opgezet. Soms ook krijgen we een belletje, of e-mailtje of we nog voorraad hebben.

Zo af en toe komen we een aanbieding tegen bij de grote ketens, Intertoys, Kruitvat, Marskramer, Big Bazar of Makro. Maar doorgaans hangt er best een aardig prijskaartje aan.

Er zijn net als wij vele verzamelaars, mensen die op rommelmarkten en in kringloopwinkels snuffelen naar deze vrolijke puzzels. Steeds dezelfde mensen komen we tegen. Dat geldt ook voor kopers bij ons. Vaak opsturen, maar ook regelmatig ophalen vanuit het hele land. Het blijft leuk om ervaringen te delen.

Ik weet niet helemaal meer hoe het ooit is begonnen. Maar wat ik wel weet is dat we ook naast de genoemde aantallen van 10 en 5000 ook nog de andere formaten in bezit heb, 54, 108, 250, 500, 750, 1000, 1500, 2000, 3000. Verder hebben we een aantal verzameldozen. Drie in één doos met daarin soms verschillende formaten. Een bruidspaar dat ooit bij mij op intake gesprek kwam voor hun huwelijk zag onze gekte en gaf na de huwelijksbevestiging een themapuzzel: De bruiloft. Intussen hebben we zo’n 140 verschillende Jan van Haasterenpuzzels. Een hobby die veel plaats inneemt. Op een slaapkamer is een hele kast ingericht om de stapel netjes te ordenen.

Het blijft voor ons een hele leuke hobby. Rustgevend, maar bovendien leuk en…. niet onvermeld: het kan allemaal zonder het mobieltje, dat blijft in de standaard. Even (ont-)Haasteren, het is een aanrader om te puzzelen, geef rust, ontspanning en is nog leuk ook. Mocht je een puzzel willen hebben, houdt dan de genoemde sites in de gaten. Puzzel ze!!

186. Nieuwe bezems vegen schoon maar oude bezems kennen de hoekjes

Schreef ik in een eerdere blog over mijn werk als vakantiekracht bij de vuilophaaldienst in 1967, deze keer gaat het over de veegploeg. Na een weekje met vuilniszakken te hebben gesjouwd werd ik toe gewezen aan Willem van de veegploeg. Willem is een fictieve naam, waarom dat leest u in het vervolg van deze blog.

Op maandagochtend is het in mijn vakantie al vroeg dag. Al om kwart over zeven rijd ik in de regen richting de stort in Delft. Het zou later op de dag mooier weer worden. Ik moet om acht uur beginnen. Vandaar uit rijden we met een soort bakfiets de wijken in om langs de stoepranden te vegen. Niks met een veegwagen, gewoon handmatig, met bezem en schop. Verder moest erop worden toegezien dat daar waar de vuilniswagen langs was geweest en er was gemorst, ook deze troep werd op geruimd.

Met ‘Willem’, Timo, ook een vakantiekracht, en ik rijden we richting TU-wijk. Al zittend op het spatbord van de bakfiets krijgen we van Willem een lift naar de plek waar moet worden geveegd.

Aangekomen op de Professor Schoemakerstraat stappen wij beiden af en krijgen een gloednieuwe bezem in handen. Dan komt het echte werk. “Een goede pak van de steel is belangrijk”, zegt Willem. “Ik weet zeker dat je vanavond blaren op je handen hebt”, geeft hij nog even mee. De één neemt de linkerkant van de weg, de ander de rechter. Zo vegen we gelijk op naar de hoek van de straat. Willem neemt het ervan en praat met mensen uit de buurt en zorgt ervoor dat de bakfiets mee gaat. Hij komt hier al een jaar of vijftien, zestien en kent iedereen. Dat heeft ook een voordeel want dan heb je altijd koffie op de ochtend. Soms mag je binnenkomen, anderen serveren het op een bankje dat buiten staat en bij weer anderen ga je even op de bloembak zitten. Zo ook die ochtend. Het wordt een drukke koffieochtend.

Als we wederom een kopje koffie krijgen toebedeeld, schrikt Willem en als door een wesp gestoken vliegt hij direct overeind. Hij pakt een bezem en begint als een malle te vegen. Wij kijken ervan op en vragen wat er opeens aan de hand is. Dan blijkt dat er een ‘inspecteur’ door de straat is gereden. Vanuit een ooghoek heeft Willem hem gezien. En op inspecteurs heeft Willem het niet zo. Zij kijken toe of er wel gewerkt wordt en controleren de stoepranden. Als Willem werkt, dan moeten ook wij weer snel aan de gang. De mevrouw waar we koffie van hebben gekregen doet haar koekdoos weer dicht. Daar is geen tijd voor. Een inspecteur die éénmaal in de buurt is, is zo nog maar niet weg.

