410. Verdwijnt straks het bibliotheekservicepunt?

Nederland leest veel minder, tenminste de jeugd t/m 15 jaar leest veel minder. Minder dan 10 jaar terug. Mensen ouder dan 65-jaar zijn daar dan weer een uitzondering op. Zomaar een berichtje uit de krant van afgelopen week. Het gaat dan met name om mensen die laaggeletterd zijn, jongvolwassenen en tieners. Zo constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau. Nou moet ik eerlijk bekennen dat ik tot geen van de eerder genoemde doelgroepen behoor die minder leest, maar wel tot de doelgroep 65-plus, maar ook bij mij schiet het er weleens bij in. Met uitzondering van de krant, die lees ik van achter naar voor en terug.

Sinds ruim een jaar doe ik mee aan Voorleesexpress, een project waarbij je jonge kinderen met een taalachterstand voorleest uit boeken in het Nederlands. Daardoor ga ik wekelijks bij de bibliotheek langs om boeken op te halen. Een nuttige aanvulling op het onderwijspakket waar zij ook mee te maken krijgen. En ik zie vorderingen. Waar ik voor het eerste kom, leest men nauwelijks, maar na een paar weken zie en hoor ik dat men het leuk vindt om te lezen en gaat men met sprongen vooruit. Ik neem daarbij ook de ouders mee, want zij moeten er achter staan. Ik neem ze mee naar de bibliotheek of servicepunt om hen kennis te laten maken met de voorzieningen die er nu nog zijn. Een bibliotheekpas waar men gratis boeken kan halen en lezen. Maar ook voor ouders de mogelijkheid om gebruik te maken van het project Taalmaatje.

Zo regelmatig moet ik boeken reserveren omdat het servicepunt in Schipluiden dit boek niet heeft. Er wordt dan hard aan gewerkt om het boek zo snel mogelijk bij zo’n servicepunt te krijgen. Nog altijd word je daarbij ondersteund door een opgeleid bibliotheekmedewerkers. Maar hoe gaat dat straks, wanneer in 2021 de subsidie vanuit de gemeente met €50.000,00 wordt gekort.

Ik vrees met grote vreze dat het servicepunt helemaal gaat verdwijnen, en Schipluidense lezers naar Den Hoorn moeten, waar Maaslandse mensen naar Maassluis zullen moeten. Scholen zullen op de fiets moeten stappen omdat er geen gelegenheid meer is boeken te halen. Ouderen zullen de MUS moet pakken om hun thriller, roman of oorlogsboek op te gaan halen. En hoe gaat het met de medewerkers, gaan ze minder uren werken, moet men weg, wordt het uit noodzaak opgepakt door vrijwilligers?

Ik denk dat men nog minder gaat lezen, voor een boek ga je geen 4 km heen en terug. Maar ook voor die vrijwilliger die zich nu inzet om jonge mensen mee te nemen in een Nederlands boek, zal het boek halen meer tijd en kilometers gaan kosten. Buiten de voorbereidingstijd die men er aan besteed.

Een ongezonde zaak die terug moet worden gedraaid. Natuurlijk is het een kwestie van keuzes maken bij de Gemeente. Geld dat je niet hebt kan je ook niet uitgeven. Maar als ik lees dat er ruim twee-en-een-kwart ton wordt uitgetrokken voor een veranda aan het Tramstation dan heb ik daar toch wel mijn bedenkingen bij. Ik misgun het hen niet, maar ben persoonlijk van mening dat de bibliotheek een veel grotere prioriteit heeft dan de veranda, omdat deze er vroeger ook zat. Vroeger reden er ook treinen op het spoor daar, zou er dan ook niet een locomotief voor het gebouw gezet moeten worden. Nee gemeente, prioriteiten stellen is nadenken en niet het probleem neerleggen bij een ander.

Inmiddels gaat er een petitie rond waarbij men aan kan geven dat men de bibliotheek in stand moet houden. Dat betekent niet uitbreiden, dat is niet nodig, maar behouden wat er nu is.

Beleidsmakers, college en raadsleden, ga nog eens op zoek naar geld en behoudt wat goed is, wat in een grote behoefte voorziet. Ik wens u succes.

Wilt u de petitie ondertekenen doe dit dan hier. Delen van de link wordt op prijs gesteld.

