332. Heeft u ook gehoorschade?

De Zomerfeesten zijn inmiddels weer voorbij. Ik blik terug op zaterdagavond 18 – 8 – 18. (Het is een mooie datum om te trouwen, ik heb er echter geen aanvraag voor gehad.) Ik ben wederom aanwezig als EHBO-er bij de Zomerfeesten in Schipluiden. Het wordt een vroege ochtend als ik huiswaarts keer. En, de afterparty is het leukste.

Voor de tweede keer deze week was het mijn taak om voor de afhandeling van eventuele lichamelijk letsels te zorgen. De avond begint voor een EHBO-er om 20:30uur. Ik wandel dan ook om even over acht uur richting feestterrein. Met de geelblauwe hes in de hand wordt me niet gevraagd wat ik kom doen, er staat trouwens nog niemand bij de toegangspoort. Na het groeten van een aantal feestgangers ga ik direct door naar de balie waar ik die avond mijn plekje heb. Ik trek mijn hesje aan en ga op zoek naar de koffiekan. Na de koffie haal ik de AED, de EHBO-tas en een deken naar de plek waar ik die avond mag zitten.

Het is nog vrij rustig. Gasten komen zo tegen negenen/halftien het terrein op. Kort na mijn aankomst komt ook mijn collega aan. Even zoeken naar een hesje voor haar en zorgen voor een bakkie. De barkrukken achter de balie zijn aangevuld en nu kan ik zitten, waar dat op donderdag bijna onmogelijk was.

We kletsen nog even over onze kids en die van haar, als ik een jonge dj richting draaitafel zie wandelen. Wanneer hij net achter de desk staat gaat de powerknop op max. Godsamme wat een een tering herrie, sorry voor de woorden, ik gebruik ze normaal gesproken nooit, maar dit, ja dit is echt tering hard. Het is alsof hij een opstijgende F-16 moet overstemmen. We kunnen elkaar niet meer verstaan. Dit is ineens geen goede plek meer voor een EHBO-er. Ik heb geen decibelmeter bij me, maar ben er van overtuigd dat KNO-artsen hier hun afschuw over zouden uitspreken, ja zelfs wachtlijsten moeten opstellen omdat er vele klanten zijn bijgekomen. Deze dj begrijpt absoluut niets van het opbouwen van set en moet nog veel, heel veel leren. Zelf staat hij met een koptelefoon op en is alleen bezig met zijn muziek, hij kijkt niet naar zijn zijn publiek, zij zijn bijzaak. Gasten lopen mopperend de tent uit: “Dit is niet normaal”, hoor ik verscheidende keren zeggen. “Als ik straks gehoorschade heb, krijgt ie een claim”, zegt een jonge gozer die bij mij komt staan. Even later komt iemand om oordopjes vragen. Gelukkig wordt er na wat nummers ingegrepen, er is kennelijk voldoende geklaagd.

Aan het werk, want de man van donderdag, zie blog, met de blaar wil wederom door mij geholpen worden aan een ‘tepie’.

Naast ons hebben de muntverkopers het druk. Het is goed ingeschat, nu geen twee maar drie verkopers. Gasten pinnen alsof het niets kost. Als ik na afloop vraag hoe de verdeling pin/contant is krijg ik als antwoord 40 om 60.

Inmiddels is op het andere terrein een band gaan spelen, gewoon lekker hard. Als je dan in het midden op het terrein staat heb je een kakofonie van geluiden van uit de tent binnen en vanaf het buitenterrein. Een experiment van anders opstellen van podia wordt zeker geëvalueerd, is mijn inschatting. Zo regelmatig worden we van een broodje of natje voorzien. De EHBO-tassen blijven verstopt staan. Het is een rustige avond.

Dan plots word ik opmerkzaam gemaakt op het feit dat er iemand op de grond zit met twee vriendinnen ernaast. Ze zitten vlak naast onze balie. Ik kijk wat er zoal gebeurt en neem nog geen actie. Het zittende meisje huilt, ik zie en hoor het boven de kakofonie van geluid uit. Als ik het even heb aangekeken zak ik door mijn hurken om te begrijpen wat er aan de hand is. Het blijkt iets met liefde te zijn. Of eigenlijk ontrouw. Daar moet je natuurlijk bij een trouwambtenaar helemaal niet mee aankomen. Het meisje is niet te troosten. Een beker water wil ze niet, ze wil geen gesprek. Het is leiden in last. Ik ga omhoog en laat haar maar even. Haar vriendinnen blijven troosten. Na een goed kwartier zie ik een van de vriendinnen de telefoon uit de tas van huilertje halen. Ze loopt er mee weg. Het andere meisje is al eerder vertrokken. Opnieuw ga ik door de knieën en probeer een gesprek aan te gaan. Het lukt me niet, al wil ze nu wel water. Plots springt ze in paniek op als ze haar telefoon niet kan vinden. Ik leg haar uit dat deze is meegenomen door een vriendin. Ze gaat er achteraan om even later weer bij ons in de kleermakershouding op de grond te gaan zitten. Het is opnieuw janken. Ik vraag haar op een kruk te komen zitten. Dat doet ze. Ze Whatsappt wat en dan plots verdwijnt ze uit mijn gezichtsveld. Voor mij even tijd om een straf colaatje te nemen.

Het blijft rustig die avond. Een jongen die wat dieper in het glaasje heeft gekeken, komt tot driemaal vragen of we ook munten verkopen, waar de muntverkoop allang is gestaakt. Maar daar blijft het bij.

Om kwart voor een gaat de tap ook dicht. Er wordt nog wat apart gezet voor het barpersoneel en dan loopt het van lieverlee naar het einde.

Dan om even voor enen een jongeman die komt vragen om een glas water. Zijn vriendin heeft dringend water nodig. Ik denk dan aan medicijnen. Ik schenk hem een glas water in en loop hem achterna. Benieuwd wat nou de oorzaak is dat het dringend is. Het meisje zit op de grond in een kring van jongelui. Ik vraag of er hulp nodig is. Maar hier is de drank de oorzaak. Ik druip af.

Om even voor enen wordt ook ineens de muziek bij de dj’s stilgelegd. Wat daar de oorzaak van is wordt door een van de medewerkers uitgelegd. Ik heb het niet kunnen verstaan, maar klachten van overlast zouden er zomaar de oorzaak van kunnen zijn. Of de kwaliteit. Er vallen verschillende stiltes bij overnames. Een dj-collectief die duidelijk niet op elkaar is ingewerkt.

Om een uur trekt de bezem door de tent en wie er voor de voeten loopt krijgt een schop, ik heb het zien gebeuren. Langzaamaan loopt de tent leeg. Al sputtert er altijd nog wel een tegen.

Wie het ook soms moeilijk hebben zijn jonge medewerkers. Zijn al dagen in touw tot laat in de avond of vroeg in de ochtend en worden ‘smorgensvroeg weer op het terrein verwacht. Een jongeman in kippenpak heeft het niet meer. Loopt als een zombie over het terrein, niet wetend wat hij moet gaan doen. “Gaat het”, vraag ik hem. “Nee”, zegt hij, “ik ben kapot”. Ik heb te doen met hem, maar hij wordt aangespoord aan te pakken.

Opeens is er veel bedrijvigheid op het terrein. Mensen lopen, sjouwen, breken af, timmeren, schroeven, vervoeren, klimmen op cabines, vegen, maken schoon. Het is een lust om te zien hoe er wordt aangepakt. Structuur ontdek ik echter nergens. Het zal goed zijn afgesproken eerder die dag.

Dan horen we een klap en blijkt een van de medewerkers een behoorlijk jaap in de muis van zijn hand te hebben. Het bloedt hevig. Met een andere EHBO-er, die toevallig ook nog in huis is, verbinden we de gewonde netjes. Even later heeft hij zijn hele hand in de ducktape gezet en zie je niets meer van de wond.

Nog even blijf ik na omdat er nog steeds gewerkt wordt waar men moe is en dan ligt een ongelukje in een klein hoekje. Het valt allemaal mee. De EHBO-tassen en deken kunnen terug in de kast. Nog even nakletsen en een biertje.

Het is gezellig op het terrein anders dan twee dagen ervoor heeft men gewacht tot er weer wat mag worden gedronken. De voorzitster staat op een stoel en dankt iedereen voor zijn/haar inzet. Tijd voor een broodje en drankje. Als ik op mijn klokje kijk is deze de half vier gepasseerd. Het is mooi geweest, in goed gezelschap wandel ik over de Paardenbrug naar de ‘goede’ kant van het dorp.

