329. Wat had het een drama kunnen worden

7:30uur de wekker loopt af. Het is zondag. Voor mij niet echt de tijd om mijn dekbed open te klappen, al moet ik eerlijk bekennen dat mijn dekbed nu meer naast als op het bed ligt. Vandaag doe ik mee aan ‘t Varend Corso. Mijn ‘kostuum’ heb ik al bij elkaar gesprokkeld. De outfit van de slag om de Zouteveen komt hier goed van pas. Nog even de zonnebrand opzoeken en een zak zeezoutdrop en dan kan ik er van tussen. Ik heb er zin in en kijk er naar uit.

Dit jaar heb ik mezelf opgegeven als figurant van de boot van Vlaardingen. 1000 jaar Vlaardingen, waar een hevige strijd is geleverd tussen de legers van de Duitse keizer en die van Dirk III. Dirk is uiteindelijk de winnaar en Holland gaat bloeien. Een mooi thema dat is opgenomen in het thema van het Varend Corso waar het gaat om Helemaal Hollands.

De avond voor mijn corsodag krijg ik ’s avonds een telefoontje. “Beste Aad, zou jij morgen de man van de leiding willen zijn. De andere figuranten hebben nul ervaring en ik denk dat ik dat wel bij jou kan neerleggen.” De projectleider heeft me zojuist gebeld. Ach, ik ben de rotste niet, dus neem de leiding.

Met mijn tas met rekwisieten wandel ik de volgende dag naar mijn auto. Geen wolkje aan de lucht en het briesje dat je voelt is warm. Bij mijn kostuum een bruin schapenjasje. Ik twijfel of ik het jasje aan zal doen. Eerst maar eens naar het Trade Center in Honselersdijk.

Bij het Trade Center is het een drukte van belang. Men zeult met bloemen, fruit en groente. Stekers en arrangeurs zijn al druk bezig om te vervangen. Opnieuw, want de dag er voor is dat ook al het geval geweest. Bloemen en groente kunnen nou eenmaal niet goed tegen warmte. Ik zet mijn auto zo weg dat deze vanavond in de schaduw weer wakker wordt gemaakt en wandel daarna de kantine van wielervereniging Westland Wil Vooruit binnen. Hier heeft men de kleed- en schminkruimte beschikbaar gekregen. Aan een tafel zit de projectleider van Vlaardingen en een echtpaar. Het echtpaar is medefigurant. Het wachten is op mijn overige medespelers. Een van de figuranten brengt een hond mee. Een hulphond, wordt gezegd. Het beest is glad geschoren, maar ik heb er zo mijn twijfels bij. De overige medestrijders van die dag ken ik overigens niet en ik weet ook niet wat ik er aan heb.

Een voor een komen ze binnen gewandeld. De een geeft een hand en stelt zich voor, anderen geloven het wel. Maar ik weet graag wat voor vlees ik in de kuip heb en neem zelf het initiatief. Een van de spelers heeft de dag eerder ook al meegespeeld. “Hij is nog een beetje brak, maar trekt het wel”, zegt hij. De kleding wordt uitgereikt. De vrouw van het echtpaar heeft een workshop gedaan in het maken van kleding uit die tijd. Mannen dragen jurken. Ik zoek ook naar een jurk en zie mij als Marilyn Monroe al bovenop een ventilator staan op de boot. Maar voor mij geen jurk. Mijn eigen kleding is het devies.

Na korte tijd is iedereen aangekleed. Nog wat zwarte vegen in de snoet, wat nepbloed op armen en benen en men kan zien dat we hevig gevochten hebben. We wandelen naar de boot terug. Daar tref ik onze arrangeur aan. Ook zij is druk aan knippen en steken. Ook wij hebben schade.

Bij de boot aangekomen komen we de schipper tegen. “Met hoeveel zijn jullie eigenlijk”, zegt hij. “Met twaalf”, zegt een van de figuranten. “Dat is jammer, want er gaan er maar tien op de boot en dat vind ik eigenlijk al te veel”, zegt de schipper zeer gedecideerd. Oei, er lijkt een probleem te ontstaan. Maar ook daar wordt een oplossing voor gevonden als de als Jack Sparrow verklede acteur met vriendin elders worden gestald.

Het is inmiddels vijf voor elf. Wat we moeten doen, is niet bekend. Er ligt een groot doek op het dek dat regelmatig de lucht in moet. Bij bruggen wordt het doek gestreken. Maar hoe en wat? Alleen de man van gisteren en de schipper is iets bekend. De figurant van gisteren pakt het direct op en deelt de instructies uit. Slechts twee mannen hebben aandacht, mijn donkere medefigurant en ik. De rest gelooft het wel. Het echtpaar heeft zich voor op de boeg gestationeerd. De man van de hond zit met het dier in het stro, een van de mannen heeft een brandende mobiel in zijn zak en haalt ‘m regelmatig tevoorschijn. De jongedame zwaait met rood-blauwe vaandels en de andere lachen en zwaaien wat met een speer. Een eenheid is het zeker niet, maar we gaan het zien.

