425. Buitenspelen, waar kan het nog?

Waar is de tijd gebleven, dat je op het Koningin Julianaplein in Den Hoorn nog kon voetballen. Jassen werden neergelegd als ‘doelpalen’. Er stonden nog slechts weinig bomen op het plein. Voor schooltijd nog even een balletje trappen. Je ging vroegtijdig naar school, behalve op dinsdag en vrijdag dan luidde de klok van de kerk en moest je netjes in de kerkbank zitten.

Op het plein worden twee teams gemaakt. Met ‘poten’ zoals men dat noemt worden de teams samengesteld. Poten, het is typisch iets wat je niet kan uitleggen aan mensen die het nooit gedaan hebben. Ik ga het toch proberen. Twee mensen, naar mijn idee meest jongens, uit de groep worden als aanvoerders aangewezen. Meestal zijn dat de beste voetballers. Ze gaan op een willekeurig afstandje van elkaar staan. Dan zet je om de beurt je ene voet voor je andere voet, hak tegen neus. Totdat de voet van de ene persoon bovenop de voet van de andere drukt. Je mag ook halve ‘poten’ gebruiken, daarbij wordt alleen de voorkant van de neus tegen de schoen gezet of haaks op de andere. Van tevoren heb je afgesproken wie er dan als eerst mag kiezen. Uit de aanwezige wordt één voor één een speler gekozen die aan het team wordt toegevoegd. Niet zelden behoor ik tot de laatst gekozenen. De beste spelers worden als eerst toegevoegd aan het team. Mijn voetbalkwaliteiten liggen niet zo hoog. Zonder scheidsrechter worden de wedstrijden gespeeld totdat de bel gaat van school. Dan is het afgelopen, of… tussen de ochtend en middaglessen gaat men verder met dezelfde teams. Nu is het niet meer mogelijk door de herinrichting van het plein.

Aan het plein woont politieagent Nuijten. Het mag niet gebeuren dat de bal in zijn tuin terecht komt, dan wordt de bal ingenomen en is de wedstrijd ten einde.

Het plein wordt ook gebruikt voor de spelen op 30 april bij de verjaardag van koningin Juliana. Touwtrekken, touwtje springen, hoepelen, ringsteken, paalklimmen. Het is er allemaal niet meer. De vakantieschool organiseert er een activiteitendag. Nu zijn het de volwassenen, voornamelijk ouderen, die nog het speelse jeu de boules spelen.

Ik kan me ook nog het bezoek van Koningin Juliana herinneren. Zij bezocht op 27 januari 1961 het Westland met een tussenstop in Den Hoorn bij het naar haar vernoemde plein. De Hoornse bevolking stond op het plein te wachten tot de koningin arriveerde. Op school hebben we een lied ingestudeerd dat ten gehore wordt gebracht.

Terug naar spelen op straat. Waar gebeurt het nog? Tikkertje, bussietrap, verstoppertje, stoeprandje gooien, cowboytje spel, maar ook knikkeren, of met de ring van een éénruiter tussen de voeten in een touw opdraaien en laten schieten.

Er wordt vaak gesproken over het feit dat de jeugd niet meer naar buiten gaat om te spelen, maar waar is het nog mogelijk? Een lekker pleintje om even te voetballen is er niet. De verkeersdrukte is enorm toegenomen, straten om te spelen zijn er niet of nauwelijks. Op pleinen en speelplaatsen worden een wipkip, wipolifant neergezet. Een glijbaan met rubber tegels of een huisje van hout. Plekken waar oudere jeugd de gelegenheid krijgt om hun blowtje te nemen, een spuit te zetten en de rotzooi niet opruimt.

Een waterspeeltuin is de uitvinding. Een prachtig initiatief van kinderen om een plan in te dienen bij onze gemeente. Nog mooier is dat de gemeente het initiatief heeft overgenomen en een prachtige natuurspeeltuin heeft aangelegd. Naast de voetbalvelden in Schipluiden ligt zo’n natuurspeeltuin. Ik reed er al een paar keer langs om te zien hoe de jeugd lekker kleddert in de bagger, zich lekker kan uitleven in de buitenlucht. Helaas je ziet er zelden iemand.

Terug in de tijd. In de zomermaanden speelden we met hele families uit de Looksingel en Hof van Delftstraat balletje trap of bussietrap op het Berkenpleintje. Het pleintje dat is ingesloten door de zojuist genoemde straten. Nog even na het eten naar buiten om de bal of het busje zover mogelijk weg te trappen en je te verstoppen. Is er nog gelegenheid voor, vraag ik me af, of worden woningen zo gebouwd dat ze direct aan de weg worden gebouwd en er geen plek is achter de huizen, zoals dat bij ons was.

Ik weet het verkeer is toegenomen en de auto’s moeten ook ergens blijven, maar wat een mooie tijd was. Soms hunker ik er naar terug. Nee, niet op mijn huidige leeftijd, maar de leeftijd van toen. Waar je naast het spelen rondom het huis, de polder in trok om te gaan slootje springen. Boeven in de dan te bouwen woningen. Klimmen in de skeletten die er van de huizen staan. Het is niet meer mogelijk. En dan, je moet je toch vermaken, ga je gamen, zit je hele dagen achter een playstation en kijken je ouders je toch naar buiten. Maar buiten is niks. Nee spelen buiten of op straat is zo goed als niet meer mogelijk.

385. Ik heb daar geen boodschap aan, zegt ze

Toch wel een bijzondere dag. Rijden in de witte MUS, druk, druk, druk, bijzondere mensen. Een enerverende dag met veel ritten en passen en meten. Maar iedereen is er gekomen en iedereen is ook weer opgehaald. Een heerlijke dag.

De zwarte MUSSEN moeten worden opgepimpt. Nieuwe stoelen, lekkages verhelpen, kijken naar de actieradius en het oplossen van de startproblemen. Er wordt een hoop geld voor betaald, dan mag je ook kwaliteit terug verwachten. Gebleken is dat je van een tweede hands karretje nooit een nieuwe kan maken. Één van de MUSSEN is meegenomen en daarvoor is een wit karretje teruggeleverd ter vervanging. Gekscherend de ‘bruids’MUS genoemd.

Op maandag krijg ik mijn werklijst doorgestuurd. Slechts drie ritjes staan er op. Waarvan één een combinatierit. Deze wordt altijd in het geel aangegeven. Ik kijk er even naar en kom al snel tot de conclusie dat me dat niet gaat lukken. Er is een onhaalbare vertrektijd op de lijst terecht gekomen. Een klant ophalen aan de ene kant van het dorp en vijf minuten later een volgende aan de andere kant van het dorp dat gaat het niet worden. Later op de dag komt er een ritje bij voorafgaand aan de combinatierit.

Zo’n twintig minuten voor de eerste rit begeef ik me naar Akkerleven. Ik pak de sleutel en de telefoon uit het sleutelkastje en wandel richting de MUSSEN. Bij de witte MUS staat het raampje aan bijrijderskant nog open. Kennelijk vergeten dicht te doen, door mijn voorganger. Ik gooi alle sloten los van het karretje, wetende dat ik een vrouw op moet halen met kind. Ik rijd naar de familie toe. De meubels staan voor het grof vuil aan de straat. De gordijnen zijn potdicht. Er komt een jonge vrouw naar buiten met in haar handen een autostoeltje. Er ligt een kleine dreumes in die mij aankijkt met zijn donkerbruine kijkers. Hij begint direct te lachen. Zijn broertje loopt achter zijn moeder aan. Mevrouw komt uit Somalië. Ze moet met de jongste naar het ziekenhuis. Als ze tegen mij praat glanzen haar parelwitte tanden. Ze doet het in het Nederlands, al moet ik goed opletten. Onderweg praat ze aan een stuk door. Haar man is niet hier. Hij is in Italië. Ze woont sinds kort met haar drie zoontjes op het dorp. “Mooi dorp”, zegt ze, “lieve mensen.” Ik breng de familie naar het ziekenhuis en geef haar een telefoonnummer mee voor de terugrit. Omkeren en terug naar Schipluiden.

Twintig minuten later opnieuw op pad voor de combinatierit. Ik ga iets eerder. Dat wordt niet in dank afgenomen. “Je bent te vroeg”, zeg mevrouw, “ik moet nog naar het toilet en afscheid nemen van mijn hondjes.” Ik neem het voor lief. Dan komt mevrouw naar buiten en heeft een rollator en een rolstoel bij zich. “Moeten ze beiden mee”, vraag ik haar. “Nee alleen mijn rolstoel.” Ik heb geen rek achterop dus de rolstoel moet achterin. Het probleem is dat mijn mede-passagier van de combinatierit dan niet mee kan. “Ik heb daar geen boodschap aan”, zegt mevrouw als ik aangeef dat het lastig gaat worden. “Ik moet wel op tijd in het ziekenhuis zijn”, geeft ze aan. “Maar dat moet meneer die ik op moet halen ook”, probeer ik nog. Mevrouw heeft een standaardzin: ‘Daar heb ik geen boodschap aan.’ Ik schakel de coördinator in. Één van de MUSchauffeurs leest mee en biedt spontaan aan om met zijn eigen auto de andere klant op te halen en weg te brengen. Top.

Ik breng mevrouw naar het ziekenhuis en bij aankomst vraagt ze me haar naar binnen te rijden. Ik zet haar bij de receptie af en rijdt terug naar de basis. Even een kopje koffie. De onderhoudsmonteur van het karretje komt een van de MUSSEN omruilen. Ik zorg dat ik er bij ben. Dan gaat de telefoon. De mevrouw uit Somalië kan worden opgehaald. Ik laat de koffie voor wat het is en ga op stap naar Delft. Mevrouw staat al buiten te wachten. Ik ben met de zwarte MUS, ze heeft me even niet in de gaten. Ik stap op haar af en pak het autostoeltje op. “Ah, nu ik zie”, zegt ze, “MUSchauffeur.” Opnieuw een heel gesprek over o.a. hoeveel vrouwen een man in hun cultuur mag hebben. Over het onderzoek dat haar zoontje heeft ondergaan. Ik zet ze thuis af en breng het autozitje tot aan de deur, dan neemt zij haar jongste over. Zwaaiend nemen we afscheid.

Om even voor twaalf uur komt de monteur aan rijden. Even een kletspraatje en dan snel eten want daar is straks geen gelegenheid meer voor. Dan belt mevrouw uit het ziekenhuis. “Wil je me komen halen? Ik sta in de hal.” Oké en eten dan? Ik ga naar het ziekenhuis en haal mevrouw op in de hal. Dan kom ik een klant tegen die net een chemo achter de rug heeft. Ik probeer belangstellend een praatje met hem te doen als er op het raam van de MUS wordt getikt. Mevrouw ‘gebiedt’ me om weg te rijden, ze moet zichzelf spuiten en dat moet nauw gezet. Een race tegen de klok want om kwart voor een staat de volgende rit op het programma. Ik zet mevrouw af en rijd door naar huis. Staand aan het aanrecht schuif ik mijn boterhammen naar binnen, maar vergeet daardoor de klant van kwart voor een. De telefoon gaat. De coördinator belt. “Ben je de mevrouw van 12:45 uur vergeten?” Oeps snel mijn boterham mee en naar Den Hoorn. Ik rijd te hard, ik weet het, maar heb een klant die wacht. Een tegemoetkomende bewoner van de Tramkade tikt op het voorhoofd. Ja, ik weet het.

In Den Hoorn kan ik de straat en het nummer van de klant niet snel genoeg vinden en rijd verkeerd. Na wat zoeken tref ik mijn nog jonge medepassagier. Ze moet naar Schipluiden. Ze vertelt haar levensgeschiedenis terwijl ik haar nooit eerder heb ontmoet. Een triest gebeuren. Ik houd me aan de snelheid en zet haar af bij het Gemeentehuis. Daar kom ik ook de bewoner van de Tramkade tegen. Ze heeft een klacht ingediend bij de Gemeente over het rijgedrag van de MUSchauffeurs. Ik bied haar mijn excuses aan en nogmaals en nogmaals. Mevrouw vindt dat we goed werk doen maar “let alstublieft op uw snelheid”, geeft ze nogmaals mee. Ik beloof het. Ze steekt haar duim op als ze wegrijdt. Op naar het volgend adres. Iemand moet vanuit Schipluiden naar de winkels in Den Hoorn. Ik heb haar net opgehaald als mijn telefoon weer gaat. Degene die door mijn collega is weggebracht naar het ziekenhuis kan worden opgehaald. Oei, hoe nu? “Geef me twintig minuten”, zeg ik. Ik rijd rustig met mevrouw naar Den Hoorn en zet haar af. Onderweg rijd ik de bewoner met de klacht weer achterop. Langzaam passeer ik haar. Ze steekt haar duim op. Na mevrouw in Den Hoorn te hebben afgezet spreek ik af dat ik zo terug ben met de klant uit het ziekenhuis.

Meneer staat met zijn dochter al te wachten in de hal van het ziekenhuis. “Heeft u tijd?, vraag ik de man. “Alle tijd van de wereld”, zegt hij, “er wacht niemand op mij.” “We halen iemand op in Den Hoorn.” “Oh, leuk”, zegt de man. We rijden richting Dijkshoornseweg en treffen mevrouw. Ze is nog niet klaar. “Wil je koffie?, zegt de winkelier, “het duurt nog even.” Dat ga ik niet doen staat niet netjes naar mijn passagier die in de MUS zit te wachten. Eenmaal klaar direct terug naar Schipluiden, waar mijn volgende klant wacht. Een ritje Albert Heijn en appelvrouwtje. Ik help de man bij de Appie aan een karretje waardoor zijn rollator thuis kan blijven. Als ik buiten wacht gaat mijn telefoon. Mevrouw bij het gemeentehuis is klaar en kan worden opgehaald. Ik ben net aan op weg om meneer weer thuis te brengen als mijn telefoon opnieuw gaat. Er staat een echtpaar bij het ziekenhuis dat graag naar huis wil. Ik rijd naar het gemeentehuis en haal mevrouw op. Ik bespreek even met de naast mij zittende passagier om nog iemand op te halen. “Heeft u er dan bezwaar tegen om achterin te gaan zitten.” Dat is geen probleem.