Ik wil de organisatie complimenteren met wat men heeft neergezet. Ga er maar aan staan, met een jong team zo’n Zomerfeest organiseren. Natuurlijk zijn er hier en daar wat steekjes gevallen in het mooie breiwerk. Maar van alle kanten hoor ik niets dan lof. Er zullen evaluatiegesprekken plaatsvinden, misschien harde noten, maar Schipluiden kan uitzien naar een volgend Zomerfeest. Een Zomerfeest dat wederom zal spetteren. Een duim omhoog.

330. Zomerfeest Schipluiden 2018

Al ruim van tevoren krijg ik een aankondiging dat men mensen zoekt voor de EHBO bij de Zomerfeesten in Schipluiden. Ik laat het even op zijn beloop, wacht tot het schema bijna vol is om dan te reageren. Na enige tijd komt het ingevulde schema. Er zijn nog losse plekken en zo schrijf ik in voor een EHBO-dienst op donderdag- en zaterdagavond.

Rond de klok van acht uur wandel ik met mijn geelblauwe hesje richting Zomerfeestterrein. Bij aankomst is het nog rustig. Wat medewerkers, een enkele gast en bij de band wordt het geluid ingeregeld. Het terrein ziet er weer fantastisch uit. Dit ben ik zo gewend bij het Zomerfeest. Veel creatieve breinen en handige medewerkers toveren elke dag opnieuw een fantastisch decor in het thema dat die avond geldt. Kosten nog moeite wordt gespaard om het geheel een mooi aanzien te geven. Al vraag ik me soms af of het publiek die creativiteit ook daadwerkelijk beleeft en waardeert.

Na een kopje koffie even een praatje aan een statafel. De dj draait inmiddels zijn muziek waardoor praten al bijna niet kan. In een rustmomentje kan ik mijn vraag nogmaals stellen. Medewerkers die rondlopen hebben oordopjes in. Soms het model van de A.C. Tion anderen hebben ze laten gieten. Een verstandige besluit.

Om even over halfnegen wandel ik naar mijn EHBO-plek voor die avond. Ik neem met een vrouwelijke collega plaats naast het verkooppunt van de munten. Er staan twee krukken waar we die avond ons domicilie hebben. Een kruk van het formaat ‘je zit boven de bar’, de ander voor een lilliputter, waardoor je met de neus net aan boven de bar uitkomt, zelfs ik. Ik besluit die avond te blijven staan en de kruk als steuntje voor mijn knie te gebruiken.

We halen de AED en EHBO-tas uit de kast in de school. En nemen onze plaatsen in. De vrouw van de muntenverkoop verzorgt ons met opnieuw een kopje koffie. Dan is het wachten op de gasten. Er is nog te communiceren en zo vertellen we elkaar wat wetenswaardigheden over het dorp.

Langzaamaan komen de eerste gasten binnendruppelen. Zeemannen, mariniers, zeerovers, schatgravers, kapitein Eenoog. Met pruiken en versieringen tot zelfs een aantal kwallen lopen er rond, net als een tweetal dolfijnen. Veel gasten hebben er weer een heel verkleed gedoe van gemaakt. Leuk om te zien, maar dit zou ik niet doen, al ben ik wel van het verkleden.

We krijgen nog wat instructies over het aanbrengen van polsbandjes. Jonge mensen tussen 18 en 25 krijgen een bandje om. 18 + staat erop het bandje als teken dat men alcohol mag drinken.

Dan de eerste langskomer. Bij het spoelen, de avond ervoor, heeft hij een blaar op gelopen op een van zijn vingers. Deze is opengegaan. Vanavond staat hij weer de hele avond achter de tap. Ik adviseer hem een plastic handschoentje aan te doen. Hij gaat er mee weg. Al bedenk ik me al snel dat het misschien toch niet zo handig is. Ik loop hem achterna en breng bij hem een pleister aan met een breder leukoplastje. Nu is het wondje goed ingepakt en kan hij aan de slag. Van alle handelingen moet een melding worden gemaakt. Dat gaat dan ook op het papier, als de secretaris van de EHBO-vereniging zegt dit te doen. Nu is het opnieuw wachten op wat komen gaat.

Vlak naast ons staan drie mensen van de WOS, de Westlandse Omroep Stichting. Een cameraman, een interviewer en vrouwelijke assistente. De camera staat op de grond. Ik had op de website van de zender al gelezen dat ze deze avond aanwezig zouden zijn en opname zouden maken. Dat weet ook een aantal Schipluidenaren. Sommige proberen ook daadwerkelijk in beeld te komen, anderen moeten er niets van weten en duiken weg. Er wordt een spel gespeeld tussen drie jongens en drie meisjes en er worden opname gemaakt van het zo beruchte ‘ik doe de groeten aan’. De hele avond zie ik de cameraman zeulen met de camera op zijn nek.

Het blijft rustig op het feestterrein, d.w.z. wij hebben niet zoveel te doen. Ik kijk intussen mijn ogen uit, ben de jeugd wat ontgroeid en ken heel veel jongelui niet, of niet meer. Jonge meiden en jongens die bij onze buren munten kopen. De pinpas komt tevoorschijn en men krijgt munten. Een jongeman van, naar schatting 18 tot 20 jaar koopt maar direct voor €150,00 munten. Het contante is er wel redelijk vanaf. Veel pinpassers. Het psychologische van geen geld meer in de portemonnee te hebben is weg, pinnen zie je pas de volgende dag.

Het is tijd voor een natje. Bij de naastgelegen bar kunnen we de hele avond ons drankje halen. Daar wordt niet moeilijk over gedaan. Ook de beveiliger die aan de andere kant van ons staat doet mee. Hij bewaakt een deur waar medewerkers te pas en te onpas doorheen willen. Een blik op een bandje om de pols is voldoende om doorgang te verlenen.

Het is negen uur als een stel naar onze post komt wandelen. “Ik heb zo’n hoofdpijn”, zegt het vrouwelijk gedeelte. “Heeft u een paracetamol voor mij.” Dat hebben we als EHBO-ers niet in de tas zitten. Ik adviseer haar naar huis te gaan en daar een pilletje te nemen. Daar wil ze niets van weten. Ze wil genieten en dan komt de oplossing. Ze krijgt een extra kaart om thuis een paracetamol te halen en terug te keren. Ze gaat met een glimlach weg. “Goed geregeld”, zegt ze.

Het volume van de band en de dj’s neemt toe. De straat dreunt, de straatstenen komen dit jaar weer vaster in verband te liggen. Praten is nauwelijks mogelijk. Waarom moet het zo hard dat je lichaam zelfs schokt op de maat van de muziek. Je hart neemt het ritme aan van de bas.

In de hoek van het binnenterrein staat een Rolling Stones-coverband. Het blaast, maakt muziek maar Rolling Stones, nee, zeker niet en komt er niet eens in de buurt. Het publiek vermaakt zich, dus prima.

In de andere hoek van het feestterrein is het de Delftse Helden die er hun kunsten vertonen. Een dj collectief uit Delft, bestaande uit DJ’s: AjeN, DiVino, Marvinski, Layon Nais en MC: Di MC, die gezamenlijk het gezelschap vormen, waar men regelmatig mee op stap gaat. Het toeval wil dat ik deze mannen ken, door mijn jongste, die ook dj is. Het publiek gaat ervoor, de handen gaan de lucht in. Groot vermaak. Wanneer zij even vrij zijn zie ik ze langslopen. Even een gil en dan gaan ze verder.

De drank gaat meer en meer vloeien en dat zie je aan de mensen. Men probeert zelfs over de dreunen heen te schreeuwen en als dan op een gegeven een regenbui losbarst komt het geluid nog dichter bij en staat men nog meer tegen onze plek aan. De kratjes bier komen op onze werkplek te staan en dat vind ik niet goed. Even een lelijk gezicht, als ik er iets van zeg, maar even later lacht men weer. De vrolijkheid komt hoe langer hoe meer in de mens.

Dan opnieuw een pleistermomentje. Een vrouwelijke medewerkster heeft vanmiddag de blik worstjes geopend en daarbij haar vinger opengehaald. Een pleister erop en men is tevreden.

Met de regendruppels die inmiddels vallen komt de vraag bij ons of we poncho’s hebben. Een vraag aan iemand van de organisatie en de poncho’s worden aangereikt. We krijgen er een taak bij, poncho’s uitreiken. Als zoete broodjes trekt men de kleine pakjes van de tafel. “Heb je ook gele poncho’s”, vraagt een jong meisje, “ik vind die witte niet leuk.” Ja, je kunt het proberen. Sommige bedanken, anderen trekken het pakketje van de tafel en lopen zonder een ‘dankjewel’ weg. Al vrij snel zijn we door de plasticjes heen. Wanneer ik er nog één in handen heb probeer ik deze quasi per opbod te verkopen, om het pakketje alsnog zo weg te geven. De vraag om deze plastic jasje blijft de avond. Waar we helaas ‘nee’ moeten verkopen.

