337. Record aantal bezoekers Monumentendag 2018

Het tweede weekend van september is al jaren een druk weekend. Het Monumentenweekend. Een enkel jaar gaat het niet door i.v.m. een grootse verbouwing, maar doorgaans ontvangen we bij het Hoogheemraadschap een flink aantal mensen. Zo ook dit jaar, een record, ruim 2500 bezoekers liepen door het historisch Jan den Huyterhuis aan de Oude Delft te Delft.

Het was voor mij toch wel een beetje anders dan anders. Ik ben geen medewerker meer bij het Hoogheemraadschap en moet dus via een zijstroom mee doen. ‘t Feesthuis uit Wateringen biedt mij die plaats, maar ook de organisatoren willen me er graag bij hebben.

De eerste dag
Op zaterdag stap ik om kwart over acht op de fiets, op zondag een half uurtje later. Het is vreemd om terug te gaan naar de oude werkgever. Het gebouw is hetzelfde, veel werknemers van die dag ook, maar ik leer ook weer nieuwe medewerkers kennen. Ik hoor over hoe het gaat, hoe men het ervaart en dat er veel is verandert. Ik neem het voor kennisgeving aan.

Bij binnenkomst word ik hartelijk ontvangen. Op zaterdag ben ik rondleider. Aan het rek hangt de kleding. Nog meer pakken dan het jaar ervoor. Ik krijg een pak toegewezen dat ik eerder heb gedragen. Rood, met befje en rode pofbroek. Daar onder witte kousen. Ik zoek het speldje op dat we jaren geleden hebben ontvangen van Monumentendag en prik deze op.

Dan de briefing en het fotomoment. Er wordt buiten een totaalfoto gemaakt. Naast onze eigen fotograaf zijn er meerdere Delftgangers die hun camera tevoorschijn halen. Als de groep vereeuwigd is gaat het spel van start.

Het script
Neeltje Loes veegt blaadjes en zand in de gracht. Ze wordt daarop aangesproken door medewerkers van het Hoogheemraadschap. Hierop gaat zij verhaal halen bij de Dijkgraaf, de hoogste ambtenaar binnen een waterschap. Vervolgens komt Neeltje plots binnen bij de Dijkgraaf, noemt hem een mafkees en wordt door de Dijkgraaf terecht gewezen met de mededeling: “u hoort nog van mij”. Zij krijgt een brief mee waarin staat dat ze straf moet krijgen voor het beledigen van een ambtenaar in functie en het in het water vegen van zand. Dat handelen de rechters, zittend achter de vierschaar, met hun kompanen af. Dan moet Neeltje voor een langere tijd het gebied uit. De rechters zijn zeer creatief en bedenken allerlei aanvullende straffen.

De uitvoering
Voor het gebouw ligt een blauwe loper van zo’n 40 meter. Al vrij snel is er van de loper niets meer te zien, d.w.z. er staan zoveel wachtenden op dat de loper onder de schoenen verdwijnt. Het is een gekkenhuis. Waar we uitgaan van maximaal 45 bezoekers per keer moeten we dat al snel loslaten. Tot aan 65 mensen tegelijk naar binnen. Dat betekent ook wat voor het toneelspel en de verplaatsingen gaan minder snel.

Met zes rondleiders gaan de bezoekers door de ruimtes heen. Iedere verteller heeft zijn eigen verhaal, al is er een leidraad. Het standaardverhaal is hetzelfde, maar er zijn meer belevenissen, want Delfland is een organisatie die niet slaapt en in beweging is.

Ik mag als vijfde rondleider op. Altijd weer even wennen na een jaar. Daarnaast moet je rekening houden met de toneelspelers die een belangrijke rol spelen. Soms word je midden in je verhaal onderbroken, andere keren wacht men tot er een pauze valt. Bezoekers zijn verrast als men Neeltje regelmatig terug zien. Er is aandacht, stilte ook als de verteller het woord doet. Men schuifelt van ruimte naar ruimte.

Buiten is de rij inmiddels al weer aangevuld waar de singer songwriter Guido Schaake de longen uit het lijf zingt. Meezingers, ballads, country, hij heeft alles in het repertoire zitten. Intussen vegen de Neeltjes bladeren en zand, van de ene naar de andere kant van de straat. Fietsers, brommers en auto’s worden tot stilstaan gemaand. Maria van Buuren, paradeert langs het raam bij Graaf Philips van Lohenhohe. Rechters en boeren hangen boven uit de ramen en boeren klagen buiten over droogte en mislukte oogst. Er gebeurt veel op de gracht en dat houdt mensen vast. Het wordt hectisch als ook de streetparade gaat beginnen. 21 orkesten die langs marcheren. Waar een tamboer-maître nauwelijks zijn lach in kan houden als een van de Neeltjes met haar bezem zijn handelingen imiteert, houdt een ander stuurs zijn gezicht in de plooi.

En de rij vult aan en vult aan. Nog net geen bordjes ‘vanaf hier nog een half uur’.

Binnen zorgt de catering voor een volle maag. Er is genoeg te eten en te drinken.

Elk kwartier start een volgende rondleiding. Heb je geen ‘dienst’ dan ga je de gracht op met als resultaat foto’s maken. Geen GDPR/AVG. Gewoon foto schieten met Nederlanders, Polen, Amerikanen, Engelsen, Russen, Zweden, mensen uit Japan, China en Korea.

Aan het eind de dag hebben we 1239 bezoekers binnengehaald. Halen we een record? Het is afwachten. ‘s Avonds gaan de beentjes op de bank en op tijd naar bed.

Dag twee
Iets later weg dan op zaterdag. Nu in de rol van Dijkgraaf. Opnieuw naar het rek met kleding. Speciaal voor mij een blauwpak met tressen en speciale kraag. Het is wat aan de strakke kant, maar buik inhouden en dan gaat het. Er hoort een blauw hoofddeksel bij. Tot laat in de avond blijft het elastiek in mijn hoofd gestriemd.

Nu wissel ik af met de andere dijkgraaf, half uurtje op, half uurtje af. Een vast stukje tekst, daar ben ik niet goed in. Laat me improviseren. Bij de allereerste keer dat Neeltje binnenkomt geef ik haar een hand. Daar word ik later door een bezoeker op terechtgewezen. Dat deed men niet in die tijd. Zij was van een lagere klasse. Neeltje komt plotseling binnenlopen en noemt mij ‘mafkees’, ‘minkukel’, ‘lapswans’ en nog veel meer van die termen. Dat laat ik, de Dijkgraaf, niet over mijn kant gaan. Naast het vegen van zand ook nog de belediging van een ambtenaar in functie, dat betekent straf. In een brief staat wat er is misdaan, de rechter mag oordelen.

Ook nu bij vrijaf, de straat op. Wederom foto’s maken, wandelen langs de bezoekersrij, kletsen en mensen vasthouden in de rij. Dat lukt door de gekke boeren, Neeltjes, kinderen, en Guido. Er is veel te zien en dat wordt gewaardeerd, mensen blijven.

Halverwege een Engelse Tour, net als op zaterdag. 67 mensen lopen achter de rondleidster aan. Even geen toneel en een lange pauze.

