386. Borrelboot maakt water

Wanneer het boekje van de Oranjevereniging in de bus valt, kijken we even snel het programma door. We stuiten op de pagina waarop de boottochten staan vermeld. De lunch- en de borrelboot. De laatste boot is ons vorig jaar goed bevallen. Mijn lief meldt ons meteen aan. Kort daarop een reactie van een van de bestuursleden van de Oranjevereniging: ‘zo dat is snel’.

Met het meisje heb ik afgesproken om de MUS te rijden als het nodig is. Daar moet ik voor thuis blijven. Als ik echter de dag voor Koningsdag informeer bij het coördinatiepunt blijkt er niets te zijn gemeld. Een vrije dag dus.

Op de feestpagina van de Schakel Midden-Delfland staat dat om 09:00 uur de rommel- en kleedjesmarkt start in Den Hoorn. De dag tevoren maakt men al bekend dat door het slechte weer zal worden uitgeweken naar De Hoornbloem. We halen de fiets uit de schuur en fietsen heerlijk voor de wind richting Den Hoorn. Daar aangekomen staan er wat verdwaalde ouders en kinderen. De Hoornbloem zit nog stijf op slot en er lijkt ook geen beweging in te komen. De afstemming heeft kennelijk niet goed gewerkt. Dan maar even een kopje koffie bij oma.

De terugtocht wordt ingezet en dan blijkt dat ouders een eigen initiatief hebben genomen en hun kleedjes gewoon hebben neergelegd. Er komen er nog meer aan lopen. We scoren een Jan van Haasteren (omdat we hem nog niet hebben ;-)). We zijn zo over de markt heen en besluiten De Lier aan te doen. Buienradar geef aan: geen neerslag. Vlak voor ’t Woudt is Pluvius ons niet goed gezind en hoost het van de hemel. Zeiknat komen we aan bij het tunneltje onder de Woudseweg. Het tunneltje uit rijdend is het droog, maar we zijn zo nat dat we richting huis gaan.

Alle kleding gaat de droger in. De tv gaat aan. In Amersfoort schijnt de zon. De Koning loopt aan zijn colbertje rond, waar wij in ons joggingpak zitten. Even een oranjegebakje en dan in de middag naar de kleedjesmarkt rondom de vijver aan de Burgemeester Musquetiersingel. Ook hier slechts weinig kinderen. Het nodigt ook niet uit om te gaan zitten blauwbekken. Ook niet met Koningsdag. Al snel zijn we van de kleedjesmarkt af. De portemonnee is in de kontzak gebleven

Om tien voor drie is het opeens tijd om naar de rondvaartboten te gaan. Vrienden moeten nog worden opgehaald. Ik ga me alvast aanmelden, het meissie komt later met de vrienden.

Na aanmelden komen ook onze vrienden aanwandelen. Er staan twee schippers, de boten liggen nog aan elkaar vast. We kiezen voor de boot van Wim. De andere schipper is Bertus. Hij heeft een doorwerkpak aan. Voor de regen? Ook Wim trekt zijn regenbroek aan. Dat belooft nog wat. Als we de tweede boot in stappen blijken we, vriend en ik, de enige mannen. De dames verwelkomen ons hartelijk. De twee jongens van Albert Heijn Schipluiden worden kennelijk niet als man aan gezien.

De trossen gaan los. Dan blijkt dat de boten aan elkaar blijven zitten. Één schipper vaart de twee boten die aan bak- en stuurboord aan elkaar zijn bevestigd. We beginnen met een advocaatje-slagroom. De schaal met hapjes komt op tafel. Er wordt een toast uitgebracht op de Koning, maar ook op een behouden vaart. Door de wind is het ruw water. Het water klotst tegen de voorsteven, maar ook tussen de boten in. De wind blaast tussen de zeilen door. De overkapping, met ducktape aan elkaar bevestigd, is onvoldoende om het water buiten te houden. Het water slaat naar binnen, met golven tegelijk. De dames springen op, een natte broek is het gevolg van de golven. Men verplaatst zich. Het volgende drankje wordt ingebracht. “We liggen diep”, merkt een van de dames op. En ja, de golven kolken tegen de boot aan. De schippers kijken stuurs over het water.

Nog een drankje, de schaal met hapjes gaat rond, de leverworst zwemt op de schaal. Het blijft gezellig, de sfeer is goed. Dan komt de tweede schipper even binnen kijken of het goed gaat. Er ligt een plas water in de boot. Even later schuift Jan van den Berg binnen. Hij vertelt over zijn functie in het Algemeen bestuur van Delfland. Hij legt uit wat de taken zijn van het Hoogheemraadschap. “Droge voeten”, zegt hij. Daar hebben sommige nu zo hun mening over. Geanimeerd wordt er geluisterd naar zijn verhaal, waar andere er gewoon door heen kletsen.

Langzaamaan zijn we op de terugweg. Een van de opvarende houdt angstvallig het zeil vast. Het water blijft nu buiten. Rustig komen we weer in veilige haven en worden de boten aangemeerd. Het was een heel gezellige ‘borrelboot’. Een leuke vaartocht.

Hoe erg was het, zult u zich misschien afvragen. Het viel mee, maar leuk om het iets spannender te maken dan het was.

Dankjewel schippers Wim en Bertus, dankjewel Albert Heijn Buckers, dankjewel Oranjevereniging en ‘last but not least’, dankjewel Jan.

 

291. Werkgerelateerde zaken

Ruim 34 jaar heb ik bij mijn werkgever gewerkt. Het Hoogheemraadschap van Delfland was de plek waar ik zoveel jaar met veel plezier heb mogen werken, al was het het plezier de laatste jaren wel wat minder. In die tijd heb ik heel wat belevenissen meegemaakt. Ik wil er een aantal opsommen.

Nog maar net in dienst wordt er een voorstelronde gedaan. Op kantoor aan de Phoenixstraat met een collega, die er al langer werkt, langs de bureaus om kennis te maken met medewerkers die je tegen kunt komen of mee moet werken. Aan zo’n 150 medewerkers word ik voorgesteld. Men gaat staan naast het bureau als men mij een hand geeft. De naam wordt genoemd en mij wordt succes toegewenst als ik naar het volgende bureau ga. Bij een toenmalig afdelingshoofd word ik wel heel hartelijk welkom geheten. “Zo, weer iemand die uit de ruif komt vreten”, zegt hij. “Jullie hebben inmiddels toch wel genoeg medewerkers op personeelszaken, zeker”, zegt hij tegen mijn collega. In de kamer hangt een penetrante lucht. Als we de kamer verlaten, vraag ik hiernaar aan mijn collega. “Deze man gaat op donderdag tussen de middag even vis halen op de markt en neemt die aan het eind van de middag mee naar huis. Het ligt in het ladeblok van zijn bureau.” Niet gekoeld bewaard hij een portie haringen in zijn bureau tussen de dossiers die hij nog moet behandelen.

