402. Een verhaal met een donker randje

85 jaar is ze, vertelt ze me. Ik neem haar mee in de MUS, het vervoersproject in Midden-Delfland. Om 14:15 uur moet ik haar ophalen bij haar woning. Ze gaat naar het ziekenhuis voor haar ogen. Ik krijg een indringend verhaal van haar te horen.

Wanneer ik de straat in rijd waar mevrouw woont ben ik aan de vroege kant. Nog even neem ik de kans waar om een andere bewoner te ontmoeten en doe er wat zaken mee. Strikt om 14:15 uur bel ik bij mevrouw aan. Ze woont op de derde galerij. “Kom er aan hoor”, roept ze door het luidsprekertje dat bij het huis is bevestigd. Ik hoef niet te zeggen wie ik ben.

Even later komt er een kleine vrouw achter een rollator naar me toe. Ze heeft een zonnebril op. “Goedemiddag”, zegt ze, “mag mijn rollator ook mee.” “Natuurlijk mevrouw”, geef ik haar te kennen. “Zeg maar Geertje* hoor, mevrouw vind ik zo’n deftig woord.” Ik help Geertje de MUS is. Omdat ze klein van stuk is, schuif ik een hulptrede uit. Nu komt ze makkelijker in het voertuig. Nog even ben ik aan ’t wurmen om de rollator achterin te krijgen. Elke rollator is verschillend, het is steeds een puzzel om die dingen ingeklapt te krijgen.

Ik maak mevrouw vast met de gordel. Deze zit van binnen naar buiten, anders dus dan bij een auto. Ik moet dan ook altijd even over mijn passagier heen. “Ben je bang dat ik wegloop”, zegt mevrouw met een lachend gezicht.

Ik stap aan de andere kant in en vervolg mijn rit richting ziekenhuis. “U heeft een bekend gezicht”, zegt mevrouw tijdens de rit, “maar ik kan u niet thuisbrengen.” Ik help mevrouw uit de droom en vertel wie ik ben. Dan komt de herkenning en weet ze waar ik geboren en opgegroeid ben. “U lijkt op uw vader”, zegt ze.

Ik vraag haar of ze eerder met de MUS is meegereden. “Ja hoor”, zegt ze, “al twee keer. Ik vind het een ideale uitvinding.”

Bij het ziekenhuis aangekomen help ik mevrouw uit mijn karretje, en geef haar de rollator aan. Ik geef haar een kaartje mee met daarop mijn rechtstreeks telefoonnummer voor de terugreis en wens haar succes. Ik rijd hierop terug naar huis en wacht.

Om kwart voor vijf krijg ik een belletje van de receptie van het ziekenhuis. “Mevrouw X is klaar en wil graag opgehaald worden.” Ik geef haar aan dat ik met vijf minuten bij het ziekenhuis ben.

Ik ga opnieuw op weg. Bij het ziekenhuis aangekomen zie ik mevrouw aan komen lopen. Ze heeft een man achter haar aan lopen. Eind veertig, begin vijftig. Het is een keurig geklede man met in zijn ene hand een aktetas. Hij loopt de vrouw voorbij en komt op mij af. “Goeiemiddag, wat leuk u te zien”, zegt hij. Ik ken de man niet. Nou laat mijn geheugen me weleens in de steek, zeker met de herkenbaarheid van mensen. Maar deze man ken ik echt niet of kan hem niet thuisbrengen. Mevrouw komt naar me toelopen. “Dit is Diederik*”, zegt ze, “mijn jongste zoon.”

“Ga jij vast naar mijn huis, ik kom er zo aan.”, geeft ze de man aan. De man loopt van me weg en geeft mij opnieuw een hand. Wanneer ik mevrouw in de MUS heb geholpen en ik de deur dicht wil doen begint mevrouw tegen me te praten. “Ken je hem niet meer”, zegt ze. “Ik zou het niet weten”, geef ik aan. Ik ken al haar zoons en ze heeft er zeven. Ze begint het gesprek. Ik zak door mijn hurken, houd me vast aan de deuropening en luister. “Hij heeft de ziekte dementie”, zegt mevrouw, “al vanaf zijn 39e.”  “Hij woont in Amersfoort met zijn gezin en komt met de trein naar hier. Zijn vrouw zet hem op de trein. Bij het station in Delft huurt hij een fiets en rijdt dan naar het ziekenhuis.” Ik schrik er van. Nu weet ik opeens wie het is. Maar wat is hij veranderd. Ooit werkte ik met hem samen en nu herken ik hem niet meer. “Hij praat kindertaal”, zegt de vrouw. “Hij wil altijd mee naar het ziekenhuis”, zegt ze, “maar ik heb liever dat hij thuis blijft. Hij stelt soms kinderlijke vragen aan de arts, waarop ik uit moet leggen dat hij ziek is in zijn hoofd.” “Hoe komt hij uit Amersfoort hier naar toe”, vraag ik haar. “Dat doet hij met zijn telefoon. Zijn telefoon is zijn richting aangever. Hij heeft een universitaire opleiding gedaan, er is niets meer van hem over. Ja, het kinderlijke. Ik heb daar zorgen over.”

Ik ken het gezin nog van vroeger. Weet wie haar man is en zeg haar hoe hij in mijn herinnering zit. “Prachtig”, zegt ze, “wat leuk dat u hem nog zo kan beschrijven.” Ze geeft aan dat hij inmiddels vijf jaar ‘weg’ is. Overleden. “En weet u, een half jaar eerder is er ook een zoon gestorven. Hij had dezelfde naam als zijn vader.”

Inmiddels ben ik ingestapt en op weg naar haar woning. “Het geloof heeft me er doorheen geholpen”, zegt ze. “Gelooft U?”, vraagt ze. Ik geef aan dat ik niet meer kerk, wel geloof en zo regelmatig een gebedje doe. ’s Avonds in bed. “Fijn”, zegt ze, “daar heb je houvast aan.”

De rit gaat snel en voor ik het weet ben ik aanbeland bij haar huis. Haar zoon staat haar op te wachten. “Goeiemiddag”, zegt hij, “wat leuk u te zien.” Hij steekt opnieuw zijn hand uit. “Kom mam dan drinken we een kopje thee.”

Hij neemt haar aan de arm en samen lopen ze naar binnen. “Dag meneertje”, zegt hij, draait zich om en zwaait nog een keer. Ontroerend.

* zijn gefingeerde namen

389. Wat doet een EMG met je?

Al enige tijd kamp ik met een voet die niet echt wil. En echt niet wil, wil zeggen dat ie slaapt. Ik heb er dus ook regelmatig een uitval in. Lopen kan ik als een hinde, maar bij het zitten is het waardeloos. Het lijkt er op dat er ergens iets bekneld zit. Maar waar.

Door de huisarts ben ik doorgestuurd. Bij de kliniek Annatommie wil men het zekere voor het onzekere. Men plant een MRI-scan in. Daar komt uit dat ik een kalkfabriek met me meedraag. Dat wist ik stilletjes aan al wel. Na een meniscusoperatie, hielspooroperatie, galsteenoperatie en niersteenoperatie volgde er tot tweemaal toe ook nog eens operatie aan de schouder waar ook kalkafzetting in is geconstateerd.

Bij de laatste scan komt naar voren dat er tussenwervelschijven zijn geconstateerd die bijna zo groot zijn als een wervelschijf zelf met allerlei uitstekels en oneffenheden. Mogelijk de oorzaak dat er druk wordt uitgeoefend op de zenuwbanen die naar mijn voet leiden.