381. “Wasstraat”, zegt hij na 19 lessen

“WE…A..SSS…SSS…TE…RU…A…A…TE, Wasstraat”, zegt hij, als ik hem vraag wat er staat. Deze week ga ik voor de laatste keer voorlezen bij een gezin dat niet van hier komt. Moeder heeft een docentenfunctie aan de Universiteit en is van Spaanse afkomst, vader heeft een dubbele titel en werkt bij een multinational en komt uit Turkije. Samen spreken ze Engels. Hun twee jongens spreken Turks, Spaans en Engels, van de Nederlandse taal hebben ze niet veel meegekregen. Na 20 weken spreekt de oudste al een goed mondje Nederlands en doet de jongste ook al aardig mee.

Wanneer ik in augustus 2018 een lezing doe in de Bibliotheek in Den Hoorn vraagt een medewerker van de bibliotheek aan mij om mee te doen aan de VoorleesExpress. “Dat is vast wat voor jou”, zegt de biebmedewerkster. Ik moet daar even over nadenken. VoorleesExpress wat is het precies en wat verwacht men van mij? De VoorleesExpress zorgt ervoor dat kinderen met een taalachterstand extra aandacht krijgen. 20 keer komt er een vrijwilliger bij een gezin thuis om voor te lezen. Samen met de ouders streven zij ernaar dat taal en leesplezier een vaste plek in het gezin krijgen. Omdat ik zelf geen lezer ben, maar vroeger bij onze jongens wel elke dag heb voorgelezen heb ik er wel zin in.

Vanuit de bibliotheek krijg je de ondersteuning. Je krijgt een gratis biebpas en elke week zoek je nieuwe boeken uit om voor te lezen. Er zit een heel pakket aan informatie in de tas die je meekrijgt en er zit een DoeBoek in. Een DoeBoek waar je met het gezin en jouw voorleeskind wekelijks even de opdrachten mee doorneemt.

‘Mijn’ kind is opgegeven door de school waar hij op zit. Hij is vier jaar oud. De ouders zien er het nut van in en zo word ik gekoppeld aan het gezin dat ik in de eerste alinea heb aangegeven.

Half September maak ik een afspraak met de ouders van ‘mijn’ kind. Ik spreek direct een vaste dag en tijd af, dan weet men waar men rekening mee moet houden. Wanneer ik er de allereerste keer aankom, word ik hartelijk ontvangen, er is koffie en een stukje baklava. Ik maak kennis met papa en mama, mijn voorleeskindje en zijn jongere broertje. Na mezelf te hebben voorgesteld, nestelt het gezin zich rondom mij heen. De bank is net groot genoeg om er met zijn allen op te zitten. Beide kinderen zitten direct tegen mij aan. Vader en moeder sluiten aan beide zijde de rij.

Het is een stille bijeenkomst. Een prater, ik, en vier luisteraars. Ik laat mijn voorleeskind steeds het boek uitzoeken dat hij voorgelezen wil hebben. Tot slot doen we de opdracht uit het DoeBoek. Na een goed uur is het tijd om huiswaarts te gaan. In de gang spreek ik met de ouders nog even door wat de bedoeling is. Vader spreek goed Nederlands maar voelt zich niet altijd zeker of hij woorden ook goed uitspreekt. Moeder heeft wat meer moeite en haar stel ik voor om eens contact op te nemen met TaalMaatje. Taalmaatje is meer gericht op volwassenen.

Het voorlezen is leuk. Ik leer woorden ook direct in het Spaans en in het Turks. Mijn leerling weet dieren uit het voorleesboek ook in de twee talen te benoemen. De volgende keer dat ik bij het gezin ben maak ik ook direct een afspraak om gezamenlijk naar de bibliotheek te gaan en een abonnement te nemen. Dat gebeurt ook, de volgende woensdag staan we met zijn vieren, moeder, de kids en ik, bij de Bibliotheek in Den Hoorn. Ik help het gezin op weg en vertrek weer.