Met de collega waar ik de voorstelronde heb gedaan, wandel ik tussen de middag altijd door de stad. Mijn maat is waterpolokeeper die op hoog niveau aan die sport doet. Hij heeft schoenmaat 48. Is nog een kop groter dan ik en is veel steviger gebouwd dan ik ben. Hij houdt van een geintje en dus stappen we regelmatig een winkel binnen, waar hij zeker niet zal slagen. Als we bij Van Haaren, schoenen, binnen zijn vraagt hij om schoenen maat 48. Die heeft men niet. Wel heeft men acht paar met maat 47. “Vallen groot” zegt de verkoopster. Hij gaat aan ’t passen, maar weet eigenlijk van tevoren dat het niet gaat lukken. Op een gegeven moment staan er zestien schoenen op de verkoopvloer. Welke schoenen in welke doos moeten, is ons niet bekend. Verschillende schoenen worden gewisseld en door elkaar in de dozen teruggezet. We zijn nooit meer terug gegaan, maar had een volgende klant weleens willen zien die verschillende schoenen aantreft in een doos en mogelijk ook nog niet eens in de juiste doos.

La Venezia, een ijszaak op de Markt, is in de zomermaanden onze vaste ijsleverancier. Elke dag gaan we even bij hen naar binnen en kopen er een ijsje. Als we dit opnieuw willen doen, zegt mijn collega een grapje uit te willen halen. Met de handen in de hoogte, en bij iemand van die lengte is dat heel indrukwekkend, stapt hij naar binnen. “Goedemiddag”, zegt hij, “We zijn vandaag jubilaris. We komen vandaag voor de 500ste keer ijs eten.” Ik kijk hem aan, maar verblik of verbloos niet. “Oké”, zegt de ijssaloneigenaar speelt het spelletje mee en zegt, “gaat u zitten.” Even later komt hij met een ijscoupe aanzetten die zo groot is als een uit de kluiten gewassen windlicht. “Alstublieft”, zeg de ijscoman, “het is u gegund, ik heb er echter wel een voorwaarde bij. Als u de coupe opeet betaalt u niets, maar blijft er iets over in de coupe dan betaalt u de waarde van het ijsje dat u heeft gekregen.” We kijken elkaar aan, maar zeggen niets. We gaan aan ’t eten. Nooit heb ik zoveel moeite gehad om mijn ijsje op te eten. Die middag is mijn buik volledig van streek. De waarde van het ijsje was fl.35,00 per stuk. Daar wil je best het ijs voor opeten.

Jaarlijks worden aan het eind van het jaar de gratificaties en periodieke extra verhogingen uitgereikt. Zo rond eind november is er een besloten vergadering van de bestuursleden en directie. We hebben in die tijd nog twee ‘directeuren’, de een heeft de functie van secretaris-rentmeester, de andere is directeur technische dienst. Aan de hand van de voorstellen van afdelingshoofden worden de rapporten van beoordeling door genomen. Het spannendste is hoeveel heeft de secretaris-rentmeester er en welk aantal komt er van de directeur. Dat moet in evenwicht zijn. En zo kan het voorkomen dat er kandidaten afvallen omdat het evenwicht is verstoord. Dossiers worden dan ongeopend en willekeurig opzij gelegd, deze deden niet meer mee. Ik heb me laten vertellen dat men blind de dossiers trekt. Of je ooit tot die laatste niet gelukkigen behoorden, wist je dus nooit. Dan aan het eind van het jaar, op de dag dat de genomineerden ook daadwerkelijk in de prijzen zijn gevallen en bekend gemaakt, wordt er een grote pot zure bommen op de balie bij de receptie gezet voor hen die dit jaar geen extra geld krijgen. De dag is altijd de zurebommendag genoemd. Op de afdeling Financiën kent men de regel dat wie extra geld krijgt een bedrag in de pot moet stoppen voor hen die niets extra krijgen. Zij krijgen dan een aardigheidje.

Eind januari maak ik voor het hele personeel de vakantiekaart. Een kaart waarop de wettelijke dagen, de leeftijdsdagen, het extra verlof op basis van wachtdienst en salaris en nieuw, de ADV-dagen staan vermeld. Altijd een tijdrovend en ingewikkeld proces. Kort op het moment van uitreiken der kaarten komt er een machinist aan mijn tafel. “Hé, Meurs wat heb je nou gedaan?”, zegt de machinist die op kousenvoeten is komen binnenlopen. Het tussenvoegsel ‘Van’ wordt weggelaten als je je boos bent. “Je hebt me extra verlof toegekend. Die ADV-dagen mag ie bij mij wel schrappen dat kost geld.” Ik begrijp de man niet. “Weet je wat het is”, zegt hij, “nou wil mijn wijf op die dag gaan shoppen, nou dat kost geld. Dus haal die dagen er maar heel erg snel af.”

Als men op één van de vestigingen een schoonmaakster zoekt, besluit men bij Personeelszaken dat aan alle medewerkers een vacaturebeschrijving wordt toegestuurd. Van hoog tot laag krijgt men dezelfde brief. Kort nadat de brief aan iedereen is verstuurd komt er een teamleider op mij afgestapt. ‘Of ik wel helemaal goed bij mijn hoofd ben, om hem zo’n vacaturebeschrijving toe te sturen.’ “Alsof ik niet functioneer en jullie deze functie voor mij in petto hebben.” In het vervolg worden de vacatures vermeld in de Waterlijn, het personeelskrantje dat maandelijks uitkomt.

Ik ben nog lang niet uitgepraat over wat ik allemaal heb meegemaakt. In een van de volgende blogs vertrouw ik hierover ongetwijfeld nog weleens het e.e.a. aan het papier toe.

273. Rondje rond de dom

14.160 stappen, 11,3 km. Dat was de afstand die we hebben afgelegd rondom de dom van Münster, Duitsland, nadat we er eerst 275km in de bus op hebben zitten. Kerstshoppen 2017.

Dit keer hoeven we niet zo vroeg op, al is de afstand naar het doel vele malen groter dan het jaar hiervoor. Om half acht loopt de wekker af. “Nemen we broodjes mee”, vraagt mijn lief me. Ik heb zoiets als, als je plastic geld bij je hebt dan komt het goed. “Maar het is wel drie uur en een kwartier in de bus”, verdedigt ze haar vraag. Ze heeft een punt. Er gaan broodjes mee. De capuchon wordt aan mijn jas gemaakt, de handschoenen gaan mee en een warme shawl sla ik om mijn nek.