Het advies is om er een corticosteroïdenspuit in te zetten en zo vast te stellen wat en waar het probleem zich voordoet.

Ik maak een afspraak in het Bronovoziekenhuis met een neurochirurg. Dan lekker op het gemakje op de fiets naar het ‘Koninklijk Ziekenhuis’. Ik moet er een patiëntenkaartje laten maken. Het is daarna even zoeken, want de arts zit in een soort bijgebouwtje in een kelder. Na enig wachten ben ik aan de beurt. Eenmaal binnen toont de neuroloog mij op een kaart hoe de zenuwbanen lopen en stelt voor om een injectie te plaatsen bij de tussenwervelschijf L4/L5. Zo wordt het afgesproken en daar ga ik voor.

Vijf weken later kan ik terecht in het Westeinde ziekenhuis. Opnieuw een patiëntenkaart aan laten maken. Inmiddels heb ik er al een hele verzameling van, ik kan zelfs al kwartetten, elk ziekenhuis heeft zijn eigen systeem. Echter de computer ligt er uit en een kaartje maken is niet mogelijk. Ik krijg een tijdelijk kaartje met streepjescode waar met de hand mijn naam op wordt gezet. Op het kaartje staat dat ik bij een volgend bezoek een nieuw kaartje moet laten maken. Omdat ik zelf niet terug mag rijden na de prikactie is er een vriendin met me meegegaan.

Daar zitten we al zo’n half uur. Mijn afspraaktijd is inmiddels al met 20 minuten overschreden. Ik zie een arts voorbij lopen en even later mag ik zelf naar binnen. Liggend op mijn buik krijg ik een verdovende prik. Ik hoor de arts steunen en kreunen. “Het lukt niet”, zegt hij, om even later toch te zeggen, “hebbes”. Nog even moet ik blijven liggen, dan ondersteund men mij naar een stoel. De benen bengelen onder mijn lichaam, ik heb er even geen gevoel in. Ik moet meteen gaan zitten en wachten tot de verdoving is uitgewerkt. Er is een kopje koffie en een alleraardigste verpleegkundige. Af en toe komt ze vragen hoe het gaat. “Zijn dat mijn benen”, vraag ik naar de bekende weg. “Ja meneer”, zegt de zuster. “Ik haal uw vervoerder even”, zegt ze. Als mijn chauffeuse is gearriveerd krijgt ze ook koffie. “Hoelang moet ik hier zitten”, vraag ik de zuster. “Ga maar uit van twee uur”, zegt ze. Dat gaat het ook worden. In een rolstoel word ik het ziekenhuis uitgereden. We doorkruisen het Haagse met nog steeds weinig gevoel in mijn benen.

Thuis aangekomen loop ik als een aangeschoten hert naar de voordeur. Is dit het nu? Ik laat me zakken op de bank. Probeer zelf nog een bakkie te scoren, maar dat valt niet mee. Later op de dag is de verdoving uitgewerkt en heb ik een vreemd gevoel in het ‘gezonde’ been. Het zal toch niet zo zijn dat de beste man in mijn verkeerde been de troep heeft gespoten? Een paar dagen later nog steeds dat vreemde branderige gevoel in mijn linkerbeen. Ik moet zes weken wachten en dan neemt de neurochirurg contact met mij op.

Inmiddels heb ik contact met een vriendin van mijn lief. Haar man is fysiotherapeut. “En een goede”, laat ze me weten. “Hij kan je vast helpen.” Als dat zou kunnen.

Ik neem contact op. Hij gaat over tot behandeling en verdraaid, ik zak niet meer door het been heen. Eerst eens in de week, dan eens in de twee weken behandeling.

De neurochirurg belt me na zes weken op. “Hoe gaat ‘t”, vraagt hij. Ik vertel hem mijn bevindingen en geef hem aan dat ik denk dat er in het verkeerde been is geprikt. “Dat bestaat niet”, zegt de beste man. “Meneer ik weet het zeker”, geef ik aan. Ik heb geen vooruitgang geboekt en het vreemde gevoel op links is er nog steeds. “Meneer Van Meurs, ik laat de anesthesist naar u terugbellen. Vertel hem uw verhaal.” Het is inmiddels twee jaar later maar gebeld heeft hij niet. Ik wel, ik heb hem geprobeerd te bellen en heb gevraagd naar het dossier. Dat is er niet. De arts heb ik niet te pakken gekregen. Komt dat door die computerstoring soms?

We zijn inmiddels dus ruim twee jaar verder. Ik zak niet meer door het been heen, maar slapen doet het wel. Ik heb nog steeds mijn fysiotherapie, sport ook gewoon, maar als ik ga zitten, brandt mijn voet of slaapt het.

Ik laat het niet op z’n beloop en neem opnieuw contact op met mijn huisarts. Opnieuw een verwijzing voor neurochirurgie, nu in het Reinier de Graafziekenhuis.

Ik maak een afspraak en keurig op tijd roept een jonge arts in opleiding mij binnen. Hij gaat stevig aan de slag waarbij ik soms denk: ‘hallo het gaat over mijn voet, niet over mijn ogen of mijn handen. Hij zal er een doel mee hebben. Na wat oefeningen, uitvragingen mag ik door naar de neuroloog. Het is jammer die is gaan eten. 40 minuten later mag ik naar binnen.

Opnieuw ontkleden en gaan liggen. Er komt een puntig voorwerp tevoorschijn waar ze me mee bekrast. Ze maakt geen wonden, maar wil weten wat het verschil is tussen links en rechts. Ik vertel haar intussen mijn story over eerdere onderzoeken en wat er fout is gegaan naar mijn mening. Ze slaat er nauwelijks acht op en laat me in de ruimte kletsen. Ik geef wel aan dat ik geen vertrouwen meer heb in het medische handelen. Daar reageert ze op, maar echt veel wijzer word ik niet. Ze wil alles uitsluiten en stelt me een EMG voor, een electro-myografie. Een maand later kan ik er terecht.

Vanuit verschillende hoeken bemerk ik dat het een pijnlijk onderzoek kan zijn. Ik ben echter niet kleinzerig, hoor het aan en ga het zien.

Op de bewuste dag bestel ik de MUS. Nu eens naast inplaats van achter het stuur. Exact op tijd komt de chauffeuse voorrijden. “Wil jij rijden”, vraagt ze. “Nee hoor, ik ga naast je zitten.”

Bij het ziekenhuis aangekomen wandel ik via de roltrap naar boven. Aangekomen op de afdeling pak ik mijn aanwezigheidsbonnetje. Dan door naar wachtkamer 2. Onder het informatiebord schuift een tekst: Zenuw- en spieronderzoek uitloop 40 minuten. Nog geen vijf minuten later rolt de tekst Zenuw- en spieronderzoek 55 minuten over het scherm. Dat wordt een lange zit stel ik me zo voor. (Mooi de tijd om een blog te schrijven. Echter exact op het uitgenodigd tijdstip mag ik binnen. Ik maak een opmerking over de tekst op het scherm. De verpleegkundige moet er om lachen, ze kunnen er helaas niet aan doen.

