396. Als de warmte toeslaat

Het dorp Schipluiden wordt overspoeld. Bootjes varen af en aan. Het weer bepaalt.

Op de achterplaats brandt de zon er valt niet te koelen. De thermometer die op de deur is geplakt geeft 34.0°C aan. Het is volgens ingewijden code oranje. Het zonnescherm is uit. De parasol staat. Een witte doek hangt aan het zonnescherm om ook de laatste zonnestralen buiten de schaduwplek te houden. Het wordt tijd voor een ijsje.

Rustig wandel ik met mijn lief de Brugstraat uit. Bij de Paardenbrug aangekomen zie ik kinderen van de brug af springen. Jongens en meisjes in zwembroek en bikini in neonkleuren. Er hangen badhanddoeken over het hekje aan de overzijde. Spectaculair springt men met de knieën vasthouden naar beneden. Het water spat op. “En ik had nog zo gezegd, geen bommetje!”, schiet er door mijn gedachten, denkend aan de reclame van Peer Mascini en die koe. Bootjes varen onder de brug door. Het is dus opletten geblazen.

Aan de overkant op de houten bank zit Jan, hoedje op tegen het verbranden. Hij houdt het spektakel in de gaten, maakt een praatje met de mensen die voorbij lopen en duikt zijn antiekwinkeltje in, als het belletje rinkelt. Even goed laat hij zijn klanten rustig rondneuzen en houdt hij in de gaten wanneer ze weer naar buiten komen. Zijn hond Koos heeft ook zojuist wat verkoeling gezocht en zwemt wat rond, om via het trapje de kant weer op te zoeken.

Ik wandel richting De Vergulde Valk waar Rob en Leo hun café/restaurantje, ijszaakje, runnen. Café Sport komt eerst. Op het terras tegen het café tref ik de stamgasten. Op de boot die tegen de kant aan ligt genieten de gasten van wat er op het water gebeurt. Er hoort een drankje bij.

Bij bakkerij Hoek, even verderop, zoeken mensen het kleine terras op, bestellen een drankje en soms een stukje gebak. ‘Aarbeienschep met slagroom’, staat er op het bord aan de waterkant. Fietsen staan geparkeerd in de, hoe kan het anders, Bakkerstraat.

Weer verder richting valbrug De Vergulde Valk. Ook hier staan de fietsen kris kras geparkeerd. Het wat grotere terras is vol. Alle stoelen zijn bezet. In de deuropening staat een rij klanten voor ijs. Het is achteraan aansluiten. Ik sta op de straat en schat dat ik zo’n vijfentwintig klanten voor me heb. Het is geduldig wachten, want snel gaat het niet. Naast ijs moet ook het terras worden bediend, ze doen het samen en dat betekent ‘wachten’.

Terwijl ik geduldig in de rij sta komen er meer mensen aan fietsen. Een plekje voor de fiets is er nauwelijks. Men parkeert ook voor de deur van een bewoner aan de Dorpsstraat. Wanneer een wat oudere vrouw haar fiets wil wegzetten stoot ze tegen een reeds geparkeerde fiets. Er ontstaat een domino-effect. Hevig verschrikt schiet haar man te hulp en raapt de fietsen weer op.

Inmiddels ben ik een halve meter opgeschoten. Je moet geduld hebben. Achter mij vult de rij zich aan. Bootjes worden aangelegd en bootgasten schuiven, al dan niet, met ontbloot bovenlijf aan. Een vrouw in een veel te kleine bikini stapt van de boot en zet zich als laatste in de rij. Er wordt gefluisterd.

Het is gezellig druk op de Dorpsstraat. Een rits lelijke eendjes komt voorbij. Er moet worden getoeterd. Even later een ronkend vermogen dat nog even wat gas bijgeeft. Het is een reeks motoren die kennelijk een toertocht hebben gepland door het dorp. Ik ga in gesprek met mijn voorganger. “Het schiet hier niet op”, zegt hij. Ik weet niet beter. “Ik stond hier donderdag, met dat warme weer ook al voor de deur”, geeft hij te kennen, “maar toen waren ze dicht.” Ik weet niet beter. “Ze hebben het zeker niet nodig”, antwoord ik. “Ze hebben beiden al de pensioengerechtigde leeftijd.”

