385. Ik heb daar geen boodschap aan, zegt ze

Toch wel een bijzondere dag. Rijden in de witte MUS, druk, druk, druk, bijzondere mensen. Een enerverende dag met veel ritten en passen en meten. Maar iedereen is er gekomen en iedereen is ook weer opgehaald. Een heerlijke dag.

De zwarte MUSSEN moeten worden opgepimpt. Nieuwe stoelen, lekkages verhelpen, kijken naar de actieradius en het oplossen van de startproblemen. Er wordt een hoop geld voor betaald, dan mag je ook kwaliteit terug verwachten. Gebleken is dat je van een tweede hands karretje nooit een nieuwe kan maken. Één van de MUSSEN is meegenomen en daarvoor is een wit karretje teruggeleverd ter vervanging. Gekscherend de ‘bruids’MUS genoemd.

Op maandag krijg ik mijn werklijst doorgestuurd. Slechts drie ritjes staan er op. Waarvan één een combinatierit. Deze wordt altijd in het geel aangegeven. Ik kijk er even naar en kom al snel tot de conclusie dat me dat niet gaat lukken. Er is een onhaalbare vertrektijd op de lijst terecht gekomen. Een klant ophalen aan de ene kant van het dorp en vijf minuten later een volgende aan de andere kant van het dorp dat gaat het niet worden. Later op de dag komt er een ritje bij voorafgaand aan de combinatierit.

Zo’n twintig minuten voor de eerste rit begeef ik me naar Akkerleven. Ik pak de sleutel en de telefoon uit het sleutelkastje en wandel richting de MUSSEN. Bij de witte MUS staat het raampje aan bijrijderskant nog open. Kennelijk vergeten dicht te doen, door mijn voorganger. Ik gooi alle sloten los van het karretje, wetende dat ik een vrouw op moet halen met kind. Ik rijd naar de familie toe. De meubels staan voor het grof vuil aan de straat. De gordijnen zijn potdicht. Er komt een jonge vrouw naar buiten met in haar handen een autostoeltje. Er ligt een kleine dreumes in die mij aankijkt met zijn donkerbruine kijkers. Hij begint direct te lachen. Zijn broertje loopt achter zijn moeder aan. Mevrouw komt uit Somalië. Ze moet met de jongste naar het ziekenhuis. Als ze tegen mij praat glanzen haar parelwitte tanden. Ze doet het in het Nederlands, al moet ik goed opletten. Onderweg praat ze aan een stuk door. Haar man is niet hier. Hij is in Italië. Ze woont sinds kort met haar drie zoontjes op het dorp. “Mooi dorp”, zegt ze, “lieve mensen.” Ik breng de familie naar het ziekenhuis en geef haar een telefoonnummer mee voor de terugrit. Omkeren en terug naar Schipluiden.

Twintig minuten later opnieuw op pad voor de combinatierit. Ik ga iets eerder. Dat wordt niet in dank afgenomen. “Je bent te vroeg”, zeg mevrouw, “ik moet nog naar het toilet en afscheid nemen van mijn hondjes.” Ik neem het voor lief. Dan komt mevrouw naar buiten en heeft een rollator en een rolstoel bij zich. “Moeten ze beiden mee”, vraag ik haar. “Nee alleen mijn rolstoel.” Ik heb geen rek achterop dus de rolstoel moet achterin. Het probleem is dat mijn mede-passagier van de combinatierit dan niet mee kan. “Ik heb daar geen boodschap aan”, zegt mevrouw als ik aangeef dat het lastig gaat worden. “Ik moet wel op tijd in het ziekenhuis zijn”, geeft ze aan. “Maar dat moet meneer die ik op moet halen ook”, probeer ik nog. Mevrouw heeft een standaardzin: ‘Daar heb ik geen boodschap aan.’ Ik schakel de coördinator in. Één van de MUSchauffeurs leest mee en biedt spontaan aan om met zijn eigen auto de andere klant op te halen en weg te brengen. Top.

Ik breng mevrouw naar het ziekenhuis en bij aankomst vraagt ze me haar naar binnen te rijden. Ik zet haar bij de receptie af en rijdt terug naar de basis. Even een kopje koffie. De onderhoudsmonteur van het karretje komt een van de MUSSEN omruilen. Ik zorg dat ik er bij ben. Dan gaat de telefoon. De mevrouw uit Somalië kan worden opgehaald. Ik laat de koffie voor wat het is en ga op stap naar Delft. Mevrouw staat al buiten te wachten. Ik ben met de zwarte MUS, ze heeft me even niet in de gaten. Ik stap op haar af en pak het autostoeltje op. “Ah, nu ik zie”, zegt ze, “MUSchauffeur.” Opnieuw een heel gesprek over o.a. hoeveel vrouwen een man in hun cultuur mag hebben. Over het onderzoek dat haar zoontje heeft ondergaan. Ik zet ze thuis af en breng het autozitje tot aan de deur, dan neemt zij haar jongste over. Zwaaiend nemen we afscheid.