Daar gaan we, richting De Groote Lucht in Vlaardingen. Sinds mijn werkgever is terugverhuisd naar de Phoenixstraat heeft niemand meer een parkeerplaats. Dat betekent de auto zetten in de kostbare Phoenixgarage of naar een alternatieve locatie. Dat laatste is de hoe het gebeurd.

Aangekomen bij De Groote Lucht kom ik collega’s tegen die ik al weer een poosje niet heb gezien, omdat mijn afscheid van Delfland al ruim een maand geleden heeft plaatsgevonden. Ook oude bekenden komen we tegen. Mensen die vorig jaar ook mee zijn gegaan met kerstshoppen. Collega’s die kinderen, man, zus, moeder of vriendin hebben meegebracht. Alles bij elkaar zo’n 55 personen.

Even tijd voor een kopje koffie vooraf. Dan de boodschap of we onze auto willen verzetten, zodat werkende collega’s hun eigen- of bedrijfsauto nabij het bedrijfsgebouw kunnen parkeren.

Als ik mijn eerste voetstap buitengezet heb, komt een collegaatje op mij afgestapt. Ik weet via Facebook dat zij ten huwelijk is gevraagd. Tijdens mijn werkzame periode heeft ze me gezegd dat ze nooit meer zou trouwen, maar “als…ja als, dan moet jij het doen, Aad.” En zo geschiedt. “Aad je hebt het vast gelezen op Facebook, ik werd geheel onverwachts gevraagd, wil jij het doen?” Sterker nog ik had het gelezen en geliket en stilletjes ook gehoopt dat … Ik kan haar geruststellen, de datum die ze mij noemt heb ik nog geen huwelijk staan. Ik ga het doen.

Inmiddels zijn we ingestapt. Het zal een lange reis worden. We kiezen ervoor om voor een collega en zijn vrouw te gaan zitten, die we op enig moment hebben overgehaald om mee te gaan. We kunnen het bijzonder goed met elkaar vinden en bij de vrouwen is ook een klik. Op weg zien we in het midden en oosten des lands nog witte landerijen, waar bij ons de sneeuw redelijk is verschrompeld. Uiterwaarden zijn onder gelopen, smeltwater neemt de weilanden in beslag.

Als iemand in de bus naar het toilet wil, blijkt deze verstopt. Bij een vorige rit is kennelijk een rol toiletpapier in de zwanenhals van de rijdende dixie gestopt. Toch als je nodig moet, ga je toch. Maar laat je alles lopen in de pot of neem je risico dat het over jouw schoenen loopt. Het blijft een probleem. Men wil een plasstop maar die zijn er weinig. Uiteindelijk vinden we een McDonald. Snel plassen, een kopje koffie of broodje en door.

Om half één komen we aan in Münster. De centrale busparkeerplaats staat vol. We kunnen er nog tussen. Even nog de centrale telefoonnummers noemen en dan los.

Bij de oversteek van de weg geeft het verkeerslicht aan ‘grün kommt’. Met allen steken we over, waarna de wegen zich splitsen. Wij gaan verder met eerder genoemde collega en vrouw.

De stad is volledig afgesloten. Bij alle toegangswegen staan Avisauto’s zodanig geparkeerd dat er geen terroristen kunnen binnenrijden met een auto. Een overbevolkte stad met politieagenten, die zich hier en daar verdekt hebben opgesteld, zorgen voor de veiligheid. Er is niets aan het toeval overgelaten. De stad is echt een vesting geworden. Jammer.

Op de kerstmarkten na is er weinig sfeer. Geen muziek, geen feestverlichting en eigenlijk weinig kerstgevoel. Het is nog te vroeg op de dag. Ik mis een kermisachtige attractie. Op de markt kopen de mannen, Flamkuche, een stuk brood dat ter plaatsen wordt afgebakken. Binnenin uien, spek, prei en een vettige saus. Oppassen voor de jas, want bij een hap loopt de saus langs het broodje. Dan tijd voor een kopje koffie met apfelstrudel. Helaas bij de bakker heeft men het niet. Dan maar een kopje cappuccino met een soes. Als we over de kerstmarkten lopen komt de Glühweingeur je tegemoet, maar ook andere baksels geven een lucht af die overdadig over de markt wordt uitgestrooid. Mijn collega vindt op de markt wat kerstcadeautjes. Al snel loopt hij met een tas vol.

De eerste spettertjes regen vallen, het zet gelukkig niet door. Rondom de dom zo’n vijf kerstmarkten. We lopen ze alle vijf af. Bijna overal hetzelfde, houten snijwerken, badeendjes, dure kersthuisjes, etenswaren, hoeden en petten, glaswerk, kaarsen, speelgoed, glühwein en luchtjes en lichtjes. Tussen de kramen staan de gekapte kerstbomen met tyraps aan een hek vastgeketend. De klinkers en keitjes zorgen voor een onevenwichtige wandeling. Zwikken behoort tot de risico’s.

Rond half vier valt de schemering in, de lampjes en lichtjes gaan meer opvallen. Etalages van winkels krijgen meer smoel door de aangebrachte verlichting. Nog meer dan ’s middag komt de glühwein op je af. Het wordt drukker in de stad. Wanneer we nog wat willen gaan drinken blijkt dat de restaurants vol zitten. Alles is besproken. Bordjes op de tafel geven aan dat er gereserveerd is. “Du kannst nur etwas trinken”, zegt de ober als we willen gaan zitten. Het is dus zaak om op tijd nog ergens een restaurant te vinden.

Na de koffie en thee wandelen we nogmaals van kerstmarkt naar kerstmarkt. Inmiddels hebben we het wel gezien, al wordt het steeds drukker en gezelliger. Mijn collega heeft bij het laatste restaurant een kneipje gevonden waar we mogelijk nog wat kunnen eten. Op Google Maps wandelen we richting Kreuzstraße 37/38. Hier is een herberg, genaamd Cavete. Een restaurant voor studenten, Akademische Bieranstalt. Aangename prijzen en een kleine kaart, bestaande uit drie schnitzels met pepersaus, drie schnitzels met champions en drie schnitzels met spiegelei. Niet echt uitgebreid, maar genoeg voor een hongerige maag. Al na korte tijd komt men kijken hoever we zijn met eten. Weggekeken is een grof woord, maar dat het tijd is om te vertrekken, past op deze plaats.

We hebben dus vroeg gegeten. Nogmaals doen we de kerstmarkten aan. Het wordt drukker en drukker. Je kunt bijna over de hoofden lopen. Door de drukte ontstaat er ook veel meer lawaai. Een weg banen door de menigte betekent, de grootste van de vier baant zich een weg en maakt een pad en de rest volgt.