Bij het derde bezoek krijg ik te horen dat de jongste van ruim anderhalf heeft gehuild toen ik zonder hem gedag te hebben gezegd ben weggegaan uit de bibliotheek. Vervelend. Ik bouw eigenlijk al direct een goede band op met het gezin. Dat blijkt ook als ik ’s avonds op de fiets aan kom rijden. Wanneer de jongens mijn voorlicht in het raam zien schijnen, hoor ik ze al roepen: “Aad!, Aad!”. Ik begin het steeds leuker te vinden. Ook al omdat het nu echt een Nederlands uurtje is geworden. Ook vader en moeder communiceren, soms gebrekkig, soms naar woorden zoekend door moeder, in het Nederlands met mij. De kleinste neemt teveel aandacht bij het voorlezen en vader besluit om met hem te gaan playmobielen of met de Lego te spelen. Dan is er voor de oudste alle aandacht. We doen een taalspelletje. Zo ga ik week in week uit elke donderdagavond naar het gezin. Ik doe het met veel plezier, de ontvangsten zijn allerhartelijkst en als men mij tegen het eind van de voorleessessies vraagt om maar vooral te blijven komen, ook als ik klaar ben met voorlezen, voel ik me gewaardeerd en thuis.

Wanneer ik bij mijn voorlaatste voorleesbeurt een boek over auto’s in handen heb en uitleg wat er zoal te zien is wijs ik naar een autowasstraat. Mijn leerling weet niet wat het is, maar op de deur staan letters geschreven. Met “WE…A..SSS…SSS…TE…RU…A…A…TE”, zegt hij wat hij ziet. 19 keer voorlezen en dan al deze woorden spellen en lezen. Hoe snel kan het gaan.

Moeder is inmiddels aangesloten bij TaalMaatje. Wanneer ze een woord zegt dat niet helemaal juist wordt uitgesproken, zegt mijn net aan vijf geworden leerling: “Mama, dat zeg je niet goed, het moet …….. zijn.”

Met veel plezier overhandig ik hem a.s. donderdag een diploma. Hij krijgt een boek van de Bibliotheek. Ik ga er eigenlijk met weemoed weg, blijf wel contact houden, maar niet meer zo frequent als ik het half jaar heb gedaan. Hij kan lezen en spreekt Nederlands, mooi toch.

367. Een huis voor Harry

“Hey Aad, zou je willen voorlezen bij de Nationale Voorleesdagen?” Zo krijg ik vanuit de bibliotheek de vraag voorgeschoteld. Ik krijg een aantal dagen en locaties op waaruit ik een keuze kan maken. De keuze wordt niet moeilijk. Ik ga op 28 januari voorlezen in de bibliotheek van Den Hoorn. Een dag later kom ik tot de ontdekking dat ik een dubbele afspraak heb gemaakt en besluit ik dit aan de medewerker van de bieb mede te delen. Ik geef op dat ik wel op een andere dag kan in Maasland. Daar wordt kort op geantwoord. Helaas daar heeft men geen voorlezers nodig. De groepen 7 en 8 lezen daar voor en dat wil men graag in ere houden. Dan twee dagen later een berichtje dat de groepen 7 en 8 niet in de gelegenheid zijn. “Wil je alsnog?”  is de vraag. “Houdt er rekening mee dat het wel een pr-momentje kan worden want wethouder Wendy Renzen komt ook.” Inmiddels ben ik wel gewend aan pr-momentjes, dat is dus geen probleem.

Een paar dagen voor het voorlezen rijd ik op de fiets naar de bieb. Het weer ziet er goed uit, maar als ik goed en wel vanuit Schipluiden onderweg ben naar Den Hoorn zijn de weergoden mij niet zo welgezind en begint het te regenen. Geen kleine druppels, nee, gewoon een heftige regen. Er is geen moment en gelegenheid tot schuilen, ik moet er helaas doorheen. Aangekomen bij de bibliotheek blijkt deze donker. Zou er niemand zijn? Ik probeer de bel en wacht. Als je niemand ziet moet je even bellen, had de biebmedewerkster mij gezegd. Het wachten leverde geen resultaat op. Nog maar eens bellen, binnen twee minuten ben ik bij je, had ze er achteraan gezegd. De deur bleef echter potje dicht. Dan maar weer naar huis. Ik stuurde de medewerkster een e-mail dat ik voor niks naar Den Hoorn ben geweest en kletsnat weer thuis kwam. “Je had me ook even moeten bellen, dat had ik toch gezegd”, zegt ze als ze me opbelt. “Ik heb jouw telefoonnummer niet”, gaf ik als antwoord. En zo heeft bellen twee betekenissen en ontstaat er een spraakverwarring. De volgende dag stap ik opnieuw op de fiets. Nu is de bibliotheek wel open.