Nog een paar rondleidingen dan zit het er op. Neeltje brengt haar kinderen mee. Ze sleept ze tussen de bezoekers door en speelt op ‘t gevoel van de Dijkgraaf. Een van de Neeltjes vraagt of ik iets aan de oren mankeer. Een ander prikt me in de buik, weer een ander klimt op het bureau, men wordt brutaler en brutaler. Ik probeer afstand te houden en roep daar de hulp van de bode bij in. De bezoekers gniffelen, vragen aan het eind of ik ook zo tegen mijn eigen vrouw doe.

Terwijl de rondleiders hun verhaal vertellen, ‘schrijf’ ik de brief, met ganzeveer en kroontjespen, voor de rechters en overhandig ik deze aan de bode. Hij/zij moet deze aan Neeltje Loes overhandigen. “Ik laat me tenslotte niet beledigen en zeker niet door een vrouw”.

Het gaat er soms fantatiek aan toe. Zo fanatiek dat wanneer de rechter zijn vonnis wil bekrachtigen met een slag met de hamer, de steel van de hamer breekt.

Langzaamaan gaan we naar de laatste rondleiding. Nog 77 belangstellende, nog eenmaal een kamer vol en dan met z’n allen naar de rechtbank. Daar komen alle Neeltjes binnen, met de kinderen, de boeren en de muzikant. Het is een heel spektakel. Er wordt geschreeuwd, gezeurd en dan zegt de rechter dat hij zijn hand over het hart strijkt en spreekt hij iedereen vrij. Eind goed, al goed.

Twee fantastische dagen, goed georganiseerd, veel belangstelling, 2552 bezoekers. We kunnen terugzien op een geweldige teambuilding, promotie voor het Hoogheemraadschap. Het plezier droop eraf. Met een drankje en bitterbal werd het spektakel beëindigd. Maar eerst nog even intern een filmpje kijken die van de dag is gemaakt.

Met een goed gevoel fiets ik naar huis. Moe, dat zeker. Maar wat was het leuk. Volgend jaar gewoon weer. Ben je niet geweest, dan heb je in 2019 opnieuw een kans.

294. Werkgerelateerde zaken II

Ruim 34 jaar heb ik bij mijn werkgever gewerkt. Het Hoogheemraadschap van Delfland was de plek waar ik zoveel jaar met veel plezier mijn diensten heb verricht en waar ik heel wat grappige zaken heb meegemaakt. Mijn tweede opsomming.

Op een maandagochtend rond de klok van elf uur loop ik naar beneden. Mijn kamer A1.18 (de kamer van Aad in werktaal) ligt op de eerste etage. Wanneer ik bij de kamer kom waar ik moet zijn, hoor ik een hevig geronk. Heel zachtjes doe ik de deur open om te zien wat er achter de deur gebeurt. Een al wat oudere medewerker, in de rang van referendaris, ligt met zijn hoofd op de tafel zijn roes uit te slapen. Hij is barbeheerder bij een Delftse voetclub en het is kennelijk laat geworden. Het zou niet de enige keer zijn dat ik hem hierop betrap.

Wanneer Delfland 700 jaar bestaat wordt er een grote overzichtstentoonstelling ingericht van alle kunstschatten die men in huis heeft. Het voltallig College heeft besloten ter gelegenheid van deze feestelijkheid om alles te laten zien wat men in bezit heeft. Er is echter geen rekening gehouden met de toenmalige chartermeester (archivaris). Hij is niet gekend in deze actie en is het er ook absoluut niet mee eens. Hij besluit het er niet bij te laten zitten en huurt wat attributen. Tijdens de eerstvolgende vergadering van het College komt hij op een stalen ros en gekleed in een harnas met een zwaard al fietsend de collegekamer binnen en springt op de tafel. Zwaaiend met het zwaard dat hij bij zich heeft wijst hij alle Collegeleden stuk voor stuk aan en laat hij weten het niet eens te zijn met de beslissing van het College. Het College is er danig van geschrokken maar laat het feest wel doorgaan. Medewerkers van Delfland worden ingedeeld om naast een overdagse ook een nachtelijke wachtdienst te lopen. Over de nachtelijke sessie alleen al kan ik een boek schrijven, dat ga ik niet doen.

Het is Goede Vrijdag. In die tijd nog een vrije dag voor ambtenaren. Het is ook een vrije dag voor de inwonend conciërge. Hij woont met zijn vrouw en twee zoons in het pand aan de Oude Delft. Als Pa en Ma op Witte donderdag teruggaan naar hun roots in Brabant blijven de twee zoons achter. Een van de zoons duikt die avond de Oude Jan in. De Oude Jan is een studentikoos café. De zoon ontmoet er een aantal leuke meisjes en als hij vertelt dat hij in het prachtige pand aan de Oude Delft woont, willen zij daar wel een kijkje nemen. Zij stappen daarom met vijven, de zoon en vier meiden, in de tweepersoonslift. Die avond ontstaat er wat reuring in Delft omdat een aantal meiden niet is thuisgekomen. Dat zou zo blijven tot aan de eerste Paasdag. Dan worden ze bevrijd uit een niet zo lekker ruikende en uitziende lift. De lift kon het gewicht van vijf niet aan en is halverwege blijven hangen. Deze activiteit haalt het NOS-journaal. De conciërge krijgt hiervoor een berisping.

Als ik op een donderdagavond boodschappen ga doen in winkelcentrum In de Boogaard in Rijswijk kom ik daar een vrouwelijke collega tegen. Ik sta tegen een pilaar van de Konmar geleund. “Wat doe jij nou hier?”, vraagt ze mij. Ik antwoord haar dat ik op mijn vriendin sta te wachten. Mijn vrouw is even het karretje weg gaan zetten en zij is ook mijn vriendin. “Ssst”, fluister ik haar toe “niet op het werk vertellen hé”. De volgende ochtend al word ik door verschillende collega’s met vreemde ogen aangekeken. Als een lopend vuurtje gaat het door het bedrijf heen. Aad Meurs houdt er een vriendin op na. Ja voor geheimen moet je er niet zijn.

Zo ook de bode die we in dienst hadden eind jaren tachtig. Alle brieven die worden gemaakt bij Personeelszaken worden in een brievenboek gestopt. Zijn vaak vertrouwelijk en moeten dus discreet worden behandeld. Dit boek gaat naar de secretaris-rentmeester of dijkgraaf toe. Hij is degene die het boek dan brengt. Wanneer hij het boek heeft opgehaald zien we hem op de gang het brievenboek openen en leest hij de te ondertekenen brieven. Met: “zo, zo,” en “nou, nou” hoor je hem de inhoud tot zich nemen. We besluiten bij personeelszaken een brief te maken waarin zijn ontslag wordt weergegeven. Wanneer hij de kamer af is met het boek, duurt het maar heel kort, dan komt hij op hoge poten terug met het boek om zijn ongenoegen te uiten. Sinds die tijd brengen medewerkers het brievenboek persoonlijk richting ondertekenaars.

Wanneer Delfland overschakelt van de originele blauwe Remmington schrijfmachine naar de personal computer is dat voor veel medewerkers een grote omslag. Men is niet gewend aan programmatuur dat is geïnstalleerd en sommige programma’s zijn volledig in het Engels. Verschillende keren worden we gebeld door medewerkers dat men niet uit een programma kan komen omdat de kennis ontbreekt. Als een medewerker belt met de mededeling dat hij op any key moet drukken, weet hij die niet te vinden. We maken een afdruk van een toetsenbord en tekenen er een extra knop bij met daarop de tekst any-key. Betrokken medewerker komt met zijn toetsenbord aanlopen en vraagt of hij een ander toetsenbord kan krijgen, hij mist de knop met any-key erop.