Om even voor twaalf uur komt de monteur aan rijden. Even een kletspraatje en dan snel eten want daar is straks geen gelegenheid meer voor. Dan belt mevrouw uit het ziekenhuis. “Wil je me komen halen? Ik sta in de hal.” Oké en eten dan? Ik ga naar het ziekenhuis en haal mevrouw op in de hal. Dan kom ik een klant tegen die net een chemo achter de rug heeft. Ik probeer belangstellend een praatje met hem te doen als er op het raam van de MUS wordt getikt. Mevrouw ‘gebiedt’ me om weg te rijden, ze moet zichzelf spuiten en dat moet nauw gezet. Een race tegen de klok want om kwart voor een staat de volgende rit op het programma. Ik zet mevrouw af en rijd door naar huis. Staand aan het aanrecht schuif ik mijn boterhammen naar binnen, maar vergeet daardoor de klant van kwart voor een. De telefoon gaat. De coördinator belt. “Ben je de mevrouw van 12:45 uur vergeten?” Oeps snel mijn boterham mee en naar Den Hoorn. Ik rijd te hard, ik weet het, maar heb een klant die wacht. Een tegemoetkomende bewoner van de Tramkade tikt op het voorhoofd. Ja, ik weet het.

In Den Hoorn kan ik de straat en het nummer van de klant niet snel genoeg vinden en rijd verkeerd. Na wat zoeken tref ik mijn nog jonge medepassagier. Ze moet naar Schipluiden. Ze vertelt haar levensgeschiedenis terwijl ik haar nooit eerder heb ontmoet. Een triest gebeuren. Ik houd me aan de snelheid en zet haar af bij het Gemeentehuis. Daar kom ik ook de bewoner van de Tramkade tegen. Ze heeft een klacht ingediend bij de Gemeente over het rijgedrag van de MUSchauffeurs. Ik bied haar mijn excuses aan en nogmaals en nogmaals. Mevrouw vindt dat we goed werk doen maar “let alstublieft op uw snelheid”, geeft ze nogmaals mee. Ik beloof het. Ze steekt haar duim op als ze wegrijdt. Op naar het volgend adres. Iemand moet vanuit Schipluiden naar de winkels in Den Hoorn. Ik heb haar net opgehaald als mijn telefoon weer gaat. Degene die door mijn collega is weggebracht naar het ziekenhuis kan worden opgehaald. Oei, hoe nu? “Geef me twintig minuten”, zeg ik. Ik rijd rustig met mevrouw naar Den Hoorn en zet haar af. Onderweg rijd ik de bewoner met de klacht weer achterop. Langzaam passeer ik haar. Ze steekt haar duim op. Na mevrouw in Den Hoorn te hebben afgezet spreek ik af dat ik zo terug ben met de klant uit het ziekenhuis.

Meneer staat met zijn dochter al te wachten in de hal van het ziekenhuis. “Heeft u tijd?, vraag ik de man. “Alle tijd van de wereld”, zegt hij, “er wacht niemand op mij.” “We halen iemand op in Den Hoorn.” “Oh, leuk”, zegt de man. We rijden richting Dijkshoornseweg en treffen mevrouw. Ze is nog niet klaar. “Wil je koffie?, zegt de winkelier, “het duurt nog even.” Dat ga ik niet doen staat niet netjes naar mijn passagier die in de MUS zit te wachten. Eenmaal klaar direct terug naar Schipluiden, waar mijn volgende klant wacht. Een ritje Albert Heijn en appelvrouwtje. Ik help de man bij de Appie aan een karretje waardoor zijn rollator thuis kan blijven. Als ik buiten wacht gaat mijn telefoon. Mevrouw bij het gemeentehuis is klaar en kan worden opgehaald. Ik ben net aan op weg om meneer weer thuis te brengen als mijn telefoon opnieuw gaat. Er staat een echtpaar bij het ziekenhuis dat graag naar huis wil. Ik rijd naar het gemeentehuis en haal mevrouw op. Ik bespreek even met de naast mij zittende passagier om nog iemand op te halen. “Heeft u er dan bezwaar tegen om achterin te gaan zitten.” Dat is geen probleem.