We nemen samen even door wat de bedoeling is van mijn voorleesverhaal. Ik krijg het boek in handen, dat moet worden voorgelezen en nog een aantal top-10 boeken, die als alternatief er achteraan kunnen. “Ik vind het wel leuk dat ik nu eens een man heb die gaat voorlezen. Dat is voor ons uniek.”

Op de voorkant van het boek staat een kat afgebeeld. Harry. ‘Een huis voor Harry’, zo heet het boek. Thuis gekomen lees ik en kijk ik de plaatjes uit het boek. Een leuk verhaal met weinig tekst, maar wel leuke plaatjes. Ik probeer me in te beelden hoe e.e.a. zal gaan.

Op woensdag 23 januari mag ik aan de bak. Ik ben al vroeg op. Moet om half negen bij een school zijn waarin het servicepunt is gevestigd en ik moet ook de auto nog ontdoen van sneeuw. Omdat ik niet weet hoe het pad is wil ik er op het gemak heen. Om even voor half negen parkeer ik mijn auto, waar mijn navigatie zegt dat het servicepunt van de bibliotheek is. Ik blijk er zo’n 150 meter bij vandaan te zijn. Ik vraag het nog even aan een mevrouw met een kinderwagen en kleuter aan de kar. “Meneer u bent veel te ver gereden”, zegt ze, “en de bibliotheek is slechts beperkt open.” Ik geef haar aan dat ik voor de Nationale Voorleesdagen kom. “Oh, goed dat u het zegt”, geeft ze aan, “dat kunnen we vanmiddag wel eens gaan doen.” En ze kijkt naar haar zoontje. Al glibberend loop ik terug naar de locatie. Hier is geen schoon pad geveegd.

Bij de locatie aangekomen is mijn contactpersoon al volop in beweging. Ze is voor het eerst sinds lange tijd met de bus gekomen. Een mijl op zeven. Er staat een theatertje op de springkast in de gymzaal, er hangen doeken gedrapeerd over het wandrek. De gymbanken staan in een schuine hoek opgesteld. De ambiance is gecreëerd. Nog even het theater bekijken. Hoe werkt het. De wethouder mag dat doen. Na een kopje koffie is het tijd om de kinderen te ontvangen. Dan krijgt de medewerkster te horen dat de buitenschoolse opvang haar eigen programma heeft georganiseerd. Geen kinderen uit deze hoek dus. Dat is een tegenvaller. Ze gaat even overleggen bij groep 1/2. Er komen vijf kleine mensjes luisteren.

Even later komen ze hand in hand binnen. Ze nemen plaats op de gymbank. Ik vertel het verhaal van Harry. Harry is een kat die nog nooit naar buiten is geweest en tikkertje gaat spelen met Vera Vlinder. Dat dit fout zou lopen staat al vast. Gelukkig vindt ze vriendjes en komen ze Vera weer tegen. Het komt uiteindelijk allemaal op z’n pootjes terecht.

Terwijl ik het verhaal vertel doen de kinderen leuk mee. Ik vind de afstand tussen de kleintjes en mijzelf te groot en laat me op mijn platte gat zakken. Nu zitten ze bijna in het boek. Ik vind het leuk en word steeds enthousiaster. De biebmedewerkster zie ik meelippen als ik iets voorlees. Als het boek uit is doen de kinderen een zelfverzonnen liedje met de medewerkster van de bieb. Daarna gaan de kinderen terug naar de klas. Het wachten is op de grotere groep en de wethouder.

Nog even een kopje koffie. De wethouder komt binnenlopen. Ze heeft er zin in, zegt ze. Ik vertel nogmaals het verhaal van Harry die een huis wil. De kinderen letten heerlijk op. En als Wendy even later het theater bedient met de platen, krijgt ze een goed verhaal terug. Leuk om te zien hoe enthousiast ze kinderen betrekt bij het verhaal.

Dan mogen de kinderen knutselen of naar buiten. De wethouder gaat weer terug aan het werk. De helft van het gezelschap kiest voor naar buiten, de anderen kiezen voor knutselen. Een kat kleuren of een vlinder maken. Storm heeft het snel voor elkaar. Hij moet plassen en neemt zijn werkstukken mee naar het toilet. Even later komt het vierjarig mannetje huilend terug. Hij heeft over zijn kunstwerkjes geplast. Snel even helpen om voor hem nieuwe werkstukjes te maken. Zijn natte vlinder en poes verdwijnen in de prullenbak.