Na anderhalve meter verder sta ik in de deuropening. Een bootgast probeert zich er doorheen te wringen. “Een toilet?”, vraagt hij. Hij wordt door verwezen naar achteren. Rob heeft inmiddels een blad gevuld met een bestelling voor buiten. Ook hij probeert er door heen te gaan, maar dan in omgekeerde richting.

Langzaamaan kom ik bij het uitdeelpunt. Een jongeman die even voor mij staat blijkt zijn gevolg buiten te hebben gelaten. Een naast hem staand meisje haalt de bups binnen. Zeven in getal. “Een kinderfeestje”, zegt hij. Dan ben ik aan de beurt. “Doe me maar twee ijsjes”, zegt ik. “Een kleintje en een obliehoorn.” Mijn lief houdt niet van grotere ijsjes. Ik haal gepast geld uit mijn portemonnee. “€2,15”, zegt Leo. Vooroorlogse prijzen nog hier. Ik wurm mezelf met twee ijsjes in de hand naar buiten. Mijn vrouw heeft een plekje gevonden op een bankje aan de waterkant. Eenden zwemmen in de buurt, het laatste van het wafeltje wordt vaak in het water gegooid.

Het is een komen en gaan van boten. Sloepjes, rubberbootjes en kleine jachten. Een boot heeft een surfplank achter zich aan, kinderen springen er af en klimmen er weer op. Er varen ook zuipschuiten. Schippers met een biertje in de hand, stapels kratten bier aan boord. Ze moeten wachten tot personeel van Indigo de valbrug omhoog draait. Het is file als de eerste boten door de openstaande brug varen. De groene zak aan de steel is als de collectezak in de kerk, het betaalpunt. Als alle bootjes richting Delft zijn vertrokken komt de stoet vanuit Delft. Een van de schippers heeft zijn boot niet onder controle. Hij botst op een sloep die ligt aangemeerd. Er volgen zware woorden. Even verder op speelt de schipper wederom botsbootje. Hij vaart veel te hard en maakt geen vrienden.

Aan de overzijde op de Vlaardingsekade rijden fietsers over de ka, waar het toch echt wandelgebied is. Men houdt zich niet aan de borden die aan weerskanten zijn geplaatst. Afstappen, ho maar. Bij Net Even Anders staat een groepje wandelaars die kennelijk met een gids op stap is. Ze kijken in de etalage, maar lopen door. Bij het kerkelijk museum staat het bord buiten. ‘Niet de bijbel van buiten, maar van binnen kennen’, staat er op het bord. Het museum is gesloten.

Nog even blijven we zitten om te genieten van het windje dat waait over het water. Allicht koeler dan in de achtertuin. Dan wordt het tijd om onze plek af te staan aan de volgende ijslikker.

Rustig wandelen we terug. De temperatuur loopt nog verder op. Bij thuiskomst geeft de aan de deur hangende thermometer 39.0°C aan. We gaan naar binnen, waar alle deuren en ramen gesloten zijn gebleven en het zonnescherm en parasol hun werk hebben gedaan. Het is binnen 24.0°C. Een betere temperatuur. De Tour de France gaat aan, ik nestel me in de bank. Kijk naar de laatste kilometers van de dag om te zien dat het Dylan Groenewegen wederom niet lukt om de zege te pakken. Weer scoor ik geen punten in het AD-klassement. Niet druk maken, het is maar een spel. Druk maken geeft energie en warmte en daar hebben we vandaag genoeg van.

333. Van de Valys moet je het hebben.

Daar gaat ze met haar ‘truttenkarretje’ achter zich aan. Ze komt van achter uit het dorp en wil met het openbaar vervoer. Dat is niet niks in een dorp waar men het openbaar vervoer niet echt hoog heeft zitten. Ik doel dan met name op het reguliere openbaar vervoer als Connexxion. Om tien voor tien gaat ze wandelen, ze is nog redelijk ter been, maar moet wel regelmatig even zitten. Dan, als je vanachter uit het dorp naar de eerst mogelijke opstapplaats in het dorp moet is dat al gauw zo’n twintig minuten lopen, voor een gezond persoon. Mevrouw van 87 doet er iets langer over.

“Ze zouden ook op zaterdag moeten gaan rijden van die MUS, daar bent u toch van”, zegt zo langs haar neus weg. Ik geef haar aan dat je dan wel met meer vrijwilligers moet gaan rijden. Ze is eerder met de MUS mee geweest en vindt het een geweldig leuk karretje. Ze wil naar haar dochter in Heerhugowaard en blijft een paar nachtjes slapen. Haar schone pyama, wat ondergoed en een schone blouse. Dat is genoeg en dan trekt zo’n karretje het makkelijkst. Ik wandel een stukje met haar mee.