Wanneer we op de hoek van de straat een flink hoopje hebben gemaakt komt de schop erbij. Een grote vierkante schop die je strak tegen de stoeprand kan zetten. Dan is het een kwestie van met je ene hand vegen en met de andere de schop tegen de bezem drukken. Dat valt om de dooie dood nog niet mee. Intussen is Willem de bosjes even ingedoken en haalt met een grijper het ingewaaide papier en de blikjes uit de bosschage. Nu weet ik ook waarom de mannen van de reiniging van die dikke Manchester werkpakken aan hebben. Ze kunnen makkelijk tussen de stekelige heesters in lopen. Zo rijden/lopen we straat na straat af. Aan het eind van de dag heb ik inderdaad een zere plek aan mijn rechterhand, precies in de hoek waar duim en wijsvinger hun aanhechting vinden. Willem had ervoor gewaarschuwd, maar vegen blijkt ook een vak apart.

Zo doen we dat ook op dinsdag. Een stralende dag wacht ons op en de jas kan op de bakfiets blijven. Aan ons shirtje en in korte broek kunnen we heerlijk genieten van het mooie zomerse weer. Opnieuw is koffiedrinken net zo belangrijk als vegen. In tijdspanne lopen deze bezigheden gelijk met elkaar op is mijn inschatting. Wel kijkt Willem regelmatig om zich heen of hij geen inspecteur ziet fietsen. Aan de Kloosterkade woont er één, weet Willem. Daar is geen tijd voor koffie en is het doorwerken geblazen. Is de inspecteur niet in de buurt, dan kijkt zijn vrouw wel stiekem uit het bovenraam.

Op donderdag rijden we via de Kanaalweg naar de Rotterdamseweg. De kleine straatjes die hiermee zijn verbonden, kende ik niet. Ik was daar nooit eerder geweest. Daar gingen we met een grove bezem door de straat. Hier woonden geen ‘Toppers’, had Willem aangegeven en dus mocht het wel een beetje minder.

In de loop van de middag komen we aan op de Julianalaan. Grote huizen waar professoren wonen, vertelt Willem. Bij één van de huizen wordt de bakfiets aan de kant gezet. Als mevrouw ons in de straat heeft gezien, gaat de deur al op een kier. “Hier doen we effe een bakkie binnen”, zegt Willem. Mevrouw is in mijn ogen een deftige, welgestelde tante van middelbare leeftijd. Het zou zo maar een vrouw van een professor kunnen zijn. Een beetje de leeftijd van Willem. Ze had ook onze moeder kunnen zijn. Aan de grote tafel komt een theeservies op tafel. Grote, Engelse, gebloemde kopjes. Een doosje met theezakjes wordt voorgeschoteld, waardoor je kan kiezen welke theesoort je wil drinken. Thuis ben ik dat niet gewend. Er wordt losse thee in de pot gegooid en met een zeefje wordt er uitgeschonken. Ook voor het tweede kopje wordt wederom gebruik gemaakt van hetzelfde goedje. De thee wordt gewoon wat langer getrokken, dan is het vocht ook bruin.

Na enige tijd geeft Willem aan dat het voor ons tijd wordt om weer aan het werk te gaan. Waaraan we natuurlijk voldoen. Hij is immers de baas van de bakfiets. Willem blijft nog even achter want hij moet nog wat met mevrouw afrekenen. Ik begrijp hem niet, moeten we betalen voor de thee? Eenmaal buiten zien we dat de gordijnen boven worden dicht geschoven. Niets vermoedend vegen wij de straat verder schoon. Na zo’n twintig minuten komt Willem weer naar buiten. “Hier mag je nooit over praten hoor”, beveelt hij ons. Het gaat toch alleen om even iets met mevrouw af te rekenen? Als ik er meer van wil weten, gebiedt Willem om er over te zwijgen. Nog éénmaal begin ik er over met Willem, maar het naadje van de kous heb ik nooit van hem gehoord. Het zijn dus vermoedens wat Willem achter die gordijnen deed.

Het werd die vrijdag een aparte laatste dag met Willem. Ik liep de hele dag met vraagtekens maar durfde het hem niet te vragen.