Bij het ziekenhuis staat het echtpaar al te wachten. Meneer zit in een rolstoel van het ziekenhuis. Het is even tobben maar dan is ook hij binnen en kunnen we op pad. Meneer bromt heeft een bloedtransfusie gehad en dat is hem zwaar gevallen. Ik zet het echtpaar als eerste thuis af en rijd door om de andere vrouw af te zetten. Even is het stil. Een half uurtje. Terug naar de basis, Akkerleven, om van karretje te wisselen. Even een kopje cappuccino. Ook daar zijn mensen die bedient willen worden. Een man schuift aan het tafeltje waar ik zit. “Kan u even koffie voor mij halen”. Natuurlijk pak ik ook dat op. Even later ook nog een vrouw die plaatsneemt naast me. “Ik ken u”, zegt ze. Ze komt mij niet bekend voor en ik ken toch heel wat mensen. Ook zij vraagt om een kopje koffie. Natuurlijk.

Om half vijf mijn laatste rit. Van stichting Au Boulot in de richting Vlaardingen, net binnen de grens waar we rijden. Altijd een feestelijk afsluiter van de dag. De jongen zit in de dagopvang en kijkt uit naar de MUS rit. En ik ook. Hij rijdt mee, letterlijk en figuurlijk. Klets de oren van je hoofd. Heerlijk. Thuis staat zijn moeder al te wachten. Nog even een praatje en dan de spits in, terug naar Akkerleven. Een ongelukkige tijd om met dit karretje terug te rijden. Men gunt je vaak geen ruimte, waar ik bijna alle inhammen stil sta om auto’s voor te laten gaan. Degene die me achterop rijden, maar ook die je tegemoetkomen. Soms gaat het vingertje omhoog, maar regelmatig is het de arrogantie die het wint.

Om kwart over vijf zet ik de MUS weer aan de spanning. Ik ben terug op de basis. Een drukke dag is ten einde. Volgende week is er weer een volgende dag.

380. Man, man, man, wat een wind

Er staat een stevig windje. Net geen code geel, maar er tegen aan. Ik moet al vroeg aan de bak. Vanuit Schipluiden een mevrouw ophalen in Den Hoorn. Voor de rest van de dag staat het schema met VOL aangeduid. Dat betekent 10 of meer ritten.

Wanneer ik om kwart voor negen aan kom bij Akkerleven waar onze MUSSEN staan gestald is de receptie nog niet bevrouwd. Geen “goedemorgen” dit keer. Ik druk de code in van het sleutelkastje en neem voor de zekerheid allebei de sleutels mee. (Sinds kort rijden we met twee MUSSEN. Niet tegelijkertijd, maar één actief en de ander aan de oplader. Zo kunnen we altijd adequaat tot actie overgaan.) De MUS-telefoon gaat mee en ik kan aan de slag. Ik haal één van de MUSSEN los van het stopcontact en kan op weg. Het gaat lekker hard, voor de wind, dan zou je zo maar 50 km kunnen halen. Op het vrijwaringsbewijs staat echter dat er niet harder dan 15 km mag worden gereden op fietspaden. De wind blaast onder één van de deuren door. Er ontbreekt een tochtstrip. Een fluitend geluid begeleidt mijn rit. De wind geeft regelmatig een ruk aan het karretje. De golven van het water komen flink omhoog. Het is opletten geblazen. Bij de kerk in Den Hoorn sluit ik aan bij een groepje fietsers dat staat te wachten voor het rode licht. Wanneer het licht op groen springt en een van de fietsers optrekt rijdt er een auto door het rode licht. Het gaat net aan goed. Ik rijd richting bibliotheek waar ik een vrouw moet ophalen. Het is niet makkelijk om op het plein te komen, dan moet ik de stoep op. Omdat ik heb gezien dat mevrouw een rollator bij zich heeft durf ik het wel aan en rijd via de stoep over het plein naar de bieb. Ik parkeer mijn MUS en tegelijk komt mevrouw naar buiten. “Fijn op tijd, meneer”, zegt mevrouw. Ik plaats haar rollator achterin en help mevrouw met instappen. Ze heeft ouderwets een hoofddoekje om haar hoofd geknoopt. “Wat een wind, hé”, zegt ze. Mevrouw gaat in de praatmodus. Ze vertelt waarvoor ze naar het ziekenhuis gaat en dat haar kleindochter haar daar opvangt. Ik vraag of ze ook met me mee teruggaat. “Nee hoor”, zegt ze, “mijn kleindochter komt van Leerdam en brengt mij thuis. Ze drinkt een kopje koffie bij me.” Bij het ziekenhuis stapt mevrouw uit. “Kom eens met uw hand”, zegt ze en stopt er dertig cent in. “Dank u wel mevrouw.”

Dan door naar de was-en-koffie. Even de was ophalen die gisteren is gebracht en nu gewassen en gestreken weer mee terug gaat. “Bakkie, Aad”, zegt de leidinggevende van de deze locatie. Dat sla ik niet af. Een medewerkster van Stichting Welzijn Midden-Delfland sluit even aan. “Leuke blog van een trotse vader”, zegt ze. Ze doelt op de blog die ik afgelopen zondag schreef over het laatste optreden van René. Nog even nemen we een kwestie door over mantelzorg. Na een tweede kopje koffie rijd ik terug naar Schipluiden. Ik heb even rust en kan thuis even langs voor een derde kopje koffie. Bij Akkerleven aangekomen geeft de display van de batterij aan dat ik al in het oranje rijdt. Dat betekent na een rit al wisselen van karretje. Veel te snel is mijn mening, maar volgens het lease-apparaat zijn het zelflerende batterijen en worden ze steeds voller naarmate er meer wordt opgeladen. Ik zocht er naar op internet maar kan dit niet vinden. Is dit een verkooppraatje. Een dure dan.

Even thuis voor een kopje koffie en direct maar eten, daar is straks geen tijd meer voor. Het is 11:00 uur.

Omdat er voor de middag te strak is gepland probeer ik wat tijd te winnen. Om even voor twaalven ben ik weer op weg om een karretje op te halen. Beiden staan aan de oplader. Ik pak degene die ik niet eerder heb gebruikt en ga op pad. Verdorie, de veiligheidsgordel blijft niet in de houder zitten. Even melden. In de straten liggen vuilcontainers op de weg geblazen. Ik raap er twee op en zet ze aan de kant. Opnieuw naar Den Hoorn. Daar kom ik tien minuten eerder aan dan afgesproken. Er wordt niet open gedaan. Nog maar eens bellen. Dan komt mevrouw aanlopen. “Mijn dochter die mee zou gaan is er nog niet”, zegt mevrouw. “Ik ga haar even bellen.” Ze is er snel. We kunnen opnieuw op pad. Het ziekenhuis is de eindlocatie.

Ik zet mevrouw af en ga op pad om mijn volgende klant op te halen. Wederom terug naar Schipluiden. En wederom mijn accu in het oranje. Weer wisselen en iemand ophalen die naar het Plein in Den Hoorn moet. Ook hier ben ik ietsje eerder. Terug langs het water naar de fysio. Onderweg vallen drie fietsende scholieren over elkaar heen. De wind. Ik spreek met mijn bijrijder af dat ik ongeveer de afgesproken tijd weer bij hem ben, maar dat het afhangt van een rit uit het ziekenhuis. Zijn ze daar op tijd klaar?

Een mevrouw die ik om 13:45 uur op zou halen bel ik even. Ik ben twintig minuten eerder. Het is goed, ze gaat direct mee. Nu heb ik ruimte in mijn schema. Ik breng mevrouw naar Akkerleven en wissel opnieuw van MUS. Een man uit Akkerleven gaat voor het eerst mee met de MUS. Hij vindt het spannend. Hij is met zijn dochter en moet naar het ziekenhuis. Onderweg geeft hij aan dat hij mij nog van vroeger kent. Hij kent me bij me voornaam en zegt dat ik hem ook bij zijn voornaam mag noemen. Leuk. De man is geïnteresseerd en vraagt honderd uit. Zijn dochter luistert op de achterbank. Bij het ziekenhuis aangekomen is mijn eerdere afgezette klant nog in geen velden of wegen te zien. Ik besluit om even te wachten en laat mijn MUS op de shuttle-parkeerplaats staan. Na tien minuten komt mevrouw met haar dochter aan. De gehuurde rolstoel gaat in de stalling en mevrouw stapt alvast in. Even later heeft haar dochter ook een plekje. Terug naar Den Hoorn.

Mijn eerdere passagier, waar ik een afspraak mee maakte, zit inmiddels te wachten op een bloembak. Hij gaat terug naar Schipluiden. Dan door naar Akkerleven. Een oudere man gaat naar Albert Heijn en het ‘Appelvrouwtje’. Ik help hem de MUS in en rijd inmiddels in het batterij-rood richting Appie. Na het ophalen van een boodschappenkarretje laat ik de man uitstappen. Nu heeft hij een steuntje om te wandelen. Ik help hem de Albert Heijn in. Het waait om het gebouw en de 91-jarige is niet meer zo stevig gebouwd. Ik moet oppassen dat hij niet als vlieger de lucht in gaat. Even wachten tot hij zijn boodschappen heeft gehaald. Dan krijg ik zijn portemonnee om wat appels te halen. Hij neemt plaats in mijn karretje. Even later ben ik terug en breng hem weer terug naar Akkerleven. MUS 1 gaat naar de oplaadplek.

Nu is het wachten tot mijn klant uit het ziekenhuis belt. Ik hoef slechts kort te wachten dan kan ik weer met MUS 2 op pad. Na zo’n 500 meter ben ik al twee blokjes kwijt van de batterij. Zou ik het halen? Bij het ziekenhuis komt meneer al met zijn dochter aan. De rolstoel gaat weer naar de stalling. Op weg terug naar Akkerleven. We rijden net op het fietspad als er een vrouw omver wordt geblazen. Ze valt over haar fiets heen. Ik kan net op tijd stoppen. Mijn accu staat opnieuw in het oranje. Fietsers worden heen en weer geblazen over het fietspad. Het blijft opletten, helemaal als er scholieren ook nog hun mobiel denken te moeten gebruiken. Om kwart voor vier is meneer weer thuis. Hij vindt het fantastisch en is zeker van plan om vaker mee te rijden.

Mijn volgende rit is om half vijf. Beide MUSSEN staan weer onder spanning. Tijd voor een kopje koffie, nr. 4 die dag. Ik ontmoet er een collega MUS-chauffeur. Samen drinken we dat kopje koffie. We bespreken de stand rondom de accu’s. Het blijft een wonderlijk verhaal dat ze beter gaan worden naar gelang ze vaker zijn opgeladen. Voorgesteld wordt om eens na te denken over een Toyota Aygo of iets soortgelijks. We zijn sneller ter plaatsen en dat moet flink goedkoper zijn. Maar wie kaart het aan?

Om even over half vijf komt mijn laatste klant naar buiten wandelen. Ik neem haar mee terug naar Den Hoorn. Dan onderweg rijden we een hardloper achterop. Hij heeft op zijn hoofd, armen en benen allemaal tatoeages. Het ziet er indrukwekkend uit. Dat ziet een tegemoetkomende fietser ook. Hij kijkt hem achterom na maar let echter niet op het verkeer dat naar hem toe komt rijden en rijdt bijna bovenop mij. “AAD, KIJK UIT”, schreeuwt mijn medepassagier. Ik kan net op tijd remmen. Het gaat opnieuw maar net goed. Ik zet mevrouw thuis af en rijd de MUS voor het laatst vandaag naar Schipluiden. Een drukke dag, het lijkt op een baan, maar wel een leuke.

372. De Dijkshoornseweg en haar bewoners

Vooraf: Ik sprak onderstaande tekst uit bij Over de Dijk, een cultureel festival van Cultuurstek Den Hoorn. Niet iedereen heeft een plekje kunnen bemachtigen bij mijn vertelling. Omdat ik inmiddels meerdere e-mailtjes heb ontvangen om de tekst toegestuurd te krijgen, plaats ik deze op mijn website. Ik wens je veel leesplezier.

Aad, wat weet jij van de Dijkshoornseweg in Den Hoorn? Het zou zo maar een vraag kunnen zijn die men kan stellen bij de Slimste Mens, versie Cultuurstek. Ik ben geboren in Den Hoorn, dus voor mij is het een gemakkelijke vraag. Maar heb ik ook alles goed onthouden van de bewoners en gebouwen? Daarnaast, mijn vader is geboren is op de Dijkshoornseweg, dat dan behoort aan Hof van Delft. Den Hoorn is al eeuwen oud. Al in 1317 komt men de naam Dijkshoorn, zoals Den Hoorn vroeger heette, tegen in rekeningen van de graaf van Holland. De Dijkshoornseweg oorspronkelijk aangelegd als waterkering, een dijk om het oostelijke gebied, de latere Voordijkshoornsepolder, te beschermen. Langs de dijk lopen twee slootjes. Meer bagger dan water.

Er vestigen zich boeren en later tuinders, weer later worden tuinders- en boerenbedrijven uitgekocht en komt er woningbouw voor in de plaats. In 2004 vindt er iets historisch plaats. De gemeente Schipluiden en Maasland gaan samen verder onder de naam Midden-Delfland. Als dit gebeurt krijgt Delft er een paar stukken van Den Hoorn bij: delen van de Voordijkshoorn en een heel stuk Harnaschpolder. De bewoners van de Dijkshoornseweg die er onder vallen begrijpen niets van die beslissing. De Dijkshoornseweg wordt in drieën gesplitst. Het eerste deel, gezien vanuit de kern Den Hoorn, valt onder Midden-Delfland. Dan een deel dat aan Delft gaat behoren om vervolgens het laatste stuk weer aan Midden-Delfland te laten. Bewoners ouder dan 12 jaar krijgen nog een Schipluidense pas, zij hebben een emotionele binding aan Den Hoorn. Ben je jonger dan krijg je die pas niet. Wat de waarde van die pas is wordt niet meegedeeld.