Rond een uur of negen zijn we er klaar mee. We gaan terug naar de parkeerplaats. Nog even naar het toilet en dan door naar de bus. Op het parkeerterrein een openbare toilet, ruim opgezet, echter geopend tot negen uur. We kunnen nog net. Het meisje dat de toiletten schoonhoudt, vertelt dat ze die morgen om acht uur is begonnen en niet is afgelost. Ze heeft er dus 13 uur opzitten. Daar mag wel een extra centje voor bij. Dat doen we dus ook. De volgende dag moet ze er weer om acht uur zitten.

Bij de bus aangekomen is de chauffeur er nog niet. Afgesproken is half tien, dat kan je dus verwachten. Het is koud op de parkeerplaats, waar nu nog slechts twee bussen staan. Opnieuw maken we een rondje langs winkels die intussen zijn gesloten. Om half tien komen we onze collega’s weer tegen. Ook zij zijn op de terugweg aar de bus.

Nog even wachten en dan komt ook de buschauffeur aan wandelen. Om tien uur start de motor voor de terugreis. Net zo lang als de heenweg komen we om kwart over één weer aan bij onze auto. Een lange busreis en kerstshoppen is voorbij.

De Personeelsvereniging van Delfland is de initiator. Mijn dank gaat dan ook naar hen uit. Volgend jaar maar een keertje niet, of dichter bij. We zien het wel in december 2018.

259. De laatste werkdag

Wat een rotnacht. Ik kan niet in slaap komen. Dan ben ik me even niets meer bewust om om vier uur opnieuw wakker te schrikken. “Het werk, naar je werk”, fluistert een stemmetje in mijn oor.

Mijn lief slaapt nog. Ik laat haar liggen. Ik haal de vaatwasser leeg en maak mijn brood klaar. Zal ik meenemers klaarmaken of op ‘de zaak’ eten? Ik heb nooit ‘op de zaak’ gegeten, dus waarom nu wel. Nog even de krant lezen, d.w.z. de koppen. Ik heb niet meer tijd. Als de journaalgong voor de eerste keer klinkt, heb ik mijn jasje al aan. Staande luister ik naar wat er die nacht of de dag ervoor heeft afgespeeld. Max heeft gewonnen, wat een mooie prestatie. Dan wandel ik naar de schuur. Het stalen ros komt de berging uit.

Voor de laatste keer fiets ik ‘s morgens vroeg richting de Phoenixstraat, nummer 32. Ik groet mijn tegenliggers die ik jarenlang ben tegengekomen en gedag heb gezegd. Er is geen tijd om even te stoppen en te zeggen: “het gaat je goed, mij kom je niet meer tegen.” De regendruppeltjes maken het er niet vrolijker op. Ik heb zelfs koude handen. Bij aankomst gaat mijn fiets de fietsenstalling in. Het is donker in de tuin. Er branden geen lichtjes. Doen we nog aan nacht van de nacht? Nog eenmaal houd ik mijn pasje tegen de toegangspaal aan. Ik stap de draaideur in en neem de eerste afslag. “Goedemorgen”, zeg ik tegen de portier van Westvliet. “Mogûh”, krijg ik terug, “je bent toch al met pensioen?”, vraagt hij mij. Mijn stukje over het afscheid staat al een aantal weken op het samenwerkingsportaal, vandaar. Ik leg hem uit dat het vandaag mijn laatste dag is. “Heb je er zin in?”, vraagt hij mij. Ik geef hem te kennen, dat het wel vreemd is. Dan schiet ik de gang in. Eerst naar de koffiecorner en dan haal ik mijn portofoon op. Zelfs de laatste aanwezig dag ga ik voor de veiligheid van het personeel. Dan de trappen op naar de 2e verdieping. Slechts één collega is eerder gearriveerd. “Vreemd, Aad”, zegt hij. “Besef dat er aan elke laatste dag een nieuwe dag en een nieuw leven ontstaat.” Ik geef hem gelijk. “Wat ga je doen, als je eenmaal thuis zit?”, vraagt hij mij. “Niets”, geef ik hem te kennen, “voorlopig even niets.” Hij kijkt verbaasd. “Dat is niets voor jou”, zegt hij.

Ik ben de eerste die de ICT-kamer op stapt. De deur zit nog in het slot. Het legitimatiepasje opent de deur, al is het met moeite. Mijn plekje op het einde van de kamer is niet bezet, het is mijn plek geworden na de verhuizing van de Brashof terug naar het verbouwde pand, ondanks het feit dat we flexen.

Ik start voor de laatste keer mijn PC op. Mijn dagelijkse werk, zo vroeg, hoef ik eigenlijk niet meer te doen. Een collega gaat dat overnemen. Het is slechts voor twee maanden, dan gaat alles op de schop. Het moment van afscheid nemen komt op het juiste moment. Langzaamaan komen meer collega’s binnen, allemaal hebben ze zulke opmerkingen als mijn eerdere collega die ik tegen kwam. “Vreemd zeker?” is een veel gehoorde uitspraak. Ik voel mijn lichaam tegenspartelen. Mijn hoofd kan het niet bevatten. Wat een rotgevoel. Een collega komt binnen houdt zijn telefoon aan het oor zonder iemand aan de lijn te hebben. “Meneer Van Meurs? Nee die werkt hier niet meer.” Ik kan er om lachen.

Ik bereid me voor op het koffiemomentje. Gaat men nog iets zeggen, ik heb niets voorbereid om terug te zeggen. Er is gebak gehaald. Een beoordelingsgesprek op dit laatste moment is omgezet naar gezamenlijk koffiedrinken. Ik zal het over mij heen laten komen.

Afgelopen week heb ik al een brief ontvangen over de afrekening van de BHV. Sinds 1988 ben ik hieraan als EHBO-er verbonden geweest. Ik ben daar ook regelmatig voor geconsulteerd. Met name bij de bouw van de parkeergarage ben ik regelmatig opgepiept om langs te komen. Ik heb het altijd leuk gevonden om te doen. Niet het probleem dat mijn slachtoffer had, maar het helpen, daar waar nodig.

Meer en meer komt het besef dat ik zaken los moet laten, afscheid moet nemen van wat mij lief was. Hoe moeilijk ook ik zal er vrede mee moeten hebben, dat ik niet elke ochtend veel koffie meer drink, dat ik mijn collega’s een ‘goedemorgen’ geef, dat ik extra vroeg op moet om mijn ‘vaste’ werkplek te vinden.