“Wilt u uw schoenen en sokken uitdoen”, zegt de zuster. “U mag met uw voeten in het warm waterbad.” Er staat een heerlijk warm bad voor me klaar. Naast de stoel ook nog twee baden om je armen en handen in te steken. Dat is voor mij niet van toepassing. Wanneer ik word binnengeroepen, komt er een nieuwe zuster met een handdoek. “Heeft uw broek nog niet uit”, zegt ze. Ik had het kennelijk niet goed gehoord. Ik rits mijn broek uit, nadat ik mijn voeten heb afgedroogd. “Gaat u mee met mij”, zegt ze, “U mag op uw buik”, zegt de verpleegkundige achter het beeldscherm. “We plakken wat stickers en geven wat stroomstoten.” Heel even denk ik aan varkens of criminelen, die geven zo’n stoot ook weleens.

Elke keer als er een stoot wordt gegeven, krijg ik een seintje. “Hoger”, zegt de vrouw achter het registratieapparaat. Ik voel ‘m nu echt door mijn voet gaan. De eerste waren speldenprikjes. “We gaan er nu een in uw knieholte geven”, zegt de vrouw die het stroomstootwapen in haar hand heeft. “Die is gemeen.” Mijn voet klapt naar boven als de stoot krijg. “U moet men niet schoppen”, zegt mevrouw. Ja, lekker dan, kan Ik er wat aan doen. Het is net als met dat hamertje op je knie. Dat heb je ook niet in de hand. Dan schop je ook. “We doen het andere been ook even”, zegt de registratieassistente. Opnieuw zo’n tik, maar pijn, nee. Elke keer komt de centimeter tevoorschijn. Waarom? Vergeten te vragen. “U mag komen zitten”, zegt de vrouw met het wapen. De bank waar ik op lig, wordt naar boven geklapt. Opnieuw wat stroomstootjes en opnieuw die centimeter.

“We gaan even de neurochirurg erbij halen”, zegt de assistente achter de computer. De neurochirurg die ik eerder zag, komt binnenlopen. “Goedemiddag”, zegt mevrouw. Ze kijkt op het beeldscherm. “We doen er nog een paar”, zegt ze. Opnieuw wat stootjes. “Ietsjes hoger”, zegt de chirurg. De stoot wordt wat zwaarder. Maar nog steeds niet echt pijnlijk. “We gaan u een paar prikjes geven”, zegt ze. Uit een laadje komt een ragfijne injectienaald tevoorschijn. Er zit een draad aan die leidt naar de computer. Heel langzaam steekt de chirurg de naald in mijn scheenbeen. Er wordt een frequentie op gezet. Ik voel de speldenprik in mijn been en hoor het rommelen op de computer. De naald gaat verder en nog een stukje. “Houdt uw been ontspannen”, zegt de arts en duwt nog iets verder. Even later moet ik de voet aanspannen, waar de arts mijn voet tegen houdt. Dat doet ze later ook nog eens in de kuit. “Ik ga uw rug aanprikken”, zegt mevrouw. “L4/L5”, zegt ze. Hé, dat is dezelfde tussenwervelschijf waar ik eerder een prik in heb gehad. Toen ging het niet. Nu schuift ze de naald zo tussen de wervels door. Dit begrijp ik niet. Mijn been is bij het onderzoek op verschillende manieren afgetekend. Ook de chirurg meet de tussenliggende lengtes op.

“U mag u zelf aankleden”, zegt de neurochirurg. “Ik ga alle getallen analyseren en achter elkaar leggen.” We hebben een nadere afspraak waar ik u ga vertellen wat mijn waarneming is. Ik zie u later terug. Dat is op 6 juni, weer een maand verder.

Wanneer ik beneden ben, bel ik de MUS, een kwartiertje later komt mijn chauffeuse voorrijden. “En meegevallen?” Vraagt ze. We rijden rustig naar Schipluiden terug. Die avond voel ik mijn voet meer dan de dag ervoor. Het resultaat van het onderzoek? Geen idee. We gaan het merken.

385. Ik heb daar geen boodschap aan, zegt ze

Toch wel een bijzondere dag. Rijden in de witte MUS, druk, druk, druk, bijzondere mensen. Een enerverende dag met veel ritten en passen en meten. Maar iedereen is er gekomen en iedereen is ook weer opgehaald. Een heerlijke dag.

De zwarte MUSSEN moeten worden opgepimpt. Nieuwe stoelen, lekkages verhelpen, kijken naar de actieradius en het oplossen van de startproblemen. Er wordt een hoop geld voor betaald, dan mag je ook kwaliteit terug verwachten. Gebleken is dat je van een tweede hands karretje nooit een nieuwe kan maken. Één van de MUSSEN is meegenomen en daarvoor is een wit karretje teruggeleverd ter vervanging. Gekscherend de ‘bruids’MUS genoemd.

Op maandag krijg ik mijn werklijst doorgestuurd. Slechts drie ritjes staan er op. Waarvan één een combinatierit. Deze wordt altijd in het geel aangegeven. Ik kijk er even naar en kom al snel tot de conclusie dat me dat niet gaat lukken. Er is een onhaalbare vertrektijd op de lijst terecht gekomen. Een klant ophalen aan de ene kant van het dorp en vijf minuten later een volgende aan de andere kant van het dorp dat gaat het niet worden. Later op de dag komt er een ritje bij voorafgaand aan de combinatierit.

Zo’n twintig minuten voor de eerste rit begeef ik me naar Akkerleven. Ik pak de sleutel en de telefoon uit het sleutelkastje en wandel richting de MUSSEN. Bij de witte MUS staat het raampje aan bijrijderskant nog open. Kennelijk vergeten dicht te doen, door mijn voorganger. Ik gooi alle sloten los van het karretje, wetende dat ik een vrouw op moet halen met kind. Ik rijd naar de familie toe. De meubels staan voor het grof vuil aan de straat. De gordijnen zijn potdicht. Er komt een jonge vrouw naar buiten met in haar handen een autostoeltje. Er ligt een kleine dreumes in die mij aankijkt met zijn donkerbruine kijkers. Hij begint direct te lachen. Zijn broertje loopt achter zijn moeder aan. Mevrouw komt uit Somalië. Ze moet met de jongste naar het ziekenhuis. Als ze tegen mij praat glanzen haar parelwitte tanden. Ze doet het in het Nederlands, al moet ik goed opletten. Onderweg praat ze aan een stuk door. Haar man is niet hier. Hij is in Italië. Ze woont sinds kort met haar drie zoontjes op het dorp. “Mooi dorp”, zegt ze, “lieve mensen.” Ik breng de familie naar het ziekenhuis en geef haar een telefoonnummer mee voor de terugrit. Omkeren en terug naar Schipluiden.

Twintig minuten later opnieuw op pad voor de combinatierit. Ik ga iets eerder. Dat wordt niet in dank afgenomen. “Je bent te vroeg”, zeg mevrouw, “ik moet nog naar het toilet en afscheid nemen van mijn hondjes.” Ik neem het voor lief. Dan komt mevrouw naar buiten en heeft een rollator en een rolstoel bij zich. “Moeten ze beiden mee”, vraag ik haar. “Nee alleen mijn rolstoel.” Ik heb geen rek achterop dus de rolstoel moet achterin. Het probleem is dat mijn mede-passagier van de combinatierit dan niet mee kan. “Ik heb daar geen boodschap aan”, zegt mevrouw als ik aangeef dat het lastig gaat worden. “Ik moet wel op tijd in het ziekenhuis zijn”, geeft ze aan. “Maar dat moet meneer die ik op moet halen ook”, probeer ik nog. Mevrouw heeft een standaardzin: ‘Daar heb ik geen boodschap aan.’ Ik schakel de coördinator in. Één van de MUSchauffeurs leest mee en biedt spontaan aan om met zijn eigen auto de andere klant op te halen en weg te brengen. Top.