Bij de Dorpshoeve een bank. Even zitten. Met een zakdoek veegt ze de bank af. Er ligt stof op en de bank is niet meer zo onderhouden dat het aantrekt om er op te gaan zitten. Ze tilt de achterkant van haar jas op om niet op de slippen van de jas te gaan zitten. Dan hijgt ze even uit. “Is de valys niets voor u”, vraag ik haar. “Daar heb ik zo’n rotervaring mee”, zegt ze. “Ik ging naar mijn ander dochter en ben er om acht uur ’s avonds vertrokken en was om kwart voor twaalf pas thuis”. “Dan kwam u vast van heeeel ver weg?” vraag ik haar. “Nee hoor valt wel mee”, antwoordt ze me, “maar ik had een chauffeur die kennelijk voor het eerst reed.” “Toen ik hem aangaf dat ik naar Schipluiden moest, vroeg de man waar dat lag. Ik legde het hem uit.” In de taxi zat nog iemand uit Alphen a/d Rijn en iemand uit Heiloo, die moesten eerst naar huis worden gebracht. “Waar kwam u vandaan”, vraag ik haar. “Uit Barsingerhorn”. Ik frons mijn wenkbrauwen. “Barsingerhorn, waar ligt dat?” vraag ik. “Bij Schagen”, zegt ze, “het is zo’n deelgemeente.” “En toen u instapte zaten die mensen er al in?“ vraag ik haar. “Jazeker, het was erg gezellig”. “De rit naar Heiloo ging heel voorspoedig. Hier en daar wat binnenwegen, maar daar waren we zo.” Nadat de medepassagier was uitgestapt gingen we richting Alphen a/d Rijn. “En daar ging het mis”, zegt mevrouw die alles nog haarfijn kan navertellen. “De chauffeur nam allemaal binnenwegen, we hebben geen rijksweg meer gezien.” Mevrouw geeft aan dat hij maar bleef rijden, en maar rijden. We reden langs weilanden, in het stikkedonker. Ze had het gevoel dat de chauffeur echt niet wist waar hij zat. Ik vraag haar of hij geen navigatie had. “Ja”, zegt ze, “die lag op zijn schoot. Hij keek regelmatig tussen zijn stuur door naar het verlichte schermpje.” “Uiteindelijk bent u er wel gekomen”, vraag ik haar. “Ja gelukkig wel. Maar daarna ging het pas echt fout.” Ik keek haar met een verdwaasde blik aan. “Dan was je al aardig in de buurt”, zeg ik haar. “Precies, maar wat doet ie oet, die neemt de verkeerde afslag. Nu rijden we terug naar Amsterdam.” Mevrouw probeert het hem nog uit te leggen dat ie verkeerd gaat. De chauffeur rijdt echter gewoon door tot hij bij Schiphol aan komt. Dan zegt hij tegen mevrouw “Ik geloof dat u gelijk heeft.” Het is inmiddels al bijna elf uur als we omdraaien. Uiteindelijk zet hij haar om kwart voor twaalf thuis af. “Dan heeft u een mooie rit gehad voor weinig”, zeg ik gekscherend. Ze lacht als een boer die kiespijn heeft, maar zegt dan lachend “het was wel donker, hé.” Ik vraag haar of ze een klacht heeft ingediend bij Valys. “Jazeker”, zegt ze, “Ze konden daar op een schermpie zien hoe hij gereden had. Ik hoefde de rit niet te betalen en het aantal kilometers ging niet van mijn totaal af.” “ Dan kook je toch zeker in die auto”, vraag ik haar. “Dat deed ik ook, maar het was zo’n aardige man, hij kon er ook niets aan doen.” Ze heeft bij de Valys wel gevraagd of de goede man is thuis gekomen. Dat bleek zo te zijn. “Maar met de Valies ga ik niet meer”, zegt ze zeer gedegen.

Ze is weer aardig uitgerust en we wandelen rustig naar de dichtstbijzijnde bushalte. “Jammer hé, dat ze die bij de Vergulde Valk hebben weggehaald. Vaak als ik in de zomer terug kwam met de bus nam ik er zo’n lekker ijsje.”