In de middag opnieuw een kindertal dat komt luisteren. Oma’s en mama’s brengen hun kinderen en blijven. Een papa neemt zijn papadag heel letterlijk. Hij dropt zijn dochtertje en verdwijnt. “Tot half vier toch”, zegt hij.

Opnieuw lees ik het verhaal van Harry voor. De biebmedewerkster doet het theater. Het is weer een succes. Daarna mogen de kinderen knutselen met vilt of een kleurplaat maken. Er komen leuke werkjes uit. Ze krijgen een glaasje limo en zijn korte tijd later zeer zelfverzekerd aan het werk. Hier en daar helpt oma of mama mee. Om half vier is het afgelopen en komt ook de papa binnenlopen. Hij vraagt zijn dochter wat ze er van vond. Ze straalt en heeft een leuke kat gemaakt op een rietje met een echt oogje.

Tijd om op te ruimen. Dat gaat als een speer. Alles gaat in mijn auto. Ik breng de Hoornse medewerkster even terug naar de basis. We wisselen wat foto’s uit. In het kader van de privacy mogen ze niet worden geplaatst.

Een leuke activiteit en een dag onder de pannen. Voorlezen is belangrijk, niet alleen in de bibliotheek ook thuis. Even een paar minuten in een boek. Ik heb gezien en geluisterd hoe leuk men het vindt. Het was een Topstart van de Nationale Voorleesdagen, schrijft de medewerkster van de bibliotheek.

345. TaalExpres maar niet met een sneltrein

De wintermaanden komen er aan. Bruidsparen zijn er niet, solexritten worden minder. Ik ben opzoek naar een nieuwe activiteit. Dat wordt lezen, voorlezen aan kinderen.

Voor u en mij een vanzelfsprekendheid, maar voor velen is dat beslist niet zo. Te denken valt aan mensen van Nederlandse afkomst die met een dyslexie te maken hebben, zij die laaggeletterden zijn, mensen die analfabeet zijn. Daarnaast hebben we nog de mensen die niet van hier zijn en hier zijn komen wonen en de taal best lastig is.

Via de bibliotheek word ik benaderd of er interesse is om voorlezer te worden. Voorlezer van kinderen tussen 4 en 8 jaar. Twintig weken lang ga ik bij het gezin op bezoek om het kind een gevoel voor taal bij te brengen, maar ook de ouders te stimuleren om met hun kind te lezen, te zingen, of taalspelletjes te doen. Ik vind het een uitdaging om dit voor een kind mogelijk te maken.

Ouders hebben hierin een belangrijke rol. Zij zijn ook degene die zich via school hebben opgegeven om deel te nemen aan dit project, dat TaalExpres heet.

Het is niet de bedoeling om de ouder te vertellen hoe het moet – maar het is het streven om naast de ouder gaan staan en samen te zoeken naar passende oplossingen. Op die manier is de kans het grootst dat ouders met hun kind de taalomgeving blijven stimuleren. Dit vraagt doorgaans een open, nieuwsgierige en creatieve houding. Dit geldt voor de leidster op het kinderdagverblijf, de leerkracht op school, maar ook van mij als vrijwilliger. Vanuit het project moet je geprikkeld worden en bewust zijn van de rol die je vervult om goed te kijken en voorwaarden te scheppen voor een gelijkwaardige samenwerking.

Om deel te nemen aan het project is het van belang dat je gecoacht wordt. Daar is een medewerker jeugdzaken van de bibliotheek voor aangesteld. Met haar heb ik het contact gedurende het project. Na een gedegen voorbereidingsavond ben ik er klaar voor en weet ik ook wat me te wachten en te doen staat, maar ook wat men van mij verwacht. Het is nog niet zover. Eerst moet er een Verklaring Omtrent het Gedrag worden aangevraagd. Pas wanneer dat binnen is kan ik daadwerkelijk worden ingezet bij een gezin. Na een voorlichtingsavond is mij duidelijk wat de bedoeling is. Een mooi project om mee aan de slag te gaan.

Inmiddels is de VOG binnen. Weer een. Voor het rijden op de MUS moest ik er ook al een hebben. De kosten hiervoor zijn niet misselijk, maar worden gedragen door de organisatie waarvoor ik me inzet.

Mijn account is nu ter beschikking waarin ik wekelijks de evaluatie doe. Ik moet daarin beschrijven hoe het gaat, wat mijn bevindingen zijn en hoe men er in het gezin over denkt en meedoet.