Ik breng mevrouw naar het ziekenhuis en bij aankomst vraagt ze me haar naar binnen te rijden. Ik zet haar bij de receptie af en rijdt terug naar de basis. Even een kopje koffie. De onderhoudsmonteur van het karretje komt een van de MUSSEN omruilen. Ik zorg dat ik er bij ben. Dan gaat de telefoon. De mevrouw uit Somalië kan worden opgehaald. Ik laat de koffie voor wat het is en ga op stap naar Delft. Mevrouw staat al buiten te wachten. Ik ben met de zwarte MUS, ze heeft me even niet in de gaten. Ik stap op haar af en pak het autostoeltje op. “Ah, nu ik zie”, zegt ze, “MUSchauffeur.” Opnieuw een heel gesprek over o.a. hoeveel vrouwen een man in hun cultuur mag hebben. Over het onderzoek dat haar zoontje heeft ondergaan. Ik zet ze thuis af en breng het autozitje tot aan de deur, dan neemt zij haar jongste over. Zwaaiend nemen we afscheid.

Om even voor twaalf uur komt de monteur aan rijden. Even een kletspraatje en dan snel eten want daar is straks geen gelegenheid meer voor. Dan belt mevrouw uit het ziekenhuis. “Wil je me komen halen? Ik sta in de hal.” Oké en eten dan? Ik ga naar het ziekenhuis en haal mevrouw op in de hal. Dan kom ik een klant tegen die net een chemo achter de rug heeft. Ik probeer belangstellend een praatje met hem te doen als er op het raam van de MUS wordt getikt. Mevrouw ‘gebiedt’ me om weg te rijden, ze moet zichzelf spuiten en dat moet nauw gezet. Een race tegen de klok want om kwart voor een staat de volgende rit op het programma. Ik zet mevrouw af en rijd door naar huis. Staand aan het aanrecht schuif ik mijn boterhammen naar binnen, maar vergeet daardoor de klant van kwart voor een. De telefoon gaat. De coördinator belt. “Ben je de mevrouw van 12:45 uur vergeten?” Oeps snel mijn boterham mee en naar Den Hoorn. Ik rijd te hard, ik weet het, maar heb een klant die wacht. Een tegemoetkomende bewoner van de Tramkade tikt op het voorhoofd. Ja, ik weet het.

In Den Hoorn kan ik de straat en het nummer van de klant niet snel genoeg vinden en rijd verkeerd. Na wat zoeken tref ik mijn nog jonge medepassagier. Ze moet naar Schipluiden. Ze vertelt haar levensgeschiedenis terwijl ik haar nooit eerder heb ontmoet. Een triest gebeuren. Ik houd me aan de snelheid en zet haar af bij het Gemeentehuis. Daar kom ik ook de bewoner van de Tramkade tegen. Ze heeft een klacht ingediend bij de Gemeente over het rijgedrag van de MUSchauffeurs. Ik bied haar mijn excuses aan en nogmaals en nogmaals. Mevrouw vindt dat we goed werk doen maar “let alstublieft op uw snelheid”, geeft ze nogmaals mee. Ik beloof het. Ze steekt haar duim op als ze wegrijdt. Op naar het volgend adres. Iemand moet vanuit Schipluiden naar de winkels in Den Hoorn. Ik heb haar net opgehaald als mijn telefoon weer gaat. Degene die door mijn collega is weggebracht naar het ziekenhuis kan worden opgehaald. Oei, hoe nu? “Geef me twintig minuten”, zeg ik. Ik rijd rustig met mevrouw naar Den Hoorn en zet haar af. Onderweg rijd ik de bewoner met de klacht weer achterop. Langzaam passeer ik haar. Ze steekt haar duim op. Na mevrouw in Den Hoorn te hebben afgezet spreek ik af dat ik zo terug ben met de klant uit het ziekenhuis.

Meneer staat met zijn dochter al te wachten in de hal van het ziekenhuis. “Heeft u tijd?, vraag ik de man. “Alle tijd van de wereld”, zegt hij, “er wacht niemand op mij.” “We halen iemand op in Den Hoorn.” “Oh, leuk”, zegt de man. We rijden richting Dijkshoornseweg en treffen mevrouw. Ze is nog niet klaar. “Wil je koffie?, zegt de winkelier, “het duurt nog even.” Dat ga ik niet doen staat niet netjes naar mijn passagier die in de MUS zit te wachten. Eenmaal klaar direct terug naar Schipluiden, waar mijn volgende klant wacht. Een ritje Albert Heijn en appelvrouwtje. Ik help de man bij de Appie aan een karretje waardoor zijn rollator thuis kan blijven. Als ik buiten wacht gaat mijn telefoon. Mevrouw bij het gemeentehuis is klaar en kan worden opgehaald. Ik ben net aan op weg om meneer weer thuis te brengen als mijn telefoon opnieuw gaat. Er staat een echtpaar bij het ziekenhuis dat graag naar huis wil. Ik rijd naar het gemeentehuis en haal mevrouw op. Ik bespreek even met de naast mij zittende passagier om nog iemand op te halen. “Heeft u er dan bezwaar tegen om achterin te gaan zitten.” Dat is geen probleem.

Bij het ziekenhuis staat het echtpaar al te wachten. Meneer zit in een rolstoel van het ziekenhuis. Het is even tobben maar dan is ook hij binnen en kunnen we op pad. Meneer bromt heeft een bloedtransfusie gehad en dat is hem zwaar gevallen. Ik zet het echtpaar als eerste thuis af en rijd door om de andere vrouw af te zetten. Even is het stil. Een half uurtje. Terug naar de basis, Akkerleven, om van karretje te wisselen. Even een kopje cappuccino. Ook daar zijn mensen die bedient willen worden. Een man schuift aan het tafeltje waar ik zit. “Kan u even koffie voor mij halen”. Natuurlijk pak ik ook dat op. Even later ook nog een vrouw die plaatsneemt naast me. “Ik ken u”, zegt ze. Ze komt mij niet bekend voor en ik ken toch heel wat mensen. Ook zij vraagt om een kopje koffie. Natuurlijk.

Om half vijf mijn laatste rit. Van stichting Au Boulot in de richting Vlaardingen, net binnen de grens waar we rijden. Altijd een feestelijk afsluiter van de dag. De jongen zit in de dagopvang en kijkt uit naar de MUS rit. En ik ook. Hij rijdt mee, letterlijk en figuurlijk. Klets de oren van je hoofd. Heerlijk. Thuis staat zijn moeder al te wachten. Nog even een praatje en dan de spits in, terug naar Akkerleven. Een ongelukkige tijd om met dit karretje terug te rijden. Men gunt je vaak geen ruimte, waar ik bijna alle inhammen stil sta om auto’s voor te laten gaan. Degene die me achterop rijden, maar ook die je tegemoetkomen. Soms gaat het vingertje omhoog, maar regelmatig is het de arrogantie die het wint.

Om kwart over vijf zet ik de MUS weer aan de spanning. Ik ben terug op de basis. Een drukke dag is ten einde. Volgende week is er weer een volgende dag.

380. Man, man, man, wat een wind

Er staat een stevig windje. Net geen code geel, maar er tegen aan. Ik moet al vroeg aan de bak. Vanuit Schipluiden een mevrouw ophalen in Den Hoorn. Voor de rest van de dag staat het schema met VOL aangeduid. Dat betekent 10 of meer ritten.