Verschillende gasten hebben van lieverlee hun zakken vol. Kratjes bier staan op de grond te verschralen. Even overgooien en dan heeft het weer schuim. Halve plastic glazen worden bij ons op de bar gezet om niet meer te worden leeggedronken. Het gaat richting twaalf uur.

Om klokslag twaalf uur gaat de muntjesverkoop dicht. Het pinapparaat wordt weer netjes opgeborgen en doos met muntjes gaat de kluis weer in. En dan komt men toch nog om muntjes vragen. We moeten opnieuw ‘nee’ verkopen. Vol ongeloof druipt men af.

Om kwart over twaalf gaat de tap dicht. Dan neemt de activiteit ook af. Glazen worden in elkaar overgegooid om het overgebleven biertje nog te nuttigen. De band knalt zijn laatste nummers nog door de tent, maar de eerste weggaanders zijn er al.

Om half één is het schluss. Einde van de avond Zeemansgraven en Goudstaven. De bezems komen uit de kast en het publiek wordt letterlijk de tent uitgeveegd. Het is mooi geweest. Jonge medewerkers vegen, zoals ze nog nooit hebben geveegd. Het is zaak om voor de bezem uit te lopen. Even later komen er twee jongens teruglopen. Eén van hen is zijn fietssleuteltje verloren. Maar wat er voor de bezem komt is opgeschept en in de container terecht gekomen. Het zal lopen worden.

Als het terrein leeg is wandel ik met een ervaren barkeeper mee naar de catering. “Even een broodje scoren”, zegt hij. Tijdens de avond trouwens, komt men regelmatig met een broodje langs. Wanneer we bij de uitbater komen heeft hij alleen nog een broodje bal. Laat ik nou de allerlaatste uit de jus gevist krijgen. Heerlijk.

Het publiek is vertrokken en dan treedt de schoonmaakploeg aan. De jongste medewerkers soppen de toiletten. Een niet zo prettig klusje, maar ook hygiëne is belangrijk. Een aantal medewerkers is alvast begonnen aan de afterparty en laten hun medecollega’s in de steek door het eerste biertje alvast te pakken. Jaren terug begon de afterparty als iedereen klaar was en op het teken van de voorzitter. Dat heeft men kennelijk losgelaten en de vrijheid gegeven.

Ik drink mijn eerste biertje van die avond, klets nog wat na met een van Delftse Helden en dan is het voor mij ook klaar. Om half twee ga ik het mandje in. Zaterdag is er weer zo’n avond.

294. Werkgerelateerde zaken II

Ruim 34 jaar heb ik bij mijn werkgever gewerkt. Het Hoogheemraadschap van Delfland was de plek waar ik zoveel jaar met veel plezier mijn diensten heb verricht en waar ik heel wat grappige zaken heb meegemaakt. Mijn tweede opsomming.

Op een maandagochtend rond de klok van elf uur loop ik naar beneden. Mijn kamer A1.18 (de kamer van Aad in werktaal) ligt op de eerste etage. Wanneer ik bij de kamer kom waar ik moet zijn, hoor ik een hevig geronk. Heel zachtjes doe ik de deur open om te zien wat er achter de deur gebeurt. Een al wat oudere medewerker, in de rang van referendaris, ligt met zijn hoofd op de tafel zijn roes uit te slapen. Hij is barbeheerder bij een Delftse voetclub en het is kennelijk laat geworden. Het zou niet de enige keer zijn dat ik hem hierop betrap.

Wanneer Delfland 700 jaar bestaat wordt er een grote overzichtstentoonstelling ingericht van alle kunstschatten die men in huis heeft. Het voltallig College heeft besloten ter gelegenheid van deze feestelijkheid om alles te laten zien wat men in bezit heeft. Er is echter geen rekening gehouden met de toenmalige chartermeester (archivaris). Hij is niet gekend in deze actie en is het er ook absoluut niet mee eens. Hij besluit het er niet bij te laten zitten en huurt wat attributen. Tijdens de eerstvolgende vergadering van het College komt hij op een stalen ros en gekleed in een harnas met een zwaard al fietsend de collegekamer binnen en springt op de tafel. Zwaaiend met het zwaard dat hij bij zich heeft wijst hij alle Collegeleden stuk voor stuk aan en laat hij weten het niet eens te zijn met de beslissing van het College. Het College is er danig van geschrokken maar laat het feest wel doorgaan. Medewerkers van Delfland worden ingedeeld om naast een overdagse ook een nachtelijke wachtdienst te lopen. Over de nachtelijke sessie alleen al kan ik een boek schrijven, dat ga ik niet doen.

Het is Goede Vrijdag. In die tijd nog een vrije dag voor ambtenaren. Het is ook een vrije dag voor de inwonend conciërge. Hij woont met zijn vrouw en twee zoons in het pand aan de Oude Delft. Als Pa en Ma op Witte donderdag teruggaan naar hun roots in Brabant blijven de twee zoons achter. Een van de zoons duikt die avond de Oude Jan in. De Oude Jan is een studentikoos café. De zoon ontmoet er een aantal leuke meisjes en als hij vertelt dat hij in het prachtige pand aan de Oude Delft woont, willen zij daar wel een kijkje nemen. Zij stappen daarom met vijven, de zoon en vier meiden, in de tweepersoonslift. Die avond ontstaat er wat reuring in Delft omdat een aantal meiden niet is thuisgekomen. Dat zou zo blijven tot aan de eerste Paasdag. Dan worden ze bevrijd uit een niet zo lekker ruikende en uitziende lift. De lift kon het gewicht van vijf niet aan en is halverwege blijven hangen. Deze activiteit haalt het NOS-journaal. De conciërge krijgt hiervoor een berisping.

Als ik op een donderdagavond boodschappen ga doen in winkelcentrum In de Boogaard in Rijswijk kom ik daar een vrouwelijke collega tegen. Ik sta tegen een pilaar van de Konmar geleund. “Wat doe jij nou hier?”, vraagt ze mij. Ik antwoord haar dat ik op mijn vriendin sta te wachten. Mijn vrouw is even het karretje weg gaan zetten en zij is ook mijn vriendin. “Ssst”, fluister ik haar toe “niet op het werk vertellen hé”. De volgende ochtend al word ik door verschillende collega’s met vreemde ogen aangekeken. Als een lopend vuurtje gaat het door het bedrijf heen. Aad Meurs houdt er een vriendin op na. Ja voor geheimen moet je er niet zijn.

Zo ook de bode die we in dienst hadden eind jaren tachtig. Alle brieven die worden gemaakt bij Personeelszaken worden in een brievenboek gestopt. Zijn vaak vertrouwelijk en moeten dus discreet worden behandeld. Dit boek gaat naar de secretaris-rentmeester of dijkgraaf toe. Hij is degene die het boek dan brengt. Wanneer hij het boek heeft opgehaald zien we hem op de gang het brievenboek openen en leest hij de te ondertekenen brieven. Met: “zo, zo,” en “nou, nou” hoor je hem de inhoud tot zich nemen. We besluiten bij personeelszaken een brief te maken waarin zijn ontslag wordt weergegeven. Wanneer hij de kamer af is met het boek, duurt het maar heel kort, dan komt hij op hoge poten terug met het boek om zijn ongenoegen te uiten. Sinds die tijd brengen medewerkers het brievenboek persoonlijk richting ondertekenaars.

Wanneer Delfland overschakelt van de originele blauwe Remmington schrijfmachine naar de personal computer is dat voor veel medewerkers een grote omslag. Men is niet gewend aan programmatuur dat is geïnstalleerd en sommige programma’s zijn volledig in het Engels. Verschillende keren worden we gebeld door medewerkers dat men niet uit een programma kan komen omdat de kennis ontbreekt. Als een medewerker belt met de mededeling dat hij op any key moet drukken, weet hij die niet te vinden. We maken een afdruk van een toetsenbord en tekenen er een extra knop bij met daarop de tekst any-key. Betrokken medewerker komt met zijn toetsenbord aanlopen en vraagt of hij een ander toetsenbord kan krijgen, hij mist de knop met any-key erop.