Wanneer ik een uurtje binnen ben, komen de eerste collega’s al langs voor een hand. Sommige kunnen niet op de afscheidsreceptie komen op 9 november a.s. Anderen vinden het leuk om nog even een praatje te maken, nu het kan. “Straks heb je er geen tijd voor”, zegt één van mijn collega’s.

Nog één keer wordt mijn expertise gevraagd voor een probleempje dat is ontstaan. Ik kan nog helpen.

Het karretje met gebak komt de kamer op rijden. Weer zo’n momentje. Mijn teamleider doet een kort woordje. Ik kan zelf nog wat vertellen. Het is gezellig, angstig stil als ik vertel. Het gebak wordt aangebroken, ik ben de eerste die mag pakken, waar ik dat normaliter nooit zou doen. Daarna gaat iedereen weer aan het werk.

Ik krijg een app van een collega die in het ziekenhuis ligt, maar nog even een hart onder riem wil steken. Ze gaat haar best doen om te komen op de 9e november. Ik wens haar sterkte. Een collega komt me de hand drukken en wil absoluut op mijn afscheid komen, maar er is een teambuilding die dag. “Verkeerd, volkomen verkeerd gepland”, zegt hij. “Ik wil jouw praatje horen.”

Nog even heel even langs bij een collega die nog een klein probleem heeft en dan neem ik afscheid. Ik pak mijn tas in en sluit de computer. Het is definitief. Ik neem mijn brood weer mee naar huis. Ik eet deze keer thuis.

Oké, collega’s dankjewel voor alle lieve woorden, dankjewel voor de tijd die je met mij doorbracht. Dankjewel voor het geduld dat je met mij had. Ik ben niet van de wereld en zal het de 9e november nog éénmaal overdoen.

Het gaat jullie goed. Succes en houdt mijn bedrijf draaiend. Adieu.

227. Duitsland, wat heb je er mee? Niets!

De directeur neemt afscheid. Het wordt groots uitgepakt. Het is een gezien mensen-mens en daarom ook komt er een grote werknemersdelegatie op de been. Het feest is in het Armamentarium in Delft.

Om even over tienen wandel ik met collega George het pand uit. Ook de directeur komt vlak achter mij aan met aan zijn arm een historische geklede dame. Het is een collega die ze voor deze gelegenheid even uit de zeventiende eeuw hebben opgehaald. Met de directeur komt ook het complete managementteam naar buiten. Ook zij zijn historisch gekleed. Voelen zij zich op hun gemak? Ik betwijfel het. Overigens had ik ze de dag hiervoor al gezien in korte broek, shirt en slippers. Een dresscode die absoluut niet bij ons bedrijf past. Na een foto van het geheel stapt de directeur de boot in. Zijn familie, kinderen en kleinkinderen zitten al in de rondvaartboot. Wij wandelen intussen over de grachten richting het Armamentarium. Al keuvelend genieten we van het mooie weer.

Aangekomen bij het toenmalig Legermuseum, dat tegenwoordig ArsenaalDelft heet, worden we welkom geheten door twee medewerkers. “U komt voor het tentamen”, vraagt de dame aan ons. “Dan bent u te laat”, geeft ze lachend te kennen, om ons vervolgens door te sturen naar het afscheidsfeest een stukje verderop.

Een grote groep collega’s staan al aan de statafels, hebben hun koffie met een flink stuk koek al opgehaald. Even later komt ook het aardbeigebak voorbij. Diverse andere lekkernijen volgen nog. Langzaamaan loopt de benedenruimte van het ArsenaalDelft vol. Er heerst een gezellige drukte, waar alles in gelegenheid wordt gebracht voor het afscheidsfeest. Overigens het tweede feest in één week tijd. Op 3 juli de feestelijke heropening van het vernieuwde en verbouwde pand door de commissaris van de Koning drs. Jaap Smit en nu dan de uitzwaaidag van de directeur.

Ook deze keer weer een macht aan meisjes en jongens die de mens voorzien van koffie, koek, een versnapering, wraps, een drankje of ijsje. Het kan niet op. Wie zegt honger te hebben geleden heeft er met zijn ogen dicht gelopen.

Op de binnenplaats staan weer de voetbaltafels. Behendig worden de stangen van het voetbalspel heen en weer gerold. Spelregels zijn er niet, scoren is het motto, hoe en op welke wijze is niet voorgeschreven.

Dan krijgt een sectorhoofd een microfoon in de handen gedrukt. Hij wil de spelregels van het feest even uitleggen. “Ik sta hier, ik sta hier”, roept hij door de microfoon, zwaaiend met een stuk papier. Stil wordt het niet. Nogmaals vraagt hij de aandacht. Dan krijgt hij die ook. Hij geeft de meute aan dat de directeur met de boot aankomt, het is net Sinterklaas. Twee lakeien van het Waterings feesthuis zullen hem begroeten en hem over de blauwe loper leiden.

Waar normaal gesproken de rode loper ligt, is hier de blauwe loper van toepassing. Blauw is symbolisch de kleur van water en dus ook van ons bedrijf.

Even later komt de boot van het rondvaartbotenbedrijf Brands de brug onderdoor. Op de boot naast de directeur, zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen. Als de boot is aangemeerd volgt een applaus. Er is emotie bij de directeur. Ik zie het aan de ogen en de lip trilt. Als hij vlakbij mij loopt pakt hij even mijn schouder, om vervolgens door te lopen. Het applaus blijft aan tot hij wordt toegesproken door het sectorhoofd.

Na het welkomstwoord enige uitleg over de dag van vandaag. In de ruimte staan een aantal tafels uitgestald. De tafels handelen over de liefhebberijen van de directeur. Aan de tafels zitten medewerkers die iets hebben met deze thema’s. Zo is er o.a. een Franse- en Duitse tafel, een bier- en Kwekkeboomtafel en een touwtjestafel. De directeur houdt van lunchgesprekken en deed deze regelmatig, tussendoor werd er dan ook van alles geserveerd, zo ook nu. Collega’s die niet deelnemen aan de gesprekken hebben de gelegenheid om langs het buffet te lopen en daar hun broodje, of versnapering op te halen.