Wanneer ik om kwart voor negen aan kom bij Akkerleven waar onze MUSSEN staan gestald is de receptie nog niet bevrouwd. Geen “goedemorgen” dit keer. Ik druk de code in van het sleutelkastje en neem voor de zekerheid allebei de sleutels mee. (Sinds kort rijden we met twee MUSSEN. Niet tegelijkertijd, maar één actief en de ander aan de oplader. Zo kunnen we altijd adequaat tot actie overgaan.) De MUS-telefoon gaat mee en ik kan aan de slag. Ik haal één van de MUSSEN los van het stopcontact en kan op weg. Het gaat lekker hard, voor de wind, dan zou je zo maar 50 km kunnen halen. Op het vrijwaringsbewijs staat echter dat er niet harder dan 15 km mag worden gereden op fietspaden. De wind blaast onder één van de deuren door. Er ontbreekt een tochtstrip. Een fluitend geluid begeleidt mijn rit. De wind geeft regelmatig een ruk aan het karretje. De golven van het water komen flink omhoog. Het is opletten geblazen. Bij de kerk in Den Hoorn sluit ik aan bij een groepje fietsers dat staat te wachten voor het rode licht. Wanneer het licht op groen springt en een van de fietsers optrekt rijdt er een auto door het rode licht. Het gaat net aan goed. Ik rijd richting bibliotheek waar ik een vrouw moet ophalen. Het is niet makkelijk om op het plein te komen, dan moet ik de stoep op. Omdat ik heb gezien dat mevrouw een rollator bij zich heeft durf ik het wel aan en rijd via de stoep over het plein naar de bieb. Ik parkeer mijn MUS en tegelijk komt mevrouw naar buiten. “Fijn op tijd, meneer”, zegt mevrouw. Ik plaats haar rollator achterin en help mevrouw met instappen. Ze heeft ouderwets een hoofddoekje om haar hoofd geknoopt. “Wat een wind, hé”, zegt ze. Mevrouw gaat in de praatmodus. Ze vertelt waarvoor ze naar het ziekenhuis gaat en dat haar kleindochter haar daar opvangt. Ik vraag of ze ook met me mee teruggaat. “Nee hoor”, zegt ze, “mijn kleindochter komt van Leerdam en brengt mij thuis. Ze drinkt een kopje koffie bij me.” Bij het ziekenhuis stapt mevrouw uit. “Kom eens met uw hand”, zegt ze en stopt er dertig cent in. “Dank u wel mevrouw.”

Dan door naar de was-en-koffie. Even de was ophalen die gisteren is gebracht en nu gewassen en gestreken weer mee terug gaat. “Bakkie, Aad”, zegt de leidinggevende van de deze locatie. Dat sla ik niet af. Een medewerkster van Stichting Welzijn Midden-Delfland sluit even aan. “Leuke blog van een trotse vader”, zegt ze. Ze doelt op de blog die ik afgelopen zondag schreef over het laatste optreden van René. Nog even nemen we een kwestie door over mantelzorg. Na een tweede kopje koffie rijd ik terug naar Schipluiden. Ik heb even rust en kan thuis even langs voor een derde kopje koffie. Bij Akkerleven aangekomen geeft de display van de batterij aan dat ik al in het oranje rijdt. Dat betekent na een rit al wisselen van karretje. Veel te snel is mijn mening, maar volgens het lease-apparaat zijn het zelflerende batterijen en worden ze steeds voller naarmate er meer wordt opgeladen. Ik zocht er naar op internet maar kan dit niet vinden. Is dit een verkooppraatje. Een dure dan.

Even thuis voor een kopje koffie en direct maar eten, daar is straks geen tijd meer voor. Het is 11:00 uur.

Omdat er voor de middag te strak is gepland probeer ik wat tijd te winnen. Om even voor twaalven ben ik weer op weg om een karretje op te halen. Beiden staan aan de oplader. Ik pak degene die ik niet eerder heb gebruikt en ga op pad. Verdorie, de veiligheidsgordel blijft niet in de houder zitten. Even melden. In de straten liggen vuilcontainers op de weg geblazen. Ik raap er twee op en zet ze aan de kant. Opnieuw naar Den Hoorn. Daar kom ik tien minuten eerder aan dan afgesproken. Er wordt niet open gedaan. Nog maar eens bellen. Dan komt mevrouw aanlopen. “Mijn dochter die mee zou gaan is er nog niet”, zegt mevrouw. “Ik ga haar even bellen.” Ze is er snel. We kunnen opnieuw op pad. Het ziekenhuis is de eindlocatie.

Ik zet mevrouw af en ga op pad om mijn volgende klant op te halen. Wederom terug naar Schipluiden. En wederom mijn accu in het oranje. Weer wisselen en iemand ophalen die naar het Plein in Den Hoorn moet. Ook hier ben ik ietsje eerder. Terug langs het water naar de fysio. Onderweg vallen drie fietsende scholieren over elkaar heen. De wind. Ik spreek met mijn bijrijder af dat ik ongeveer de afgesproken tijd weer bij hem ben, maar dat het afhangt van een rit uit het ziekenhuis. Zijn ze daar op tijd klaar?

Een mevrouw die ik om 13:45 uur op zou halen bel ik even. Ik ben twintig minuten eerder. Het is goed, ze gaat direct mee. Nu heb ik ruimte in mijn schema. Ik breng mevrouw naar Akkerleven en wissel opnieuw van MUS. Een man uit Akkerleven gaat voor het eerst mee met de MUS. Hij vindt het spannend. Hij is met zijn dochter en moet naar het ziekenhuis. Onderweg geeft hij aan dat hij mij nog van vroeger kent. Hij kent me bij me voornaam en zegt dat ik hem ook bij zijn voornaam mag noemen. Leuk. De man is geïnteresseerd en vraagt honderd uit. Zijn dochter luistert op de achterbank. Bij het ziekenhuis aangekomen is mijn eerdere afgezette klant nog in geen velden of wegen te zien. Ik besluit om even te wachten en laat mijn MUS op de shuttle-parkeerplaats staan. Na tien minuten komt mevrouw met haar dochter aan. De gehuurde rolstoel gaat in de stalling en mevrouw stapt alvast in. Even later heeft haar dochter ook een plekje. Terug naar Den Hoorn.

Mijn eerdere passagier, waar ik een afspraak mee maakte, zit inmiddels te wachten op een bloembak. Hij gaat terug naar Schipluiden. Dan door naar Akkerleven. Een oudere man gaat naar Albert Heijn en het ‘Appelvrouwtje’. Ik help hem de MUS in en rijd inmiddels in het batterij-rood richting Appie. Na het ophalen van een boodschappenkarretje laat ik de man uitstappen. Nu heeft hij een steuntje om te wandelen. Ik help hem de Albert Heijn in. Het waait om het gebouw en de 91-jarige is niet meer zo stevig gebouwd. Ik moet oppassen dat hij niet als vlieger de lucht in gaat. Even wachten tot hij zijn boodschappen heeft gehaald. Dan krijg ik zijn portemonnee om wat appels te halen. Hij neemt plaats in mijn karretje. Even later ben ik terug en breng hem weer terug naar Akkerleven. MUS 1 gaat naar de oplaadplek.