Delfland kent bloktijden. Tussen 07:30 en 12:15uur en 13:30 tot 18:00uur behoort de afdeling bezet te zijn. Niet voor een collega die regelmatig ook na 18:00uur nog werkt. Als hij een document af moet maken vergeet hij bij de conciërge aan te geven dat hij wat langer blijft. Betrokkene is zo met het werk bezig dat hij de tijd volledig vergeet. Wanneer hij op een gegeven moment tot de ontdekking komt dat het al halfnegen is besluit hij naar huis te gaan. Het gebouw is echter volledig in de sloten. Eenmaal binnen, mag je er niet meer uit. Hij zoekt ergens een ruit en slaat deze in. Hij kruipt door de smalle opening naar buiten en staat dan op het plein voor het gebouw. Ook het hek is gesloten. Met wat klimwerk komt hij boven op het hek. Wat hij echter niet in de gaten heeft is dat zijn jasje over één van de punten van het hek is geschoven. Als hij naar beneden wil springen blijft hij met zijn jasje aan het hek hangen en bengelt tussen hemel en aarde. De politie heeft hem later bevrijd.

Het is monumentendag. Medewerkers die hun diensten hebben aangeboden om rondleidingen te doen mogen hun auto op het plein zetten. Een parkeergarage is er nog niet. Een van de rondleiders zet zijn auto op de plek die is gemarkeerd met het bordje ‘DIJKGRAAF’. De auto’s van andere medewerkers komen er strak tegenaan te staan. Wanneer we druk bezig zijn met het rondleiden van publiek komt de toenmalige dijkgraaf het plein oprijden. Hij ziet dat zijn plek is ‘ingenomen’ en zet zijn auto erop 5cm tegenaan. De dijkgraaf heeft een burgemeester elders uit het land uitgenodigd en gaat eten in de stad. Als onze collega aan het eind van de dag naar huis wil gaan, staat hij volledig opgesloten. Die dag neemt hij de tram naar huis en laat zijn auto staan. De machtsverhoudingen in die tijd worden hiermee duidelijk.

Mijn collega uit Friesland die doordeweeks in Delft verblijft heeft de gewoonte om zodra hij binnen is zijn schoenen uit te doen. De vrijgezelle man is niet een van de schoonste en hij heeft toch wel een luchtje bij zich. Helemaal als hij zijn schoenen uitdoet. Dames van de typekamer storen zich mateloos aan het handelen van deze persoon. Wanneer hij dan ook op een keer zijn schoenen heeft uitgedaan, ontvremen zij deze en verstoppen de schoenen. De man maakt het niks uit hij gaat op kousenvoeten aan het eind van de dag naar huis. Later heeft hij zijn leven gebeterd en houdt hij zijn schoenen aan.

Op de kamer waar ik zit ligt een hoogpolig tapijt. De kamer is in het verleden van de directeur technische dienst geweest en heeft een toch wat andere uitstraling dan de andere kamers. Het tapijt is geen tweekontjes hoog, maar misschien wel drie. Als een van mijn collega’s veel meer gaat niezen en sniffen wordt het tijd om het tapijt te vervangen. Met mijn collega ontbieden we de toenmalige inwonende conciërge. “Beste Willem”, vraag ik hem, “ik zou heel graag andere vloerbedekking in de kamer willen, het is vrij ongezond.” Met Willem wandel ik mee naar de secretaris-rentmeester om toestemming te vragen. Als Willem de vraag stelt aan de beste man krijgt hij ‘nee’ op het rekest. “Je hoort het”, zegt Willem, “het gaat het niet worden.” Twee dagen later komt er een tapijtenlegger met nieuwe vloerbedekking. Ik begrijp er niets van en vraag aan Willem hoe dit nu is klaargemaakt. “Je moet niet alles vragen, joh”, zegt hij, “je moet het gewoon doen.” Wie had het hier nou voor het zeggen.

Met tapijtenleggers heb ik wat. Het hele gebouw moet worden belegd met nieuwe vloerbedekking. Een gerenommeerd bedrijf heeft de opdracht gekregen om het tapijt te vervangen. Ze zijn er al dagen mee bezig, als ik word gebeld door de receptie. “Aad kan je even komen, we hebben wat EHBO nodig.” Ik spoed me naar beneden. Bij de receptie staat een man met een bebloed bovenbeen en de broek op de knieën. De tapijtenleggers hebben een stanleymes als spelletje naar elkaar gegooid en hij heeft misgegrepen. Daardoor is het mes in zijn been terecht gekomen. Hij heeft het er voor de zekerheid alvast uitgetrokken, waar we als EHBO-er leren, dit te laten zitten. Zijn been bloedt behoorlijk en een flinke jaap is zichtbaar. Met de broek inmiddels op de hielen gooit hij er allemaal jodium in, dat hij van de receptioniste heeft gekregen. Maar daarmee stop je niet zo’n diepe snijwond. Ik verbind de wond en stel voor dat hij naar de spoedeisende hulp wordt gebracht. Dat vertikt meneer, hij moest zich die middag melden bij het UWV voor een uitkering en werkt dus zwart voor de tapijtlegger. Na veel overredingskracht hebben we, de bode en ik, hem naar het ziekenhuis kunnen brengen. Na afleveren zijn wij direct teruggegaan. Hoe meneer naar huis is gegaan weet ik niet.

Zo zijn er nog vele voorvallen te beschrijven. Ik laat het erbij en houd de rest voor mezelf. Of misschien tijdens komkommertijd wijd ik er nog een blog aan.

276. Waterschappers en hun CAO

Ze schijnen er niet uit te komen, de bestuurders van de Waterschappen en de medewerkers delegaties. Al meer dan een jaar liggen ze rollebollend over de werkvloer over het afsluiten van een CAO.

Het mooie vak van waterschapsambtenaar, toch net even meer dan ambtenaar, wordt door de burger vaak verguist. Wat doen ze in vredesnaam? Beetje langs sloten lopen, wat sloten uit baggeren en verder niets. Niets is minder waar wat dacht u van de het beheren en controleren van de waterkwaliteit in sloten en kanalen. Wat dacht u van droge voeten, ook voor de mens die op zeven hoog op een flat woont en wat dacht u van het zuiveren van water waar Jan en rap en zijn maat van alles door het toilet heen spoelt. Ooit gehoord van waterschapen? Waterschapen zijn ophopingen van allerlei maandverbanden, inlegkruisjes, onderbroeken, kledingresten en frituurvet. Daarnaast wat men nog meer meent via het toilet te moeten wegsluizend of met het bad- en toiletwater wordt weggespoeld. Deze schapen worden gevangen bij de Zuiveringsinstallaties. Daar werken de mensen die met hun handen en grijpers bezig zijn Nederland en het milieu een dienst te bewijzen. Met blote handen een ander zijn rotzooi opruimen. Een heel vies werkje, maar dat hoort bij jouw taak als waterschapper.

Deze waterschappers worden aangestuurd door een eigen bestuur, Dijkgraaf en Hoogheemraad, vergelijkbaar met Burgemeester en Wethouders van een gemeente. Zij zijn ook de vertegenwoordigers die zitting hebben in één van overheidssectoren, de Unie van Waterschap. Gezamenlijke bestuurders die de dienst uitmaken voor wat de onderliggende Water- en Hoogheemraadschappen kunnen en mogen doen, al vindt er veel autonoom plaats bij een waterschap zelf.