Ik mag plaatsnemen aan de Duitse tafel. Waarom? Geen idee, ik heb niets met Duitsland. De organisator van de tafel vroeg mij aan te zitten. “Je praat makkelijk”, zegt ze, “de uitleg en wat je moet doen, komt nog”. Ik ben nergens te beroerd voor en neem de uitdaging aan. De e-mail blijft echter achterwege. Blijkt te zijn verstuurd naar mijn collega Aad met dezelfde achternaam. Na drie tafels is het bij ons de beurt. Met genoegen zit ik naast de directeur om hem te vragen wat hij zo leuk vindt aan Duitsland, waar ik er niets mee heb. Uitgebreid legt hij uit wat hij zo mooi vindt aan ons buurland. Collega Peter heeft wat plaatjes afgedrukt die hij laat zien als hij over een bepaalde stad praat. Hij heeft wel iets met het Duitse land. Collega Anja, van oorsprong Duitse, heeft een gedicht in het Duits in elkaar geflanst en leest dat voor. Op tafel komen de wurstenbrötchen, de apfelstrudel en vanillesaus. Onder het genot van deze lekkernijen kan ik terloops even vragen hoe mijn afscheid straks zal gaan plaatsvinden, als hij dít afscheidscadeautje krijgt voor bijna zeven jaar Delfland, waar ik er bijna 34,5 op heb zitten. “Hij kan het niet meer voor mij regelen”, zegt hij.

Na tien minuten is het gesprek aan onze tafel over en vertrekt hij naar de volgende. Het is een zeer informeel gebeuren waar de directeur van geniet.

Terwijl de laatste toespraak van de directeur plaatsvindt, zit ik aan de tafel van Esther de Vreugt. De Tarottafel, zoals het sectorhoofd het heeft genoemd. Esther is ‘expert on joy/starcoach’, staat er op haar kaartje. Ik wil weten hoe het mij straks zal vergaan als ik met pensioen ben. Ik mag twee kaarten trekken en trek twee koningen. “Uniek”, zegt Esther “dat je uit de hele stapel twee koningen trekt”. Ze vertelt een aantal zaken over mij en schrijft mij kansen toe. Inhoudelijk zal ik er hier niet op ingaan. Maar het is zeker de moeite waard.

Nog even napraten met het sectorhoofd als al mijn collega’s al weg zijn. Nog even een schepijsje voor onderweg en dan terug naar het gebouw, waar ik via een zijingang probeer binnen te gaan. De receptie voor de hoogwaardigheidsbekleders en hotemetoten is er aan de gang. Sinterklaas is er niet bij uitgenodigd. Medewerkers moeten thuis gaan werken. Ik stap nog even naar mijn werkplek om de hand te leggen aan de blog van vandaag. Het is immers niet mis om afscheid te nemen van de directeur en zelf één van de volgende te zijn. Beste Paul, het gaat je goed.

225. Nieuw, maar nog niet helemaal af.

De eerste week zit erop, werken in het vernieuwde Gemeenlandshuis. Er is voor ruim 18 miljoen verbouwd en dat is te zien. Na anderhalf jaar terug in vertrouwde omgeving. Het is nog even wennen. Iets later van huis om zo rond zeven uur aan te komen en het werk weer op te pakken. Mag ik het beschouwen als de laatste fase bij mijn Delfland? Na een weekje vakantie, vrijwilliger bij een Zonnebloemvakantie, ben ik afgelopen maandag weer aan de slag gegaan.

Het is 06:50uur als ik mijn fiets heb geplaatst in de nieuwe fietsenstalling. Daar word ik al snel aangesproken door een werknemer van de bouwonderneming. Hij komt met een kruiwagen mijn kant op rijden. “U moet uw fiets hier weghalen”, zegt hij. Ik kijk hem aan en vraag waar ik mijn e-bike dan moet zetten. “Ergens”, zegt de man. ‘Ja dat begrijp ik, ik kan hem niet mijn broekzak steken. “De dijkgraaf heeft besloten dat de fietsenstalling 10 cm lager moet worden”, zegt hij. “Dat zal straks wat worden, als de andere collega’s komen”, zeg ik hem. De auto’s zijn immers verbannen van het terrein en voor een groot deel ingeruild voor fietsen. Ben overigens benieuwd hoe de Delftse bevolking staat tegenover het in beslag nemen van de weinige nog vrije parkeerplaatsen. Collega’s hebben in het Delftse gezocht naar parkeervergunningvrije plekken om vervolgens met de vouwfiets de reis te vervolgen.

Over de rijplaten baan ik me een weg naar de ingang. Overal vinden er nog bouwwerkzaamheden plaats. De bouwketen staan nog op het terrein De pasjespaal staat nog ingepakt. Buiten gebruik, staat er op de paal. De dijkgraaf en secretaris wandelen trots door de ontvangstruimte. Ik krijg een hand en een hartelijk welkom. Dan haal ik mijn portofoon op en krijg van een Delflandgirl een tasje uitgereikt. Een paar leuke kleine speeltjes moeten de nieuwe werkplek veraangenamen. “De tweede etage”, zegt een van de medewerkster, “de oude kantine, daar is jullie blauwe vlek”.

Ik neem de trap naar boven en mis een trapleuning. Als ik boven ben is de deur gesloten. De paslezer staat op rood. De deur wil en kan niet open. Omdat ik bekend ben in het gebouw probeer ik via de achterdeur binnen te komen. Dat lukt. Waarom de voorkant op slot zit en de achterkant niet, is mij onbekend. Omdat er nog niemand binnen is heb ik de keuze voor een werkplek. Op onze vleugel zou een stilte plek worden ingericht voor de mensen met een gehoorbeperking, heb ik altijd begrepen. Die vind ik er niet. Er staan vier uit de kluiten gewassen stoelen geparkeerd op die plek. Werkplekken? Nee, overleg plekken. Het lijkt op een tramstel.

Ik kies strategisch een plek achterin. Zo heb ik iedereen voor me en heb ik geen probleem met mensen die achter mij willen gaan zitten. De zaal is mooi ingericht. Er is veel aan gedaan. Tijd voor koffie.

Waar staat de automaat? “Bij de printer”, zegt mijn collega. “Waar staat de printer, dan?” Vraag ik hem. Hij legt het me uit. Het is goed voor de beweging want het is een stevige eind tippelen. Gratis sporten? Wanneer ik de koffieautomaat heb gevonden is deze leeg. Er zijn wat aanloopproblemen. Zes automaten slechts, verspreid over het gebouw. Als ik terug wandel zie ik dat er een koffiekarretje is gearriveerd die voor het gebouw staat. Koffiedrinken kan dus buiten.

Als ik terug ben op ‘mijn’ plek zijn er al een aantal collega’s binnengekomen. Langzaamaan loopt de ruimte vol en is er geen plek meer over. Ik hoor gemopper bij de laatkomers. Dat was te verwachten.

Collega’s komen van andere afdelingen en teams en gaan op onderzoek uit. Waar zit iedereen en wat hebben ze er van gemaakt. Men komt door de achterdeur naar binnen en gaat er door de voorkant weer uit. De locatietemperatuur loopt langzaam op. Het raam gaat open. Dan begint het gedonder. De achterdeur slaat tot vijfmaal in een uur keihard dicht. Mensen in het tramstel schrikken zich te barsten. Het tocht, ik voel de wind langs mijn armen. Mijn armhaartjes staan overeind.