Inmiddels heb ik contact gezocht met het ouderpaar waar ik bij op bezoek ga. Zij hebben nadrukkelijk gekozen voor een man. Zij hebben twee kinderen die mogelijk aan het project mee kunnen doen. Een van de twee staat op mijn lijst, als de ander meelift is dit een win-win. Zij zijn blij als ik kom, schrijft men in een e-mail. Ik heb de juiste dag voor hen uitgezocht en ook de tijd past precies bij het gezin.

Omdat ik geen echte lezer ben, heb ik ook geen abonnement op de bieb. Daar wordt aan gewerkt. Ik heb een afspraak gemaakt om langste gaan bij mijn praktijkondersteuner. Er blijkt een misverstand, ze is er niet. Een collega helpt me met het uitzoeken van de boeken. Met een tas met boeken, een doe-boek en een afsprakenkaartje vertrek ik. Mijn biebpas is ook aangemaakt. ik kan nu echt aan de slag.

Op de dag voorafgaand aan mijn bezoek, blader ik mijn boeken door. Vriendschap is het thema dat men voert vanuit school. Ik zoek welke boeken uit de stapel daar best bij passen. Ik blader ook even door het doe-boek. De dag erna wil ik mijn website openen. Ik krijg een error. Shit, hoe heet het ventje ook al weer. Tegen het moment dat ik weg wil gaan is de site hersteld. Ik kan op pad.

Ik fiets naar mijn geboorteplaats en word hartelijk ontvangen door het gezin. Bij binnenkomst probeer ik direct in gesprek te gaan met het jongetje waarvoor ik kom. Ik zak door mijn knieën om op gelijke hoogte met hem te praten. Hij begint direct een gesprek. We nemen plaats op de bank. De koffie staat op tafel, maar vergeet ik bijna. De boeken komen uit de tas en hij mag zeggen welk boeken er gelezen worden. Hij is er direct uit. Het drakenboek is zijn favoriet. De familie zit om mij heen. Een kleiner broertje kijkt en praat mee, maar ook moeder heeft interesse. Vader komt achter mij staan om mee te kijken en zakt door zijn knieën. Een ideale situatie. Iedereen doet mee. Er is een klik met allen. We ruilen wat gegevens uit en spreken een datum af dat we bij de bibliotheek langs gaan. Ook dat kan stimuleren. Een uurtje is zo om. Terwijl de zoon de legohoek in duikt spreek ik nog even met het echtpaar. Ik heb het getroffen en hoop over twintig weken een aantal flinke stappen te hebben gemaakt.

96. Minibieb is altijd open

Enige tijd geleden besloot mijn vrouw om een minibieb te beginnen. Als vrijwilliger in een kringloopwinkel waar regelmatig partijen boeken worden weggegooid omdat ze niet worden verkocht, neemt ze veelvuldig boeken mee die dan hun weg vinden in onze minibieb

Het idee ontstaat als ze elders in het dorp een soortgelijk huisje heeft zien staan. Omdat ik zelf niet één van de handigste ben, zet ze een oproep op Facebook. Er komt slechts één reactie op. Maar juist die ene moet voldoende zijn om haar huisje te verkrijgen. Als na zo’n half jaar blijkt dat degene die heeft aangegeven te helpen zich niets meer van de toezegging kan herinneren, valt haar idee in duigen. Dan op een keer besluiten we eens contact op te nemen met onze ex-buurman. Hij heeft altijd als timmerman gewerkt en voor hem zou het toch een koud kunstje moeten zijn. Hij zegt toe, maar wil graag een voorbeeld zien. Zo gaan we het dorp in en vinden daar onze ‘boekenwoning’. De ex-buurman krijgt het adres door waar we het huisje hebben zien staan, waarop hij met zijn meetlat op pad gaat.

Na verloop van tijd krijgen we een belletje. “Kom eens kijken”, zegt hij. Als we in zijn garage komen, staan er drie van die huisjes. “Ja”, zegt hij, “ik was er aan begonnen, toen kwam de buurvrouw langs, zijn huidige, en zij was er ook wel in geïnteresseerd. Daarna was er nog iemand die het wel zag zitten.” En zo heeft hij ineens een opdracht voor drie minibiebs. Het ziet er geweldig uit en is precies wat mijn vrouw graag wil. Nog wat kleine aanpassingen en dan kan hij worden geplaatst. De schilderkwast komt er nog aan te pas maar daarna hebben we een prachtig huisje.