Al in 2016 starten de eerste verkennende gesprekken voor de inzet van een nieuwe CAO, bij de waterschappen, Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschappen. De oude CAO stopt per 1 januari 2017. Vakbondsbestuurders die langs de waterschappen gaan om bij de achterban te toetsen en inventariseren wat men in de toekomst mee wil nemen in de onderhandelingen voor de CAO van 2017. Daar komen veel suggesties uit. De vakbonden toetsen deze eisen en verlangens en maken er een inzet voor de nieuwe CAO voor.

In de tussentijd gaan de Overheidssectoren en andere aangeslotenen bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds aan de slag voor een upgrade – update van de pensioenrechten en verplichtingen, het zgn. loonruimteakkoord 2015. Hier wordt door beide partijen een revolutionair nieuwe zienswijze en uitvoering vastgelegd waardoor de werkgevers minder premies hoeven te betalen voor hun werknemers. Het gaat hier om 1,4% van de loonsom die de werkgevers overhouden en zullen moeten worden uitbetaald aan de werknemers. Een verbetering van de loonsituatie een andere berekeningswijze van de uit te keren pensioenen. Bijna alle werkgevers doen hier aan mee. Niet de Unie van Waterschappen, zij distantiëren zich van de uitbetaling van die 1,4% aan hun werknemers. Nee, ze steken het in eigen zak. Miljoenen van werknemers die niet worden uitgekeerd aan hun eigen werknemers. Ze zijn niet bij het overleg uitgenodigd en hebben ook hun handtekening niet gezet onder het gesloten akkoord. Ze hoeven niet mee te doen. Punt uit.

De vakbonden laten het er niet bij zitten. Gaan over tot acties en organiseren een petitie met een handtekeningactie. Een ruime meerderheid, tussen 70% en 80%, van de werknemers ondertekenen het formulier waarop de 1,4% moet worden terugbetaald aan de werknemers. De Unie heeft er lak aan. Gaat voorbij aan het akkoord en zegt dat zij niet gaan betalen.

De onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers zijn intussen in volle gang. Waar rondom ons heen de CAO’s bij gemeente, provincie en rijk zijn beslag krijgen en waar zij wel de 1,4% uitbetalen aan hun personeel blijft het bij de waterschappen stil, angstig stil.

Intussen blijkt dat de bestuurders van de waterschappen ook die 1,4% hebben ontvangen. Zij vallen niet onder de CAO van het waterschap, maar zijn ingedeeld bij Rijksarbeidsvoorwaarden. Hoe krom en wrang is het om het dan niet aan de werknemers van de waterschappen uit te keren. De Unie houdt vast aan haar principe om niet uit te betalen.

Intussen zijn er vier gespreksronden geweest tussen werkgevers en werknemers. Het resultaat is dat men er niet uitkomt. De werkgever blijft vasthouden aan het niet uitbetalen van de 1,4%. Eén van de hoofdpunten, die eigenlijk niet tot de CAO onderhandelingen behoort. Hierdoor ontstaat een patstelling.

De werkgever heeft nu een definitief eindbod voorgelegd aan de werknemersdelegatie. Dit loonaanbod behelst een algemene structurele loonontwikkeling van 3% voor twee jaar; hetzelfde percentage dat zij in het eerste bod van juli jl. al had aangegeven. Daarnaast een eenmalige uitkering voor 2017 van € 1000,= en een eenmalige voor 2018 van € 500,= (in het eerste bod was er sprake van twee eenmalige uitkeringen van € 500,= en € 200,=). Verder vindt de werkgever dat zij loonruimte kan besteden aan vereenvoudiging van het Individueel Keuze Budget (IKB), aan een salarisverbetering van 0,5 % voor de schalen tot 7 en aan een algemene inconvenientenregeling.

De inzet van de vakbonden wordt door de werkgever nog steeds bovenmatig gevonden omdat de vakbonden niet alleen vast blijven houden aan de 1,4% pensioenpremievrijval (geld van de werknemer; iets waar de grote meerderheid van de waterschappers een petitie voor heeft getekend), maar ook een reële structurele loonsverhoging in de orde van 4,5% voor twee jaar. Een gedeelte van de pensioenpremievrijval uit het loonakkoord kan wat de vakbonden betreft ook gebruikt worden voor een pensioenverbetering via het volledig pensioengevend maken van het IKB.

De vakbonden hebben in de onderhandelingsperiode regelmatig aanpassingen gedaan in de inzet waar de werkgevers standvastig blijft vasthouden aan hun eerste inzet.

Het aanbod van werkgeverskant en de inzet van werknemerskant liggen te ver van elkaar, waardoor men niet tot overeenstemming zal en kan komen.

Wat gaat dit voor de burger betekenen? Er zouden acties kunnen volgen. Het land zal niet onder water worden gezet is mijn inschatting, er zal gezuiverd blijven worden. Zo’n proces is niet te stoppen, maar wat er wel gaat gebeuren is aan de werknemers. Op 16 januari a.s. worden de vakbondsdelegaties en werknemersdelegaties uitgenodigd om e.e.a. te bespreken. Ik ben benieuwd.

245. Monumentendag 2017

Monumentendag 2017, het was weer een prachtige ervaring. Op de eerste dag passeerden 970 mensen de voordeur om een kijkje te nemen in het prachtige gebouw van het Hoogheemraadschap van Delfland, het Jan den Huyterhuis.

Wanneer om halfacht de wekker afloopt heb ik nog eigenlijk helemaal geen zin om uit bed te gaan. De plicht echter roept en ik heb me vrijwillig opgegeven om deel te nemen aan het rollenspel dat wordt gespeeld tijdens de rondleidingen, dus hoppa, eruit. De weerapp. Buienradar voorspelt niet veel goeds voor vandaag. De afgelopen nacht heeft de hemelpoort ook al opgestaan. Ik probeer mijn fietstocht zo te plannen dat ik droog over kom. Dat lukt.

Bij aankomst zie ik dat collega’s hun auto bovenop het parkeerdek hebben neergezet. Iets wat doordeweeks absoluut verboden is. Als ik dat had geweten… Bij aankomst wordt de presentielijst ingevuld. Een receptiemedewerker achter de balie weet nog steeds niet hoe ik heet. Het zij hem vergeven, hij is van het extern beveiligingsbedrijf Westvliet.

Bij de verkleedruimte hangen de kostuums, geleverd door ‘t Feesthuis te Wateringen, netjes gesorteerd op het rek. De naam van betrokken acteur is er met een briefje aan toegevoegd. Voor mij is het deze dag een net pak, wel van mij zelf. Ik mag vandaag de Dijkgraaf spelen. Ik heb er een stralende rode stropdas bij bedacht.

Terwijl collega’s zich omkleden, een gevalletje EHBO. Een van de jongere figuranten heeft hete thee over zijn arm gekregen. Ik neem mijn verantwoordelijkheid en loop even met hem mee. Water, water en de rest komt later. Na ruim 10 minuten gaat het al wat beter en gaan we terug naar de verkleedruimte. De burnshield die ik op de verbrande plek heb gesmeerd, moet er weer worden afgehaald, slachtoffertje geeft aan dat het niet fijn is.