Terwijl ik de Brugstraat inschiet sloft mevrouw verder, haar karretje trekkend. Thuis aangekomen heb ik geprobeerd de reis naar Heerhugowaard te analyseren met het openbaar vervoer. Om 10:30 uur neemt ze bus naar Delft, Daar stapt ze op de trein om om 11:49 uur aan te komen op Sloterdijk, dan een Intercity naar Uitgeest en met de snelbus naar Heerhugowaard waar ze als alles meezit om 13:14uur aankomt. Mevrouw is 3uur en 14 minuten onderweg, bijna net zolang als de Valies van toen, al was dat een stukje verder. Ik geef het je doen voor iemand van 87 jaar.

331. Een solex is geen skippybal

Een Solextour. Eigenlijk voor mij niet iets bijzonders meer. Als je maandelijks een aantal ritten rijdt maakt het de rit niet leuker of fantastischer. Wat het wel leuker maakt zijn de mensen die je mee op pad neemt. 50 jaar is ze geworden en neemt haar familie en vrienden mee voor een solexrit door het mooie Midden-Delfland en Westland.

Zowel in Schipluiden als De Lier zijn de dorpse feesten aan de gang daar moet je dus met een groep van 22 niet zijn. Heel even moet ik nadenken over de rit die ik zal gaan maken. Daarbij komt dat er een stop is gepland waar we normaliter niet komen, De Bonte Haas.

Vijf minuten voor vertrek arriveert het laatste echtpaar op het parkeerterrein van De Tuinderij. De totale groep staat buiten op hen te wachten. Na een welkomstwoordje gaat men naar het toilet of de garderobe. De outfit mag worden uitgezocht. Dat blijkt voor sommige dames een probleem. Er hangt te veel en net als in de winkel eindigt men weer bij de jas die als eerste is gepast. Altijd leuk om te zien hoe men kissebist over de jas van vandaag.

Als de groep is aangekleed kiezen sommige nog voor een helm. Daar hoort uiteraard een hygiënisch haarnetje bij. Sommigen hebben de haren net in de krul en wijzen een hoofddeksel af. “Is het verplicht”, zegt een jonge vrouw, “ik hou niet zo van iets op mijn hoofd.” Niets is verplicht, de reeds opgezette gele helm gaat af en weer in het rek. De vlecht die haar moeder zojuist heeft gemaakt gaat weer los.

Spullen als een jas, tas een paraplu gaan in de grote kist, waar een zwaargewicht collega, zogenaamd, de hele middag op gaat zitten. Men kiepert de waardevolle spullen in de kist, waarna de kist op slot gaat. Daarna gaat de groep buiten achter een solex staan. De bezemwagenbestuurder legt de solex uit. Een aantal mensen let niet goed op, zal blijken. Wanneer de voorlichter nogmaals vraagt om het starten voor te doen, wordt slechts beperkt een ‘zacht’ ja gegeven.

We zijn klaar voor het oefenrondje. Wanneer ik vooruitrijd, rijdt er slechts een klein deel van het gezelschap achter mij aan. Een man/vrouw of vijf van de 22. De anderen staan te hannesen met het op het wiel zetten van de motor, weten niet hoe ze gas moeten geven of denken dat je een solex toe kan spreken, waarop deze spontaan gaat rijden. Dan als iedereen het oefenrondje heeft afgewerkt kunnen we weg. Dit keer een wat aangepaste route i.v.m. de feestweek in De Lier. Een stop is besproken bij de Bonte Haas.

Eerst rustig en dan maak ik wat snelheid. Iedereen moet even wennen. Het rijden in een groep is toch even anders dan alleen en met redelijke afstand van elkaar een oefenrondje rijden. Daarnaast zijn er altijd die het eng vinden, hebben nog nooit gemotoriseerd gereden en dan is solex rijden een nieuwe ervaring die soms te hard gaat.

Nog geen tweehonderd meter weg, komt een man naast mij rijden. “Kan het niet sneller”, zegt hij, “ik heb nog gas over.” Ik leg hem uit dat de langzaamste het tempo bepaalt van de groep. Iedereen moet het leuk vinden.

Bij de oprit naar de N223 kijk ik achterom en zie ik een langgerekt lint achter mij aan. De wind is een bepalende factor en het waait behoorlijk. Dan plots een oproepje vanuit de bezemwagen. We staan stil. Een solexwissel. Ik wacht en houd contact. Na de wissel weer op weg.