Ik neem u mee naar de zestiger jaren. In die jaren wordt het pand van opa Bak, Dijkshoornseweg nr. 1, nadat hij is overleden, flink onderhanden genomen en vestigen Schipluidenaren Henoch en Cees van der Burgh zich op de hoek van de Hoornsewal en Dijkshoornseweg onder de naam: Corona, als elektronicazaak. Menig eerste tv-toestel in Den Hoorn is door hen aan de Hoornse bevolking verkocht. Naast Corona het slob. De familie Leet Schenkeveld neemt er hun intrek. Een van de zoons krijgt de bijnaam Hoena. Nadien woont Jan de Vette er met zijn gezin. Hij werkt als bakker bij Warmenhoven. Er is een kleine voordeur aan de Dijkshoornseweg en een achterom in de poort. Later trekt de familie Teuthof in dit huisje. Zij woonden hier met drie jongens, Paul, Rob en Lex.

Aan dezelfde kant van de weg een rijtje kleine arbeidershuisjes van de familie Koop. Een bekende familie die er heeft gewoond is het gezin van Dirk van Zanten, wonend op nr. 5.. Hij heeft veel karakteristieke woningen uit Den Hoorn getekend. Dirk was getrouwd met Doortje Nowee. Zij was er geboren. Haar vader en moeder Leen en Geertruida, kregen in dit huisje 15 kinderen. Leen Nowee, Doortje’s vader dus, werd vol trots ‘Het Vaandel’ genoemd. Nowee liep altijd met het vaandel vóór de muziek uit. Leendert zag je op latere leeftijd regelmatig in donker kostuum en hoedje op al wandelend zijn blokje om lopen. Zijn zoon Cor was ‘de kromme’ want van rechtop lopen had hij nog nooit gehoord. Een andere bijnaam was ‘prummeltje’ omdat hij klein van stuk was. Daarnaast komen we familienamen tegen als Klok, Gordijn en Bekkers en ook mijn jongste broertje Loek heeft er enige tijd van zijn leven doorgebracht. Het laatste huis voor de poort bij de bakker is een grotere woning hier woont de weduwe Van Marrewijk. Nadat zij is overleden dient het pand enige tijd als opslag voor de bakker. Weer later koopt Tom Mollier het pand. Hij vestigt er een kapperszaak in. Hij is overigens de tweede kapper in de straat, want bij Van Galen aan de overzijde van de straat, kan je je haar al veel eerder laten knippen. Van Galen is een thuiskapper. De winkel van Mollier is thans de kaas- en notenbar van Wessels. Als je de poort onderdoor gaat kom je uit bij het huisje van Hein Holierhoek. Dit huis werd later toegevoegd aan de bakkerij. Aan de andere kant van de poort was die bakkerij, van Cees Koop. Cees had er ooit de bakkerij overgenomen van zijn vader. Na de oorlog wordt de bakkerij overgenomen door bakker Piet Warmenhoven. Piet Pils, zoals hij als bijnaam kreeg. En dat was niet omdat hij regelmatig frisdrank dronk. In de winkel bedient zijn altijd deftige geklede vrouw de klanten. Zij hebben een mooie dochter, Carola. Ik was er verkikkerd op. Ik heb er vakantiewerk gedaan en rijd er met Toon Duifhuis of Jan Gerritsen CorZn. op de bakfiets de Dijkshoornseweg af om er brood te verkopen. Zittend op het spatbord van het wiel van de bakfiets rijden we tot aan het Bonthuis en zijn er een hele zaterdag mee bezig. Naast de bakkerij zit het slachthuis en de slagerij van Van Rooijen. Vader Dries, klein van stuk en kromme benen, vanwege het varkens vangen, werd gezegd, voert er de leiding. Hij koopt zijn koeien bij boeren uit het dorp en Abtswoude. Hij heeft er zijn eigen slachthuis. Wekelijk worden er de botten opgehaald door een grote vrachtwagen. Ze worden afgevoerd naar de Lijm- en Gelatinefabriek. Mannen met een witte kap over hun hoofd brengen er af en toe delen van reeds geslachte dieren. Een van zijn meesterknechten is Toon van Bergen Henegouwen. Andere slagersknechts, Aad Keuzekamp en George Vermeulen. Nadat vader Van Rooijen stopt gaat de zaak over naar zijn zoons Lau en André. In 1960 wordt de winkel heropend op het moment dat mijn oma boven aarde staat. De festiviteiten rond de opening worden enigszins aangepast omdat men het niet gepast vindt om er een groot feest te vieren. Later is de winkel overgegaan naar Slagerij van Geest.

Naast de slagerij een deftige woning, een voormalige tuinderswoning van Willem Bentvelsen. Later wordt het huis in twee delen gesplitst en is de ene kant voor de vrijgezellen dames Bentvelzen. De ‘tantes’ worden ze genoemd. Het huis verliest zijn functie als tuinderswoning nadat het achterliggende land is verkocht voor nieuwbouw aan de Hof van Delftstraat. In het andere deel van de woning wonen Bert en Bets van Leeuwen, gekscherend Jozef en Maria genoemd. Zij kregen in het kleine huisje vijf meisjes en een jongen, Gerard. Bets van Leeuwen – Bentvelsen leeft nog en is in de gezegende leeftijd van 100 jaar. Zij is op 8 februari 2019 101 jaar oud geworden. Ze heeft nog een ijzeren geheugen heb ik kortgeleden ervaren, nadat ik haar dochter Leny heb gesproken.

Dan een even niets om vervolgens de woning van Jan Keijzer en Pia Bentvelsen tegen te komen. In het gezin worden alleen jongens geboren, net als bij ons thuis. Daar aansluitend staat de tabakswinkel van Lannetje van Velzen. Van Velzen is ooit begonnen in een schuurtje met de verkoop van sigaren en sigaretten. Het schuurtje stond schuin aan de overzijde waar anno 2019 Zoes is gevestigd. De locatie van Van Velzen wordt dan ook ’t Schuurke genoemd. Meneer van Velzen krijgt de bijnaam Lannetje, omdat zijn voorletters L.A.N. zijn en de man klein van stuk is. Zijn eigenlijke naam is Leo. Zijn ietwat deftige echtgenote kan zich boos maken als men Lannetje zegt. “Hij heet Leo”, zei ze dan enigszins geaffecteerd. Later wordt het ook het postagentschap. Daarna komt het in handen van de familie Bouter, Janus en Mien, en wordt het weer later een Primera. Inmiddels heeft de tweede generatie Bouter de winkel verlaten en heeft het een nieuwe eigenaar. Naast de winkel van Van Velzen is een kleine werkplaats waar, de aan de overkant van de straat wonende, Toon Wilmer schoenen repareert. Bert Gerritsen is er zijn ‘leerling schoenmaker’.

Tussen de tabakswinkel van Van Velzen en de winkel van Cor en Toos van Dijk-Arkesteijn die manufacturen en kleding verkopen, heb je de achterzijde van GEKA, Garage Kleijweg. De hoofdingang van het garagebedrijf van Kleyweg ligt aan de Hof van Delftstraat, met een doorgang naar de Dijkshoornseweg. De benzinepomp midden in het dorp is een druk bezocht punt. Toos Spek, die eigenlijk Van der Drift heet na haar huwelijk, bedient de pomp. Toos is een bekende voor iedereen. Er kan nog op de lat worden getankt.

Een beetje uit de loop van de Dijkshoornseweg het woonhuis en winkel van Loek Loomans. Loomans heeft een groot gezin. Vader Loomans haalt de respectabele leeftijd van 100 jaar. Aan het driehoekig plantsoentje begint hij met een winkel in spullen voor electra. Hij krijgt dan ook de bijnaam Loek ‘Lampie’ Loomans. Men verkoopt er o.a. lampen, stopcontacten, zekeringen, draad en pijp. Later wordt het een echte doe-het-zelver en breidt het bedrijf zich o.a. uit met een groot assortiment verf. Als je binnen gaat tingelt er een belletje dat boven de toegangsdeur is bevestigd en komt meestal moeder of een van de kinderen naar beneden. Dochter Jos neemt later de zaak over. De familie Loomans woont met de familie Van Dijk in een portiekje, waar vier deuren de toegang gaven tot winkel en woonhuis.

We gaan even terug richting Hoornsekade. Op de hoek Hoornsekade/Dijkshoornseweg woont Fried Koop, mede oprichter van Benfried. Daarnaast heb je het groentehalletje van Marius Bernöster. Hij duwt zijn trapfiets vaak voort. Naar mijn idee kan hij met zijn korte beentjes niet bij de trappers van de bakfiets. Men moet hem regelmatig een duwtje geven als hij de Hoornsebrug over moet. Naast Marius, het aannemersbedrijf van Toon (A.F.) Keijzer. Met zijn vier zoons, Jan, Joop, Ben en Ton, een echt familiebedrijf. Inmiddels hebben achterkleinzoons van deze Toon weer diverse bedrijven op het gebied van bouw-, metsel- en loodgieterswerkzaamheden opgestart. Daar weer naast is de smederij annex fietsenwinkel van Ot en later zoon Jan Groen gevestigd. Jan is jarenlang ‘de brandweercommandant’ van de vrijwillige brandweer van Den Hoorn. Na zijn pensionering neemt Jan Keijzer deze functie over.

Een poort scheidt de winkels en bedrijven van het rijtje huizen waar mijn vader is geboren. Arbeiderswoningen, vaak met grote gezinnen. De familie Lekkerkerk is de opdrachtgever om eerst in 1903-1904 de tweede rij, het dichts bij de PlusMarkt, te laten bouwen. De eerste rij, meer liggend naar de Hoornsekade, volgt in 1909-1910. Ik herinner me nog de plee die op de achterstraat buiten was. De huizen kennen nl. geen toiletvoorziening in huis. Achter het huis staat een schuurtje, waar je, ook ’s nachts en ‘s winters, buiten op de pot moet. Je licht een deksel op en neemt plaats op de altijd koude, stenen rand van de ton. Wc-papier is er niet, dat is de krant van gisteren, die in repen is geknipt of gescheurd. Een keer in de twee weken komt de ‘tonneur’ of ‘pleeboy ’ met de boldootkar voorbij. Het merk Boldoot is al snel zo bekend dat de karren die destijds huis aan huis de poeptonnetjes komen legen, schertsenderwijs boldootwagen worden genoemd. De tonnen worden geleegd in de vaart. De twee rijen worden gescheiden door een poortje, fietsstuur breed. Aan het eind van de poort heeft men een waterput gemetseld. Met het water uit de put worden de achterplaats en de stoepen aan de voorzijde elke vrijdag geschrobd. Enige bekende bewoners van deze woningen zijn: Vader Floop Schenkeveld, hij woont er met zijn dochter Ploon. Zij trouwt later met de weduwnaar Cor Rieken en blijft in de rij wonen. Overige bewoners uit de twee rijtjes: de familie Quak, Van der Lans, Van Galen, Van Meurs, Van Leeuwen (bijnaam Jan Rat). Verder, nadat de familie Quak de Dijkshoornseweg heeft verlaten trekt Louis de Gier (bijnaam de Lord) in die woning. Aan de andere kant van de poort Aad de Gier, waar wij altijd op woensdagmiddag televisie gaan kijken, Theo Schenkeveld, hij heeft de bijnaam Theet de Krul, vanwege zijn kuif voor op zijn hoofd. In die rij ook Loek Kuipers, met zijn kromme benen een bekendheid in het dorp. Hier hangen de afkeuringslijsten op het raam. Je kan er zien of jouw voetbalwedstrijd al dan niet doorgaat. Tot op vrij hoge leeftijd speelt Loek zijn voetbalwedstrijden in een veteranenteam. Daarnaast de schoenmaker/uitvaartverzorger Toon Wilmer. Toon, de dorpsschoenmaker’, is ook doodgraver en -bidder. Hij verzorgt begrafenissen en daarbij behoort ook het bidden van de rozenkransgebed hetgeen door hem op een onnavolgbare manier wordt afgeroffeld. In het voorlaatste huis woont bode Biemans en in het laatste huis van het rijtje woont Bergwerff. Deze woning wordt later bewoond door Riet en John Reijpert. John krijgt al snel de bijnaam “John Soep”. Hij werkt voor een bedrijf dat allerlei soepen en kruiden verkoopt.

Vervolgens een poort dan een schuurtje van de schillenboer Koene. Hij heeft hier zijn hond zitten waarmee hij schillen ophaalt in het dorp. Dan het witte huis van de familie Van der Vaart. Hein van der Vaart heeft een groot gezin. Zij hebben een talentvolle voetballer in huis, Reinier, hij gaat voetballen voor het toenmalige Holland Sport. De eerste betaalde voetballer van Den Hoorn. Op het moment dat de schuur van Koene wordt afgebroken krijgt Van der Vaart er een buitenplaats bij. Ze noemen het een pleintje. Er heeft jaren een straatnaambordje op het huis gehangen met het ‘Van der Vaartpleintje’.

Op de hoek van de Dijkshoornseweg en de Pr. Beatrixstraat het transportbedrijf/melkrijder van Arie van den Berg. Hij houdt er midden in het dorp ook zijn beestjes. Koetjes en varkens. Het stinkt er altijd in deze omgeving, een penetrante varkenslucht komt uit de staldeuren. Als we naar school gaan moeten we er langs. Hij heeft ook een vrachtwagenweegbrug op het terrein. Eind 80-er jaren worden de woning van Van der Vaart en de woning en stallen van Van den Berg afgebroken en start GAM van Leeuwen met zijn project. Leeuwenberg. De naam is een samenvoeging tussen Van Leeuwen en Van den Berg. Op 24 oktober 1990 wordt het complex in gebruik genomen.