De uitleg begint. Voor nieuwe mensen, en die zijn er, een belangrijk moment. Er wordt nog even flink wat zakelijke info uitgestort over iedereen die zich heeft opgegeven. Voor sommige duurt het te lang en vertrekken voortijdig. Gaan de zenuwen opspelen? Heeft men niet door de vooraf gegeven tekst heen gekeken? Nog even wat uitleg over het portofoongebruik en dan hoppa aan de rol.

Om tien uur is Monumentendag gestart. De zon komt zelfs wat door. Hoopvol voor het aantal bezoekers. Terwijl we naar de plek lopen waar ik die dag mijn rol van Dijkgraaf mag spelen, zie ik collega’s die ik niet ken, nieuw of via andere wegen ingehuurd. Ik probeer er direct achter te komen wie men is. Het is tenslotte een soort van teambuilding en dan moet je weten wie er in het team zitten.

De eerste groep komt bij mij binnen met een rondleider. Een die het nooit eerder heeft gedaan. Heeft vermoedelijk ook nog niet eerder door de tekst heen gelopen, want zoekt naar de attributen en leest de tekst op van het meegekregen script. Wanneer ik plots begin te praten, volgens het script, is de rondleider daar kennelijk niet van op de hoogte. Midden in mijn verhaal neemt de rondleider de tekst weer van mij over, zeggend: “belangrijke informatie, maar u kwam toch voor het historische gedeelte”. Oei, die had ik niet verwacht. Wanneer de rondleider verder gaat met haar verhaal, komt Josephine binnen. Een bekakte, uit de hoogte doende, ‘irritante’ dame. Zij heeft een klacht over hoog water in de tuin. “De barbecue van môrgen kan zô niet dôôrgaan, Dijkvader”. Ik kan haar niet helpen maar verwijs haar naar een mijn Waterbeheer collega’s.

De dames maken het hoe verder de dag vordert steeds bonter. Komen achter mijn bureau, tikken met een zweepje op mijn schouder, komen dichter bij me om me te bewegen toch echt te helpen en nodigen me zelfs uit om op de barbecue te komen. Een leuke rol om te spelen. Ik blijf in mijn rol en houd afstand.

Sommige bezoekers hebben het idee dat ze echt met de Dijkgraaf van doen hebben. Twee mensen willen zelfs met me op de foto. Een bezoeker vraagt hoe ik dat met mijn mede-Dijkgraven voor elkaar heb gekregen om zelfstandig te blijven en niet te worden opgeheven, zoals het toenmalig kabinet dat graag wilde. Een bezoeker geeft aan zelfs een Delflandse wijn te hebben gebotteld voor een voormalige Dijkgraaf. Iemand vraagt waarom we het vrijgekomen grondwater van DSM niet naar de Delftse Hout pompen. Er komt een vraag over de groene deken, kroos, op de Delftse grachten. Vragen alom. Ik ga er niet op in en verwijs ze naar team Communicatie. 

 Na twee groepen word ik afgelost. Zo gaat het de hele dag door. Half uur op, half uur af, om weer afgelost te worden door de andere Dijkgraaf.

Gaandeweg de dag komen rondleiders en ik meer en meer in de rol. De bezoekersgroepen worden groter. De temperatuur op de kamers gaat omhoog. Gelukkig is er het koude drankje van Albron. Dat is opnieuw weer super geregeld.

Buiten wordt men vermaakt door Guido Schaake, voorheen als minstreel, nu als gitarist met lekkere deuntjes. Boeren staan buiten te protesteren over wateroverlast. Een mislukte aardappeloogst en een ondergelopen Italiaanse tuin. Het toneelstuk is compleet. Mensen wachten geduldig tot men naar binnen mag. Het wordt steeds leuker en leuker.

Het blijft leuk om te doen. Ga ik het missen als ik er straks niet meer werk? Ik hoop via een zijweg alsnog mee te mogen doen. Gelukkig is er morgen nog een dag. Dan ben ik rondleider, een totaal andere rol. Maar net zo leuk of stilletjes misschien nog leuker. We gaan het zien.

Om kwart over zes stap ik weer op de fiets terug naar huis. Het was me het dagje wel. Intensief, leuk, maar ook vermoeiend. De beentjes gaan op de bank, om kwart over negen sluit ik mijn ogen.

225. Nieuw, maar nog niet helemaal af.

De eerste week zit erop, werken in het vernieuwde Gemeenlandshuis. Er is voor ruim 18 miljoen verbouwd en dat is te zien. Na anderhalf jaar terug in vertrouwde omgeving. Het is nog even wennen. Iets later van huis om zo rond zeven uur aan te komen en het werk weer op te pakken. Mag ik het beschouwen als de laatste fase bij mijn Delfland? Na een weekje vakantie, vrijwilliger bij een Zonnebloemvakantie, ben ik afgelopen maandag weer aan de slag gegaan.

Het is 06:50uur als ik mijn fiets heb geplaatst in de nieuwe fietsenstalling. Daar word ik al snel aangesproken door een werknemer van de bouwonderneming. Hij komt met een kruiwagen mijn kant op rijden. “U moet uw fiets hier weghalen”, zegt hij. Ik kijk hem aan en vraag waar ik mijn e-bike dan moet zetten. “Ergens”, zegt de man. ‘Ja dat begrijp ik, ik kan hem niet mijn broekzak steken. “De dijkgraaf heeft besloten dat de fietsenstalling 10 cm lager moet worden”, zegt hij. “Dat zal straks wat worden, als de andere collega’s komen”, zeg ik hem. De auto’s zijn immers verbannen van het terrein en voor een groot deel ingeruild voor fietsen. Ben overigens benieuwd hoe de Delftse bevolking staat tegenover het in beslag nemen van de weinige nog vrije parkeerplaatsen. Collega’s hebben in het Delftse gezocht naar parkeervergunningvrije plekken om vervolgens met de vouwfiets de reis te vervolgen.

Over de rijplaten baan ik me een weg naar de ingang. Overal vinden er nog bouwwerkzaamheden plaats. De bouwketen staan nog op het terrein De pasjespaal staat nog ingepakt. Buiten gebruik, staat er op de paal. De dijkgraaf en secretaris wandelen trots door de ontvangstruimte. Ik krijg een hand en een hartelijk welkom. Dan haal ik mijn portofoon op en krijg van een Delflandgirl een tasje uitgereikt. Een paar leuke kleine speeltjes moeten de nieuwe werkplek veraangenamen. “De tweede etage”, zegt een van de medewerkster, “de oude kantine, daar is jullie blauwe vlek”.

Ik neem de trap naar boven en mis een trapleuning. Als ik boven ben is de deur gesloten. De paslezer staat op rood. De deur wil en kan niet open. Omdat ik bekend ben in het gebouw probeer ik via de achterdeur binnen te komen. Dat lukt. Waarom de voorkant op slot zit en de achterkant niet, is mij onbekend. Omdat er nog niemand binnen is heb ik de keuze voor een werkplek. Op onze vleugel zou een stilte plek worden ingericht voor de mensen met een gehoorbeperking, heb ik altijd begrepen. Die vind ik er niet. Er staan vier uit de kluiten gewassen stoelen geparkeerd op die plek. Werkplekken? Nee, overleg plekken. Het lijkt op een tramstel.

Ik kies strategisch een plek achterin. Zo heb ik iedereen voor me en heb ik geen probleem met mensen die achter mij willen gaan zitten. De zaal is mooi ingericht. Er is veel aan gedaan. Tijd voor koffie.