We rijden op het fietspad parallel aan de N223 als ik iemand de telefoon uit de zak zie halen. Kijkend op de telefoon filmt hij boven zijn hoofd de groep achter hem. Ik vraag hem de telefoon in de zak te houden uit veiligheidsoverweging. Met betrokkene spreek ik af, dat als we straks op een lange rechte weg rijden, hij een voorsprong krijgt om de groep te filmen. Hij steekt zijn duim op.

We rijden de Oostbuurtseweg in en uit richting Zijtwende en vervolgens de Berkenrode op. We nemen het fietspad richting Dorppolderweg. Bij het Kraaiennest een compleet tentenkamp. De eerstejaars studenten worden er afgeknepen. Ze spelen het spel mee en bieden terwijl we rijden bekers water aan, alsof we met een wedstrijd bezig zijn. Leuk.

Rijdend op de Dorppolderweg schieten er drie solexrijders mij ineens voorbij. Ze hebben kennelijk toch die wedstrijd gestart. Ik roep ze terug en vraag om a.u.b. achter mij te blijven en zich aan de verkeersregels te houden door aan de rechterkant van de weg te blijven rijden. Op de Dorppolderweg zit een onoverzichtelijke bocht, door de kassen. Ik heb al eens eerder een verrassing gehad waar het maar net aan goed ging.

Vanaf de Dorppolderweg naar het fietspad langs de Zijde. Iedereen draait netjes mee achter mij aan, op een na. Deze man kiest voor de brede weg van de Dorppolderweg. Mijn collega op de bezemwagen rijdt achter hem aan en geeft hem een waarschuwing. Meneer is als wielrenner bekend met het gebied en weet waar we weer bij elkaar komen. Maar de afspraak is om bij de groep te blijven. Later beklaagt betrokkene zich over de waarschuwing, waar ik hem uitleg dat we geen gekke dingen willen en er een afspraak is gemaakt.

Het kruispunt wordt afgezet bij de N468, door de Sparta berijder. We rijden door Schipluiden. Het terras bij de Vergulde Valk zit goed gevuld. Alle gezichten zijn gericht op dat vreemde gezelschap in die leren jassen. Nu de kortste weg naar de Bonte Haas. De Tramkade af, brug over de Gaag over naar de Rijksstraatweg. Voor de bezemwagen even een moeilijke manoeuvre om tussen de paaltjes door te komen, maar het lukt. Met een ervaren berijder is er geen verrassing.

We volgen de Klaas Engelbrechtweg en steken de N223 over de Lotsweg op. Aan het eind linksaf de Lotsbrug over naar de Zwethkade Zuid. We hebben wat tijd ‘verloren’ door een tussenstop i.v.m. defecte solex, maar even over de afgesproken tijd komen we aan. Tijd voor een bakkie.

De solexen gaan op de standaard. De jas mag erop blijven liggen. Bij een solex is de ketting afgelopen. Je hebt deze in principe niet nodig, maar de ketting wordt vakkundig weer op de tandwielen gelegd. Het eetcafé De Bonte Haas heeft de gereserveerde tafels verkeerd ingeschat. Twee tafels van 8 kan geen 22 man een zitplaats bieden. Het is er druk en dus zit ons gezelschap verspreid over het terras. Het begeleidingsteam kiest voor een binnen plek. Als we opstappen beklaagt een van de solexers zich bij mij over de prijs van twee bitterballen per persoon. Hij heeft ze besteld en niet ik.

Na 25 minuten gaan we verder. Een van de dames zegt dat haar solex niet meer wil starten. Maar als de motor niet op het wiel is gezet, kan je niet verwachten dat je gemotoriseerd wegkomt. We gaan weer op pad. Opnieuw een solex die niet verder wil. Waar bijna iedereen stopt, schieten er drie rijders vandoor en weer dezelfde die ik eerder heb aangesproken. Ik wijs hen op het feit dat we een afspraak hebben dat ik als eerste rijd. Men lacht erom.

We rijden parallel aan de Veilingroute tot aan de brug over de Kromme Zwet. Dan een klein stukje over de Lange Wateringkade om vervolgens de Zwet te pakken. Dit pad gaat over in het Overtoomsepad. Die rijden we uit tot aan De Lier. Inmiddels is het tempo omhooggegaan. Men heeft de gashandel ontdekt. Wanneer we echter bijna bij de brug aankomen is het wederom stoppen. Na wat geknutsel aan de stilstaande solex kunnen we verder. We gaan het Groeneveld af langs de Zeven Gaten, een waterberging in de Lier. Een bijzonder natuurgebied in het Westland, met zeven sloten.