Delfland kent bloktijden. Tussen 07:30 en 12:15uur en 13:30 tot 18:00uur behoort de afdeling bezet te zijn. Niet voor een collega die regelmatig ook na 18:00uur nog werkt. Als hij een document af moet maken vergeet hij bij de conciërge aan te geven dat hij wat langer blijft. Betrokkene is zo met het werk bezig dat hij de tijd volledig vergeet. Wanneer hij op een gegeven moment tot de ontdekking komt dat het al halfnegen is besluit hij naar huis te gaan. Het gebouw is echter volledig in de sloten. Eenmaal binnen, mag je er niet meer uit. Hij zoekt ergens een ruit en slaat deze in. Hij kruipt door de smalle opening naar buiten en staat dan op het plein voor het gebouw. Ook het hek is gesloten. Met wat klimwerk komt hij boven op het hek. Wat hij echter niet in de gaten heeft is dat zijn jasje over één van de punten van het hek is geschoven. Als hij naar beneden wil springen blijft hij met zijn jasje aan het hek hangen en bengelt tussen hemel en aarde. De politie heeft hem later bevrijd.

Het is monumentendag. Medewerkers die hun diensten hebben aangeboden om rondleidingen te doen mogen hun auto op het plein zetten. Een parkeergarage is er nog niet. Een van de rondleiders zet zijn auto op de plek die is gemarkeerd met het bordje ‘DIJKGRAAF’. De auto’s van andere medewerkers komen er strak tegenaan te staan. Wanneer we druk bezig zijn met het rondleiden van publiek komt de toenmalige dijkgraaf het plein oprijden. Hij ziet dat zijn plek is ‘ingenomen’ en zet zijn auto erop 5cm tegenaan. De dijkgraaf heeft een burgemeester elders uit het land uitgenodigd en gaat eten in de stad. Als onze collega aan het eind van de dag naar huis wil gaan, staat hij volledig opgesloten. Die dag neemt hij de tram naar huis en laat zijn auto staan. De machtsverhoudingen in die tijd worden hiermee duidelijk.

Mijn collega uit Friesland die doordeweeks in Delft verblijft heeft de gewoonte om zodra hij binnen is zijn schoenen uit te doen. De vrijgezelle man is niet een van de schoonste en hij heeft toch wel een luchtje bij zich. Helemaal als hij zijn schoenen uitdoet. Dames van de typekamer storen zich mateloos aan het handelen van deze persoon. Wanneer hij dan ook op een keer zijn schoenen heeft uitgedaan, ontvremen zij deze en verstoppen de schoenen. De man maakt het niks uit hij gaat op kousenvoeten aan het eind van de dag naar huis. Later heeft hij zijn leven gebeterd en houdt hij zijn schoenen aan.

Op de kamer waar ik zit ligt een hoogpolig tapijt. De kamer is in het verleden van de directeur technische dienst geweest en heeft een toch wat andere uitstraling dan de andere kamers. Het tapijt is geen tweekontjes hoog, maar misschien wel drie. Als een van mijn collega’s veel meer gaat niezen en sniffen wordt het tijd om het tapijt te vervangen. Met mijn collega ontbieden we de toenmalige inwonende conciërge. “Beste Willem”, vraag ik hem, “ik zou heel graag andere vloerbedekking in de kamer willen, het is vrij ongezond.” Met Willem wandel ik mee naar de secretaris-rentmeester om toestemming te vragen. Als Willem de vraag stelt aan de beste man krijgt hij ‘nee’ op het rekest. “Je hoort het”, zegt Willem, “het gaat het niet worden.” Twee dagen later komt er een tapijtenlegger met nieuwe vloerbedekking. Ik begrijp er niets van en vraag aan Willem hoe dit nu is klaargemaakt. “Je moet niet alles vragen, joh”, zegt hij, “je moet het gewoon doen.” Wie had het hier nou voor het zeggen.

Met tapijtenleggers heb ik wat. Het hele gebouw moet worden belegd met nieuwe vloerbedekking. Een gerenommeerd bedrijf heeft de opdracht gekregen om het tapijt te vervangen. Ze zijn er al dagen mee bezig, als ik word gebeld door de receptie. “Aad kan je even komen, we hebben wat EHBO nodig.” Ik spoed me naar beneden. Bij de receptie staat een man met een bebloed bovenbeen en de broek op de knieën. De tapijtenleggers hebben een stanleymes als spelletje naar elkaar gegooid en hij heeft misgegrepen. Daardoor is het mes in zijn been terecht gekomen. Hij heeft het er voor de zekerheid alvast uitgetrokken, waar we als EHBO-er leren, dit te laten zitten. Zijn been bloedt behoorlijk en een flinke jaap is zichtbaar. Met de broek inmiddels op de hielen gooit hij er allemaal jodium in, dat hij van de receptioniste heeft gekregen. Maar daarmee stop je niet zo’n diepe snijwond. Ik verbind de wond en stel voor dat hij naar de spoedeisende hulp wordt gebracht. Dat vertikt meneer, hij moest zich die middag melden bij het UWV voor een uitkering en werkt dus zwart voor de tapijtlegger. Na veel overredingskracht hebben we, de bode en ik, hem naar het ziekenhuis kunnen brengen. Na afleveren zijn wij direct teruggegaan. Hoe meneer naar huis is gegaan weet ik niet.

Zo zijn er nog vele voorvallen te beschrijven. Ik laat het erbij en houd de rest voor mezelf. Of misschien tijdens komkommertijd wijd ik er nog een blog aan.

290. De halve marathon van Midden-Delfland

Een ijzige wind blaast uit oostelijke richting. Voor de wind een heerlijke rit maar tegen vreselijk koud. Het is 23 februari 2018. Op sommige sloten ligt een ijslaagje. Waar de wind vat heeft op het water kabbelt het tegen de ijslaag aan en snoept stukjes van wat aangevroren is weer lekker terug. Het is de dag van de 10 km en de halve marathon van Midden-Delfland. De organisatie is in handen van de Hardloper uit Schipluiden en Thof uit Maasland. Ik heb me opgegeven om als EHBO-er mee te fietsen.

Al vroegtijdig krijg ik een verzoek om mee te doen. Niet persoonlijk maar een algemene e-mail voor hulp bij bovenstaande activiteit. Na jarenlang als EHBO-er actief te zijn geweest bij mijn werkgever, heb ik me nu weer aangesloten bij de EHBO-vereniging in ons dorp Schipluiden. Als ras-vrijwilliger besluit ik om me beschikbaar we stellen. Ik deel mezelf in als EHBO-fietser bij de halve marathon. Met de buurman even verderop uit de straat maak ik een afspraak om samen op te fietsen naar het naastgelegen dorp Maasland waar de start is. Kort voor de dag van de marathon komt de indeling mijn kant op, als mede de route die moet worden gelopen.

Lekker voor de wind gaat die zaterdag de rit langs de Gaagweg richting Maasland. Gezellig kletsend komen we aan bij de sporthal de Hofstede van waaruit e.e.a. wordt gecoördineerd. Sporters zijn er al genoeg. Men komt er het startnummer halen om zich vervolgens in de sportoutfit te hijsen. Anderen doen het in omgekeerde volgorde. Ik meld me bij de post waar een bordje EHBO boven de tafel hangt. De tassen en dekens worden uitgereikt, alsmede het herkenbare gele hesje met het verenigingslogo. Nog even nemen we de route door en dan is het op weg naar de start, nabij de Schilpen, in de kern van Maasland. Sporters van de 10km en de halve marathon stellen zich door elkaar heen op achter de startvlag. Tot op 30 seconden voor het startsein komen er nog sporters aanlopen. Sommigen hebben zich winters gekleed. De handschoenen aan, de muts op. Anderen lopen in een korte broek en zelfs een hempje. Ik moet er niet aan denken. Met mijn jas aan is het al koud.

Om 13:00uur klinkt het startsein. Al hollend gaat de meute langs mij heen. De grond onder de voeten beweegt mee op de cadans van de lopers. Een flink aantal deelnemers heeft zich aangemeld en doet een gooi naar zijn of haar persoonlijk record. Als iedereen voorbij is sluiten mijn medefietser en ik achteraan aan. Al snel ontstaat er een kopgroep. De laatsten moeten hun eerste passen nog maken als de eersten al 300 meter weg zijn. Eenieder kiest zijn of haar tempo. Ik vind het knap als je de moed hebt verzameld om mee te hollen.