Waar staat de automaat? “Bij de printer”, zegt mijn collega. “Waar staat de printer, dan?” Vraag ik hem. Hij legt het me uit. Het is goed voor de beweging want het is een stevige eind tippelen. Gratis sporten? Wanneer ik de koffieautomaat heb gevonden is deze leeg. Er zijn wat aanloopproblemen. Zes automaten slechts, verspreid over het gebouw. Als ik terug wandel zie ik dat er een koffiekarretje is gearriveerd die voor het gebouw staat. Koffiedrinken kan dus buiten.

Als ik terug ben op ‘mijn’ plek zijn er al een aantal collega’s binnengekomen. Langzaamaan loopt de ruimte vol en is er geen plek meer over. Ik hoor gemopper bij de laatkomers. Dat was te verwachten.

Collega’s komen van andere afdelingen en teams en gaan op onderzoek uit. Waar zit iedereen en wat hebben ze er van gemaakt. Men komt door de achterdeur naar binnen en gaat er door de voorkant weer uit. De locatietemperatuur loopt langzaam op. Het raam gaat open. Dan begint het gedonder. De achterdeur slaat tot vijfmaal in een uur keihard dicht. Mensen in het tramstel schrikken zich te barsten. Het tocht, ik voel de wind langs mijn armen. Mijn armhaartjes staan overeind.

Dan een e-mail. Surprise, surprise, eenieder dient naar beneden te komen voor iets lekkers. De gebaksdoos gaat open. Het Delflands wapen siert het gebakje dat smaakt. De dijkgraaf doet een toespraak. Nog geen microfoon, maar een roeptoeter. Iedereen wordt welkom geheten. Het gebouw is nog niet af. Er zijn nog wat kleine dingen op te lossen. Na een kwartiertje gaat men weer aan het werk. De plek naast me is bezet er wordt aan de tafel overlegd. Storend. De verhuisdozen worden opgezocht en uitgepakt. Wanneer ik mijn 65+plant, de geranium, op mijn tafel zet, krijg ik te horen dat dit niet mag. Geen privé-spullen op de tafel. Even verderop staat de muskusrat. Ooit gevangen in Delflands wateren, opgezet en zo lang als ik bij Delfland werk bij de repro gestaan. Na enige tijd moet ook die weg. Regels, regels, regels, merk ik.

Wanneer ik naar het toilet wil, moet ik naar een etage lager. Dan blijkt dat de twee toiletten die er zijn op bezet staan. De damestoilet is vrij maar dat durf ik niet. Nog maar een etage naar beneden. Ook allebei de toiletten bezet. En nu? Je zult maar hele hoge nood hebben. Ik ga op zoek, ondertussen afvragend of hier niet te weinig gelegenheden zijn.

Als ik een wc heb gevonden en net aan zit, gaat mijn portofoon af. “Test, test, hoor je mij”. Wie het is, ik heb geen idee. Ik probeer terug te praten, dat wordt aan de andere kant kennelijk niet gehoord. Ik krijg tenminste geen antwoord.

Ook ik ga wat zwerven door het gebouw. Het is mooi geworden, vind ik. De overlegkamertjes zien er mooi uit. De oude vleugel is nog zoals deze was. De tuin moet nog groeien, dat wil zeggen, de plantjes die er in staan. Jammer dat de oude rode beuk is gaan hemelen. Ik heb begrepen dat er later een nakomeling wordt geplant. De fietsen staan door de hele tuin verspreid. Er wordt druk gewerkt aan de fietsenstalling.

Als ik terug kom op mijn werkplek is het er druk. Naast mijn plek vindt wederom een overleg plaats. Tegenover mij zitten twee mensen met elkaar te praten. De ‘tram’ is bezet met twee bellers waar ik letterlijk het gesprek van kan volgen. Ik moet me proberen te concentreren. Achter mij komen weer drie mensen binnen die een heel gesprek beginnen. Ik kom niet echt aan werken toe. Tijdschrijven en verantwoorden onder Sociaal Evenement? Dat mag niet.

Het zullen de aanloopproblemen zijn, er moet nog het e.e.a. worden opgelost. Op eigen initiatief heb ik aan twee kanten van de deur een briefje opgehangen op de achterdeur dat men de deur sluit. Tochten blijft het, of was het airco die iets aan de hoge kant stond. Ik meld het ook maar even bij de werkgroep D-sign.

Het komt allemaal goed, daar ben ik van overtuigd. Mensen zullen straks hun plekje weer gevonden hebben. Werken in de ‘vlek’ heeft zijn voordelen. Ik heb er best een goed gevoel bij. Het zal nog wel even duren, maar over vier maanden ben ik weg. Zal het dan allemaal opgelost en gewend zijn? Ik denk het wel.

149. De reis naar een nieuwe CAO

De CAO van de Waterschappen is bijna afgelopen. Op 1 januari 2017 moet er een nieuwe komen. Tijd om het er in het SectorGroepsBestuur Waterschappen, waar ik al enige tijd lid van ben, nog eens over te hebben. De leden komen in Amersfoort bijeen. In het adviesorgaan wordt door de leden van dat bestuur nog eens nadrukkelijk gekeken waar de vakbonden op gaan inzetten.

Het overleg begint om 14:00uur, dat betekent dat ik al om 12:00uur afscheid neem van mijn collega’s bij Delfland, om te vertrekken. Het ‘uitnodigende’ beleid (tarief) van de Gemeente Delft om de auto in de Phoenixgarage te zetten, staat mij niet aan, waarop ik richting Delft Zuid rijd. Hier is parkeren nog gratis (niet verder vertellen, want voor je het weet, is dit ook betaald parkeren). De trein wordt voor die dag mijn vervoerder.

Ik probeer de eerste trein die aankomt te nemen, sorry, in te stappen. Alleen heb ik me even misrekend op het meisje met het diep uitgesneden jurkje en waarvan haar jurkje ook nog bestaat uit een zeer kort rokje. Maar het mag met dit stralende weer. Zij kan kennelijk haar OV-kaart niet vinden, zet haar tas op de OV-scanner en zoekt uitgebreid in haar tas. Ze houdt daardoor de paal bezet. Twee medereizigers die ook met de trein mee willen, krijgen nog net aan de ruimte, maar voor mij is dat niet weggelegd. Ze gaat vervolgens door de knieën, zet haar tas voor de paal op de grond en gooit deze leeg op het perron. De trein vertrekt en ik blijf met haar achter. Als ze haar pas heeft gevonden, bleept ze en gooit alles weer in de tas. Haar kaart laat ze op de grond vallen en loopt weg. Ik roep haar even terug. Dan pas heeft ze in de gaten dat de trein intussen is vertrokken. “Shit”, hoor ik haar zeggen. Ik dacht hetzelfde.

We moeten nu 17 minuten wachten voor de eerst komende trein ook daadwerkelijk de deuren open gooit.

Een jong stelletje komt naast mij zitten en kan ondanks de warmte niet van elkaar af blijven. Smakgeluiden overheersen. Een oudere man, ouder dan ik ben, stoort zich er aan. “Nou, nou”, zegt hij hardop. Het stelletje trekt zich er niets van aan. Het blijft gelukkig bij zoenen.

Als de eerstvolgende sprinter in het schema heeft staan om ook op Delft Zuid te stoppen, stap ik in. Het is rustig en er is voldoende zitruimte om mijn reis aan te vangen.