We steken de Pr. Beatrixstraat over. Opnieuw een rijtje arbeidershuisjes. Wat ik er van weet is dat er vooral protestantse mensen in woonden. De contacten en verhoudingen tussen katholieken en protestanten zijn in die tijd niet optimaal. Zo erg dat de aanvang- en eindtijden van scholen een kwartier uit elkaar liggen, zodat men elkaar niet tegenkomt. Gelukkig is dat niet meer. Op de hoek woont Arend van Geest met zijn gezin. Hij rijdt in het begin met een mandenfiets rond om zijn comestibles, fijne vleeswaren, kaas en eieren te bezorgen. In zijn mond altijd een klein peukie. Later opent hij een winkel aan het Koningin Julianaplein. De familie Nowee woont er, waarvan een van de zoons Eddy heet. Wat mij opvalt in de bewonersnamen is dat ik over de gehele Dijkshoornseweg de familienaam Nowee tegen kom. Vanaf Dijkshoornsweg nr. 5 tot aan de Blauwe brug. Niet alleen katholieke gezinnen waren groot, ook aan protestantse kant kent men grote gezinnen. Terug naar het rijtje huizen, waar ik eerder over sprak. In de kleine huizen woonden ook de gebroeders Brouwer, tuinders, die er met hun huishoudster Marie wonen. Na het overlijden van de broers Brouwer en de huishoudster valt hun woning toe aan de katholieke kerk. Pastoor Leo de Groot neemt er later zijn intrek in. Dan woont er ook nog Gerard van Oosten, ook een tuinder. Verder in het rijtje Piet en Nel van der Gaag. In mijn herinnering werden zij vaak met de nek aangekeken. Nel herinnert zich een paar jaar geleden dat er ooit in de oorlog een bom is gevallen voor hun huizen. Het wordt serieus opgepakt door de gemeente. Men laat er zonder resultaat overigens, onderzoek naar doen. Familie Van der Gaag verliezen een zoon, Piet, op een nog jonge leeftijd, na een ongeval. Een bijzonder figuur in dat rijtje huizen is wel ome Freek. Hij woont in het allerlaatste huis van de tweede rij. Ome Freek is Freek Steenks. Een echtpaar zonder kinderen, maar wel iemand die kinderen probeert te vermaken. Rond Sinterklaas verkleedt hij zich als zwarte Piet en doet allerlei gekke dingen voor zijn slaapkamerraam. Een paar keer per avond strooit hij uit het raam Er staan vaak meerdere kinderen te kijken.

We steken over en gaan richting Sion. Daar komen we aan de linkerkant van de Dijkshoornseweg eerst de woning van Piet Eijgenraam, bijgenaamd Piet Pet, tegen. Een tuinder met louter dochters. Vier in getal. De man is in mijn herinnering lang. Hij had een kleine vrouw. “Anderhalve cent” noemen we dat. Dan komen we het bedrijf van Benfried tegen. Het bedrijf wordt opgestart op de weilanden van de familie Van Geest, waar Arend er een van is. Het heeft een ingang aan de Dijkshoornseweg, maar ook aan de Looksingel. Ooit opgericht door Ben Lansbergen en Fried Koop. Het bedrijf levert spullen aan de tuinbouw. Met chauffeur Lau de Kok mag ik regelmatig meerijden om meststoffen, buizen en andere materialen weg te brengen. Aan de voorzijde van de Dijkshoornseweg zit een benzinepomp, Witte Raaf, Ton van Wijk is daar een tijd de beheerder van. Daartegenover heb je de boerderij van Van Leeuwen, waar later het meststoffenbedrijf van Goeijenbier, onder de naam Perguano zijn zakken met mest verkoopt. Wim van Dijk, getrouwd met Truus van Leeuwen, dochter van de boer, is er vertegenwoordiger. De woning is thans de kapsalon van Rob Crijns. Daarnaast het land dat toebehoort aan de boerderij van Van Leeuwen.

Aan de kant van Benfried kom je verderop eerst een grote woning tegen waar Koos en Anna Arkesteijn in wonen. Daarnaast de Taswoning, in 1852 gebouwd aan een watering die uitkomt op de Lookwatering. Een Taswoning is een boerenwoning met alles onder één dak. Op het erf ook een hooiberg en stallen. Het is een groot huis waar Leen Arkesteijn, bijgenaamd Leen de Tas woont met zijn gezin. Daarnaast de tuinderij van Leen Eijgenraam. Platglas nog, waar later kasopstallen worden gebouwd. Nu is er de Look op gebouwd. Langs de stoeprand een slootje met een lage buis langs de walkant.

Voorbij de tuin heb je een smal paadje dat je leidt via een boogbruggetje naar de Lookwatering. Het is een verboden pad, is mijn herinnering.

Aan de overzijde tuinde Jan Kalkman sr. Daar ook vind je de familie Schrier. Zij hebben er wat beestjes lopen en halen met paard en wagen schillen op in het dorp. Hier zijn wat meer volkstuintjes, Hein van der Vaart en ook de Cor Nowee, die ik eerder noemde, verzorgen zo de inwendige mens thuis. Daarnaast een klein huisje waar ene Van der Windt woont. Van der Windt met dt, zoals mijn informant hen noemt.

Aan de overkant van de straat het witte kabouterhuisje, niet groter dan een forse bungalowtent. Het gezin Ruijgrok heeft er met 10 kinderen gewoond. In de jaren 50 emigreert de familie naar Canada. Daarna neemt Ton Koop er zijn intrek in. Hij krijgt er twee kinderen. Als ook hij het huis verlaten heeft wordt het een opslagplek van ene Henk Steijger, is eigenaar van de kistenfabriek in Delft. Ook hier doet hij iets met hout. Daarna heeft het enige tijd leeggestaan en wordt het een vuilopslagplek. Later maakt Joop Keijzer sr. er een opslagplaats van. Hij gaat er wonen nadat hij het huis heeft gekocht van Bep Koop in huize Veldzicht. Joop komt met zijn gezin vanaf de Emmastraat. In die tijd heeft men nog zicht over het veld. Vanuit het huis kijk je over het weiland tot aan de slinksloot, de tocht genaamd, tot aan Delft. Het land is van Boers, een koopman op de veiling die er wat vetweiders op heeft lopen. Naast Veldzicht een kleine kas met aangrenzend woonhuis. Dat is het huis van Cor en Bep van Paassen. Zij wonen er met hun dochter Plony en zoon Hans. Ook aan de overzijde is hij zijn bedrijf gevestigd. Een rails over de weg leidt naar de schuur bij het huis waar de sortering plaats vindt, zoals je dat op meer plaatsen in de Dijkshoornseweg tegenkomt.

Een sloot scheidt het perceel met de volgende bewoners, de familie Van der Maarel, dat later wordt overgenomen door de ondernemer Maarten Buijing van het gelijknamige tuincentrum annex surfplankenhandel. Maarten heeft met zijn zoons nogal wat succes bij surfkampioenschappen en besluit om naast zijn planten ook surfplanken te gaan verkopen.

Naast hem de familie Overgaag. Overgaag, met de bijnaam ‘de Waterpiano’. De geschiedenis verhaalt dat Overgaag na het melken zijn melkbussen geopend buiten zette zodat tijdens de regen de inhoud van die bussen vermeerderde en dat hij van die extra opbrengst een piano heeft gekocht. Het was bijzonder als je in die tijd een piano in huis had. Aan de overzijde het land van Overgaag. Ook Dick van der Windt heeft er een stukje, hij huurt dat van Overgaag waar zijn schapen op lopen. Nadat het land van Overgaag, aan de overzijde van de weg, is verkocht aan de Gemeente Delft komt er een boomkwekerij op van de Gemeente Delft. Er wordt aansluitend een park aangelegd waar ook de L-vijver in lag. Een ‘zwembad’ voor jonge Hoornezen en Delvenaren uit de buurt van de Foreestweg. De heer Kramer is de beheerder van de boomkwekerij. De gemeente Delft trekt hier haar bomen op die door Delft heen worden neergezet.

Terug naar de overzijde. Hier woont Piet Overgaag met zijn Ludy. Een klein stukje verderop op de Dijkshoornseweg zit ‘de Scheepswerf’. Op een bok staat altijd een scheepje te wachten. Of het ooit zal worden afgemaakt, weet ik niet. Van oorsprong eigendom van Ton Winkes. Hij gaat met de bijnaam ‘Gandhi’ door het leven en dat is niet omdat hij een flink postuur heeft. Als Winkes vertrekt wordt het de werf van Janus Bouter. Wanneer ook Janus vertrekt en de winkel van Lannetje van Velzen overneemt komt het bedrijf in handen van Cor van de Sluis. Hij richtte er ook een lasbedrijf bij.

We komen aan bij de Willibrordus en G.A. van Marrewijkstraat. Beide straten worden rond 1927/1928 opgeleverd. Omdat er steeds meer tuinbouw komt in Den Hoorn moeten er woningen komen en zo wordt de woningbouwvereniging Willibrordus opgericht. Het wordt bestuurd door tuindersbazen. Om het eerste bestuur te noemen: De heren J.A. v.d. Krogt (voorzitter), G.J.A. van Marrewijk (secretaris), G.C.van Marrewijk (penningmeester), J.J. Nederpel (lid) en A. v.d. Burg (lid).

Direct tegen de Willibrordusstraat aan staat, tegen de sloot aan, een loods. Hier is het aannemersbedrijf Sperling gevestigd. Ook de aannemer Jan. Hendrik van de Meij heeft er jarenlang zijn domicilie gehad. Meer naar de wegkant staat een groot woonhuis van boer Leen van Dien. Er horen ook andere opstallen bij. Leen heeft zijn landerijen aan de overzijde van de weg. In een bij de woning behorend bijgebouwtje probeert men een patatzaak te vestigen. Dit bedrijf heeft er niet lang gezeten. Bewoners zijn de frietlucht al heel snel zat. Op een gegeven moment sticht vader Preuninger er nog een autobedrijf met benzinepomp naast en gaat wonen in het grote woonhuis. Wat verderop in de Dijkshoornseweg staat het fietsen- en garagebedrijf van Piet Verhagen. Hier heb je ook een oversteek naar de Lookwatering. Piet Verhagen runt er ook een benzinestation bij. Later wordt het bedrijf overgenomen door de familie Dijkshoorn en komt garagebedrijf KOFRA (Koos en Frans) ervoor in de plaats. Als ook zij naar een andere locatie zijn vertrokken, laat Preuninger een groter pand neerzetten en heeft daar zijn doorstart. In één van de zijstraatjes van de Dijkshoornseweg woont ook de eigenaar van de Vishandel Van der Eijk. Hij heeft zijn winkel aan de Verwersdijk, maar ook vanuit zijn woonhuis vent hij zijn vis uit.

Aansluitend aan de Van Marrewijkstraat staat de Prinses Margrietschool. De onderbouw van de Juliana van Stolbergschool die aan de Looksingel is gebouwd. De school is van protestantse origine. Deze school komt in de plaats voor de kleuterschool die verderop richting Sion stond.

Aan de overkant, aansluitend aan de boomkwekerij, allemaal tuinderijen. Met daarop hun tuindershuis. Van der Maarel, Moerman Nowee, Overgaag en Joh. en Koos Van Paassen. Aan die kant ook de woning van de familie Nowee. Dirigente/organiste Sonja heeft er gewoond. Ook Midden-Delflands historicus Jacques Moerman komt van die kant. Na het vertrek van Overgaag naar California doet de familie de Vreede zijn intrede. Aan de kant van de Lookwatering grote tuindershuizen. Het eerste huis wordt bewoond door de drie gezusters Pols. Zij hebben altijd jonge katjes te koop. Verdere bewoners De Wilde, Lekkerkerk en Van der Gaag. Op nr. 159, de familie Nowee. Zes meiden en één jongen, Piet. De overige bewoners van deze huizen ken ik niet. Na het laatste huis het rabarerveld. Bij elke Hoornees bekend. Lekkerkerk, van wie de tuin is, heeft in een clausule op laten nemen dat er op dit veld nooit gebouwd zal mogen worden. Ik heb begrepen dat er een verjaringstermijn aan zit en dat er nu wel mogelijkheden zijn. Het is ‘helaas’ Delfts grondgebied.

In het huisje Weltevreden woont Joh. van Paassen met zijn gezin. Na eerst in een gebouwde houten schuur te hebben gewoond, werd de schuur versteend door de aannemer Louis (Wiet) van Velzen. Naast tuinder was Van Paassen ook kerkmeester en bestuurder bij de Boerenleenbank.

Dan een aantal statige huizen, van o.a. Arend Lansbergen en Lekkerkerken. Tussen de statige woningen, de inham, vind je op dit moment garages er hangt thans een bordje met Lansbergenpleintje. Hier was in het verleden de kleuterschool die toebehoorde aan de Juliana van Stolbergschool. Kinderen uit Den Hoorn moesten toen ver lopen om naar school te gaan. Het mooie witte huis Anno 1730 is niet het oudste huis dat Den Hoorn bezit. Dat staat een stuk verderop (zie verderop in dit verhaal). Ook hier een Lekkerkerk die voortvarend te werk gaat en huizen laat bouwen in Den Hoorn. De tuinderij van de familie Lekkerkerk ligt overigens zowel aan de Dijkshoornseweg als aan de Lookwatering. Een boogbruggetje verbindt daar nog altijd de woning met het gebied waar de oorspronkelijke tuinderij heeft gelegen. Daarnaast een tweelingwoning. De familie Van der Velden sticht daar hun gezin, ook zij hebben een tuin aan de Lookwatering. Daarnaast woont Frans Roessen, hij heeft een grondverzetbedrijf en klompenhandel. Tegenover deze statige woningen staat het huis en bedrijf van Jan Bentvelsen, bekend onder de naam ‘ou-baas’ Hij is jaren de hoogste padvinder geweest bij scouting Den Hoorn. Hij krijg ook de bijnaam ‘Jan Pis’, waar die laatste naam vandaan komt vertelt de historie niet.

Na de statige woningen twee tussenwoningen, gebouwd in een latere tijd waarbij in een van de woningen Joh. van Marrewijk woonde. Jo, was ‘slappe Joh.’. Hij kreeg de bijnaam vanwege zijn zwabberende benen. Joh. was een zoon van ‘radio Bert’ Bert van Marrewijk, die aan de Lookwatering woonde. Bert was de 2e inwoner van Den Hoorn die zich mocht beroemen op het bezit van een radio.(De 1e was van de toenmalig kapelaan Versteege). In de andere woning woonde Otting. Hij is van schaatsen en alles wat je er omheen hangt.