Na de start gaat het via de Herenstraat het dorp uit. Langs de geitenwei en tennispark richting Schipluiden. Ik rijd met mijn mede-EHBO-er samen nog achteraan en zien de eerste lopers al langs de molens over het Molenpad lopen terwijl wij net aan de bocht om komen. Een verschil van zomaar 800 meter tot een kilometer en we zijn slechts zeven minuten onderweg. Ik bespreek even met mijn medebegeleider om langzaam naar voren te sluipen en ergens halverwege het peloton te gaan rijden. De eerste lopers zijn vaak geoefende sporters terwijl de laatste plezierlopers zijn. Zij zullen het vermoedelijk het moeilijkst krijgen. Onderweg zijn we al de nodige verkeersregelaars tegen gekomen. Zij zorgen voor de veiligheid van de loper en loopster. Bij de oversteek Molenweg/Gaagpad worden er flink wat auto’s tegen gehouden als we de oversteek maken. Nu pal de tegenwind in. Een gevoelstemperatuur van -4°C. De groepen vallen uit elkaar. Hier en daar praat men met elkaar, op andere plekken is het muisstil en probeert men in elkaars cadans te stappen. Een loper met oortjes in is onbereikbaar, de muziek hoor ik uit de oortjes komen. Bij de Kwakelweg vindt de scheiding plaats, de 10 km gaat rechtsaf, de lopers van de halve marathon vervolgen hun weg naar Schipluiden. Over het Gaagpad de Trambrug op, een scherprechter, meer groepen vallen uit elkaar. De eerste lopers zie ik onder de brug doorlopen terwijl de lopers voor mij de aanloop de Trambrug op nog moeten inzetten. Dan om Akkerleven heen. Een fouragepost met water en banaan. De bekertjes worden hier en daar weggegooid en waaien over straat heen. Dan op naar de Vlaardingsekade. Ik merk dat ik in de weg rijd als een groep lopers achter mij in mijn nek hijgen, ik geef hen de ruimte.

Nog even door Schipluiden heen om vervolgens het dorp te verlaten en voor de wind de terugtocht te aanvaarden. Het tempo gaat omhoog geeft mijn kilometerteller aan. Met een lekker zonnetje in het gezicht en windje mee gaan we op weg naar de Duifpolder. Als we linksaf slaan staat er een gure snijdende wind. Een gemene wind is voor de lopers niet fijn, maar ook bij mij komen de koude tranen. “Bij elkaar blijven”, roept één van de mannelijke lopers. Dat scheelt, je loopt makkelijker in een groep dan alleen. Dan gaat het met één van de lopers niet helemaal goed. Hij haalt een reep of iets uit zijn zak, maakt deze open, wil er een beet in nemen, maar bijt in zijn vinger. Een pleister erop en hij kan weer verder.

Eenmaal de bocht om wordt het windvriendelijker. Langs het water richting Maasland. Als ik aan loper vraag of hij lekker heeft gelopen, zegt hij dat de wind spelbreker is in zijn verwachting een goede tijd neer te zetten. Door het dorp Maasland staat de weg bezaaid met verkeersregelaars. Hier en daar een fotograaf die eenieder op de gevoelige plaat vastlegt. Nog eenmaal links en rechts en dan de Herenstraat op. Het finishdoek hangt boven de straat en is in zicht. Nog eenmaal zet de loper voor mij aan, nog eenmaal alles geven dat hij heeft. Met opgeheven handen passeert hij de finishlijn. Geen winnaar, maar voor zichzelf een enorme prestatie. Een prachtige glimlach doet mij beseffen dat de loper zeer tevreden is.

Ik ga me nu afmelden in de sporthal. Een van de lopers vertelt mij 1 uur en 27 minuten te hebben gelopen, voor hem een toptijd. Verder is het er stil en verlaten. Waar zijn al die sporters gebleven? De 10 km is al lang afgehandeld. De prijsuitreiking van de winnaars staat te wachten. De laatste lopers zijn nog niet eens binnen, als de eerste lopers met hun prijs huiswaarts gaan. Voor de vrijwilliger is er ook een prijs. Een taartje voor de hulp. Ik kan thuiskomen.

Nu voor ons, EHBO-ers, nog de terugreis. De wind is nog guurder geworden. Het waait harder en venijniger. De accu van mijn fiets heeft ook moeite met de kou en is leeg. Het laatste stukje zonder trapondersteuning. Thuis aangekomen voel ik mijn hoofd gloeien, gloeien van de kou. Het was een gezonde bezigheid, niet gelopen, maar gefietst. Ik heb het met plezier gedaan.

Voor de uitslagen van de 10km: zie hier. Die van de halve marathon vind je hier.

136. Battle of the Beach

Battle of the Beach. Wat is dat, vraagt u zich misschien af. Battle of the Beach is een wedstrijd tussen scholieren van de basisscholen uit de groepen 6, 7 en 8. Tegen de vloedlijn aan worden zandkastelen gebouwd, zodanig dat ze het het langst volhouden tegen de opkomende zee.

Ruim drie weken geleden werd ik benaderd door een medewerkster van onze Communicatieafdeling. “Zou jij zin en tijd hebben om te EHBO-en bij een evenement op het strand.” Ik geef direct aan daar wel voor in te zijn, maar laat het liever even hiërarchisch bevestigen. Als mijn teamleider geen probleem heeft, leg ik de datum in mijn werkagenda vast. Het gaat om een wedstrijd tussen zes scholen, met gezamenlijk ongeveer 250 kinderen.

Als EHBO-er ben ik graag goed voorbereid en dus probeer ik een goed gevulde EHBO-koffer te scoren. Dat valt niet mee. Verantwoordelijk medewerker is een paar dagen aan ’t buiten spelen. Een andere collega helpt mij, met mijn mede-collega EHBO-er,  aan twee kisten/tassen.

Op de dag van de Battle ben ik al vroeg op. Ik moet voordat ik naar het strand ga nog even wat zaken gereed zetten voor het werkproces. Zo zit ik om even over zevenen al achter mijn PC. Wanneer ik de eerste werkzaamheden heb gedaan rijd ik richting Kijkduin, één van de bijkantoren van het Hoogheemraadschap van Delfland. Bij aankomst is het er al lekker druk. Vrijwilligers/studenten en organisatoren proberen alles in goede banen te leiden. Als medewerker krijg je een pet en een goed herkenbaar shirt. Na mij te hebben omgekleed ga ik het nieuwe werken volgend een plekje zoeken op de locatie. Dat lukt. Er is een PC vrij en ik word er gastvrij ontvangen. Eén van de medewerkers houdt van een stevig stukje muziek, dat wordt opgezet. Kort nadat ik achter de PC zit, komt collega George binnen. Hij heeft de EHBO-tassen bij zich. Na enige inspectie wat er in zit, wordt er nog even een flesje water in gestopt.

Langzaamaan gaat het gezelschap naar de locatie waar het evenement gaat plaatsvinden. Bij die locatie heeft men een plek bij Club Maritim. Daar wordt voor een drankje of kopje koffie gezorgd. Collega Marian is top in het regelen en zorgt er voor dat we niks te kort komen.

Even later is het tijd voor de lunch. Na de koffie en een overheerlijk broodje, enige uitleg over hoe e.e.a. gespeeld gaat worden. De indeling van de begeleiding voor de groepen wordt bekend gemaakt en het evenement kan beginnen. Op het strand hangen de beachvlaggen van deelnemende sponsors wapperend in de wind. De speelvlakken zijn uitgezet de schoppen en petjes liggen in de aanslag. De kids kunnen elk moment verwacht worden.

Rond de klok van twaalf rijden de eerste bussen het parkeerterrein van Kijkduin op. Kinderen zullen daar hun lunch gebruiken, een petje uitgereikt krijgen en een schep. Een stalen schep. Auwh, mijn teentjes.

Het startschot wordt gegeven door de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Delfland, Michiel Haersma Buma, de gedelegeerde van de provincie Zuid-Holland, Rik Janssen en Tim van Marrewijk, jeugddijkgraaf van Delfland. Dan komen de leerlingen met hun onderwijzers en begeleiders naar beneden. Met zelfgemaakte vlaggen, een schop in de hand en al dan niet een tas met kleding.

Ik ben nog maar net op het strand als ik het ene kind tegen het andere hoor zeggen: “Ben jij wel eens op het strand geweest?” Het tweede kind bevestigt dit door met het hoofd te knikken. Het eerste kind zegt: “Ik niet”. Ik vraag hem waar hij vandaan komt. “Den Haag”, zegt hij. Het is ook een echt Haags jongetje ik hoort het aan zijn accent en niet van allochtone ouders.

Voordat het signaal van bouwen is gegeven, liggen de eerste kinderen al in het water. “Heb je reserve-kleding bij je”, roept de meester van de Poolster. “Oh Shit, nee mees”, roep het kleine ventje terug. Even verderop loopt een klein manneke met een overall aan al druk met zijn schop te graven. De toeter van de start is nog niet begonnen als het eerste jongetje zich meldt. Hij is met een schop in aanraking gekomen en heeft een kapotte knie. Collega George pakt het probleem aan. Ook voor mij geldt dat ik al snel aan de bak moet. De speelvelden hebben een nummer, dus daarmee zijn de slachtoffertjes snel terug te vinden. Het is een heen en weer lopen van links naar rechts en van rechts weer naar links. Onderweg komen we ook de vrijwillige Haagse Reddingsbrigade tegen. Ook zij zullen assistentie verlenen bij calamiteiten.