Als we de grote plas uitvaren hebben we al direct de proef op de som. Doek omhoog en direct daarna omlaag en weer omhoog. Er worden commando’s uitgedeeld, maar waar ze over gaan, geen idee. De man van gisteren heeft het zicht en deelt aanvullende commando’s uit.

Zo passeren we brug na brug. Medefiguranten op twee na doen niets en lachen en kijken. Dan opeens zie ik drie figuranten een sigaret uit het pakje trekken. De sigaret is opgestoken voor ik er erg in heb. Maar als ik het zie komt de stoom uit mijn oren. Ik vloek en scheld dat dit absoluut niet kan. Super droog stro en dan met vuur. Een vonkje verbrandt ons met zijn allen. Er is geen ontkomen aan. De eikels zijn verbaast als ik er wat van zeg en begrijpen het niet. Nog even een laatste trekkie. De ‘man van gisteren’ is ook woedend. Als de schipper het te horen krijgt gaat er nog eens een hartig woordje overheen. Mijn dag is op dat moment zwaar, heel zwaar. Al mijn energie vloeit weg en ik ben gefocust op wat men uitspookt. De telefoon komt nog regelmatig te voorschijn. Ik kan niet beschrijven wat er zou zijn gebeurd als onze boot in de fik was gevlogen tijdens de tocht. In mum van tijd zou de hele boot in vuur en vlam staan. Ontkomen is er weinig. Duizenden toeschouwers zouden getuigen zijn van in dit drama. Ik heb mijn leiderschap gepakt, maar had het graag op een andere manier willen vertellen. Overigens vaar je ook onder heel veel bruggen door waar een peuk zomaar een drama kan veroorzaken. Misschien een doemscenario maar hier heb ik de gehele nacht aan liggen denken. Ondertussen gaat mijn rol verder en moet ik vermaken. Op het water van de Rijksstraatweg zit ik er doorheen, mijn arm doet zeer, mijn geest wil niet meer, ik zou zo af willen stappen. In Den Hoorn kan ik me herpakken.

Zo kan een feestelijke gebeurtenis ook ineens zo dramatisch aflopen. Gelukkig zijn we heelhuids thuisgekomen en door de sigaretrokenden werd het gebagatelliseerd. Ik verspeelde hierdoor veel energie en kwam aan het eind van de dag met een kater thuis. Mijn waardering gaat uit naar ‘de man van gisteren’, hij heeft mij giga bijgestaan. En ook de schipper was super. De arrangeur en projectleider hebben gedaan wat mag worden verwacht. Maar voor mij is het direct de allerlaatste keer dat ik hieraan mee ga doen. Het lijkt in een opwelling gezegd, maar ik heb de hele nacht niet kunnen slapen. Jammer, maar het zij zo.

157. Sjaak en de lollige BHV-ers

Afgelopen woensdag deed ik weer de dag van mijn herhalingsoefening BHV, Bedrijfshulpverlening. Voordat ik naar de locatie vertrek, verricht ik nog even wat Excelwerk thuis zodat men op het werk ook aan de slag kan. Dan op de fiets op weg richting De Tol/Overvoorde te Rijswijk. Een oefenterrein van de brandweer Haaglanden.

Als ik bijna ben aangekomen kom ik een collega tegen die de andere kant op fietst, terwijl ik hem toch echt op de lijst heb zien staan om ook aanwezig te zijn. Even twijfel ik, heb ik niet goed gekeken en ga ik naar de verkeerde locatie? Mijn agenda, waar de afspraak in is opgenomen, geeft toch daadwerkelijk De Tol aan.

Aangekomen op de locatie zie ik dat de locatie hoe langer hoe meer in verval raakt. Er wordt aan de gebouwen geen onderhoud meer gepleegd en er is bijna niemand meer aanwezig, waar het in het verleden vaak erg druk was. Het is zo goed als zeker dat dit hier voor de laatste keer is. Volgend jaar verhuist het opleidingscentrum naar de brandweerkazerne te Delft en wordt het terrein teruggeven aan de natuur. Zal wel even saneren van de grond worden.

Als ik net aan een kopje koffie zit, komt ook mijn net gepasseerde collega binnen. Hij was verdwaald, gaf hij aan.

De aanwezigheidslijsten met de namen krijgen een krabbel, de geboortedatum wordt ingevuld en even aangeven of je vegetarisch bent, boter op je brood wilt en of je een kroketje wilt bij de lunch. Of ik vegetarisch ben weet ik wel, dat niet, maar of ik vegetarisch wil eten is een betere vraag. Hier is nog niets aan veranderd. Dit maak ik al zo’n tientallen jaren mee.