Nu is het wachten tot mijn klant uit het ziekenhuis belt. Ik hoef slechts kort te wachten dan kan ik weer met MUS 2 op pad. Na zo’n 500 meter ben ik al twee blokjes kwijt van de batterij. Zou ik het halen? Bij het ziekenhuis komt meneer al met zijn dochter aan. De rolstoel gaat weer naar de stalling. Op weg terug naar Akkerleven. We rijden net op het fietspad als er een vrouw omver wordt geblazen. Ze valt over haar fiets heen. Ik kan net op tijd stoppen. Mijn accu staat opnieuw in het oranje. Fietsers worden heen en weer geblazen over het fietspad. Het blijft opletten, helemaal als er scholieren ook nog hun mobiel denken te moeten gebruiken. Om kwart voor vier is meneer weer thuis. Hij vindt het fantastisch en is zeker van plan om vaker mee te rijden.

Mijn volgende rit is om half vijf. Beide MUSSEN staan weer onder spanning. Tijd voor een kopje koffie, nr. 4 die dag. Ik ontmoet er een collega MUS-chauffeur. Samen drinken we dat kopje koffie. We bespreken de stand rondom de accu’s. Het blijft een wonderlijk verhaal dat ze beter gaan worden naar gelang ze vaker zijn opgeladen. Voorgesteld wordt om eens na te denken over een Toyota Aygo of iets soortgelijks. We zijn sneller ter plaatsen en dat moet flink goedkoper zijn. Maar wie kaart het aan?

Om even over half vijf komt mijn laatste klant naar buiten wandelen. Ik neem haar mee terug naar Den Hoorn. Dan onderweg rijden we een hardloper achterop. Hij heeft op zijn hoofd, armen en benen allemaal tatoeages. Het ziet er indrukwekkend uit. Dat ziet een tegemoetkomende fietser ook. Hij kijkt hem achterom na maar let echter niet op het verkeer dat naar hem toe komt rijden en rijdt bijna bovenop mij. “AAD, KIJK UIT”, schreeuwt mijn medepassagier. Ik kan net op tijd remmen. Het gaat opnieuw maar net goed. Ik zet mevrouw thuis af en rijd de MUS voor het laatst vandaag naar Schipluiden. Een drukke dag, het lijkt op een baan, maar wel een leuke.

364. Terugkijken en vooruit

Wat gaat het nieuwe jaar mij brengen? Het blijft altijd een vraag waar je een antwoord op schuldig moet blijven. Toekomst kijken kunnen we niet. Wat ik wel kan is nog eens terugkijken op 2018. Heeft het aan mijn verwachtingen voldaan? Heb ik mijn goede voornemens in praktijk gebracht? De tweede vraag kan ik direct beantwoorden: nee. Ik had me voorgenomen om minder op mijn scherm te kijken. Met de statistieken die ik maandelijks krijg voorgeschoteld blijkt dat ik dus geen afspraak met mezelf kan maken. Slap.

Heeft het aan mijn verwachtingen voldaan? Daar kan ik positiever over zijn en samenvatten met: zeker weten. Er is veel de revue gepasseerd. Het eerste jaar van helemaal thuis zijn. Was het in het begin, de wintermaanden toch wel een probleem, gaande weg werden de dagen vanzelf ingevuld of vulde ik ze zelf in. Terwijl vrouwlief gaat werken heb ik het rijk voor me alleen en kan ik doen wat ik wil. Als geeft dat soms wat teleurstelling als ik bij mijn echtgenote opbiecht slechts thuis te zijn geweest en geen stap buiten de deur te hebben gedaan.

In de wintermaanden slechts één huwelijk bevestigt. Winterbruidjes zien het kennelijk niet zo zitten om in de kou te trouwen. In de periode van 5 mei tot 29 september waren dat er 12. Gemiddeld dus twee per maand In die periode. Ik leerde nieuwe mensen kennen, waarbij ik met sommige nog steeds contact heb/houd. Er waren bijzondere gebeurtenissen bij, waarbij ik soms meer dan alleen als trouwambtenaar ben uitgenodigd. Een bruidspaar wilde graag op zondag trouwen, ik was erbij. Ik was een keer naast trouwambtenaar ook mediator, waar het in de familie niet helemaal lekker verliep. Bij een van de huwelijksbevestigingen gaf de bruid haar pas enkele maanden oude baby de borst terwijl ik met mijn toespraak bezig was. Ik deed huwelijken van mensen uit eigen gemeente, maar ben er ook veel verder voor op pad geweest. En als het echt ver weg was, dan liet ik het bruidspaar bij mij thuis komen. Alles bij elkaar besteedde ik 206,5 uur aan de te bevestigen huwelijken. Gemiddeld toch zo’n 17 uur. Dit jaar bevestigde ik mijn 100e huwelijk. Ook dat was bijzonder. Van zes door mij getrouwde stellen ontving ik een geboortekaartje, ook dat is bijzonder.

Vanaf begin januari 2018 stapte ik als chauffeur in de MUS, een vervoersproject in Midden-Delfland. Wekelijks reed ik mensen van Den Hoorn naar Schipluiden of in omgekeerde richting. Ik bezocht vele malen het Reinier de Graafziekenhuis of het Revalidatiecentrum Sophia om mensen er af te zetten en ook weer op te halen. Voor het zwemmen in Kerkpolder reed ik een aantal keren heen en weer. Waar ik begin van het jaar soms meerdere keren in de week achter het stuur zat is dat door de uitbreiding van het aantal chauffeurs nog slechts een keer per week. Naast het zijn van chauffeur ben je het luisterend oor, de helpende adviseur waar nodig. Een sociaal gebeuren dus waar een dag per week soms best meer mag zijn. Een aantal keren nam ik iemand mee om ergens een kopje koffie te drinken, even uit de eenzaamheid. Een prachtig initiatief dat door de ondersteunende partijen, Pieter van Foreest, Gemeente Midden-Delfland, Stichting Welzijn Midden-Delfland en Stichting Doel wordt voortgezet en uitgebreid in 2019. Door beperkte accucapaciteit was het niet altijd mogelijk om alle aanvragen te honoreren. Door de aanschaf van een tweede MUS kunnen we meer ritten gaan doen.

Door een aantal organisaties ben ik verscheidene keren gevraagd een vertelling/lezing te komen te doen. Zonnebloem Den Hoorn, KBO Den Hoorn, PCOB Schipluiden, de bibliotheek in Den Hoorn (2x), Kom’s Hoorn, vrouwengildes in de buurt maar ook in Boskoop. Ik vertel er over mijn levenslange vrijwilligersfuncties, maar ook over mijn blogs die ik schijf. Dit jaar trad ik evenals in 2017 o.a. op bij Delft Vertelt. Ook dat kost voorbereiding.

Vanaf oktober lees ik voor bij een Spaans/Turks gezin. Waar hun kinderen Spaans, Turks en Engels spreken, komt de Nederlandse taal weinig tot niet aan bod. Ik probeer daar door voor te lezen verandering in aan te brengen en zo is het Nederlands uurtje bij dit gezin ontstaan. Niet alleen de twee kids (2 en 4) hangen aan mijn lippen ook hun ouders luisteren maar wat graag naar wat ik heb te vertellen. Naast vertellen is het ook uitleggen wat Nederlandse gebruiken zijn rondom Kerst, rondom Koningsdag, maar ook over Sinterklaas.