“Wat een prachtige woningen staan hier”, zegt een der deelnemers, “hier zit geld”. Hij stelt een aantal vragen over het gebied die ik kan beantwoorden. We schieten de Noord-Lierweg op richting Veilingweg en pakken daar het verbindingspad tussen Veilingweg en de Laan van Adrichem. Langs de haven naar de Lierweg richting rotonde, oversteken en een stukje langs de Burgemeester Crezeelaan. Op naar de volgende stop, Hoeve Bouwlust.

Via het Kralingerpad gaan we naar de Gaagweg. Als we even moeten wachten bij de oversteek van de Westgaag, denkt een van de rijders dat hij op een skippybal rijdt en stuitert een aantal keer met het voorwiel op de weg, door het stuur op te tillen en weer te laten vallen. Ik kijk hem alleen maar aan, dat is genoeg om normaal te doen. Het materiaal hoeft niet stuk en werk aan de solexen is er genoeg.

Na de oversteek Molenweg rijden we inmiddels vol gas richting Kwakelweg. Mijn Spartabegeleider heeft de Molenweg en Oostaag gepakt om bij de oversteek bij de Kwakelweg het verkeer te stoppen. Een klein stukje terug over de Oostgaag en dan het terrein van Hoeve Bouwlust op. Hier is een drankjesstop.

Wanneer het sein van vertrek is gegeven zijn de berijders gretig. Men rijdt rondjes op het terrein in afwachting van de toiletgangers. Vooraan de weg wordt gewacht tot iedereen is aangesloten. In een keer maken we de oversteek richting Kwakelweg. Op weg richting Schipluiden. Opnieuw vol gas. De wind geeft een extra duwtje in de rug. De Tramkade wordt afgereden om na de brug voor het centrum van Schipluiden te kiezen. De Burgemeester van Gentsingel, dan rechtsaf de dr. De Koninglaan naar de Keenenburgweg.

Bij de valbrug staat de brugwachter al met de slagboom in de hand. Er liggen twee scheepjes te wachten. We mogen voor. Dan de Dorpsstraat af richting N468, om het fietspad te pakken richting de Tuinderij.

Bij de Tuinderij aangekomen hebben we 39 km gereden. Een mooie afstand. De solexen verdwijnen de loods weer in. De bezemwagen wordt afgeladen en de solexen die defect zijn gaan naar de werkplaatsafdeling. Er is werk aan de winkel.

Na het uitreiken van de door de Tuinderij ingestelde ‘nationaal solexdiploma’ gaat de kleding de rekken weer in. De solexen worden in gelid weer opgesteld. Einde van de rit.

Opnieuw een leuke rit, maar soms is ingrijpen niet leuk maar een must. Een solex is immers geen skippybal. De gasten hebben het geweldig naar de zin gehad en daar gaat het om.

228. Rust en genieten

Het is stil in de tuin. De zon heeft zijn beslag. Het is er heet, bloedheet. Aan beide kanten zijn de buren er niet. Vijf huizen verder zijn ze er wel, en nadrukkelijk aanwezig. Opnieuw hebben ze indianen op bezoek net als gisteravond. Roken ze de vredespijp? De rookpluimen gaan strak naar boven om even later in onze tuin weer neer te dalen. Ze zijn kennelijk op jacht geweest, de lucht van gebakken varken, kip en koe dwarrelt over de achterplaats.

Verderop in het dorp Schipluiden knallen de bassen. Meadow is gestart. We zijn tijdens het fietsen al boten voorbijgereden met jongelui die kennelijk een kaart hebben weten te bemachtigen. Het gaat er weer stevig aan toe. Ze hebben kennelijk hun gehoorbescherming al in en op de oren, zijn onverstaanbaar voor elkaar en horen de muziek die knetterhard staat ook niet. De boxen hebben geen zacht meer. Bewoners van de Vlaardingsekade en Singel in Schipluiden vrezen de terugtocht straks diep in de nacht.