In Rotterdam mag/moet ik er uit. Ik ga naar het perron waar vandaan, volgens de app 9292 OV mijn trein richting Amersfoort gaat. Het is de trein naar Leeuwarden. Ook hier voldoende ruimte om te zitten. Dat er al meer mensen gebruik hebben gemaakt van deze coupe is duidelijk. Een zakje brood, twee lege blikjes Red Bull, wat snoeppapiertjes, twee leeggedronken koffiebekertjes met daarin een bananenschil en vier keer de Metro op één bank. Komt goed uit, want ik heb ‘m nog niet gelezen. De rit duurt nog even dus ik heb de tijd om de krant uitgebreid te lezen.

We zijn net Rotterdam Alexandrium voorbij als ik van achter me: “Goedemiddag”, hoor zeggen. Een gebronsde stem die duidelijk aankondigt dat het om een controle gaat. Drie getinte jongens zijn vanuit Rotterdam bij mij in de buurt komen zitten, maar voelen zich niet op hun gemak bij zo’n vriendelijke begroeting. Eén van de jongens probeert ‘m te piepen. Dit lukt, hij schiet langs de man die de controle doet bij een van mijn medepassagiers. Een ander loopt voor de conducteur uit en vlucht naar een coupe verderop. De derde blijft zitten.

Als de conducteur bij deze jongen komt vraagt hij naar zijn OV-kaart. “Heeft hij niet”, zegt hij. Hij had een kaartje maar dat is verfrommeld en niet te controleren, zegt hij tegen de controleur. “Mag ik dat kaartje zien?”, vraagt de man van de controle. “Weggegooid”, zegt de jongen die in een paars joggingpak is gekleed, waarvan de rits tot aan zijn navel open staat. “Mag ik dan je ID?”, vraagt de NS-er. “Heb ik niet bij me”, zegt het joggingpak. “Waar ben je ingestapt?”, vraagt oom-controleur. “Weet ik niet, joh”, zegt de tiener. “In Rotterdam”, zegt. de controleur. “Als je het weet, waarom vraag je het me dan?”, meent joggingpak te moeten zeggen. “En waar ga je naar toe?”, vraagt de kaartjesscanner”. “Zeg ik niet”, geeft blote navel aan. “Dan ga ik schrijven”, zegt de controleur. “Doe het lekker, joh”, geeft joggingpak aan. “Ik betaal toch niet”. Dan kijkt hij mijn richting uit. Ik heb gelukkig een Metro waar ik achter kan duiken. “Ik bel assistentie”, zegt de NS-er en pakt zijn telefoon. Wanneer hij in gesprek is met zijn achterban, schreeuwt joggingpak ook nog even in de telefoon. “Tot straks”, roept hij. Wat een mentaliteit!

Aangekomen op Utrecht blijven de deuren dicht. Langs de trein lopen NS-agenten. Elke deur krijgt zijn beveiliger tot men weet waar de drie mannen, die zich intussen weer hebben verzameld, zich ophouden.

Eén voor één worden ze uit de trein gehaald. Een toevallig langslopend meisje zoekt haar telefoon uit haar tas en filmt het hele gebeuren. Dat verbalisanten vinden dit kennelijk leuk, want ze krijgt een opgestoken duimpje van de zojuist ondervraagde lieden. Agenten vinden het waarschijnlijk ook prima, want er wordt niet ingegrepen.

Langzaam vertrekt de trein uit Utrecht naar Amersfoort. Daar aangekomen is het maar kort wandelen naar het Waterschapshuis.

Ik ben duidelijk op tijd en tref slechts twee leden aan van de groep. Even later vult zich het gezelschap verder aan.

Een concept voor de inzet van een nieuwe CAO (SAW heet dat bij Waterschappen) ligt op tafel. Per onderwerp wordt kort even stil gestaan bij de beschreven tekst. Wat voor vakbondslieden als een vanzelfsprekendheid geldt, hoeft dat voor een werkgever, maar ook voor een werknemer niet zo te zijn. Regels moeten dus zó worden beschreven dat het niet voor tweeërlei uitleg mogelijk is. Er volgen nog wat aanvullingen. Sommige onderwerpen worden als wisselgeld opgenomen. Er moet nog wel wat water over Gods akkers vloeien alvorens het een definitieve inzet is geworden. Het overleg loopt uit en wel zodanig dat het wel eens een late thuiskomer kan gaan worden.

Na afloop wandel ik rustig aan naar het station. Als ik op station Amersfoort sta geeft de display aan dat de eerst volgende trein een vertraging heeft van 15 minuten. Dat worden er bijna 20. Ik kan dan wel blijven zitten tot aan Rotterdam. Bij Utrecht loopt de trein al een stuk voller, maar ik heb een zitplek.

Om 17:42 uur komt de trein aan in Rotterdam CS. Dan snel doorlopen want de eerstvolgende sprinter vertrekt om 17:47 uur. Dat blijkt een misrekening te zijn, want er vallen treinen uit en intercity’s gaan voor. Kortom om 18:14 uur kan ik opnieuw instappen. Het is vol. Een veel te korte trein moet veel mensen bergen. Het is hutje bij mutje. Uiteindelijk ben ik om 18:32 uur op station Delft Zuid en is mijn reis ten einde. Tenminste, dan nog even naar huis. Om kwart voor zeven stap ik thuis de voordeur weer in. Een reistijd van bijna vier uur, voor een overleg van 2,5 uur. Ik maakte wel een lange dag, begon om 06:49 uur.

Nu maar hopen dat de werkgevers al onze wensen gaan honoreren. Het is slechts voor één jaar, dat moet toch niet zo moeilijk zijn. Kom op dijkgraven en secretarissen van de Waterschappen, zoveel wordt er niet gevraagd van U. Alvast bedankt. Tof.

136. Battle of the Beach

Battle of the Beach. Wat is dat, vraagt u zich misschien af. Battle of the Beach is een wedstrijd tussen scholieren van de basisscholen uit de groepen 6, 7 en 8. Tegen de vloedlijn aan worden zandkastelen gebouwd, zodanig dat ze het het langst volhouden tegen de opkomende zee.

Ruim drie weken geleden werd ik benaderd door een medewerkster van onze Communicatieafdeling. “Zou jij zin en tijd hebben om te EHBO-en bij een evenement op het strand.” Ik geef direct aan daar wel voor in te zijn, maar laat het liever even hiërarchisch bevestigen. Als mijn teamleider geen probleem heeft, leg ik de datum in mijn werkagenda vast. Het gaat om een wedstrijd tussen zes scholen, met gezamenlijk ongeveer 250 kinderen.

Als EHBO-er ben ik graag goed voorbereid en dus probeer ik een goed gevulde EHBO-koffer te scoren. Dat valt niet mee. Verantwoordelijk medewerker is een paar dagen aan ’t buiten spelen. Een andere collega helpt mij, met mijn mede-collega EHBO-er,  aan twee kisten/tassen.