Sinterklaas ook zo’n activiteit, waar ik maar geen genoeg van kan krijgen. Al 25 jaar stap ik in de rode mantel om voorafgaand aan Sint’s verjaardag op bezoek te gaan bij gezinnen, verenigingen en bedrijven. Een heftige en drukke periode die veel van je vergt. Soms denkt men dat het vanuit de automatische piloot gaat, ik kan je verzekeren dat dit zeker niet het geval is. Elk optreden staat op zich, elk optreden betekent voorbereiden en pieken. Ook dit jaar weer bijzondere belevenissen, waarbij ik de dag met onze jongste en zijn vriendin als uiterst vrolijk heb ervaren. Maar ook op een zondag op stap met drie dames, chauffeuse en twee vrouwelijke Pieten. Wat was het een feest en daar krijg je energie van en ook dit jaar weer volledig in dienst als vrijwilliger en het goede doel, scouting Schipluiden.

Afgelopen jaar zijn mijn solexritten toegenomen. 31 keer mocht ik een groep begeleiden vanuit de Tuinderij door het mooie Midden-Delfland en Westland. Mensen die plezier hebben en genieten van de mooie rit. Maar ook een rit waarbij ik zo blij was dat deze was afgelopen. Veel over deze ritten kan je teruglezen op mijn blogsite.

Het aantal blogsites nam met 84 toe. Sommige zijn slechts mondjesmaat gelezen, anderen gingen door het plafond. Nog altijd staat de blog over het bijna wegstemmen van de burgemeester met 3890 leesmomenten aan de kop. Het aantal lezers nam toe naar ruim 39000 met het aantal leesmomenten van 66000.

Naast de blogs voor mijn website schreef ik 15 verslagen van activiteiten van de Zonnebloem, afdeling Schipluiden. Daar doe ik de coördinatie Ik werd tweemaal gevraagd om een reclametekst te schrijven en ik ben nog druk bezig met het schrijven van een roman, alleen vraag ik van het laatste af of ie ooit af komt.

Het jaar is niet geruisloos voorbij gegaan. Dat is te lezen. Wat het nieuwe jaar zal brengen? In ieder geval de bevestiging van negen huwelijken, maar ook de organisatie van 40-jaar Zonnebloem, afdeling Schipluiden. Daarnaast blijven mijn werkzaamheden voor de MUS natuurlijk doorgaan. Dat is echt het mooiste dat er is.

En verder……. Ik weet het nog niet, maar er zullen ongetwijfeld nieuwe zaken op mijn pad komen. Ik kijk er naar uit.

338. De MUS nu al geslaagd te noemen

Wanneer de overheid en het pensioenfonds jouw ‘salaris’ gaan betalen ‘zou’ je meer tijd moeten krijgen. Dat is ook zo. Je bent zelf verantwoordelijk voor de tijdsinvulling van de dag. Niet direct overal ja op zeggen, maar ook oppassen dat je jezelf daardoor niet buiten de vraag laat vallen.

Zo heb ik me ingeschreven voor het vervoersproject De MUS (Midden-Delfland UitgaanService) vanaf 3 januari is het project actief. Mensen worden opgehaald en gebracht naar waar men naar toe wil. Er is wel een restrictie. Het moet binnen de grenzen van Den Hoorn en Schipluiden.

Het geleasde karretje komt bij Bringo vandaan een bedrijf dat karretjes maakt voor o.a. golfbanen. Zo is ook ons karretje een golfkarretje. De gemeente Midden-Delfland samen met de Stichting Welzijn Midden-Delfland, Pieter van Foreest en Stichting Doel zijn de opdrachtgevers van het project. Zij bepalen ook gezamenlijk aan welke veiligheidseisen het karretje moet voldoen en zo worden er deuren ingemaakt en krijgt het veiligheidsgordels. De coördinatie ligt bij Doel. Er worden chauffeurs gevraagd. Het project kan van start.

Besloten is om het een proefperiode te geven tot aan 1 april 2018. Daar moeten mensen aan wennen. Niet aan de vervoerskosten, want die zijn er niet, het project is vooralsnog gratis. Maar wie gaat er nou in zo’n raar karretje zitten? In het begin loopt het geen storm, langzaamaan komt het op gang. Er is iemand die graag naar het zwembad wil en dat zelf niet meer redt. Daar moet even een uitzondering op worden gemaakt. Dat gebeurt. Er worden op eerdere vastgestelde grenzen twee uitzonderingen gemaakt: Het Reinier de Graafziekenhuis en zwembad Kerkpolder. Zo kan mevrouw worden vervoerd om naar het zwembad te gaan. Ze boekt direct voor elke maandag, zelfde tijd. Ze is een ambassadeur voor de MUS. Verkoopt het binnen haar kennissenkring. In de Schakel Midden-Delfland komt elke week weer een berichtje over de MUS. Vier of vijf ritten per dag en soms een dag helemaal niets. Leeft het wel? Leest men wel? Kan dit een succes worden?

Inmiddels ben ik al weer geruime tijd betrokken aan de MUS. Samen met nog drie vrijwillig chauffeurs en twee mensen van de Stichting Doel. Hier zijn mensen aan verbonden met een achterstand op de arbeidsmarkt. Men bemiddelt en probeert hen terug te laten keren in het sociaal gebeuren en arbeidsproces.

Het wordt 1 april. De proefperiode is afgelopen en in de Schakel Midden-Delfland wordt aangekondigd dat vanaf 1 april er kosten zijn verbonden aan een rit. Men kan losse kaartjes kopen à € 1,50 per rit. Kaartjes kunnen slechts bij het Gemeentehuis, Akkerleven en de Kickerthoek worden gekocht. Een enkel kaartje is eigenlijk geen totale optie. 10-rittenkaarten worden in het leven geroepen. 10 ritten krijgen, 9 betalen. Ik heb de eerst betalende klant. Ik rijd nog even met mevrouw langs bij Akkerleven voor het ophalen van zo’n 10-rittenkaart. Het is wennen met het datumstempel. Ritten moeten op de kaart worden afgestempeld.

Het onbekende van zo’n voertuig schrikt soms af. “Daar ga ik echt niet in”, hoorde ik een potentiële klant zeggen. Bij de Albert Heijn zet ik ‘m pontificaal voor de deur als een klant zijn boodschappen doet met de MUS. Hij moet rijden, gepromoot worden en dit is een goede plek. De koffieochtend in de Dorpshoeve ook zo’n punt. Maar wat er gebeurt, het aantal ritten neemt juist af. Is het de prijs? Zijn we te duur? Hele dagen staat het karretje bij mij aan de Westlander. Maar ook de andere chauffeurs hebben er last van dat er bijna niemand meerijdt.

Ik meld het bij de coördinator. Maar overleg tussen de vier partijen om er iets aan te doen kost weken, maanden. Ik besluit de wethouder in te schakelen en dan gaat het snel. Donderdag gebeld, maandag een besluit: het wordt opnieuw gratis. En dat is te merken. Opeens loopt het aantal ritten op. Zo erg dat er soms ‘nee’ moet worden verkocht.

Meer mensen gaan gebruik maken van de MUS voor het ziekenhuis. Geen parkeerkosten, en als je klaar bent even bij de portier langs lopen. Deze belt de MUS en binnen tien minuten zijn we er.

Er wordt niet meer betaald voor de rit, maar de chauffeur krijgt regelmatig een fooitje. Een mooi potje om zo af en toe iemand in eenzaamheid uit het isolement te halen en een kopje koffie te gaan drinken. Dit wordt betaald uit het fooienpotje. Maar ook krijg ik een kopje koffie aangeboden als ik iemand op ga halen bij het ziekenhuis en daar hoort een gevulde koek bij of ik krijg een trosje druiven. Mensen waarderen het, dat is duidelijk.