Het is inmiddels bijna vijftig jaar geleden. Ik mocht er nooit met iemand over praten, schrijven had hij mij niet verboden. Vandaar dat ik met een gerust gevoel mijn verhaal kan doen. Willem is er niet meer, al lang geleden heb ik zijn overlijdensadvertentie in de krant gezien. Hoe het met mevrouw verder is gegaan heb ik niet kunnen achterhalen. Ze reed, denk ik, een scheve schaats en Willem ook, maar kennelijk kan je met twee scheve schaatsen elkaar nog best recht in de ogen kijken. En dat deed hij naar mijn idee elke week.

148. Wie heeft het hier nu voor het zeggen?

Daar gaat ze, het buurmeisje van nr. 21. Klaar met het VMBO Kadergericht naar het MBO. Wat heeft ze er een zin in. Jammer genoeg moet ze nu haar eigen boontjes doppen, nee ze gaat niet voor consumptief, maar er gaat geen klasgenootje mee naar de school waar buurtje heen gaat.

Ze is haar boeken gaan halen en heeft ook verplicht een laptop aan moeten schaffen. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde, want haar vader is financieel niet zo draagkrachtig dat hij zowel voor haar als voor een jonger zusje zo’n ding kan kopen. Via school heeft hij het op een akkoordje kunnen gooien en een afbetalingsregeling kunnen afspreken. Maar dat gebeurt pas nadat dochterlief zich de eerste keer meldt op school.

De eerste dag is hoopgevend. Om 11:15uur moet ze zich op school melden. Dat vindt ze prachtig. Lekker nog even uitslapen. Waar ze vroeger met de fiets naar school ging, moet ze nu met het openbaar vervoer. Eerst op de fiets naar het station van Rotterdam. Dan met de trein en vervolgens met de tram verder. Een hele onderneming, maar aansluitend goed te doen. Als ze aan het begin van het schooljaar vanuit haar dorp naar Rotterdam rijdt heeft ze geen plekje kunnen vinden in de stalling, die is vol. Haar vader heeft haar nog zo gezegd om binnen te stallen, maar na 20 minuten zoeken is ze geen leeg rek tegen gekomen. Ze gaat met haar bijna nieuwe fiets naar buiten en vindt daar een leeg plekje. Dan moet de fiets maar daar, het is niet anders.

Terug naar het station checkt ze in om vervolgens de roltrap te nemen. Ze voelt zich ondanks haar nog jonge leeftijd van 16 bijna 17 jaar een flinke meid. Als de trein aankomt zit deze boordevol. De trein zit niet alleen, maar staat ook boordevol. Ze wurmt zich naar binnen om daarna klem te staan tussen een groep scholieren die zich kennelijk ook voor het eerst gaan melden. Er hangt een irritante en penetrante lucht in het stacoupé van de trein. Om misselijk van te worden.

Wanneer meisjelief is aangekomen op het station waar ze moet uitstappen weet ze niet hoe snel ze naar buiten moet. Na enig zoeken komt ze aan bij de tramhalte. Ook de tram zit giga vol. Het lijkt er op dat de vervoersmaatschappijen niet zijn ingespeeld op zo’n eerste schooldag.

Bij school aangekomen volgt ze de bordjes met daarop het klasllokaalnummer. Wanneer ze het lokaal heeft gevonden krijgt ze na enige tijd de schrik van haar leven. Er zitten slechts twee autochtone meisjes in de klas. Een klas die verder wordt aangevuld met tien allochtone jongens, twee autochtone medelanders van Surinaamse afkomst en twee allochtone meisjes. Dit is zeer confronterend als je uit een dorp komt waar slechts weinig mensen van buiten de eigen gemeenschap komen, laat staan van allochtone afkomst zijn.

Maar buurmeisje is niet voor een kleintje vervaard en komt na een eerste schrik al snel tot de conclusie dat ze bevriend moet raken met het andere autochtone meisje. Ze hebben raakvlakken, blond lang haar, blauwe ogen, lange benen en lange wimpers. Al kort na de voorstelronde wist ze alleen de voornaam van het andere blondje, Marleen.

Wanneer de eerste les begint, is er al direct gedonder in de klas. De jonge docente kan de klas niet de baas en probeert het met een verheffende stem. Dat helpt, de klas gaat ook harder naar elkaar schreeuwen. De ‘juf’ gooit het over een andere boeg. Ze spreekt over normen en waarden. Die heeft de klas ook: hun normen en waarden.