Dan de huisjes zonder voordeur, beter bekend onder de 11 huizen. Zij hebben alleen een achterom. Wederom gebouwd in opdracht van Lekkerkerk op het verlengde van zijn tuin. Ze zijn van het begin van de 20e eeuw. De huur bedraagt 80 cent, maar voor het hoekhuis bedraagt het een dubbeltje meer. Er werd in de zomer 9 gulden verdiend en de winter zes gulden. Al met al een hoop geld, dus. Waarom de verschillen in salaris? De werktijden liggen anders. Men werkt van licht tot donker, waarbij de ‘baas’ bepaalt wanneer het licht en wanneer het donker is. De woningen bestaan uit een woonkamer, een keuken en zolder over het hele huis. Men woont er met wel 10 kinderen. De mensen koken op een fornuis dat wordt gevoed door koolstronken. Er is geen gas en geen elektriciteit. De was spoelt men in de Lookwatering en hangt te drogen op het achtererf. Men leeft meer mét dan langs elkaar heen. Bij ziekte en zeer springen buren elkaar bij. Daar zou in deze tijd veel meer aan moeten worden gedaan. De huizenrijen worden evenals de twee rijtjes aan het begin van de Dijkshoornseweg in na elkaar met tussenpozen gebouwd. Hier heeft de eerste en enige olympisch kampioen van Den Hoorn, Piet Makkus, gewoond. Hij won tweemaal goud op de Paralympische Zomerspelen 1968 in Tel Aviv. Hij woont er bij zijn ouders. Piet wordt eerste op de 50 m Rugslag special class (m) en eerste op de 50 m Vrije Slag special class (m). In deze rij komen we nog de volgende namen tegen, Van Scheijndel, Makkus, Gerritsen, Fonkert, Langstraat, De Koning, Moerman, Huisman en Koster, Lagerwerf.

We passeren de Laan van Groenwegen. Van de eerste woning is mij bekend dat daar eerst een Boers woonde, later werd het huis bewoond door Van der Helm, van het transportbedrijf. De bewoners van het tweede huis zijn mij onbekend.

De woning van Nolletjeje van der Maarel, aan de overzijde van de straat, wordt veel later gebouwd evenals het huis van Frans ‘Heineken’ Keijzer en van de verzekeringsman, ex-politieagent Paul Friskes. Aan de overzijde achter op de laan een woning, verscholen achter de coniferen, genaamd Groenoord. Jan van Paassen woont er, zoon van Nic. Van Paassen laatstgenoemde verhuisde vanaf de hoek Beatrixstraat/Wilhelminalaan naar het huis naast de woning Groenoord. De woning heeft thans het adres aan de Laan van Groenewegen. Dan twee statige woningen van broers Bentvelsen. De woningen zijn gebouwd door Jan Hendrik van der Meij, waar Keijzer doorgaans altijd de voorkeur kreeg voor het bouwen van woningen. Dit is echter een particuliere opdracht en niet van de woningbouwvereniging.

Dan komen we het huis en bedrijf van ketelbouwer Ben Groen tegen. Daarnaast een ‘supermarkt’. In eerste instantie gestart als melkwinkeltje door Kees Overgaag. De winkel werd nog even overgenomen door zijn zoon Aad. Nadien krijgt deze winkel een doorstart door Jan de Vette, een Sparvestiging. Deze winkel werd voornamelijk door de buurtbewoners en inwoners van het streekgebied Sion bezocht.

Tegenover de supermarkt opnieuw een tuinderswoning, het huis met het rieten zadeldak. Deze dateert uit de beginperiode van de Hoornse tuinbouw anno 1650. Dit huis wordt beschouwd als het eerste huis dat Den Hoorn rijk is. In de woning was een ruimte gecreëerd voor een melkkoe en wat varkens. In het begin van de twintigste eeuw woont in dit tuindershuis, de familie Van Rijt. Oom en tante van mijn oma en opa. In 1942 koopt Jan Pruisken (‘Dove Pruus’) het pand, dat later wordt gehuurd en bewoond door de familie Gerritsen. Van Cor Gerritsen kan ik me nog herinneren dat hem een ernstig ongeluk overkomt als hij de voetbalvelden van Den Hoorn aan het frezen is. Hij verliest er zijn been aan één van de frezen van zijn machine. Cor was vrijwillig bezig en op zaterdag. De verzekering die hij heeft keert door de laatste twee feiten niet uit. Door zijn ernstig ongeluk heeft hij geen inkomsten meer. In 1957 verhuist het gezin naar het dorp.

In 1959 gaan Jan en Jo van der Stap hier wonen in de tuinderswoning. Hun zoon Aad en zijn vrouw hebben er nog enige tijd gewoond toen vader was overleden en ook moeder het huis had verlaten. In 2001 werd de woning een gemeentelijk monument.

Naast de woning van Van der Stap het bedrijf en woning van Harry Stoel. Hij heeft er een kleine kas en voert er een soort tuincentrum. Dagelijks staan er transportwagens met planten op de oprit voor de ingang. Tot lang heeft hij het afgehouden, maar de kans van bebouwing zal ook hier mogelijk straks toeslaan.

Komen we aan bij de rij huizen ten overzijde van Stoel. De eerste woning van een uitzonderlijke groot formaat, de anderen veel malen kleiner. Woningen waar ik wat te weinig van weet om er echts iets over te kunnen vertellen. Wie ik me nog wel kan herinneren is Henk Holsteijn, hij reed door en wind de kranten. Hij werd in mijn herinnering ‘Witte Henk’ genoemd. Later verhuisde het gezin naar de Van Marrewijkstraat. Diepgeworteld zit ook nog het ongeluk dat zijn zoon Cor, later het gezicht van SV Den Hoorn, overkwam op de hoek van de Laan van Groenewegen en de Dijkshoornseweg. Ik zie hem daar nog liggen. Aangereden door een auto. Ambulances erbij. Het heeft mij nooit losgelaten. Wie woonde er nog meer: mijn Ome Cor en tante Bets, de familie Aarts, Dessens, Van Geest, Dijkshoorn, Gielesen en…….

Het laatste rijtje huizen voor Stakenbrug is wederom gebouwd in opdracht van Cor Lekkerkerk. Arbeidershuisjes voor tuinarbeiders. Tuinarbeiders die in Sion werken of aan de Lookwatering of Woudselaan. Een voor mij bekende bewoner is Arie Broekhuizen. Arie is een ras muzikant. Geef hem een instrument en hij toetert er op weg. Ooit ben ik samen met hem op tournee geweest langs voetbalverenigingen. Na een paar drankjes klom hij op de tafel en speelde de meest fabuleuze stukken op zijn instrument. Dat konden gerust stukken zijn uit een opera en dat op een carnavalsavond. Hij was een charmeur en al helemaal als hij een borreltje ophad. Hij hield van vrouwen. Hij had op een avond zoveel gedronken dat we met de taxi terug moesten, die was duurder dan dat we die avond hebben verdiend, Maar Arie was in zijn element. De familie Dijkshoorn heeft er ook gewoond. Van hen is mij geen bijzonderheden bekend. Frappant is natuurlijk dat Dijkshoorn woonde op de Dijkshoornseweg.

Dan komen we uit aan de sluitbrug van mijn verhaal. Stakenbrug. De brug verbindt de Dijkshoornseweg met de Noordhoornseweg. Het is ook de onderdoorgang van de Look met de Kastanjewetering en de Noordhoornsewatering. De Stakenbrug werd in het verleden ook wel aangeduid met de naam Blauwe brug. Blauw en wit zijn vanouds de kleuren van het hoogheemraadschap van Delfland. Veel bruggen die het waterschap moest onderhouden, waren in de kleuren blauw en wit geschilderd. De huidige brug heeft overigens ook deze kleuren. Stakenbrug verwijst naar de staken, grote houten palen, waarop de brug oorspronkelijk rustte.

Het was een belangrijke onderdoorgang voor de tuinders die richting veiling gingen. Toen de brug moest worden gerepareerd en geschilderd haalde de schilder het in zijn hoofd om er een rode verf op te zetten. Bewoners grepen in en zette de schilder op het juiste spoor.

Hier eindigt mijn verhaal en mijn herinneringen aan de Dijkshoornseweg. Wil je meer weten over Den Hoorn klik dan hier. Bovenstaande gegevens hebben geen historisch belang, is mijn mening en zijn louter mijn gedachtekronkels. Een aantal woningen en de bewoners ervan heb ik niet kunnen noemen, omdat ik volledig praat uit wat ik me nog herinner. En heeft u aanvullingen, verbeteringen, er is een mogelijkheid om die in een reactie achter te laten. U kunt ook een abonnement nemen op mijn schrijfsels, laat dan uw e-mailadres achter. Ik hoor en zie het graag.

368. Jonge Bierbrouwerij in Den Hoorn

Jonge ondernemers zijn ze nog. Hebben een horecagelegenheid gestart in het dorp. ‘Het Raadhuis Schipluiden’ inmiddels een niet meer weg te denken lunchroom aan de Dorpsstraat. Het is een bedrijf met een ambitie. Naast de lunchroom brouwen zij hun eigen bier en dat wordt gretig afgenomen. Daarom het bericht: ‘Wij groeien door! B(r)ouw mee aan onze bierbrouwerij met Schenkhuis. In maart 2019 starten wij met de bouw van onze brouwerij in Den Hoorn.’ Een nieuwe discipline binnen de gemeente. Het maakt je nieuwsgierig.

Op een ‘doordeweekse’ maandagochtend nodigen wij Mark, met zijn vrouw Mariska de eigenaar, uit om onder het genot van een kopje koffie enig uitleg te komen geven. Hij is gretig en geeft direct zijn “ja”. Om 10 uur gaat de bel en kunnen we kennisnemen van zijn plannen.

Na een kort persoonlijk praatje komt zijn uitgebreide documentatiemap tevoorschijn. Teksten, financiën, tekeningen en een flyer. Ze willen straks op een nieuwe plek in Midden-Delfland een brouwerij voortzetten. De naam is bekend: brouwerij tHUIS. De plek waar ze nu hun bier brouwen was een tijdelijke. Via familie is er gelegenheid geweest om een ruimte te claimen, die tijd is nu achter de rug. En het mooie is ze hebben een nieuwe ruimte gevonden, huisvesting ligt te wachten en de ketels staan te popelen om te mogen brouwen. Het plan zal worden gerealiseerd in Den Hoorn aan de Woudseweg, recht tegenover Benfried aan de Harnasdreef 7. “En weet je wat het allerleukste is”, zegt de jonge brouwer, “iedereen kan van de bieren genieten in ons Schenkhuis of op het terras, die mogelijkheden hebben we. Daarnaast laten we zien hoe wij die lekkere bieren brouwen.” Bijkomend voordeel is dat er vlak naast de locatie een bushokje staat, ben je geen BOB dan stap je in de bus.

We zijn direct enthousiast en nemen er nog een kopje koffie op. “Weet je”, zegt hij, “Onze brouwerij staat bekend om zijn vriendelijke bieren. Vol van smaak, ongefilterd en nagegist op de fles.” Ik constateer er een vrolijke lach bij. Veel ingrediënten worden betrokken vanuit de buurt. Men is nog op zoek naar een landbouwboer die het ziet zitten om graan te verbouwen waardoor ook de mout, de voornaamste grondstof voor bier, uit eigen gebied en Cittaslow kan worden betrokken. Ze zien het helemaal zitten en de gedrevenheid die ze nu al hebben, ondanks wat tegenslagen, hebben ze getoond door hun huidige horecagelegenheid: Het Raadhuis.

Mark vertelt in zijn plannen dat ze qua financiën al een flinke stap in de goede richting hebben gezet. Ze hebben er voor gespaard. “Niet kopen als je het niet hebt”, zegt hij. Zo zijn wij ook opgevoed, maar soms heb je toch een steuntje in de rug nodig. Er rest nog een gaatje van 30%. “Dat gaatje willen we dichten door een crowdfundingsactie”, vertelt hij.

Wij zijn al bekend met crowdfunding, vandaar dat we hem hebben uitgenodigd. We doen het zo af en toe, een jonge horecaondernemer, die zijn zaakjes goed op orde heeft, willen we helpen. Voor ons staat het verhaal van Mark als een huis, wij stappen in. Lijkt het jou ook wat, of weet je toevallig iemand die mee zou willen doen? Instappen kan vanaf €1.000,00. Met 3,5 % rente per jaar betalen zij je in 4 jaar terug. Toch altijd meer dan dat je rente krijgt bij een bank. Ze willen beginnen met aflossen in januari 2020. Weet je wat het leuke aan deze actie is: Je krijgt jaarlijks ook nog eens een lekker bierpakketje. Enthousiast? Laat het hen weten! Zij komen graag hun plannen toelichten. Je kunt hen bereiken via e-mail, telefoon 06 20373226, of nuttig een broodje of kopje koffie in het Raadhuis. Mark en Mariska hebben er enorm veel zin in en zullen je dankbaar zijn.

322. En toen stond ie stil

Een drukke dag met de MUS, het vervoersproject van Midden-Delfland. Al vroeg ben ik op pad. Ik kan direct even bij iemand langsrijden die nog wat techplaatjes heeft van de Appie. Omdat we voor de voedselbankkinderen setjes maken is elke aanvulling meegenomen.

Om halfnegen uur komt de Excelsheet binnen met de ritten voor vandaag. Diverse ziekenhuisafspraken zijn er in schema verwerkt. Hierbij geldt dat de beginafspraak is in te plannen. De terugreis is altijd open.