Op de dag van de Battle ben ik al vroeg op. Ik moet voordat ik naar het strand ga nog even wat zaken gereed zetten voor het werkproces. Zo zit ik om even over zevenen al achter mijn PC. Wanneer ik de eerste werkzaamheden heb gedaan rijd ik richting Kijkduin, één van de bijkantoren van het Hoogheemraadschap van Delfland. Bij aankomst is het er al lekker druk. Vrijwilligers/studenten en organisatoren proberen alles in goede banen te leiden. Als medewerker krijg je een pet en een goed herkenbaar shirt. Na mij te hebben omgekleed ga ik het nieuwe werken volgend een plekje zoeken op de locatie. Dat lukt. Er is een PC vrij en ik word er gastvrij ontvangen. Eén van de medewerkers houdt van een stevig stukje muziek, dat wordt opgezet. Kort nadat ik achter de PC zit, komt collega George binnen. Hij heeft de EHBO-tassen bij zich. Na enige inspectie wat er in zit, wordt er nog even een flesje water in gestopt.

Langzaamaan gaat het gezelschap naar de locatie waar het evenement gaat plaatsvinden. Bij die locatie heeft men een plek bij Club Maritim. Daar wordt voor een drankje of kopje koffie gezorgd. Collega Marian is top in het regelen en zorgt er voor dat we niks te kort komen.

Even later is het tijd voor de lunch. Na de koffie en een overheerlijk broodje, enige uitleg over hoe e.e.a. gespeeld gaat worden. De indeling van de begeleiding voor de groepen wordt bekend gemaakt en het evenement kan beginnen. Op het strand hangen de beachvlaggen van deelnemende sponsors wapperend in de wind. De speelvlakken zijn uitgezet de schoppen en petjes liggen in de aanslag. De kids kunnen elk moment verwacht worden.

Rond de klok van twaalf rijden de eerste bussen het parkeerterrein van Kijkduin op. Kinderen zullen daar hun lunch gebruiken, een petje uitgereikt krijgen en een schep. Een stalen schep. Auwh, mijn teentjes.

Het startschot wordt gegeven door de dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van Delfland, Michiel Haersma Buma, de gedelegeerde van de provincie Zuid-Holland, Rik Janssen en Tim van Marrewijk, jeugddijkgraaf van Delfland. Dan komen de leerlingen met hun onderwijzers en begeleiders naar beneden. Met zelfgemaakte vlaggen, een schop in de hand en al dan niet een tas met kleding.

Ik ben nog maar net op het strand als ik het ene kind tegen het andere hoor zeggen: “Ben jij wel eens op het strand geweest?” Het tweede kind bevestigt dit door met het hoofd te knikken. Het eerste kind zegt: “Ik niet”. Ik vraag hem waar hij vandaan komt. “Den Haag”, zegt hij. Het is ook een echt Haags jongetje ik hoort het aan zijn accent en niet van allochtone ouders.

Voordat het signaal van bouwen is gegeven, liggen de eerste kinderen al in het water. “Heb je reserve-kleding bij je”, roept de meester van de Poolster. “Oh Shit, nee mees”, roep het kleine ventje terug. Even verderop loopt een klein manneke met een overall aan al druk met zijn schop te graven. De toeter van de start is nog niet begonnen als het eerste jongetje zich meldt. Hij is met een schop in aanraking gekomen en heeft een kapotte knie. Collega George pakt het probleem aan. Ook voor mij geldt dat ik al snel aan de bak moet. De speelvelden hebben een nummer, dus daarmee zijn de slachtoffertjes snel terug te vinden. Het is een heen en weer lopen van links naar rechts en van rechts weer naar links. Onderweg komen we ook de vrijwillige Haagse Reddingsbrigade tegen. Ook zij zullen assistentie verlenen bij calamiteiten.

Op het strand kom ik een bijna onherkenbare dijkgraaf tegen. Zijn eerste grijs is uit. Zijn strandbroek is aan en over zijn overhemd de bekende rode bretels. Met opgestroopte broekspijpen op blote voeten, helpt hij hier en daar een handje. Zijn schop geeft hij niet af en is zijn hulpmiddel. Mooi om te zien. De gedelegeerde heeft zijn laarzen aan getrokken. Zijn stropdas en jasje zijn uit, maar hij zou zomaar weer achter zijn bureau kunnen plaatsnemen. Tim de jeugddijkgraaf begeeft zicht tussen de vrijwilligers, heeft eenzelfde shirt aan als hen en valt verder niet op.

Opnieuw worden zowel George als ik regelmatig even bij een bloedende vinger, voet, of teen geroepen. Kleine wondjes veroorzaakt door schelpen. Eenmaal verbonden met een pleister en leukoplast, schiet men direct het zand en water weer in. Toch helpen we een kleine 20 kinderen bij kleine blessures.

Intussen wordt het strand omgeschept, er worden geulen gegraven als slotgracht rondom het te bouwen zandkasteel. Ook van buiten het afgezette vak wordt zand aangevoerd om het kasteel zo hoog mogelijk te maken. Met de vlakke kant van de schep wordt er op het bouwwerk geslagen om het te verstevigen.  Anderen staan boven op de berg om het water er uit te stampen. Als het bouwwerk klaar is gaat de vlag in top. Er is competitie, men kijkt bij de buurman hoe hoog de top daar al is, om alsnog wat scheppen zand toe te voegen. Rondom het gebeuren snorren camera’s, en de fototoestellen klikken veelvuldig.

Dan gaat het spannend worden in de Battle, de tijd is bijna om. Meesters en juffen die doorgaans aan de kant zitten te genieten van zand en zon, of aan de zijlijn hun leerlingen staan aan te moedigen, krijgen ineens de spirit. Ook zij hijsen de broekspijpen op, pakken de schop en laten hun fantasie los op wat een beschermd kasteel moet worden. Eén juffrouw vindt het allemaal maar niks, ze veegt de korreltjes van haar mooie rokje af en ergert zich aan al dat zand. Ze kijkt er niet echt vrolijk bij. ‘Maar bij strand hoort zand, hoor juf.’

Als er afgeteld is en de tijd voorbij, heeft de zee al een flink stuk genomen van het strand, langzaamaan, maar toch ook wel snel, knabbelt het aan de aangelegde dijkjes. Bij sommige kastelen gaat het zelfs heel snel, de lage dijken en die niet stevig genoeg zijn, kolkt er al water over en wordt de dijk al weg gesnoept. Het wordt steeds spannender. Wie zou er als laatste overblijven?

Kinderen verzamelen zich bij de laatste twee kastelen, die eigenlijk alleen bergen zijn. Er zou geen prins in kunnen en willen wonen. Dan wordt ook het laatste bouwwerk de zee in getrokken en is de Battle voorbij.

Nu wordt het zaak om zo snel als mogelijk alle piketpaaltjes binnen te halen, de beachvlaggen veilig te stellen en de rommel op te ruimen, voordat de zee nog meer neemt.

Iedereen wordt gedirigeerd naar de verzamelplek waar de prijzen worden uitgereikt. Één voor de meest creatieve, één voor degene waar het meest is samengewerkt en één voor het bouwwerk dat als laatste werd opgesnoept.

Na de prijsuitreiking wordt de soms natte kleding weer in de tas gestopt. Sommige kinderen hebben zelfs geen handdoek bij zich en stappen straks met hun natte kleding zo de bus in. De gevonden voorwerpen gaan mee naar de locatie Kijkduin. Nog even een evaluatie onder het genot van een drankje en dan is de dag om.

Onderweg naar huis voel ik dat ik moe ben. Een collegaatje met een stappenteller heeft er 13000 stappen op zitten, ik denk dat ik er niet voor onder doe. De sportschool van die avond heb ik afgezegd. Het werd die avond banken en smeren, want ongemerkt had ik toch een verbrande snuit gekregen.