Bij het ziekenhuis staat het echtpaar al te wachten. Meneer zit in een rolstoel van het ziekenhuis. Het is even tobben maar dan is ook hij binnen en kunnen we op pad. Meneer bromt heeft een bloedtransfusie gehad en dat is hem zwaar gevallen. Ik zet het echtpaar als eerste thuis af en rijd door om de andere vrouw af te zetten. Even is het stil. Een half uurtje. Terug naar de basis, Akkerleven, om van karretje te wisselen. Even een kopje cappuccino. Ook daar zijn mensen die bedient willen worden. Een man schuift aan het tafeltje waar ik zit. “Kan u even koffie voor mij halen”. Natuurlijk pak ik ook dat op. Even later ook nog een vrouw die plaatsneemt naast me. “Ik ken u”, zegt ze. Ze komt mij niet bekend voor en ik ken toch heel wat mensen. Ook zij vraagt om een kopje koffie. Natuurlijk.

Om half vijf mijn laatste rit. Van stichting Au Boulot in de richting Vlaardingen, net binnen de grens waar we rijden. Altijd een feestelijk afsluiter van de dag. De jongen zit in de dagopvang en kijkt uit naar de MUS rit. En ik ook. Hij rijdt mee, letterlijk en figuurlijk. Klets de oren van je hoofd. Heerlijk. Thuis staat zijn moeder al te wachten. Nog even een praatje en dan de spits in, terug naar Akkerleven. Een ongelukkige tijd om met dit karretje terug te rijden. Men gunt je vaak geen ruimte, waar ik bijna alle inhammen stil sta om auto’s voor te laten gaan. Degene die me achterop rijden, maar ook die je tegemoetkomen. Soms gaat het vingertje omhoog, maar regelmatig is het de arrogantie die het wint.

Om kwart over vijf zet ik de MUS weer aan de spanning. Ik ben terug op de basis. Een drukke dag is ten einde. Volgende week is er weer een volgende dag.

163. Opa gaat er met de kinderwagen van door

Een kleine auto stopt vlak bij de toegang tot het park. Een al wat oudere man stapt uit, pakt zijn stok van de achterbank en wandelt gemoedelijk het park in. Onder zijn arm houdt hij een krant. In zijn rechterhand een gevulde papieren zak. Langzaam sjokt hij de laan af naar de bank bij de vijver. Kennelijk komt hij er vaker want al vrij direct komen de eerste eenden aan waggelen. Als hij zijn stok tegen de achterkant van de bank heeft gezet klinkt het gekwaak. Hij gaat zitten, scheurt de zak open, maakt het brood dat er in zit klein en strooit het voor zich uit. Zijn krant gaat open en onder het genot van een winterzonnetje leest hij de koppen van de krant.

Het zachte ruisen van de bomen en de kwetterende vogeltjes geven hem een heerlijk gevoel. Als hij de krant helemaal heeft doorgespit, legt hij deze op het randje van de bank. De man zit volledig in zichzelf. Hij slaat zijn handen voor de ogen en huilt zachtjes. Kleine druppels sluipen vanuit de ooghoek langs zijn neus richting wang.

Even verderop komt een jonge vrouw aan wandelen. Een baby in de kinderwagen en een klein meisje op een fietsje met zijwieltjes. Als ze vlak bij de man zijn houdt de vrouw even in. Met haar dochtertje kijken ze naar de eenden, die schrokkend de stukken brood naar binnen slikken. De jonge vrouw kijkt op en ziet de oudere man zitten. Ze komt wat dichterbij. “Waarom huilt u”, vraagt ze, “heeft u pijn?” De man draait zijn gezicht weg en wil niet dat ze ziet dat hij huilt. “Kan ik u helpen?” probeert de vrouw opnieuw. “Nee”, zegt de man kortaf, “laat me maar.”

Het kleine meisje heeft met haar fietsje intussen alle eenden het water weer ingejaagd. Ze komt terug fietsen en legt haar fietsje in het gras.  Ze klimt op de bank. Een kleine turf nog. Ze gaat tegen de oude man aan zitten. “Opa”, zegt ze. De jonge vrouw neemt ook plaats op de bank. “Nee, dat is opa niet”, zegt ze tegen haar dochtertje. “Opa”, zegt de kleine meid weer. De man kijkt naar het kleine kind en lacht naar haar, terwijl hij met zijn boeren zakdoek zijn tranen wegveegt. “Weet je”, zegt de man, “ik heb vorige week mijn dochter, mijn schoonzoon en hun kindje weggebracht.” Zij zijn bij een auto-ongeluk om gekomen. “Dat is heftig,” zegt de jonge vrouw. “Is dat het echtpaar dat ruim anderhalve maand geleden is verongelukt in Frankrijk?” vraagt ze. “Ik heb het gelezen in De Helderse Post.” “Ja”, antwoordt hij, “een dronken bestuurder is er vol op geknald. Het heeft lang geduurd voordat het onderzoek was afgerond en de lichamen zijn vrij gegeven.”