Om halftwaalf mag ik een echtpaar ophalen. Een gestudeerd iemand, merk ik aan het taalgebruik. Als ik hem vraag wat hij heeft gedaan vertelt hij uitgebreid dat hij een hoge functie heeft gehad bij een ministerie. Maar meneer is ook benieuwd naar mijn privéleven. “Mag ik u iets vragen”. De man kijkt mij aan. “Bent u toevallig ook de vader van”, vraagt hij. Wanneer ik dat met een ‘ja’ bevestig, zegt hij: “zie je wel vrouw, dat ik gelijk had”. Ik heb het echtpaar eerder ook al eens in de MUS gehad. Dat gebeurde spontaan. Terwijl ik iemand naar het ziekenhuis heb gebracht komt meneer hardlopend naar mij toe. “Mogen wij mee terugrijden?”, vraagt meneer, om op een holletje terug te gaan naar de ontvangsthal van het ziekenhuis, als ik met “ja hoor” heb geantwoord. “Rustig aan, rustig aan”, roep ik hem na. Even later komt hij met zijn echtgenote aanlopen.

Ik heb meneer en mevrouw afgeleverd bij het ziekenhuis en geef hem een kaartje mee met het rechtstreekse telefoonnummer van de MUS. “Als u klaar bent kunt u mij bellen”, geef ik hen mee. “Het kan wel even aanlopen hoor”, zegt meneer. Ik ga terug naar Schipluiden, waar ik de car bij mij thuis parkeer. Ik heb even de tijd om mijn brood te maken, op te eten en vervolgens opnieuw op pad te gaan.

Ik heb mijn brood net aan uit het blik gehaald als de MUS-telefoon gaat. Het is de portier van het Reinier. “Goedemiddag, meneer en mevrouw willen weer opgehaald worden.” Ik sla mijn boterhammen dicht en wandel terug naar de MUS. Onderweg naar het ziekenhuis steek ik het brood in mijn mond. Bij het ziekenhuis komt het echtpaar al naar buiten. “Het was een volle wachtkamer, maar ik was toch snel aan de beurt.” Het gesprek van eerder gaat verder. “Een mooi interview in de Volkskrant van uw zoon.” “Hij doet het goed”, zegt mevrouw van achterin. “Komt hij weleens op tv.” Ik beaam het. “Wat heeft u eigenlijk gedaan”, vraagt de man. Ik vertel het hem. Het is een leuk gesprek. “Vrijdag moeten we weer naar het ziekenhuis”, krijg ik te horen, “bent u er dan ook.” Ik geef aan dan geen dienst te hebben en met vakantie te gaan. Meneer legt vijf munten van een euro in het bakje op het dashboard. Ik geef aan dat ik dit niet nodig vind, maar meneer staat er op om het aan te nemen. Ik heb besloten om het voor een goed doel te bestemmen. “Fijne vakantie en tot volgende keer.” We nemen afscheid en ik trek op naar het volgende adres.

Bij het volgende adres wederom iemand voor het ziekenhuis. “Ik rijd voor het eerst met de MUS mee”, zegt mevrouw, “en vind het spannend.” Mevrouw vertelt uitgebreid welk onderzoek ze moet ondergaan. We raken heerlijk aan de klets. Voor ze er erg in heeft rijd ik de ‘afleverplek’ van het ziekenhuis op. “Zijn we er al?” zegt mevrouw. “Normaal ga ik nooit zo en word ik door mijn kinderen met de auto gebracht. Ze zijn met vakantie, nu moet ik alleen.” Ik ben in staat om mee te gaan, maar er staat meer op de planning. Opnieuw terug naar Schipluiden. 20 minuten later wederom de portier van het Reinier de Graafziekenhuis. Een mooie service dat zij voor mijn klanten bellen. Opnieuw richting het ziekenhuis.

Mevrouw stapt bij mij in en wil naar een familielid aan de rand van Schipluiden en Maasland. Ik heb even mijn twijfel, want de powermeter van de MUS loopt gestaag terug. Toch doe ik het. “Ze zullen opkijken als ik daar aankom.”, zegt mevrouw. Ik vraag haar hoe ze terug gaat naar huis. “Oh, dat komt wel goed”, zegt ze.

Na haar afgezet te hebben rijd ik terug en kom ik aan bij Akkerleven. De accu staat inmiddels in het oranje. Ik parkeer de MUS en prik er even een stekker in. Mijn volgende klant geef ik een belletje dat het een kwartiertje later wordt. Wanneer ik weer opstart staat de meter weer in het geel. Op naar mevrouw. Zij gaat op visite bij haar schoonzus in Den Hoorn. Ik krijg een heel verhaal over het slecht presteren van de Regiotaxi. Ze heeft afgelopen dinsdag een uur staan wachten en nog steeds is geen Regiotaxi te zien. Ze had hoge nood want moest haar medicatie hebben. Uiteindelijk heeft een oud buurman haar opgehaald. Ze huldigt het principe van de MUS. “Daar kan je op rekenen.” Aangekomen in Den Hoorn moet ik snel mijn volgende klant ophalen voor een ziekenhuisbezoek. Haar man ligt in het ziekenhuis. Ik ben acht minuten te laat. Mevrouw heeft al naar het centrale nummer gebeld dat ik te laat ben.

Mijn klant staat te wachten met haar rollator voor het pand met de woningen voor ouderen. De rollator gaat tussen de voor- en achterstoelen en dan hup naar het ziekenhuis. Mevrouw heeft een eindtijd aangegeven. Dat kan als je op bezoek gaat. Dan terug naar Schipluiden en twee dames ophalen.

In Schipluiden kom ik een kwartier te laat, mevrouw zegt hier iets over. Maar ze is blij om me te zien. Als ik haar vertel dat ik nog iemand op moet halen in Schipluiden, kijkt ze lelijk. “Dan heb ik helemaal geen tijd om de visite te doen”, zegt ze. “Het is niet anders”, geef ik aan om mijn volgende klant op te halen. Mevrouw staat al voor het raam te kijken. Dat gaat snel. Dan op naar Den Hoorn. De een voor een visite, de ander voor apotheekbezoek en een koffiemomentje bij Holtkamp.

Wanneer ik net de Tramkade opdraai, neemt de kracht van de MUS af. Hij gaat langzaam rijden en stopt op een bepaald moment. Met steeds opnieuw uitzetten en weer aanzetten kunnen we weer 200 meter rijden. Maar dit is geen feest. Mijn klanten moeten er om lachen en ik lach mee, maar vanbinnen zint me dit niks, want ik ben nog niet klaar. De eerste mevrouw kan ik met tussenstops afzetten, bij de tweede kom ik er niet helemaal. Ik zet haar in de kern van Den Hoorn uit om bij de Kickerthoek wat langer op te laden. Nu heb ik even tijd voor een koffiemomentje.

Bij de Kickerthoek raak ik in gesprek met medewerkers met de Stichting Welzijn Midden-Delfland. IK laad op door een Senseo, de MUS laadt op aan de stekker.

Drie kwartier later haal ik mevrouw uit het centrum op en breng haar terug naar Schipluiden. De meter van de accu blijft op oranje staan. Zou ik het halen? Het lukt. Nu terug naar Den Hoorn om twee dames op te halen en terug naar Schipluiden te brengen en dan naar het ziekenhuis voor de laatste klant.

Ik ben koud het gemeentehuis gepasseerd als de MUS denkt: ‘doe het zelf maar.’ 10 meter en dan stopt hij. Wat nu. Ik keer om. Met onderbrekingen kom ik terug bij de oplaadplaats bij Akkerleven. Nu snel naar huis en mijn auto halen, mijn klanten moeten wel naar huis toe.

Een half uur later dan afgesproken, staan mijn klanten nog netjes te wachten. Geen kwaad woord en hulde voor de oplossing die ik heb bedacht.

In het vervolg toch maar wat minder ritten plannen. De promotie van het project lijkt nu het succes te achterhalen. Een ervaring rijker meld ik mijn belevenissen aan de coördinator. Het blijft leuk om te doen, maar het wagentje moet wel blijven rijden.

304. Zomers Nederland, fietsland

Nederland fietsland. Het stralend zomerweer nodigt uit om de fietsen uit de schuur te halen. Nog even de banden oppompen, naar de accuwaarden kijken en dan hup op de pedalen.

We rijden het dorp uit. Het slaapt nog, lijkt het op. De boot bij café Sport ligt er verlaten bij. Leo van Dijk heeft bij de Vergulde Valk de tafeltjes nog niet buiten gezet. De brugbediende staat met de afsluitende paal voor de valbrug in zijn handen. Twee pleziervaartuigen liggen te wachten tot de valbrug omhoog gaat. “Ken net”, zeg ik hem als ik onder de schuin naar beneden hangende afsluitpaal rijd. “Fijne fietstocht”, roept hij mij na. Inwoners van het dorp wandelen naar de kerk aan de Dorpsstraat. De klok heeft net geluid en roept hen naar binnen.

We rijden langs het voormalig gemeentehuis. “Mogûh”, hoor ik vanaf de stoep. Vriendelijke mensen zijn het, Schipluidenaren.

Aan het eind van de weg slaan we linksaf de Zuidka op. Een wandelaar loopt middenop. Van de andere kant een groep wielrenners. De meest linkse renner geeft met een handgebaar aan dat er tegenliggers zijn. Nadat ik de wandelaar ben gepasseerd blijf ik wat middenop rijden, in de veronderstelling dat vrouwlief binnendoor komt. Ik kijk achterom en zie in een schim een gekleurd shirt en meen mijn vrouw daarin te herkennen. Het blijkt een wielrenner van oudere leeftijd. Hij passeert me aan de binnenkant. Zijn tong maakt een klakkend geluid in zijn mond. “Tjonge jonge”, roept hij geïrriteerd. “Sorry”, roep ik hem na, maar hij is al weg.

We rijden langs de golfbaan. Het is er druk. Een man in rode golfbroek maakt een slaande beweging. De bal gaat kennelijk ver, want er ontstaat wat enthousiasme bij de andere spelers. Een groep met stokken wandelende dames lopen twee aan twee op het fietspad. Nemen hun hele kantje in beslag. Een ouder echtpaar moet slalommen om er omheen te kunnen. Het gaat gemoedelijk allemaal.

“We nemen het nieuwe fietspad”, zegt vrouwlief, “eens kijken waar het uitkomt.” De A4 ligt parallel aan het fietspad. Het is stil, weinig verkeer. Twee hardlopende dames komen onze kant op. De een soepel lopend de ander stampt het asfalt aan. Wat een verschillende stijlen.

Boven het weiland een wit vogeltje met zwarte kop. Maakt een schreeuwend geluid, landt en pikt in het gras. Een grutto even verderop staat met zijn lange snavel in de hoogte. Nijlganzen zie je overal. Ze hebben jongen en staan aan de rand van de waterkant met hun kroost. We schieten linksaf de Oostbuurtseweg in, soms tweede Veen genoemd, om direct weer rechts te gaan. Nog meer polders. Een bordje van een fietsroute leidt naar een houten brugje de polder in. We laten het links liggen en gaan naar de eerste Veen, ofwel Woudweg.

Het is volkomen stil als we over het smalle weggetje de contouren van Rotterdam zien liggen. Geen drukte, rust. Zes kleine vliegtuigjes zijn opgestegen vanaf Zestienhoven. Ze vliegen, zoals elke zondag, in formatie richting Engeland. Effe koffiedrinken? We komen nog wat fietsers tegen. Een wielrenner haalt ons in en roept dat hij voorbij wil. Dat kan anders. Het is genieten met weidse landschappen. De prachtige wolkenpartijen geven een romantisch decor.

We steken de Abtswoudseweg over en rijden richting Delft. Prachtige boerderijen liggen in stilte langs de weg. Er zijn hardlopers, wandelaars, fietsers en wielrenners die net als wij genieten. Even verderop is het uitkijken er ligt een opper paardenpoep. Zou fijn zijn als de ruiter het even in de kant had geveegd, maar helaas geen ruiter met een bezem. Als we in de buurt van Delft komen kijken we tegen vier paardenkonten aan. Kateklop, kateklop, kateklop. Het is een machtig gezicht, totdat een van de paarden iets verliest. De amazones lopen ondertussen verder, waardoor er een spoor van poep ontstaat. Men stapt opnieuw niet af om het op te ruimen. Jammer.

Bij Delft rijden we langs de kinderboerderij/waterspeelplaats. Vaders en moeders zijn er met hun kinderen al heengereden en vermaken zich tussen de schaapjes en geiten.

Dan langs de Kruithuisweg terug naar huis. Bij Kerkpolder schieten we het viaduct onderdoor. Sportpark Kerkpolder ligt aan de rechterkant. Een keepertje staat op het doel en krijgt de ballen om zijn oren. Nog even naar Den Hoorn, een verjaardagskaart wegbrengen. Bij de katholieke kerk is het druk. Er is kennelijk iets feestelijks aan de hand. De vlaggen wapperen, het voorplein staat bezaaid met fietsen, langs de Schoolstraat staan auto’s geparkeerd.

Den Hoorn is verder nog in ruste. Als we de kaart in de brievenbus hebben gegooid, echt terug naar huis. De kerk komt intussen uit. Er is leven op het plein voor de kerk.

We schieten de Tramkade op langs de voetbalvelden van Den Hoorn. Een bootje komt ons aan de andere zijde tegemoet. Even verderop kanoën twee mensen hun boot door het water. Er is een wandeltocht en hardloopwedstrijd gaande. Het loopt door elkaar heen.

We blijven even staan als we bekenden tegen komen. Een praatje en dan door. Het stikt van de wandelaars, iedereen heeft kennelijk dezelfde gedachten: Genieten nu het nog kan. De weersvoorspelling voor de rest van de week is niet best. De temperatuur zal zakken.

In Schipluiden is het inmiddels tot leven gekomen. De tafeltjes staan bij de Vergulde Valk buiten, fietsers komen en gaan, zetten hun fietsen neer waar nog een klein plekje is. Tijd voor een ijsje. Zittend op een bankje, dat wel een verfje kan gebruiken, genieten van wat er voorbijkomt. Een zeilende Westlander legt aan. Komt op de motor aangevaren. Mensen moeten hun benen binnen halen. Heel rustig meert de schipper aan. Aan de overzijde loopt een gids die iets vertelt over de geveltjes en huisjes van de Ka. Bij Net Even Anders, een vintage winkeltje, is het druk. Toeristen die even binnen willen kijken. Een bestuurder van een zware motor trekt zijn gas open en buldert langs de mensen.