Dan worden we gehaald. Niet meer de oude brandweerinstructeurs, maar twee dames die het roer hebben overgenomen. Eén van hen is de prater, de ander is de lotus. Een lotus is een gespeeld slachtoffer. De groep heeft deze dag een lollige bui. De dames worden regelmatig in de teil genomen door opmerkingen van de merendeel technische mensen, die naar mijn idee eigenlijk helemaal niet zitten te wachten op zo’n herhalingsdag. Zij gaan veel liever sleutelen, de polder in of met hun handen de vieze inlegkruisjes, doekjes en andere weggegooide materialen uit de pompen halen.

Als mevrouw Lena, de lotus, met een dicht oog binnen komt, laat iedereen haar aan haar lot over, tot de instructrice, Lenie, aan twee medewerkers vraagt om er even naar te kijken. Wonderwel wordt de juiste actie uitgevoerd en even later opent de lotus haar ogen weer en kijkt ze weer vrolijk uit haar doppen.

Zo worden er verschillende ongevalsituaties uitgebeeld en nagespeeld en wonder boven wonder wordt er ook nog op de juiste wijze gehandeld, zij het dat het altijd met een lacherige grap wordt uitgevoerd. Als men de Heimlich greep moet toepassen en daar een speciaal bodypak voor aan krijgt, wordt het een wedstrijdje wie kan de prop het verst wegschieten. De Heimlich greep wordt gebruikt om een blokkade van de luchtwegen te verhelpen.

Na de koffie is het tijd voor het oefenen van de stabiele zijligging en het reanimeren met en zonder AED. Opnieuw een verbeterde en handigere methode om het slachtoffer op de zij te krijgen. Zo bemerk ik dat er elk jaar opnieuw veranderingen plaatsvinden. Een mooie inkomstenbron voor de uitgeverij van de steeds weer aangepaste boekjes. De poppen die worden gebruikt zijn niet veranderd, ze hebben wel een ander T-shirt aan, maar zeggen nog altijd niets terug, geven niet mee en hebben hun computer in de buik zitten, waardoor je kunt zien of je de actie goed uitvoert.

Na het EHBO-gedeelte de lunch. Alles wat besteld is komt op tafel. Het gesprek tijdens de lunch gaat over het werk, over de verhuizing later naar het vernieuwde Delflandse gebouw, over het niet meer kunnen parkeren straks, de onzichtbaarheid van de Ondernemingsraad en nog veel meer gehakketak.

Na de pauze komt Sjaak de kantine inlopen. Sjaak is de instructeur voor het brandweergedeelte. Een vrolijke oude baas, die het leuk vindt om kritisch te zijn. Welke handeling er ook moet gebeuren, Sjaak heeft er commentaar op. Hij lacht er bij en maakt er een sport van om de meest lollige collega’s te kakken te zetten. Op zijn helm draagt hij zijn Amerikaanse naam Jack. Er wordt geoefend op een oliebrand, een gasbrand, een ontplofte bus haarlak, een brand in huis met in brand staande pop. Ja, alles wordt uit de kast gehaald om situaties na te bootsen. Steeds opnieuw gaat het niet goed. Hij heeft de groep onder de duim. Ben je grappig, dan mag je voor de groep uitleggen waarom je zo grappig bent, of waarom je de nodige opmerkingen maakt. Volwassen mannen en één vrouw die door Sjaak volledig in control zijn.

Na de brandoefeningen, communicatie. De portofoons komen te voorschijn. De groep wordt in kleine groepjes verdeeld om naar elkaar te vertellen wat men heeft getekend. De andere groep moet dat dan op aanwijzingen natekenen. Een leuke opdracht, die niet altijd de juiste tekening oplevert. Communicatie is niet het sterkste punt, blijkt.

Dan de laatste activiteit, ontruimen. In twee groepen wordt geoefend om calamiteiten netjes op te lossen. Loslopende gespeelde slachtoffers bemoeilijken de ontruiming. Toch krijgen we van Sjaak een opgestoken duim. Niets doen is slecht en fouten maken mag dit keer, als je maar handelt.

Aan het eind van de dag vindt de evaluatie plaats. Niets dan lof van mijn mede-cursisten. Nou, ja de eindtijd, dat is nog een dingetje. Sommige lieden blijken een half negen tot half vijf mentaliteit te hebben, waar het intussen tien minuten is uitgelopen.

Als ik weg ga, geef ik Sjaak een hand. “Hoe oud bent u”, vraagt hij mij. Ik antwoord dat ik 64,5 jaar bent. “En je werkt nog”, vraagt hij mij. “Ik moet nog vier maanden, dan zit het er op”, zegt hij. Ik kijk hem aan en vraag hem: “heb je dan de leeftijd al?” “Ja, zegt hij ik mag nog gebruik maken van een oude regeling en ben op 57-jarige leeftijd klaar.” ‘Ja, verschil moet er zijn’, denk ik bij mijzelf. Ik gun het hem, maar ook de cursisten die straks niet meer met Sjaak te doen hebben. Al moet ik eerlijk bekennen, hij deed het wel leuk en ik heb, hoe oud ik ook ben, er toch weer wat van opgestoken.