We besluiten een ijsje te halen bij de plaatselijke ijsboer annex cafetaria, De Vergulde Valk. Al jaren een geziene aanwipplaats voor een ijsje. Van heinde en ver komt men even aan tijdens het fietstochtje dat men doet. De gebroeders Van Dijk bestieren deze locatie. Je krijgt er je rust terug. Alles gaat een tandje langzamer dan je gewend bent. Waarom hardlopen als je het op een kruipend tempo ook kunt verdienen. Het terras zit vol. Een enkele lege stoel wordt bezet gehouden. “Mijn vrouw is ijs gaan halen”, zegt een terrasbezetter als ik vraag of de stoel vrij is. “Ja, je weet, dat kan even duren”. Zo is ’t maar net. Soms denk ik Cittaslow, en dan met name slow. Dat is overigens niet de doelstelling. We zijn wel de hoofdstad van Cittaslow. En dat wordt hier prachtig uitgedragen. De slak is het beeldmerk van deze organisatie.

In de vaart liggen een aantal plezierjachtjes en sloepen. Ze wachten tot het gespierde meisje van Indigo de brug opendraait. Het kan wel enige tijd duren want ze heeft de brug net weer in het slot gelegd. Ook hier de rust, geen haast en genieten. Er hoeft immers niets.

We hebben net een stoel weten te scoren als er een voor ons bekende opa aan komt lopen. Hij heeft twee turven bij zich. “Aardbeienijs, opa”, zegt het roodharige mannetje. “Ja”, zegt opa. “Aardbeienijsje”, zegt het nog kleinere meisje met het strikje in het eveneens rode haar. “Ja”, zegt opa opnieuw. Hij lacht naar de mensen die reeds op het terras zitten. Even later komen z’n gedrieën weer naar buiten. Opa heeft een groot ijsje besteld, beide kleintjes hebben een ijsje met balletjes. De kids lopen glunderend over het terras. Opa wacht en vraagt of ze willen zitten. “Nee opa, we gaan naar huis”.

Ons ijsje is op. We gaan ook terug naar huis. Aan één kant is men thuis gekomen. Het zonnescherm gaat in en uit en uit en in. De wind heeft het hier voor het zeggen. Je plaatst een apparaatje en laat het automatisch bepalen. De zon wordt scherper. Ook wij laten het scherm zakken. Ik schuif de stoel in ligstand. Effe rust, waarom druk maken als het niet nodig is.

Even verderop hoor ik bij de indianen een fles terug geworpen worden in de krat. Hier is geen rust in de zin van lekker niks doen. Stemmen gaan steeds harder klinken, hun volumeknop heeft geen automatisch in en uit. Jammer.

Even later ben ik onder zeil. Geen vakantie maar wel rust. Lekker hoor.


218. Vaarseizoen is begonnen. Leuk?

Het vaarseizoen is weer begonnen. Afgelopen zaterdag vond de aftrap plaats tijdens het Westlands evenement Opening Heuls vaarseizoen. 31 vaartuigen namen er aan deel en dit jaar verliep het erg rustig. Als de opening heeft plaatsgevonden vaart de bonte stoet door Westlands wateren. De kernen van de dorpen worden aangedaan en dan gaat men normaliter ook nog even door de Midden-Delflandse kernen. Dit jaar vaart men echter niet door het Midden-Delflandse. Men was vergeten om er een vergunning voor aan te vragen.

Als het vaarseizoen eenmaal is geopend wordt het weer druk op de wateren in het Westland en Midden-Delfland. Niet alleen de plezierjachtjes van oudere mensen of sloepjes en bootjes met gezinnen varen rustig over het water, maar ook de semi-speedbootjes. Vaak nog jonge kinderen razen met een bloedgang over het water. De golfslag van zo’n bootje bereikt regelmatig de voetpaden die langs het water zijn aangelegd tot vermaakt van weer anderen. Nesten van meerkoeten, eenden en ganzen worden stuk gevaren. De door het Hoogheemraadschap van Delfland of Gemeente onderhouden slootkanten worden gesloopt door de golfslag. Rietkragen worden compleet uit de bodem gevaren. Vissen schieten er spontaan van in de stress..