Nadat de aanwezigheid is opgenomen wordt er een namenlijst met leerlingen uitgedeeld. Dit als hulpmiddel voor de telefooncirkel. Al ze de lijst doorneemt ziet ze dat bijna alle jongens Mohammed heten. Dat is om het makkelijk te maken. Er zit nog een Fiaz en Amir tussen, maar dan heb je het gehad. Ze staat zelf als derde op de lijst tussen Mohammed en Fiaz. Alle telefoonnummers staan er tussen en leidt al direct tot de volgende actie. Men probeert even uit wie wie is en belt de nummers. Niet verwonderlijk dat buurmeisje meerdere keren wordt gebeld evenals Marleen.

Buurmeisje voelt zich toch niet op haar gemak. Moet ze het hier een heel jaar mee doen? Ze probeert het bij de beide meisjes die hier wel zijn geboren maar van etnische komaf zijn. De meiden lachen, ze lachen om alles wat de klas uitspookt. Nee, een geweldige aansluiting heeft ze niet. Ook de rest van de dag wordt het geen feest in klas 1H3. Buurmeisje wordt er zelfs verdrietig van.

Na de dag zoekt ze haar jack op en gaat naar haar tram. Een aantal van haar medeleerlingen reizen met haar mee. Ze had gehoopt alleen terug te reizen en van deze piassen af te zijn. Niets is minder waar. Op het station splitst de groep zich verder en als ze naar de trein wandelt is er slechts één medeleerling die met haar verder reist. In de trein komt ze weer andere leerlingen tegen. Opnieuw is het staan geblazen en groot praat aanhoren.

Als ze thuis komt en haar moeder ziet, schiet ze spontaan in een huilbui. Ze vertelt wat er die dag is gebeurd en krijgt troost van haar moeder. Als haar vader ’s avonds thuis komt krijgt hij hetzelfde verhaal te horen. Meisje wordt er niet vrolijker op.

De volgende dag gaat buurmeisje opnieuw naar school. Met lood in de schoenen. Gelukkig is er nu wel een plek in de fietsenstalling. In de trein is het mogelijk nog drukker dan de dag ervoor. Mede omdat er treinen zijn uitgevallen. Die dag gaat het op dezelfde manier als de eerste schooldag. Er is weinig respect in de klas, niet voor elkaar, maar ook niet voor de docenten. Men doet maar wat. Wat wel opvalt is dat er drie jongens al niet zijn. De absentielijst wordt al direct gevuld. Tijdens een tussenuur als buurmeisje en Marleen even een ommetje willen maken, komen er twee klasgenoten naast hen lopen. Ze vallen hen lastig en doen oneerbare voorstellen. Zestien jaar en dan al dit soort manipulaties. Ze kijken de jongens niet aan en lopen verder. Van beiden gaat de telefoon af. Anonieme nummers maar overduidelijk de twee klasgenoten.

Meisjelief heeft het er negentien dagen volgehouden. Dan is ze er mee klaar. Ze meldt zich in overleg met haar ouders ook ziek. Vader probeert het op de school nog voor haar op te nemen met de directie. Die beloven er alles aan te doen, maar enig resultaat blijft uit.

Nu zit ze thuis. Gaat werken bij de C-1000, maar krijgt na enige tijd bezoek van de onderwijskundige van de Gemeente. Ze moet uitleggen waarom ze niet naar school gaat. Er wordt gezocht naar een compromis. Ze kan voor één jaar terecht op een andere school. Daar krijgt ze haar kansen wel, is er wel ‘tucht’ en orde. Ze krijgt er het plezier van naar school gaan terug en haalt er mooie cijfers. Op deze school kiest ze aan het eind van het jaar een andere studierichting en doorloopt de school glansrijk. Met hoge cijfers slaagt ze en gaat naar het HBO. Ze blijft, omdat de school binnen een cirkel van 15 km zit, thuis wonen in haar beschermde omgeving.

Nog lange tijd heeft ze last gehad van de telefooncirkel. Tot midden in de nacht werd ze gebeld. Ze besluit een nieuw telefoonnummer te nemen. Dan zijn ook die problemen opgelost.

Ze is nu toe aan een nieuwe uitdaging. Trouwen met de liefste jongen die ze kent.

Het bovenstaande verhaal kreeg ik mee van een bruidje dat ik in de afgelopen jaren heb mogen trouwen. Ik heb het verhaal anoniem gemaakt. Inmiddels heeft zij haar HBO afgemaakt en heeft een goede baan, maar deze dagen zitten haar nog steeds heel hoog en terwijl ze het mij verteld, zie ik betraande ogen. En wat ik uit de kranten verneem is er de afgelopen jaren weinig veranderd. Ik vond het verhaal zo aangrijpend en besloot het aan het papier toe te vertrouwen en het van mij af te schrijven.