Het Algemeen Dagblad is geïnteresseerd en een journaliste neem ik een dag op sleeptouw. De Krant op Zondag wil er meer over weten, belt me en plaatst er een artikel over. De Schakel Midden-Delfland plaatst er een stuk over. Aandacht alom, dat is prima.

Inmiddels heb ik tot twee keer mijn eigen auto moeten halen omdat de MUS leeg was. Zoveel ritten op één dag dat de accu leeg is. Naar een oplossing wordt gezocht.

Soms rijd ik een buitentijdse rit, een stukje voorlichting bij bijeenkomsten. Het ophalen een afscheid nemende pastor. Het is leuk om te doen. Het is regelmatig passen en meten om er op tijd te zijn. Sluiproutes waar een paaltje staat en er aan beide zijde slechts vijf centimeter over is. MUS-meerijders knijpen ‘m soms als je over het fietspad rijd. Schoolgaande jeugd die niet opzij gaat. Wandelaars die drie breed blijven lopen. Het blijft opletten en aanpassen. We zijn gast op een fietspad. Er wordt druk gewerkt aan vergunning om over alle fietspaden te rijden en niet alleen de Tramkade, waar we wel vrijstelling voor hebben.

Het project is een succes gebleken. Al ontstaan er gaten in de chauffeursbezetting. Op een vacature zijn aanmeldingen gekomen. Wat betekent dit voor de vertrouwde gezichten op de MUS Na de proefperiode vindt er nog wel een evaluatie plaats over de verlenging.

Intussen is de MUS binnen het gebied goed bekend. Mensen weten wie er rijdt, het is constant handen opsteken en zwaaien. Er zijn sociale contacten ontstaan tussen chauffeur en klant. Men deelt het leven, er is een luisterend oor en een schouderklopje, een ondersteunend woordje als je iemand naar het ziekenhuis brengt.

Hoe kunt u reserveren? U boekt een rit op maandag t/m vrijdag tussen 9:00u en 17:00u via het telefoonnummer 06 20 77 83 70 of via mailadres: De­Mus@ggz-delfland.nl.

Voor mij mag het project verlengd worden en worden omgezet naar een definitieve plek binnen de Midden-Delflandse samenleving. Uitbreiding met vervoer naar Maasland en het station in Delft. De MUS is nu al geslaagd te noemen, is mijn mening. Ik wil me er graag voor inzetten.

316. Mijn vertrouwen voor de tweede keer beschaamd

“109 jaren oud is ze”, zegt de coördinator van de MUS, “en ze wil door jou gereden worden.” “Het gaat om mevrouw Prins van Es”, geeft hij nog mee. “Ze wil van Akkerleven naar Indigo”. “09:30 uur vertrek.”

Het is donderdagmiddag als ik bovenstaande boodschap krijg doorgebeld. Ik geef de coördinator nog aan dat het niet mijn MUS-dag is. Mevrouw heeft speciaal naar jou gevraagd, bestempeld de andere kant van de telefoonlijn.

Als mijn vrouw thuiskomt leg ik haar het hele verhaal uit. “Zo dan”, geeft ze me mee, “dat is een aardige leeftijd.”

Die avond Google ik naar informatie. Ik bekijk de statistieken die ik kan vinden in de leeftijdsopbouw van de inwoners van Midden-Delfland. Nu stammen de cijfers uit 2017. Ik kan er echter niemand van die leeftijd in vinden. Toch maak ik me zorgen. Hoe krijg ik mevrouw in vredesnaam in de MUS. De opstap is flink en met een extra bankje, misschien. Ik lig er ‘s nachts toch wat over te piekeren.

Ik ben vroeg op die vrijdag. Ik geef mijn lief aan dat ik het lastig vind en er die nacht mee bezig te zijn geweest. Meestal krijg ik mijn tweede been nog net aan bijgetrokken als ik het bed in stap, afgelopen nacht was dat beslist niet zo.

Na het ontbijt maakt mijn lief haar zwemtas klaar. Nog even een kus en een zwaai en dan gaat ze rond halfnegen rijden op weg naar het zwembad, dacht ik. Ik ruim de borden en de kopjes nog even in de vaatwasser, doe nog even wat voor de Zonnebloem en dan vertrek ik ook, naar Akkerleven, waar de MUS aan de oplader hangt.

Bij Akkerleven zit een drietal mensen in de stoelen. Ze hebben blauwe shirts aan maar ik besteed er weinig aandacht aan. Ik groet hen en loop snel door om direct de sleutel, telefoon en papieren uit het gecodeerde kastje te halen. Wanneer ik terugloop zit het drietal er nog, maar nu met een masker voor hun gezicht van Prinses Juliana, Prinses Beatrix en Koning Willem-Alexander. Dan begint bij mij ineens een lampje te branden en het kwartje is gevallen. De maskers vallen weg en dan zit daar het bestuur van de 109-jarige Oranjevereniging Juliana. In februari 2018 heb ik mijn vrijwilligerswerk beëindigd en daar zou men nog wat aandacht aan besteden en dat is precies vandaag. Wat voel ik me belazerd. Ik ben er in getrapt, maar wat is het knap opgezet.

Na de nodige foto’s gaan we op weg. Via een toeristische route arriveren we bij Indigo. Daar staat mijn vrouw ook. Zij zat dus in het complot. Is helemaal niet gaan zwemmen maar is wel op die tijd vertrokken, naar haar moeder, om daarna weer terug te komen en aan te sluiten bij het gezelschap. Ik weet direct, ook mijn vrouw is niet te vertrouwen, maar wel leuk. Zo’n zelfde actie heb ik met haar meegemaakt bij de uitreiking van de Koninklijke onderscheiding in 2012.

Eenmaal aan tafel wordt de koffie uitgeserveerd en komt Erik van Indigo met een prachtige oranje taart met een vuur spuitende raket. Het wordt steeds feestelijker. Er wordt nog een zesde deelgenoot verwacht. Wie? Geen idee. Dan blijkt het onze razende reporter Gemma te zijn. De schakel Midden-Delfland is ook vertegenwoordigd. Na een foto en wat informatie van en over mij, vertrekt zij weer, maar niet eerder dan dat ik ben gefêteerd met bloemen, een theaterbon en een koffie- of theebon van het Raadhuis. Al met al erg leuk en wat een een leuke verrassing. Mooie woorden van de voorzitster besluiten het feestelijk gebeuren.

Na afloop breng ik het gezelschap terug naar Akkerleven. De MUS-chauffeur voor die dag zit al te wachten voor de volgende rit.

Na 21 jaar is er een officieel einde gekomen aan een leuke en soms spannende tijd met de Oranjevereniging Juliana. Leuke spelen, projecten, ledenadministratie en wat er verder ter tafel kwam. De organisatie rondom het 100 jaar bestaan. Rondbrengen van de programmaboekjes in een zwaarbeladen fietstas. Met veel liefde en inzet heb ik het mogen en kunnen doen.

Er is een tijd van komen en van gaan. Op zoek naar weer iets anders, vrijwillig. Uit vrije wil, ik deed er met dit thema op 13 juni een lezing over in de bibliotheek in Den Hoorn. Men is nog niet van mij af, want eens een vrijwilliger, altijd een vrijwilliger.