Tijd om plek te maken voor een ander op het bankje. We ontvluchten de inmiddels ontstane drukte. Een mooie zondag, en zo dacht duidelijk iedereen erover vandaag.

302. Emigreren van Den Hoorn naar Schipluiden

Het is 1978. In Den Hoorn wordt niet meer gebouwd. In Schipluiden nog wel. We hebben nog maar kort verkering maar ik heb ‘de leeftijd’. We schrijven in op het woningproject Rozemarijn, een wijk die zal worden gebouwd aan de buitenrand van Schipluiden. Inmiddels wonen we er 38 jaar. En dat in volle tevredenheid.

Het valt niet mee om aan een woning te komen in de Gemeente Schipluiden, waar Den Hoorn deel van uitmaakt. Dat probleem is er niet als men met een puntensysteem meer kans maakt om voorrang te krijgen. Een puntensysteem dat is gebaseerd op leeftijd, sociale binding en economische binding. Voor elk onderdeel zijn er punten te verzamelen. Met mijn leeftijd van 26 jaar maak ik al een flinke sprong op de ladder. Door mijn vrijwilligerswerk bij de voetbalvereniging Den Hoorn en de openjeugdavonden stijgt mijn punten aantal nog meer en als mijn werkgever ook nog een verklaring van economische binding wil ondertekenen is het helemaal een makkie. Ik werk drie uurtjes per week voor de Stichting RK. Schoolbestuur Den Hoorn. En zo worden we uitgenodigd voor een eerste voorlichtingsbijeenkomst. We krijgen de plattegrond mee van het project en een boekwerk met tekeningen van de te bouwen woningen.

We gaan bij de bank langs. Want er zal geld moeten komen. Mijn meissie werkt op een bank, dat scheelt in het afdrachtpercentage van de hypotheek. Toen werd er al gediscrimineerd. Waar de mannelijke collega slechts de helft van het percentage behoefde te betalen kreeg de vrouwelijke collega een korting van ¾%. De hypotheek bedroeg op dat moment 13% en dus voor ons 12¼%. Welke woning we krijgen toegewezen is nog niet bekend, maar dat het een forse aanslag op onze inkomsten zal gaan worden is een feit. Moeten we het wel doen? Kunnen we het wel rondkrijgen? Er zijn een aantal nachten voorbijgegaan dat ik meer van het plafond heb gezien dan normaliter.

Na verloop van tijd krijg ik een brief thuis met de toegekende punten. Dat ziet er gunstig uit. Ik informeer wat in mijn omgeving en ook dat geeft me een goed gevoel dat we erbij zullen zitten. De loting gaat plaatsvinden. En verdraaid we zitten er inderdaad erbij. Mijn schoonouders hebben er moeite mee, mijn toenmalige vriendinnetje is dan pas net aan 19 jaar. Ja, dan wil je haar nog niet kwijt.

We mogen langskomen voor de keuze. Op het plaatje hebben we al een beetje gezocht wat ons een leuke plek lijkt. We hebben twee woningen een groen kruis gegeven. Een van de twee moet het worden. We zitten gunstig in de rangorde, hebben een laag cijfer en zijn dus een van de eerste die zijn vinger op de woning mag zetten die men wil hebben.

Bij het keuzemoment is onze eerste keus reeds weg, er zijn meer kandidaten voor betreffende woning, begrijp ik. De tweede keus is er nog en zo ligt de woning die voor ons zal worden gebouwd vast. We gaan regelmatig kijken bij de bouw. De eerste paal wordt geslagen, de eerste woning opgeleverd. Feestelijke momenten die je moet koesteren.

Het wordt tijd om een trouwdatum te gaan bepalen. In april ’80 zal onze woning worden opgeleverd dus zal het in die richting moeten worden. De kerk wordt besproken, de feestzaal is een feit, de fotograaf is bekend, alleen een claim op goed weer kunnen we niet bespreken. 18 juni zal de dag zijn dat we ‘ja’ tegen elkaar gaan zeggen.

Half april ’80 krijgen we de sleutel van onze woning. De huiskamer is veel groter dan we dachten. Als alle muren staan geeft het toch een heel ander beeld. We krijgen nieuwe buren. Thuis zijn mijn meisje en ik buren, slechts een heg scheidt onze wegen. We krijgen er met allemaal nieuwe mensen te maken. Een handje vol Hoorenezen, en veel Schipluidenaren. Waar zijn we in terecht gekomen. Schipluidenaren zijn anders dan Hoornezen. Dorpser, amicaler, socialer en ze weten vaak eerder wat er met jou aan de hand is dan dat je het zelf weet en dat, dat zijn we niet gewend. In Den Hoorn is de voordeur onze toegangsdeur, hier komt men spontaan door achterdeur binnen. Dat is wennen en willen we dit wel?

Langzaamaan komt er schot in de woning. De aankleding vindt plaats de meubels zijn geleverd, de gordijnen hangen, het wordt van lieverlee ons thuis.

Op 18 juni 1980 ‘emigreren’ we dan naar Schipluiden. Onze voorplaats is versierd door de buren en als we na de bruiloft ’s avonds thuiskomen lopen we langs de ballonnen naar binnen.

De eerste vijf jaar, we werken beiden in Delft, is er niets aan in Schipluiden. We willen kruipend terug. Maar in Den Hoorn zijn geen woningen. Na vijf jaar komt onze oudste, René, ter wereld, gevolgd door de tweede, André, na twee jaar. We krijgen meer en meer een ingang in Schipluiden. Gaan er ons thuis voelen en sluiten ons aan bij de plaatselijke sportverenigingen. Het vrijwilligerswerk komt op mijn pad, onze kinderen gaan naar school. We gaan ons meer Schipluidenaar voelen dan Hoorenees.

Inmiddels wonen we er lang genoeg en zijn we ingeburgerd, zijn Schipluidenaar geworden. We zouden er niet meer weg willen, nou ja, misschien later nog eens voor een gelijkvloerse woning. Schipluiden heeft ons hart gevangen. Het is er prachtig wonen, fijne mensen met een sociaal karakter. Ik ben blij dat ik ben geëmigreerd en om een Schipluidenaar te zijn. Een klein beetje Hoorenees is wel bij mij achtergebleven, hoor.

 

297. Was Kom ‘s Hoorn leuk?

Ik meld mij aan voor het evenement Kom ’s Hoorn. Een Biking Dinner langs verschillende locaties waar men kennis kan maken met een achttal mee-eters, de kokers en de verteller/muzikant. Mensen die zich hebben opgegeven zijn te gast bij wildvreemde dorpsgenoten die voor hen zullen koken. Het driegangen diner wordt genuttigd op drie verschillende adressen. Het thema is vriendschap en liefde. Passender kan niet bij een trouwambtenaar.

Zo’n vier weken voor het evenement word ik gebeld door mijn gastgezin. “Vind jij het leuk om bij mij verteller te zijn”, vraagt de man van het echtpaar waar ik mijn domicilie zal krijgen. Ik vind het prima en maak een afspraak om voortijds een keertje langs te gaan. Nu blijkt dat hij niet met zijn eega kookt maar met een andere vrouw uit zijn vriendengroep. Ook haar ontmoet ik als ik vooraf een keer op visite ga. Aandachtig wordt geluisterd naar het verhaal wat ik vertel over wat ik zoal als trouwambtenaar meemaak. Na een gesprek en een kopje koffie heb ik er alle vertrouwen in dat het goed gaat komen.

Twee dagen voorafgaand aan het evenement krijg ik van het organiserend comité CultuurStek een e-mail met de namen van de bezoekers tijdens het eten. Nieuwsgierig als ik ben zoek ik op internet naar de namen die genoemd zijn op het overzicht. Sommige mensen ken ik, andere vind ik, maar er zijn er ook die voor mij volledig nieuw zijn. Nou houd ik van uitdagingen en ik ben niet eenkennig dus dat komt best goed.

“Moet je niks voorbereiden”, zegt mijn echtgenote als het overzicht binnen is. Vertellen over huwelijksbevestigingen die ik heb gedaan daar hoef ik niets aan voor te bereiden, die zitten gegrift. Ik weet welke bijzondere gebeurtenissen er hebben plaatsgevonden en verder is het een algemeen verhaal. Als ik echter nog eens goed naar de titel kijk die men achter mijn naam heeft gezet zie ik daar staan: ‘De geheimen van een trouwambtenaar’. Dat gaat het zeker niet worden, want welke geheimen zou een ambtenaar moeten hebben? Ik besluit om de meest indrukwekkende gebeurtenissen te benoemen en zie wel hoe het verder gaat lopen.

De nacht voorafgaand aan Kon ’s Hoorn kan ik toch de slaap niet best vatten. Ik lig maar te draaien en stukjes tekst dwarrelen door mijn hoofd. Het moet toch niet moeilijk zijn. Die nacht maak ik de vertellingen die ik aan tafel ga doen.

Om kwart over vijf rijd ik op de bewuste zaterdag naar mijn eetverteladres. De Knakenbuurt is de locatie waar ik aan tafel schuif. Voor wie het begrip Knakenbuurt niet kent, hier werd fl2,50 huur gevraagd, voor de woning waarin men woont. Bij aankomst tref ik de kok, tevens eigenaar van de locatie, de kookster en de echtgenote van de kok. Eerst maar een biertje, dat praat makkelijker. Op het aanrecht staan reeds de borden met het voorgerecht. Nog even worden de laatste handelingen verricht voor het hoofdgerecht. Twee grote schalen met kipfilet met abrikoos, overgoten met een blauwe kaas worden in de over gezet.

Om even over halfzes komt de eerste gast binnen. Even kennismaken en dan direct de tafelindeling duidelijk maken. Ik mag op het pluche, dat wil zeggen op de stoel met de zachtste zitting. Langzaamaan komen ook de andere gasten binnen. Het lijkt openhuis. De deur staat wagenwijd open, gastvrijheid ten top.

Als de acht gasten hun plekje hebben gevonden doen we een voorstelrondje. Dit keer bijna allemaal bekende, waaronder mijn eigen echtgenote. Zij gaat met een vriendin straks fietsend het dorp in voor de andere gerechten. Nadat eenieder zijn zegje heeft gedaan is het mijn beurt. Ik verhaal over verschillende trouwbevestigingen zonder daarin namen te noemen. Ik verwijs het gezelschap naar mijn blogsite: dagboek van een B.A.B.S. en tussen de gesprekken door neem ik ook mijn verhalenblogs maar even mee. Wanneer ik mijn eerder geschreven boekje Beestenkrabbels laat zien is er een gegadigde. Leuk. Ik schrijf een regeltje in het boek en wens hem veel leesplezier. De tijd vliegt en voor de aangeschoven gasten wordt het hoog tijd om naar de volgende locatie te gaan. Alom lof over het initiatief en men vertelt hoe leuk het is om op zo’n manier dorpsgenoten te leren kennen.

Als de eerste groep weg is worden de glazen gewassen, het bestek krijgt een wasbeurt, het water wordt weer aangevuld en de geleende borden krijgen een plek. De salade wordt in schalen op tafel gezet evenals de schaal met gekookte peertjes. Als de kok de rijst af wil gieten werkt de deksel niet mee. Elke keer schiet deze terug. Na een kort schietgebedje lukt het toch en kan de rijst nog even nagaren.

Opnieuw komen er gasten binnen. Even later nog twee en de laatste vier tegelijkertijd. Mensen die ik niet ken. Het gezelschap is weer compleet. De eerste verhalen vinden direct plaats over de ervaring die men heeft opgedaan bij het voorgerecht. Ook hier weer lovende woorden over het initiatief. De schalen met het hoofdmenu kunnen op tafel. Wederom een voorstelronde. Sommige voelen zich duidelijk niet op het gemak, maar nadat iedereen zijn zegje heeft gedaan ontstaat er toch een gezellig onderonsje. Ik doe nogmaals mijn verhaal. Nu weer wat andere verhalen dan bij de eerste groep. Ik heb er zat, de keuze is groot. Ook nu haal ik mijn blogs aan. Men neemt mijn visitekaartje mee en misschien leest men iets van mijn verhalen. Men spreekt de waardering uit over de door de kok gemaakte kipfilet en neemt na driekwartier afscheid om te vertrekken naar de volgende locatie.

De tafel wordt weer afgeruimd. Andermaal komt er een schoon servies op tafel. De kookster gaat aan de slag met het toetje. Een kwart peertje, caramelijs, kaneel, twee wafeltjes als versiering en een toefje en soms een toef slagroom. Een leuk geheel. Zes gasten zijn inmiddels binnen, het laatste stel laat even op zich wachten. Zij komen van de verste locatie. Een al wat ouder echtpaar komt naast mij zitten. Alom lof, “Wat is dit leuk”, zegt mevrouw. “Wij wonen ver buiten de kern en kennen eigenlijk niemand, maar we voelen ons direct overal thuis.” Dit is waarom je zoiets organiseert. Nadat men heeft verteld van wie men er een is krijg ik wederom spreektijd. Opnieuw leuke anekdotes over wat ik als trouwambtenaar zoal heb meegemaakt. Dan vraagt de mevrouw die naast mij zit: “en waar schrijft u uw blogs dan over? Kunt u een stukje voorlezen?” Ik open mijn blogboek en lees er een halve pagina van voor. “Wat grappig”, zegt een van de aanwezigen. Hierna ben ik even de aandacht kwijt en praten tafelburen met elkaar. Men deelt herinneringen en door de gezelligheid wordt de tijd bijna vergeten. Er is ook nog een after-party. “We zien elkaar straks”, zegt een van de gasten als hij wegfietst.

De vaatwasser is nu aan de beurt. Maar als de vrouw des huizes niet aanwezig is heeft het ding wel heel veel knoppen. Hoe start je zo’n ding. Alle knoppen krijgen een beurt, maar wat er ook gebeurt geen start. “Als moeders straks thuiskomt, kan ie ook nog aan”, hoor ik de bewoner zeggen.