Dan een e-mail. Surprise, surprise, eenieder dient naar beneden te komen voor iets lekkers. De gebaksdoos gaat open. Het Delflands wapen siert het gebakje dat smaakt. De dijkgraaf doet een toespraak. Nog geen microfoon, maar een roeptoeter. Iedereen wordt welkom geheten. Het gebouw is nog niet af. Er zijn nog wat kleine dingen op te lossen. Na een kwartiertje gaat men weer aan het werk. De plek naast me is bezet er wordt aan de tafel overlegd. Storend. De verhuisdozen worden opgezocht en uitgepakt. Wanneer ik mijn 65+plant, de geranium, op mijn tafel zet, krijg ik te horen dat dit niet mag. Geen privé-spullen op de tafel. Even verderop staat de muskusrat. Ooit gevangen in Delflands wateren, opgezet en zo lang als ik bij Delfland werk bij de repro gestaan. Na enige tijd moet ook die weg. Regels, regels, regels, merk ik.

Wanneer ik naar het toilet wil, moet ik naar een etage lager. Dan blijkt dat de twee toiletten die er zijn op bezet staan. De damestoilet is vrij maar dat durf ik niet. Nog maar een etage naar beneden. Ook allebei de toiletten bezet. En nu? Je zult maar hele hoge nood hebben. Ik ga op zoek, ondertussen afvragend of hier niet te weinig gelegenheden zijn.

Als ik een wc heb gevonden en net aan zit, gaat mijn portofoon af. “Test, test, hoor je mij”. Wie het is, ik heb geen idee. Ik probeer terug te praten, dat wordt aan de andere kant kennelijk niet gehoord. Ik krijg tenminste geen antwoord.

Ook ik ga wat zwerven door het gebouw. Het is mooi geworden, vind ik. De overlegkamertjes zien er mooi uit. De oude vleugel is nog zoals deze was. De tuin moet nog groeien, dat wil zeggen, de plantjes die er in staan. Jammer dat de oude rode beuk is gaan hemelen. Ik heb begrepen dat er later een nakomeling wordt geplant. De fietsen staan door de hele tuin verspreid. Er wordt druk gewerkt aan de fietsenstalling.

Als ik terug kom op mijn werkplek is het er druk. Naast mijn plek vindt wederom een overleg plaats. Tegenover mij zitten twee mensen met elkaar te praten. De ‘tram’ is bezet met twee bellers waar ik letterlijk het gesprek van kan volgen. Ik moet me proberen te concentreren. Achter mij komen weer drie mensen binnen die een heel gesprek beginnen. Ik kom niet echt aan werken toe. Tijdschrijven en verantwoorden onder Sociaal Evenement? Dat mag niet.

Het zullen de aanloopproblemen zijn, er moet nog het e.e.a. worden opgelost. Op eigen initiatief heb ik aan twee kanten van de deur een briefje opgehangen op de achterdeur dat men de deur sluit. Tochten blijft het, of was het airco die iets aan de hoge kant stond. Ik meld het ook maar even bij de werkgroep D-sign.

Het komt allemaal goed, daar ben ik van overtuigd. Mensen zullen straks hun plekje weer gevonden hebben. Werken in de ‘vlek’ heeft zijn voordelen. Ik heb er best een goed gevoel bij. Het zal nog wel even duren, maar over vier maanden ben ik weg. Zal het dan allemaal opgelost en gewend zijn? Ik denk het wel.

177. Bratwurst, Apfelstrudel en Schnitzel


Op vrijdag begint de dag nooit zo vroeg omdat het mijn wekelijkse vrije dag is. Vandaag echter heeft het bestuur van de Personeelsvereniging van Hoogheemraadschap van Delfland het jaarlijkse kerstuitje georganiseerd. Dat betekent om half zeven tussen de lakens vandaan en affeseren. Er hoeft niet ontbeten te worden want de PV heeft voor een ontbijt gezorgd. Iedereen heeft zijn persoonlijke wensen kenbaar mogen maken.

Om kwart over zeven rijd ik met mijn lief richting het huidig hoofdkwartier aan de Brasserplein te Delft. Na een parkeerplek te hebben gevonden, het is trouwens rustig op vrijdag bemerk ik, wandelen we naar binnen. Even denken we de eersten te zijn, maar vanuit de wachtplek gaat een hand omhoog. Eén van mijn collega’s is er al en zit met zijn moeder aan de koffie. Even een voorstelrondje en dan aan de koffie in afwachting van nog 50 anderen, collega’s met introducés. Even verderop hoor ik gestommel en daar ga ik op af. De voorzitter en een lid van het PV-bestuur zijn druk bezig het persoonlijk bestelde ontbijt van eenieder samen te stellen. Ik hoef niet te helpen, het gaat perfect.

Langzaamaan komen collega’s binnen. Bekende gezichten die ik ook nog van naam ken, maar ook collega’s die ik van gezicht ken, maar waar ik de naam niet bij kan bedenken. Soms schiet ik even iemand aan om te achterhalen wie, wie is.

Om kwart voor acht rijdt de bus het terrein op. Een bekende chauffeur houdt het stuur vast. Hij vervoerde een gezelschap Delflanders al enige malen naar de wintersport. Ook nu is hij weer bereid de gezellige groep richting Düsseldorf te sturen. Als het sein ‘we gaan’ is gegeven zoekt men een plekje in de bus en schuift de jas in het rek boven de zitplaats. Even is er een kleine storing als één van de medereizigers zich verstapt en op haar knie valt, een flinke schaafwond tot gevolg. Het fraaie van de broek is er ook af omdat er een scheur zit in haar broekspijp. Vakkundige hulp is er voldoende met drie EHBO-ers aan boord. Eén van hen pakt het op en dus is het probleempje al snel verholpen.

Daar gaan we. De ontbijtzakken gaan open en de koffiepot in de bus zou moeten gaan pruttelen. Zou, want het apparaat weigert dienst. Even overleg tussen bestuursleden en de oplossing is daar. Op kosten van de PV zal onderweg worden gestopt en krijgt iedereen koffie of thee uitgeserveerd.

Bij de afslag waar het restaurant Goudrenet Kesteren is gevestigd rijden we de snelweg af. Dan blijkt de kant waar we staan dicht te zijn. We doen een rondje van de chauffeur, rijden even over het viaduct over de rijksweg heen en kiezen voor de andere kant van de snelweg. Daar is het plassen, drinken en weer instappen. Na twintig minuten wordt de kerstreis vervolgd. Nu in één keer door na Düsseldorf.