De oudere man geeft aan dat het leven voor hem eigenlijk helemaal geen zin meer heeft. Hij heeft niemand meer waar hij zijn zorg aan kan besteden. Niemand meer die met hem wil lachen, wil huilen, zijn verdriet wil delen.

De man en de jonge vrouw zetten het gesprek voort terwijl het meisje in de buurt blijft fietsen. “Heeft u meer familie?” vraagt de vrouw. “Nee,” zegt de man met een trilling in de stem, “mijn vrouw is vorig jaar overleden aan die rotziekte. Ze is twee maanden ziek geweest en toen overleden, een heftige tijd was het.” De jonge vrouw legt haar hand op zijn knie. “Wat erg,” zegt ze, “en nu komt u regelmatig in het park?” “Ja”, antwoordt de man, “ik deed dit ook toen mijn vrouw nog leefde. Samen zaten we hier uren te genieten, te kijken naar de eenden en de zwanen, de krant ging mee en de zon verblijdde ons.”

De baby in de kinderwagen is intussen wakker geworden en begint zachtjes te huilen. De vrouw wiebelt aan de wagen, waarop het kindje stil wordt. Beide volwassenen zijn zo in gesprek geraakt, dat ze het kleine meisje niet hebben zien weg fietsen. Als de moeder in het rond kijkt, ziet ze haar nergens meer. Ze laat de kinderwagen los en holt richting vijver. ‘Ze zal toch niet…….?’ gaat er door haar gedachten. Heftig kijkt ze om zich heen en gaat op zoek. Ze vergeet totaal haar kinderwagen. Het kindje in de kinderwagen begint opnieuw te huilen. De oudere man pakt het handvat van de wagen en begint hiermee te wiebelen. Het kindje wordt weer stil. De jonge moeder zoekt in de omgeving en als ze het pad af loopt en naar links kijkt ziet ze daar haar dochtertje vrolijk lachend aan komen fietsen.

Ze haalt opgelucht adem als het meisje weer haar richting in komt fietsen. Met een zwaaiende wijsvinger maakt ze haar dochtertje duidelijk dat ze met haar heeft afgesproken in de buurt te blijven. Het meisje begrijpt er niets van. Ze is er toch weer, dan hoef je toch niet boos te worden. Met de hand op haar schouder duwt ze haar dochtertje weer richting bank. Dan ziet ze nog net hoe de oude man met haar kinderwagen de hoek om rijdt. Zijn stok hangt aan de duwstang van de wagen. Ze zet het op een hollen en haalt de man in. “Wat bent u van plan?” vraagt ze. “Oh, niets”, zegt de man, “jouw kindje wilde niet stil worden toen dacht ik, dan ga ik er toch even mee lopen.” “Ik had dit zo graag gedaan met het dochtertje van mijn dochter.” De jonge vrouw is al helemaal niet boos meer. Ze begrijpt het verdriet. De oudere man begrijpt ook wel dat hij dit niet had mogen doen.

Samen lopen ze het park uit. Het wordt toch nog een leuk gesprek, als de jonge vrouw voorstelt om de volgende dag terug te komen. Ze nemen afscheid, de man stapt met een fijn gevoel in de auto. Dit was weer eens een mooi moment in zijn leven.

De volgende dag zit de man al op de bank, als de vrouw met haar kinderen komt aan wandelen. Het gesprek van de dag ervoor gaat verder. Ze hebben een klik samen. De daarop volgende dag komt het er niet van, het werk van de jonge vrouw roept. Ze spreken wel af elkaar vaker te zien. Sindsdien is er een vriendschap ontstaan en komt de oude man ook over de vloer bij de jonge vrouw. Het kleine meisje dat zowel van moeders- als van vaderskant geen grootouders meer heeft, heeft er daardoor toch een opa bij gekregen. Regelmatig rijdt de oudere man met de kinderwagen door de buurt. De kinderwagen is zijn steun. Hij heeft gekregen wat hij zo graag wilde. Hij haalt de kleine meid van de opvang en voelt zich ook echt de opa van deze kinderen.

Zo start een onverwachte ontmoeting in een mooi contact. Haar eigen familie vergeet hij nooit, maar deze ontmoeting heeft geleid tot een verrijking in het leven van de man, maar zeker ook in het leven van het jonge gezin.

Ik weet dat er jonge mensen zijn die geen ouders meer hebben of waarvan de opa en oma ver weg wonen, maar die wel graag een opa of oma zouden willen hebben. Maar ook ouderen die het leuk vinden om zo’n contact te maken. Kijk eens in de buurt rond, leg jouw oor te luisteren en neem zelf de eerste stap. Voor ouderen is het vaak moeilijk om zo’n stap te zetten. En wie weet krijgt jouw kind er een leuke opa en oma bij. Zij zullen nooit jouw eigen ouders vervangen, maar toch ………..Succes.