We fietsen richting de locatie van de after-party. Het is er al druk. Als ik binnenstap direct herkenning bij mensen die ik ervoor nooit had gezien, maar nu bij ons aan tafel hebben gezeten. Nog even een biertje, wat napraten en dan naar huis. Ik ben het zat.

“En volgende keer weer vertellen, Aad”, vraagt nog een van de gasten als ik de deur uitstap naar huis. “Zeker weten, maar het ligt een beetje aan het thema”, antwoord ik hem. “Heb je de geheimen van een goed huwelijk vertelt”, vraagt hij mij. Geheimen heb ik niet verklapt, want dan zouden het geen geheimen meer zijn, maar ik hoop het te hebben goedgemaakt met de leuke anekdotes.  Het was een leuk evenement dat zeker voor herhaling vatbaar is. Ik heb nog geen datum, anders stond deze al in mijn agenda. En voor wie het gemist heeft, hou het maar goed in de gaten, want het is echt leuk.

296. Wat gebeurt er in een stemlokaal?

Het zit er weer op de verkiezing van de volksvertegenwoordigers voor de gemeenteraden, maar ook de stemmen voor het referendum werden uitgebracht. Ik heb net als een aantal jaar terug deel mogen uitmaken van een team leden van een stembureau. Dit keer in Den Hoorn, waar ik geboren ben. Na een rustig verlopen dag wordt het om vijf uur zo druk dat er wachttijden zijn. Kiesgerechtigden wachten geduldig om het recht van stemmen tot uiting te brengen. Voor kinderen van kiezers is er een paaseitje. Zo hebben zij ook wat te kiezen, al gaat het hier alleen om de kleur van het papiertje.

Het is kwart voor zes als mijn wekker afloopt. Vandaag mag ik als stembureaulid optreden en dan begint de dag vroeg. Het is net een werkdag, maar wel een met veel overuren. Mijn nieuwjaar, ik was de dag ervoor jarig, begint actief. Vrouwlief is al op als ik beneden kom, de vaatwasser is uitgeruimd en de attributen om mijn brood klaar te maken liggen op de aanrecht. Na het eten nog even scheren en dan wachten tot ‘mijn’ chauffeur voor komt rijden. Ik duik nog even de koelkast in voor een traktatie later op de dag voor bij de koffie. Daar moet wel een groot mes bij. Als men had geweten dat ik met een mes in mijn tas naar het stembureau zou komen, had men gerild, denk ik. Maar ik weet niet of er ter plekke zo’n mes is om mijn traktatie aan te snijden. Ik houd hem angstvallig in de tas.

Om kwart voor zeven wordt er gebeld, mijn mede-stembureaulid staat aan de deur. Met nog twee leden van een ander stembureau gaan we op weg naar Den Hoorn, voor deze dag ons domicilie. We worden afgezet waarna de andere leden doorreizen.

Als we uit de auto stappen worden we toegewuifd door de stembureauleden die reeds aanwezig zijn. Men wacht duidelijk op ons. We wandelen het gebouw in, de trap op, naar het stemlokaal. Het is er smerig bemerk ik. Het stof dwarrelt door de gangen. Hier en daar ligt een hoopje zand. Een fonteintje is begroeid. Bij binnenkomst stellen we ons aan elkaar voor. De overige twee stembureauleden heb ik nooit gezien en ken ik alleen van naam. Het zou een hecht team worden die dag.

In de lokaliteit loopt nog een man rond, gekleed in een wit T-shirt en spijkerbroek. Hij heeft de bezem in zijn handen. Nog even driftig de laatste pluizen het gebouw uitvegend spreek ik hem aan. “U bent de conciërge?”, vraag ik hem. Hij kijkt mij aan met een blik die mijn vraag niet bevestigend beantwoordt. “Nee”, zegt hij, “ik ben hier de schooldirecteur.” Ik kan wel even door de grond zakken. Maar meneer neemt het heel sportief op en maakt er nog een grap over. “Als onderwijsgevende moet je van alle markten thuis zijn”, zegt hij en gaat driftig verder met schoonmaken. Het lokaal dat we gebruiken om te stemmen blijkt al twee jaar niet meer gebruikt en “dan moet je er ook geen energie en geld in steken”, is zijn conclusie. Daar ben ik het mee eens.

De stemhokjes moeten nog in elkaar worden gezet, de posters opgehangen, het rode potlood zodanig bevestigd dat het niet kan worden mee genomen en er moet koffie komen.

Na de posters te hebben opgehangen haal ik uit de krat die is aangeleverd, Senseopads. Dan moet ik op zoek naar een apparaat daarvoor. De andere drie stembureauleden maken intussen de administratieve zaken op orde. Na navraag bij een leerkracht vind ik de lerarenkamer. Nu nog kopjes. Het is in kastjes en laadjes zoeken maar dan vind ik vier attributen die op een kopje moeten lijken. Ze vertonen wat theesporen. Dat vind ik vies. Met wat ik kan vinden, een borsteltje en handzeep, krijg ik de bruine strepen redelijk uit het kopje. De Senseo warmt intussen op. Even later heb ik wat ik hebben wil en kan ik mijn medeleden voorzien van een kopje bruin vocht. Helaas nog geen suiker en melk.

Om tien voor halfacht staat plots de eerste stemmer al voor mijn neus op de trap. “Ik mag toch al wel?”, vraagt hij. “Nee meneer, om halfacht gaat het stembureau pas open. “En tot hoe laat dan?”, vraagt hij me terwijl hij zijn stempas in de hand heeft waar dit op staat. “Negen uur meneer.” “Kom ik mogelijk later terug”, is zijn antwoord. Hij vervolgt zijn weg en keert om weer terug naar beneden.

De installatie van het stembureau is inmiddels afgerond. De tweede en volgende stemmers kunnen komen. Ik mag op de reservebank, het vierde stembureaulid. Op een stembureau moeten altijd drie stembureauleden aanwezig zijn achter de tafel. Bij menselijke calamiteiten vervult de vierde de plek achter de stemtafel. Tijdens de dag rouleren we als stembureauleden, met uitzondering van de voorzitter van het bureau. Deze mag niet weg, is de verantwoordelijke tijdens zo’n dag en dient de volledige controle te doen. Voor het plasje is het even kijken of er niemand in aantocht is. Bij ons is een juridisch medewerker van de gemeente met deze taak belast.

Tijdens het naar school gaan of naar de opvang brengen van hun kinderen komen de eerste stemmers binnen. Sommige hebben hun zoontje of dochtertje nog bij zich en willen snel. De controle dient uiterst precies te gebeuren, sneller dan die handeling kan niet. Zo sukkelt het de gehele dag door. Weinig spectaculairs en ik kan nog wel een keer koffie maken en halen.

Om even elf uur komt er man het stembureau in wandelen. Hij duikt met zijn handen diep in zijn binnenzak en tovert ineens zes stempassen tevoorschijn. Je mag echter niet zoveel stemmen uitbrengen. Dan blijkt dat hij in zijn onschuld een aantal kiespassen te hebben meegenomen van een ander stembureau. De man schrikt ervan, maar weet niet hoe het is gebeurd. Hij is gaan stemmen bij een ander stemdistrict en zou bij volmacht stemmen voor zijn zoon. Hij heeft echter het legitimatiebewijs van zijn zoon niet bij zich, waarop hij de stempas weer mee mag nemen en daar gaat het mis. Het meenemen. Na enig bellen naar het stembureau waar hij eerder is geweest blijken zij inderdaad de passen te missen. Een mooie wandeling die richting op lost het raadsel weer op. Ik word er met een blij gezicht ontvangen.

De leerkracht die ik eerder sprak over de lerarenkamer vraagt mij of het goed is als hij met een klein groepje even mag kijken bij het stemlokaal. Dat gebeurt ook, na toestemming van de voorzitter van het stembureau. “Het moet wel rustig hoor”, geeft ze mij te kennen. Dan op enig moment komt hij met de eerste groep naar boven. Hij vertelt hen wat er zoal gebeurt. Ik probeer de kinderen aan de hand van de stemlijst, die men ooit thuis heeft gekregen, uit te leggen wat er plaatsvindt. “En hoe laat bent u dan thuis vanavond?”, vraagt een leerling nadat ik heb gezegd ook bij de telling aanwezig te zijn. “Ik denk rond een uurtje of twaalf”, leg ik hem uit. “So hé”, zegt hij, “dan zit jij hier ook lang”. Er komen nog wat losse vragen op mij af, waarna zij weer verder de les ingaan. Zo komt de leerkracht nog tweemaal met een groepje naar boven.

Wanneer een vader met zijn dochter het stembureau betreedt wil dochter graag overal bij zijn. Het gaat echter te ver als de vader het rode potlood aan zijn dochter geeft en zij de kleurplaat denkt af te mogen maken. Dat is niet toegestaan. De man krijgt er vanachter de stemtafel een opmerking over dat dit niet de bedoeling is. Er zijn immers regels en die zijn er niet voor niks.

Het gaat er redelijk relaxed aan toe en er is tijd voor een praatje, een hapje en een lach. Rond elf uur wordt het eten gebracht. Ook daar is redelijk de tijd voor al heeft men soms net een hapje genomen als er weer iemand voor de tafel staat. Tussentijds tellen we, want tellen is belangrijk. Klopt het aantal stempassen voor de gemeenteraad met het aantal in de bus gedeponeerde stembiljetten, die worden geturfd als ze in de stembus worden gedeponeerd. Datzelfde geldt voor de referendumpassen. De aantallen zijn prachtig in evenwicht. Stempassen worden gebundeld in tientallen. Daarna nog een keer geteld en dan opgeborgen in het magisch koffertje van het stembureau. En zo gebeurt dit meerdere keren per dag.

Even na het middaguur bezoek van de burgemeester met gevolg. Cameramensen en medewerkers van de gemeente. Er wordt druk gefilmd en foto’s genomen. Na en kort woordje vertrekken zij weer naar verderop.

Om even na tweeën plots een hele klas in het stemlokaal. Dat is te veel. Toch probeer ik uitleg te geven over de gang van zaken. Maar hier veel meer vragen. Als een van de opgekomen stemmers aangeeft dat het rustiger moet zijn, vertrek ik met de klas naar beneden om hen daar nog andere zaken uit te leggen. Ik vind het ineens leuk om zo even voor de klas te staan. Had ik eerder moeten weten.

Opnieuw is het hierna niet echt druk. Een gebracht lauw broodje warm vlees kan rustig worden opgegeten. Het broodje ‘eeii met uuii’ van een van de leden doet het stemlokaal even een ander geurtje geven. Een bakje vers fruit wordt opgepeuzeld en is een aangename verrassing.

Dan om vijf uur gaat het lopen. De meestal jonge bewoners uit de wijk komen thuis van hun werk en gaan nog even naar het stembureau. Veel volmachten en dat houdt op. Ons zojuist gebrachte avondeten blijft in de doos, er is geen tijd meer voor. De stroom is op gang gekomen en er is een wachttijd die kan oplopen tot wel twintig minuten tot een half uur. Tot halverwege de trap staan mensen geduldig te wachten tot men aan de beurt is. Het is een sociaal gebeuren geworden, men praat met elkaar en op de gang wordt hard gelachen. Als een jonge vrouw met een Chinese identiteit haar stempas inlevert is controle niet mogelijk. Slechts mensen met een Europees identiteitsbewijs kunnen stemmen. Ze gaat terug om haar Nederlands rijbewijs op te halen, een half uurtje later is ze terug. Stemmen is een recht en daar moet je gebruik van maken.

Tot aan drie minuten voor negen staan er mensen te wachten om hun kiesrecht uit te kunnen voeren. Dan om klokslag negen uur gaat de deur dicht. De doos met broodjes gezond, vlees of kaas staan nog op dezelfde plek die de cateraar heeft uitgezocht. Een binnen komen wandelend raadslid helpt met het ontmantelen van het stemlokaal.

Het tellen der stemmen kan beginnen. Tussen het tellen door even een hap van een broodje. De voorzitster die de hele dag heel relaxed de zaak in toom heeft gehouden krijgt plots haast. Als door een wesp gestoken deelt ze orders uit. “We moeten snel zijn”, zegt ze, “liefst de eerste.” Drie tellers, collega’s van het team van de voorzitter, hebben zich toegevoegd aan de groep van vier. Als we net bezig zijn komt de bittergarnituur binnen. Een hap en door. Alle stembiljetten openvouwen, sorteren op partij, en dan op kandidaat. Referendumbiljetten moeten worden gesorteerd, ‘voor’, ‘tegen’, ‘blanco’. Het proces-verbaal van de dag moet worden opgemaakt. Zittend op kleine krukjes, of op de grond zittend krijgt elk biljet zijn plekje. De grote enveloppen waar alles in moet worden opgeborgen zijn in de loop van de dag reeds gemaakt en beschreven. Dat is een stukje extra gemak. Tussendoor worden aantallen opgevraagd. Bij het gemeentehuis is men reuze benieuwd. Hier vindt straks de after-party plaats. Dan blijkt dat bij een eerste telling en herhaalde telling exact de aantallen stempassen overeenkomen met de uitgebrachte stemmen. Ook bij het referendum wijkt het niet af. Een high-five is op zijn plaat. Er is die dag zuiver en effectief gewerkt.

Als om halftwaalf de schooldirecteur is gebeld om af te sluiten, doen we nog even een toast op de geslaagde dag. Een leuk team van leden aangevuld met tellers stoten het plastic bekertje tegen elkaar. We hebben het lekker gefixt.

Nog even naar de after-party in het gemeentehuis, waar blije, maar ook teleurgestelde partijen rondlopen. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden, kleine partijen zijn toegetreden tot de raad. De partij met het grootst aantal stemmen mag gaan proberen een regerende coalitie te vormen. Na een biertje en warm hapje is het voor mij genoeg. Ik wandel naar huis, mijn gedachten gaan over of ik een blog/verhaal zal maken.

Mijn dank gaat uit naar eenieder waar ik vandaag een zinvolle dag mee heb gehad.