Aangekomen op de plaats van bestemming wordt de bus geparkeerd aan de oever van de Rijn. De Rijn die de stad door midden deelt. Het is intussen 12:00uur geworden. De chauffeur heeft een rusttijd voorgeschreven gekregen van negen uur, zodat de terugreis wordt bepaald op 21:00uur.

Dan zwerft de groep uiteen. De één gaat voor winkelen, de ander voor de kerstmarkten, weer anderen kiezen voor ‘wat er voor de voeten komt’. Met een collega en z’n vrouw kiezen we voor samen optrekken. En zo gebeurt het ook. De mannen kennen elkaar al vele jaren, de vrouwen kennen elkaar niet, maar het klikt direct. Als we langs het reuzenrad lopen stellen de mannen van het gezelschap voor om in te stappen, waar beide vrouwen aangeven hoogtevrees te hebben. Toch krijgen we de dames zover om ook in te stappen. Het reuzenrad op de Rheinuferpromenade is een beleving an sich. Vanaf hier heb je een prachtig uitzicht over Düsseldorf en de verschillende kerstmarkten. Enige minuten laten zitten we dan ook op grote hoogte en komen de telefoons te voorschijn voor wat overzichtsfoto’s. Na vier rondgangen moeten we uitstappen en staan we weer met beide benen op de grond.

Het overzichtskaartje dat we in de bus hebben ontvangen komt te voorschijn. Hier staan alle zeven kerstmarkten op aangegeven. Aangekomen bij de eerste kerstmarkt is het nog vrij rustig. Er is weinig sfeer, de lichtjes branden, maar zijn bijna onzichtbaar door het zonnetje dat aan de hemel is komen te staan. Het veraangenaamt de temperatuur. De geur van gebakken ‘kartoffelnreceptuur’, gepofte ‘maronen’ (kastanjes) en andere bakproducten verspreidt zich over het plein. De glühwein stoomt in de potten. Er wordt veel Nederlands gesproken, niet alleen voor- maar ook achter de kraam. Ieder probeert er een centje aan te verdienen. Veel kitsch maar ook vakmanswerk. Een glasblazer die laat zien hoe hij zijn figuurtjes maakt in zijn glazen bollen heeft gretig aftrek en heeft een breed gehoor als hij vertelt wat hij doet. We lopen langzaam langs de houten tentjes, die er aan de voorkant schattig uitzien, maar aan de achterkant niets hebben. Het is alsof je in een toneelstuk loopt. Gemaakte coulisses zonder achterkant.

Al rustig wandelend gaan we van de ene naar de andere markt. Als we uitkomen op een warenmarkt willen we er ook even overheen. De prijzen liegen er niet om. Voor groenten en fruit betaal je hier beduidend meer dan dat we bij ons gewend zijn.

Het wordt tijd voor dat kopje koffie met apfelstrudel en warme vanillesaus. Als we een koffiebar hebben gevonden en ons geliefde stukje gebak bestellen, blijkt dit pas om drie uur te worden uitgeserveerd. Het bedienend personeel wordt gedag gezegd en we gaan verder op zoek. Dan stuiten we op een koffierestaurant waar we dan maar gaan zitten. De menukaart geeft niet aan dat ons gebak te bestellen is, maar als er naar wordt gevraagd wordt er bevestigend op gereageerd. Een heerlijk stukje gebak wordt naast het koffiekopje neergezet. Het wordt genieten.

Op naar weer een volgende kerstmarkt. Engeltjes zijn er gemonteerd op de kramen. Het blijkt dan ook de Engelenmarkt te zijn. We kijken er alleen en kopen er niet. Thuis ligt al zoveel shizzle. 

Een volgende kerstmarkt heeft de bekende broodjes bratwurst. De dames zijn er niet van. De mannen wel en bestellen. Beide dames profiteren mee en nemen er een hap van. De hete mosterd blijft niet alleen op het broodje als ik een hap neem. Mijn jas mag ook even meeprofiteren en een flinke kledder zakt op de rits van mijn jas naar beneden.

Als we de straat zijn overgestoken vallen we direct in de volgende kerstmarkt. Overal hetzelfde, hier en daar wat lager geprijsd maar kennelijk allemaal bij dezelfde grossier gekocht. Ook hier veel eten. De lucht van eten maakt hongerig.

Het is intussen frisser geworden en het kwik daalt naar 3º. We kruipen even buiten op het terras van een restaurant onder een warmtelamp. We bestellen wat te drinken en kijken even op de ‘speiskarte’ wat men zoal te eten heeft. Het blijkt niet te zijn wat we er van verwachten. We zullen weggaan maar voordat we vertrekken wordt er even in de groep overlegd om de collega met zijn moeder ook te bellen en hen aan te laten sluiten. Met meer eten is gezelliger dan alleen.

Nog geen minuut later, alsof hij ons is gevolgd, meldt onze collega zich en kiezen we in overleg voor een steakhouse. Een tafeltje van zes in het restaurant. Als we even zitten, lijkt het of ons hoofd in de fik staat. De hele dag in de kou en dan nu in de warmte trekt een frisse rode kleur op het gezicht. De speiskarte geeft een goede keuken weer en al snel zijn we er uit. Voor vier een schnitzel, voor twee biefstuk. Omdat de tweede schnitzel slechts drie euro meer kost en de ‘grote’ mannen trek hebben wordt er door hen gekozen voor een extra schnitzel. Er wordt flink gegeten en ruim op tijd kunnen we afrekenen om nu in het donker door de stad te wandelen. Het feeërieke is nu veel leuker en mooier dan in de middag. Het is er nu flink drukker geworden en de bierstubes worden meer bezocht. De baklucht hangt nu ook in de straten. Er wordt veel op straat gegeten.

We doen nog een rondje Düsseldorf om rond te klok van acht te kiezen om naar de bus terug te wandelen. Langzaam vult de bus zich weer met Delflanders. Hier en daar worden de aankopen geshowd. De terugreis gaat op een bepaald rustiger niveau dan op de heenweg. Op sommige plekken kreeg de hoofdsteun van de stoel een moe hoofd tegen zich aan. Bij een enkeling gaan zelf de kleppen even voor de ogen en is men in dromenland.

Tegen 23:45uur is de bus terug op de plek waar we die ochtend vertrokken zijn. Met een tevreden gevoel zoekt men zijn/haar vervoermiddel weer op en zegt men elkaar gedag. Het einde van een zeer plezierige en goed georganiseerde kerstmarktenreis is ten einde.

Personeelsvereniging van Delfland. Het was allemaal perfect geregeld. Met veel plezier hebben we gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid. Het was echt TOP, super TOP.