Zo ervoer ik dat in het vorig jaar. Met vrienden van ons en mijn lief zitten we te genieten langs de waterkant. Waar twee jonge kinderen spelend in een autoband op het water lekker ravotten, gaat het bijna mis. Zij worden net niet overvaren door een boot met daarin twee gespierde mensenmassa’s, maar het scheelt slechts een paar meter. Ik probeer een foto te maken van het kenteken van de boot, waarop de ‘kapitein’ van de veel te hard varende boot even naar de kant komt. “Wat ben je aan ’t doen, pik?” vraagt hij op dreigende toon. Ik geef hem te kennen dat hij wat rustiger moet varen omdat hij bijna twee jonge kinderen heeft overvaren. “Ik zou me er maar niet mee bemoeien,” zegt hij, “dat zou wel eens fout met je kunnen aflopen.” Dreigend geeft hij gas met zijn boot om vlak lang de kant een draai te maken. Het water slaat over de rand van de kade, met als gevolg een paar natte schoenen. “Ik heb je postzegel in mijn geheugen zitten”, roept hij als hij nog éénmaal omkijkt. Weg gezelligheid. Angst komt het eerst.

Als we twee weekenden later bij de molen Korpershoek langs de waterkant zitten komt er van onder de brug uit de richting De Lier een westlander aan varen. Buiten het feit dat het een inwoner uit het Westland kan zijn, zijn het ook de bootjes die in vroegere dagen de producten naar de veiling brachten. Deze boot kwam niet onopgemerkt onder de brug door. Voorop vier grote boxen met daaruit schallende muziek. Op de boot jonge mensen, meisjes en jongens die met het flesje bier of likeurtje aan de mond of in de hand een vrolijke begroeting doen. Met ontbloot bovenlijf wuiven de mannen naar de kant. De meiden hebben hun bikini aan, al dan niet met bovenstukje. Ze roepen wat naar de kant, maar dat is niet te verstaan i.v.m. het volume van de gedraaide muziek. Eén van de mannen draait zich naar ons toe en haalt zijn piemel uit de zwembroek om uitgebreid het zojuist genuttigde weer terug te geven aan de natuur. Ze varen het ‘stilte’ gebied in richting Vlietzigt.

Even later een hele sleep van dit soort bootjes. Achterop staan de kratten, in de boot de jongelui. Elke boot heeft haar eigen muziek aan boord. Wederom is er kennelijk geen volumeknop op de stereo-installatie, want de muziek overheerst het ronkend geluid van de motor van de boot. Er is plezier aan boord, er wordt gedanst, gezongen en de handen gaan de lucht in. We kunnen meegenieten, al is het woord ‘genieten’ hier niet echt genieten, maar meer overlast beleven. Deze boten draaien richting de kern Schipluiden. Met de volumeknop op vol, vaart men richting valbrug. Als ik de muziek hoor schallen, denk ik aan het Varend Corso. Waarbij de muziek vaak ook net een tandje te hard staat, maar dit is slechts één weekend in het jaar en dan weet je ook dat het langs komt. De ronkende boot wordt even aangelegd bij ‘Buik’, café-restaurant de Vergulde Valk. Het ijsje dat hij schept is één van de lekkerste uit de buurt. Daar moet je voor stoppen. De mensen op het terras kunnen elkaar niet meer verstaan als de vijf boten zijn aangelegd. Na verloop van tijd, en dat duurt best even, gaat de stoet verder. Even wachten tot de brugwachtster de brug omhoog heeft gedraaid om daarna hun tocht te vervolgen.

Recreatie is voor iedereen, maar door de overmatige muziekklanken is het juist in de kernen en zeker voor de mensen die er hun woning hebben en even buiten willen zitten in de zomermaanden niet altijd even vrolijk. Er wordt geen rekening gehouden met elkaar.

’s Avonds tegen negenen komt de stoet terug. De batterijen zijn kennelijk nog niet leeg. De muziek klinkt nog steeds even hard. De schipper die op de heenweg aan het roer stond staat er nog steeds, hij heeft een colaatje in de handen. Was hij de gehele dag de BOB, ik hoop het maar.

Tegen tienen zijn de laatste boten voorbij. Het fraaie weekend is voorbij, ten minste voor degenen die deelnemer zijn geweest van de botenparade. De walbewoners hebben zich inmiddels teruggetrokken in hun woning. Op naar het volgende weekend, waar het waarschijnlijk eenzelfde geluidsoverlast zal worden.

Langs de kant kijkt men nu al uit naar het einde van het vaarseizoen, terwijl het nog maar net is begonnen. Ik denk niet dat dit de bedoeling is van samen plezier in het leven. Houdt rekening met elkaar en de muziek mag best een tandje zachter. Beter voor de buurt, maar ook zeker voor het gehoor van de opvarenden.