Op het strand kom ik een bijna onherkenbare dijkgraaf tegen. Zijn eerste grijs is uit. Zijn strandbroek is aan en over zijn overhemd de bekende rode bretels. Met opgestroopte broekspijpen op blote voeten, helpt hij hier en daar een handje. Zijn schop geeft hij niet af en is zijn hulpmiddel. Mooi om te zien. De gedelegeerde heeft zijn laarzen aan getrokken. Zijn stropdas en jasje zijn uit, maar hij zou zomaar weer achter zijn bureau kunnen plaatsnemen. Tim de jeugddijkgraaf begeeft zicht tussen de vrijwilligers, heeft eenzelfde shirt aan als hen en valt verder niet op.

Opnieuw worden zowel George als ik regelmatig even bij een bloedende vinger, voet, of teen geroepen. Kleine wondjes veroorzaakt door schelpen. Eenmaal verbonden met een pleister en leukoplast, schiet men direct het zand en water weer in. Toch helpen we een kleine 20 kinderen bij kleine blessures.

Intussen wordt het strand omgeschept, er worden geulen gegraven als slotgracht rondom het te bouwen zandkasteel. Ook van buiten het afgezette vak wordt zand aangevoerd om het kasteel zo hoog mogelijk te maken. Met de vlakke kant van de schep wordt er op het bouwwerk geslagen om het te verstevigen.  Anderen staan boven op de berg om het water er uit te stampen. Als het bouwwerk klaar is gaat de vlag in top. Er is competitie, men kijkt bij de buurman hoe hoog de top daar al is, om alsnog wat scheppen zand toe te voegen. Rondom het gebeuren snorren camera’s, en de fototoestellen klikken veelvuldig.

Dan gaat het spannend worden in de Battle, de tijd is bijna om. Meesters en juffen die doorgaans aan de kant zitten te genieten van zand en zon, of aan de zijlijn hun leerlingen staan aan te moedigen, krijgen ineens de spirit. Ook zij hijsen de broekspijpen op, pakken de schop en laten hun fantasie los op wat een beschermd kasteel moet worden. Eén juffrouw vindt het allemaal maar niks, ze veegt de korreltjes van haar mooie rokje af en ergert zich aan al dat zand. Ze kijkt er niet echt vrolijk bij. ‘Maar bij strand hoort zand, hoor juf.’

Als er afgeteld is en de tijd voorbij, heeft de zee al een flink stuk genomen van het strand, langzaamaan, maar toch ook wel snel, knabbelt het aan de aangelegde dijkjes. Bij sommige kastelen gaat het zelfs heel snel, de lage dijken en die niet stevig genoeg zijn, kolkt er al water over en wordt de dijk al weg gesnoept. Het wordt steeds spannender. Wie zou er als laatste overblijven?

Kinderen verzamelen zich bij de laatste twee kastelen, die eigenlijk alleen bergen zijn. Er zou geen prins in kunnen en willen wonen. Dan wordt ook het laatste bouwwerk de zee in getrokken en is de Battle voorbij.

Nu wordt het zaak om zo snel als mogelijk alle piketpaaltjes binnen te halen, de beachvlaggen veilig te stellen en de rommel op te ruimen, voordat de zee nog meer neemt.

Iedereen wordt gedirigeerd naar de verzamelplek waar de prijzen worden uitgereikt. Één voor de meest creatieve, één voor degene waar het meest is samengewerkt en één voor het bouwwerk dat als laatste werd opgesnoept.

Na de prijsuitreiking wordt de soms natte kleding weer in de tas gestopt. Sommige kinderen hebben zelfs geen handdoek bij zich en stappen straks met hun natte kleding zo de bus in. De gevonden voorwerpen gaan mee naar de locatie Kijkduin. Nog even een evaluatie onder het genot van een drankje en dan is de dag om.

Onderweg naar huis voel ik dat ik moe ben. Een collegaatje met een stappenteller heeft er 13000 stappen op zitten, ik denk dat ik er niet voor onder doe. De sportschool van die avond heb ik afgezegd. Het werd die avond banken en smeren, want ongemerkt had ik toch een verbrande snuit gekregen.

123. Vrijwilliger ben je voor het leven

Het is 26 april 2016. Zo meteen mag ik deelnemen aan een lunch ter ere van iemand die zojuist een koninklijke onderscheiding heeft ontvangen. Ik denk dan terug aan die gelegenheid dat ikzelf onderscheiden werd. Een volkomen onverwachte waardering voor al het vrijwilligerswerk waar ik altijd ontzettend veel energie uit heb gekregen en dat me zoveel heeft opgeleverd. Ik ging terug in de tijd en vertrouwde het aan het papier toe.

50 jaar vrijwilliger. Al mijn hele leven ben ik vrijwilliger. Het is me aangeboren of zit in mijn genen. Op 14 jarige leeftijd ben ik er mee begonnen. Ik voetbal bij SV Den Hoorn en er wordt een mini-afdeling opgezet. Kinderen tussen 4 en 6 jaar mogen komen voetballen en spelen op de grote groene weide. Op zaterdagochtend rond de klok van 7:00 uur haalt mijn moeder mij uit bed om op tijd te zijn bij activiteiten rondom het jonge spul. Met acht tot tien leiders komen we om 8:00uur bij elkaar in de oude houten kantine op het sportcomplex aan de Woudseweg. Er wordt een heel spelprogramma in elkaar getimmerd voor de ruim 100 krioelende kleine knulletjes. Het gaat niet om het voetballen alleen, er zitten spelelementen in die soms met voetballen te maken hebben, maar even goed spelen we met het grut een levend ganzenbord. Een glaasje limonade aan het eind van de spellenochtend is voor de jeugd de kers op de taart. De mooiste herinneringen heb ik aan de ochtenden dat de kids volledig onder de modder naar huis gaan. Als het die nacht heeft geregend doen we het spel: buikschuiven. De meest smerige speler ontvangt na zijn glaasje ranja ook nog een Mars. Dat de ouders daar niet altijd even gelukkig mee zijn, hebben we regelmatig ervaren.

Eens in de zoveel tijd worden er wedstrijdjes gespeeld. Bij Delft en Delfia hebben ze ook een dergelijk mini-afdeling. Wedstrijden 15 tegen 15 of soms wel 20 tegen 20. Wat hebben we er een plezier aan beleefd. Tot aan mijn diensttijd ben ik er altijd zeer actief mee bezig geweest.

Op 16 jarige leeftijd kom ik tot de ontdekking, dat ik geen hoogvlieger ben qua voetballen. Ik word winnaar van een spelregelquiz van de KNVB en besluit me in het zwarte pak te hijsen om voetwedstrijden te leiden. Acht dinsdagavonden op de fiets naar de Suezkade in Den Haag om me verder te bekwamen in de spelregels, waarna ik na het slagen de KNVB-badge van de afdeling HVB (Haagse Voetbalbond) krijg uitgereikt. Mijn allereerste wedstrijd is die tussen ADS 13 – Oliveo 9. Mannen die mijn vader en wat voor sommige geldt, zelfs mijn opa kunnen zijn. Het is de veteranencompetitie waar ik mijn eerste wedstrijd mag fluiten. Uiteindelijk ben ik scheidsrechter gebleven tot net na mijn trouwen. Op 29 jarige leeftijd houdt ik het voor gezien. Soms doe ik het met heel veel plezier, maar meerdere keren ben ik blij als ik weer heelhuids thuis ben. Een leuke anekdote is het feit dat toen ik een wedstrijd floot voor de bedrijvencompetitie in Delft ik bij het verkleden, plots een enveloppe met daarin fl. 200,00 aantrof in mijn sporttas. Twee concurrerende cafés spelen om de bedrijvenbokaal in de finale. Een besnorde eigenaar van één van de cafés heeft kans gezien om, terwijl ik even naar het toilet ben, de enveloppe in mijn tas te doen. Het is vrij simpel om vast te stellen om welke café het gaat. Er zit een briefje bij dat ik ben uitgenodigd voor het buffet en het feest dat zal worden gegeven bij het ‘winnende’ café. Ik heb me niet laten beïnvloeden en heb de enveloppe uiteindelijk afgegeven aan de organisatie van het bedrijventoernooi. Dat het café, waarvan ik vermoed dat de enveloppe is, won, is puur omdat ze meer kwaliteiten in huis hebben.

Op 17 jarige leeftijd treed ik toe tot de jeugdcommissie van SV. Den Hoorn. Als secretaris van deze commissie heb ik me zeven jaar met veel plezier ingezet. Ik heb geen tijd of eigenlijk geen zin om te studeren en geef er alles aan om me als vrijwilliger in te zetten. Ik heb nauwelijks tijd om op tijd mee te eten omdat ik weer naar de voetbal moet. Mijn MTS-opleiding laat ik voor wat het is. Dat laatste wordt met name door mijn moeder niet in dank afgenomen.

Elftallen van de SV gaan in de zomermaanden op kamp. Zo komt het voor dat ik in één jaar mijn volledige eigen vakantie opgeef om met hen mee te gaan. In één jaar zelfs drie weken achtereen. Mijn moeder weet niet hoe ze de was op tijd weer schoon en gestreken mee kan geven. De Nederlandse kampen waar ik mee naar ben toe ben geweest, 9 in totaal, worden gehouden in Borculo, Weert, Zundert, Amersfoort of Leusden. Één kamp waar ik als leider meega, vertrekt naar Duitsland, Feschweiler om precies te zijn. Op 22 jarige leeftijd ga ik voor het eerst vliegen met een groep A-junioren. Ook dit gaat uit van SV Den Hoorn. Pineda da Mar is de ‘place to be’. Met 18, jonge haantjes gedrag vertonende, jongens in de leeftijd van 17 t/m 19 jaar en twee andere leiders (Ton van Ginkel en Ko de Vast) spelen we daar wedstrijden en vieren vakantie. Onze jongens laten zich gelden in het uitgaansleven. Tot tweemaal toe hebben we een bemiddelende rol moeten spelen tussen de Gardia Civil en één van hen.

Binnen Den Hoorn zoekt men mogelijkheden om de jeugd tussen 9 en 12 jaar iets leuks te laten doen op de zaterdagavonden. Dat krijgt gestalte in 1967. Naast dansclub Smurf is er voor deze jonge jeugd niets te doen. Met een aantal leden van de jeugdcommissie van SV Den Hoorn springen we in het gat en gaan we open-jeugdavonden organiseren. Er worden gezelschapspellen gespeeld, getafeltennist, geschaakt en gedamd, bingo gespeeld en gedanst. Het kleine toneeltje in de zaal van de toenmalige gymzaal is de discovloer. De eerste kusjes tussen jongeren worden er soms uitgedeeld. Er wordt gedanst en geslepen (dansvorm). Tot aan mijn militaire diensttijd ben ik hieraan verbonden.

Vanaf mijn negende jaar speel ik trompet/piston bij de fanfare van het Sint Joris-Gasthuis, Kunst Na Arbeid. Mijn opa heeft er gewerkt en zo is ook mijn vader er lid geworden. Net uit militaire dienst zoeken ze een secretaris. Ik ben er niet te beroerd voor om dit op me te nemen. Vier jaar lang schrijf ik met de hand de notulen van de vergaderingen, om deze later uit te typen op een typemachine. Menig keer moet ik Tipex gebruiken, typen was nl. niet mijn sterkste eigenschap.

Inmiddels heb ik verkering gekregen en moet ik mijn tijd wat meer gaan verdelen tussen het meisje en de hobby. Dat valt niet altijd mee. Ook omdat het meisje een flink aantal jaren jonger is dan dat ik ben. Ze mag/kan soms niet mee. Met nog twee broers en drie anderen hebben we een dansband geformeerd, genaamd Monday. De naam omdat we op maandag altijd repeteerden. Daarnaast speel ik ook weer met die zelfde twee broers in een boerenkapel. Dat betekent dat we soms nog laat op pad zijn. Omdat het meisje op tijd thuis moet zijn, rijd ik soms tussen twee optredens even heen en weer, breng haar thuis om vervolgens weer terug te keren en de optredens af te maken.

In Den Hoorn vindt men het tijd worden om jongeren meer te betrekken bij de kerk. Door het toenmalig parochiebestuur worden mensen benaderd om hierin mee te participeren. Ik ben er daar één van. Elke zaterdagavond sta ik op het altaar achter de organist om mijn deuntje op trompet mee te spelen. Ik doe dit meestal met mijn broer Martin samen. De kerk is vol tijdens de jongerenmissen. Ook Wilma staat er en doet mee in het koor. Tot aan ons trouwen zijn we trouwe deelnemers aan deze diensten. Menig keer kwam men naar de kerk voor de ‘gebroeders Brouwer’, zoals men ons noemde, naar een tweetal getalenteerde trompetartiesten.

Dan trouwen we en verhuizen van Holland naar België (voor de niet kenners van Den Hoorn naar Schipluiden). In Schipluiden wordt wel gebouwd, in Den Hoorn is er geen sprake meer van nieuwbouw. Door mijn leeftijd, ik ben dan inmiddels 27 jaar, en door mijn economische en sociale binding met de gemeente heb ik genoeg punten om ingeloot te worden voor een woning in de wijk Rozemarijn.

Intussen heb ik mijn scheidsrechters pak aan de wilgen gehangen door een akkefietje in het veld. Ik voelde me niet veilig meer en besluit om mijn scheidsrechters carrière te beëindigen. Wanneer ik echter in het huwelijk ben getreden en inmiddels in Schipluiden woon, kan ik het niet laten en ga ik wederom wedstrijden fluiten, nu voor de plaatselijke voetbalvereniging, toen nog ASSO, later VV Schipluiden.

In 1988 behaal ik via mijn werkgever mijn EHBO diploma. Daardoor ben ik veelvuldig betrokken bij evenementen waar ik behulpzaam ben met de gele tas met de blauwe letters EHBO erop, die ik dan over mijn schouder heb hangen. Hulp op de zaterdagen op het voetbalveld of de Zomerfeestenactiviteiten.

Als men bij het parochiebestuur van de katholieke kerk mensen zoekt om in de parochieraad plaats te nemen, komt men wederom bij mij terecht. Met negen jaar deelname, de maximale tijd, aan deze raad heb ik met veel plezier mensen in mijn nieuwe dorp leren kennen.

Wanneer de toneelvereniging VAT’75 het toneelstuk de Jantjes gaat opvoeren zoeken ze nog een ‘Amsterdammer’ die daarin zou kunnen spelen. Ik speel in het stuk een signaal op trompet en mag de rol van De Mop vervullen. Mijn enige toneelrol ooit. Wat ben ik zenuwachtig om die drie zinnen te zeggen. Later heb ik nog éénmaal op het podium gestaan bij de musical over Rozemarijn. Teksten onthouden, is niet aan mij besteed. Ik speel het liefst mijn eigen rol. Verzin het liefst mijn eigen teksten, wat voor tegenspelers niet altijd handig zal zijn.

Inmiddels hebben we een nieuwe bewoner in de straat gekregen. Hij stelt voor om een straatcomité te formeren. Met mijn vele ervaring ben ik de ‘juiste’ persoon om er deel van uit te maken. Het organiseren van de jaarlijkse BBQ en het beheren van de lief en leedpot van de straat behoort tot mijn functie. Ik maak de verslagen en koop met Wilma alles voor de BBQ in.

Dan gaan onze jongens naar scouting en op de voetbal. Met scouting heb ik niet zoveel, ben er zelf nooit lid van geweest en besluit me daar niet als hulp aan te bieden. Bij de voetbal wel, Ik ben er een aantal jaren leider bij één van de elftallen waar één van onze jongens in speelt.

Intussen wist ook de voetbalvereniging Schipluiden mij te strikken voor het jeugdbestuur. Met een zeer gedreven groep hebben we het jeugdbestuur een fantastische glans gegeven. Nog altijd wordt er over die tijd gesproken. Na zeven jaar wordt het tijd om het stokje over te dragen.

Het clubblad van de sportvereniging verdient een oppoetsbeurt. Zonder enige kennis van de computer bied ik aan om me er in te verdiepen. Mensen achter hun vodden aan zitten als men copy moet inleveren. En als er te weinig copy is maak ik zelf een verhaal over allerlei zaken die ik tegenkom. Menigeen heeft zich afgevraagd wie de “verhalen langs de lijn” schreef. Ik heb het nooit, nou ja, nu dan, bekend gemaakt.

Bij scoutinggroep Marco Polo komen ze in 1993 een Sinterklaas te kort. Men heeft een Sinterklaasfeest aangenomen bij het personeel van de Makro. Een Sint was niet te vinden. Dat was op mijn lijf geschreven. Vanaf november 1993 t/m heden vertolk ik die rol nog steeds.

Als in de zomermaand augustus de Zomerfeesten in Schipluiden plaatsvinden, beman ik één, twee, soms drie avonden één van de barren. Een hele avond tappen, tot de handen er als verdouwelde doekjes uit zien. In 2014 is het mijn laatste keer. Het is een zeer vermoeiende avond en sommige jeugdige bezoekers zijn van mening je te mogen bekritiseren en beledigende opmerking te mogen maken.

Na de voetbal komt toch scouting om de hoek. Men zoekt een secretaris. Omdat ik schrijven en besturen leuk vind, neem ik plaats in een bestuur dat er al heel lang zit. Als na één jaar ook de voorzitter opstapt, doe ik die taak er bij. Na 17 jaar is het welletjes en neem ik er afstand van. Een drukke functie met de vele vergaderingen, de verbouwing van het gebouw, gemeentebesprekingen, bestuursvergaderingen en groepsraden kosten mij veel tijd.

Als lid van het 4/5-meicomité zoekt men bij scouting Schipluiden ondersteuning voor bij de kranslegging bij het monument. Ook daar heb ik vanaf 1997 t/m 2013 deel van uitgemaakt. Ik verzorgde de teksten en deed de aankondiging/ceremoniemeester bij het monument.

Bij een braderie op het dorp, neemt Wilma twee inschrijfkaarten mee voor het bloeddonorschap. zij schrijft ons allebei in. Ik ben er wel een beetje huiverig voor, gezien mijn ervaring tijdens mijn dienstplicht. Ik was nog niet aan de beurt, als ik me flauw voel en onder een tafeltje wakker word. Als ik echter de eerste keer bij de bloedbank Sanquin op een hele goede manier word opgevangen, ben ik om. Ruim 80 keer heb ik hen vrijwillig mijn arm aangeboden en eerst vol bloed en later plasmaferese afgegeven. De beperktere openingstijden van Sanquin hebben me doen besluiten om er daarna mee te stoppen. Ik zal die roze koek met dat kopje koffie missen.

Als ik medio 2004 door Aad Schilperoort, van de katholieke kerk St. Jacobus de Meerdere in Schipluiden wordt gebeld, dat men in mij een prima koster ziet, moet ik er even over denken. Toch besluit ik om ook dat erbij te doen. Eéns in de drie weken een kosterbeurt. Wanneer het aantal kerkdiensten afnemen en in 2012 slechts één dienst per weekend is, besluit ik om er mee te stoppen.

In 2009 is men op zoek naar iemand bij de Oranjevereniging. Als bestuurslid van scouting wil men mij daar wel bij betrekken. Scouting zou mee kunnen participeren in de spelen die er op o.a. Koninginnedag zijn. Ik beloof niks en ga er één keer heen. Nog steeds beheer ik het ledenbestand. Verder actief ben ik niet meer.

Als Optiesport stopt in Schipluiden in De Dorpshoeve staat er een groep vrijwilligers op om dit op te pakken. Ook wij, Wilma en ik, zijn er bij betrokken. Overigens niet echt fanatiek maar we pikken wel de leukste avonden er uit.

De Dorpshoeve bezint zich over het feit dat men meer naamsbekendheid wil. Samen met Nico van de Besselaar, toenmalig voorzitter, hebben we toen een aantal ideeën bedacht. Eén ervan was om rommelmarkten te houden. Vier in één jaar, op zaterdag. We starten in de voorzaal van de Dorpshoeve met 28 kramen. Later groeide dit uit naar 62 kramen. Mensen komen op de wachtlijst te staan voor als er een kraam wordt afgezegd. De eerste rommelmarkt wordt bezocht door zo’n 280 man. De laatste door ruim 1000. Inmiddels is mijn stokje over genomen en huren we er zelf een kraam om er te gaan staan met onze handel.

2009 is ook het jaar dat ik toetreed tot de ledenraad van Rabobank te Delft. Na een motivatie te hebben geschreven word ik direct toegelaten. Ik haal er uiteindelijk niet uit wat ik er van heb verwacht, zit mijn termijn van drie jaar uit en verlaat de raad. Ik proef hier weinig van inspraak en democratie. Degene met de grootste mond wint. Jammer, maar wel een periode waar ik dingen heb geleerd.

In 2011 ga ik even een brief posten, om onderweg aangesproken te worden door de voorzitter van het bestuur Varend Corso Schipluiden. Men heeft mij in gedachte om een rol te spelen op één van de dagen begin augustus. Ik doe aan dit spektakel intussen voor de vijfde maal mee. Het eerste jaar speelde ik de grote kat uit de musical Cats, het tweede jaar was ik Mickey Mouse. Daar ging het bijna mis. Teveel gegeven, te weinig gedronken en gegeten waardoor ik niet meer wist hoe en aan welke kant ik van de boot af moet. Drop en water redde me. Het derde jaar mocht ik een nummer van Marco Borsato zingen om het vierde jaar achter de piano plaats te nemen en de rol van Ramses Shaffy te spelen. Afgelopen jaar had ik een saaie rol en mocht ik op de boot van Schipluiden de paal laten zakken die stond op de Midzomernachtboot. Dat is als je ADHD hebt, te weinig.

In 2011 geef ik mijn echtgenote Wilma te kennen dat ik nog een hele grote wens heb. Ik wil graag huwelijken voltrekken. Dan, als Wilma een avond heeft met oud-collega’s van de gemeente Schipluiden, krijgt zij te horen dat men op zoek is naar een mannelijke trouwambtenaar. Peter Vermeulen is er mee gestopt en men zoekt een mannelijke vervanger. Het komt dan ineens heel dichtbij. Als het hoofd KCC van de gemeente Midden-Delfland mij belt om te vragen of ik inderdaad belangstelling heb, is het gauw beklonken. Zij heeft van burgemeester Arnoud gehoord dat ik daar een geschikte figuur voor ben. Een kort gesprekje en op 16 mei 2012 doe ik mijn eerste huwelijksvoltrekking. En zo heb ik vanaf mei 2012 t/m vandaag inmiddels 68 huwelijken voltrokken.

Als in 2014 mijn buurman mij aanspreekt op het feit dat men iemand zoekt die de coördinatie van activiteiten wil doen bij de Zonnebloem, wil ik dit eerst met eigen ogen beleven. Het is weinig werk en je doet het vanuit huis. Dat het weinig werk is, is mij inmiddels duidelijk, maar als je zoals ik altijd meer wil dan is weinig niet meer het goede woord. Een hele leuk taak is weer op mijn pad gekomen waar ik nog lang mee door hoop te gaan.

In september 2014 word ik aangesproken door Govert van Oort, wethouder in de gemeente Midden-Delfland. Men wil in Schipluiden een Burgerplatvorm gaan starten en hij ziet mij wel als voorzitter. Daar pas ik voor. Lid is prima, als voorzitter mag hij een ander zoeken. En zo doe ik dat nog steeds . Eens in de twee maanden beleggen we een bijeenkomst over het reilen en zeilen in de kern Schipluiden. Waaronder het vluchtelingen probleem.

In 2015 heeft mijn werkgever een groot jubileum. Als afsluiting van dit feest neemt men deel aan een manifestatie met het Delfts Symfonie Orkest en een 100 man/vrouw groot koor. In de Oude Jan wordt een muziekstuk opgevoerd over de wetten die Hugo de Groot heeft opgesteld over de handelsverdragen. Men zoekt een Hugo. Één van mijn collegaatjes wist het meteen, dat is iets voor Aad. En zo loop ik een hele zaterdag verkleed als Hugo de Groot rond om mijn verhaal te doen over ‘mijn’ wetten. Tot tweemaal toe in een ‘uitverkochte’ kerk, mocht ik, op mijn knieën zittend in een kist, worden gebracht naar het podium, waar ik het gehoor mocht informeren over wat men te horen zal krijgen.

In mei a.s. lever ik 5 dagen in om vrijwillig mee te gaan met een groep gasten van de Zonnebloem. Het zal er niet zo levendig aan toe gaan als die keer dat we naar Spanje gingen met een groep jongeren. Maar ik weet zeker dit geeft net zo veel of misschien wel meer voldoening. Ik kijk er naar uit en laat onze gasten genieten, dan geniet ik zelf ook.

Dit is in het kort mijn vrijwilligerswerk vastgelegd op papier. Terugkijkend kom ik tot de conclusie dat ik aan meer dan 40 activiteiten mijn medewerking heb verleend. Deze waren van uiteenlopende aard. Soms kleine projectjes andere keer projecten van jaren. Maar altijd met plezier. De voor mij interessantste heb ik beschreven. Eendagsvliegen heb ik even niet benoemd. Het levert mij nog steeds de energie op waardoor ik ben zoals ik ben. Kijk naar morgen, fluiten is leuker dan sacherijnig zijn en een dag niet lachen is een dag niet geleefd.