Als het huisje thuis wordt afgeleverd moet het nog worden afgeschilderd. Eenmaal thuis lak ik het dak nog een keer extra af en maak er de letters MINIBIEB op. Bij de Gamma wordt de paal, de houder en het slotje gekocht en zo kan onze bieb de tuin in.

“Waar zullen we de bieb zetten”, vraag ik mijn vrouw. “In de gemeentetuin tegenover ons huis lijkt me een geschikte plek”, antwoordt ze, “zo kunnen we hem ook nog een beetje in de gaten houden”. Nadat de maker van de bieb een grondboor heeft geregeld wordt op een vrije vrijdagochtend onze minibieb geplaatst. Al snel hebben we bekijks. “Wat is dit nou?” Is de eerste vraag. “Mag dat zo maar?” “Ben je niet bang dat de bieb wordt gesloopt?” Op alle vragen kunnen we een antwoord verzinnen. Het zal gaan lukken. Onze buurvrouw belooft ook nog een oogje in het zeil te houden, nou dan kan het toch helemaal niet meer stuk.

Als de bieb eenmaal zijn plek heeft gekregen loop ik met het idee rond om de minibieb officieel te laten openen. Mijn vrouw is daar geen voorstander van. Het is haar bieb, dus heeft zij daar de zeggenschap over. Dan blijkt al snel dat men wel boeken meeneemt maar niets terugzet. Geen probleem overigens want er zijn in huize Van Meurs genoeg boeken die het huisje kunnen vullen. Ik plak er een sticker op met ‘ruilen en lenen’. Dat is een goed idee. Nu worden er boeken geruild en gewisseld. In de straat zijn ze inmiddels laaiend enthousiast. Regelmatig zien we mensen rommelen in de bieb en nooit is deze meer leeg.

Een verrassende tweet van voormalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Marja, met daarbij een fotootje van onze bieb, geven het ruilen en lenen nog een extra boost. Mensen uit het dorp lezen er van en komen spontaan dozen boeken brengen. “Voor jullie minibieb”, wordt er bij gezegd en de bananendozen met boeken worden het huis in gerold.

Inmiddels is mijn vrouw naast haar eigen baan, bibliothecaresse geworden. Twee tot driemaal in de week vult ze de bieb aan, wisselt wat boeken en kijkt wat men er in heeft bijgezet.

Regelmatig gaat ook ’s avonds het buitenlicht aan als er weer iemand in de bieb staat te ‘rommelen’. Soms worden we ’s ochtends wakker als een krantenbezorger om even over vijven zijn wijk loopt en kijkt of hij nog een leuk boek kan scoren.

We krijgen alleen maar positieve reacties. Soms heeft iemand een boek in de bieb gezien die men nog graag wil lezen, dan blijkt deze net weg. Of we ook aan reserveren doen, vraagt men dan. Deze bieb heeft nooit vakantie kregen we als opmerking. Dat hebben we in de zomermaanden ook gemerkt toen er meer boeken uit gingen dan bij kwamen. Een mevrouw uit de grote stad spreekt haar verbazing uit. Ze heeft er nog nooit van gehoord en is verbaasd dat je zoiets gewoon kunt neerzetten zonder dat er wordt gesloopt. Al met al denken we dat we er een geslaagd project van hebben gemaakt.

Afgelopen week heeft de bieb wel even opgeslagen gestaan. Je weet het niet een verdwaalde vuurpijl zou er zo maar voor kunnen zorgen dat er in Schipluiden even niet gelezen zou kunnen worden. Maar na het opdrogen van het vuurwerk is de bieb weer teruggeplaatst. Wil je weten waar hij staat: aan de Boeier in Schipluiden. Ik wens je veel leesplezier en weet: uithalen en niets terugzetten mag, maar ruilen is eigenlijk de opdracht. 

(Naschrift: deze minibieb is ook terug te vinden op http://www.minibieb.nl)

9. ‘Oma’ van Genderen

Het is woensdagmiddag, Trudie gaat met dochtertjes Miranda van acht en Suze van vijf naar de bibliotheek. Het is voor de familie de wekelijkse ruildag. Als Miranda de uitgelezen boeken op de toonbank legt, ziet ze achter in de hoek van de bibliotheek een oudere vrouw staan. De vrouw twijfelt en zoekt.
“Mama,” zegt Miranda, “wat zoekt die mevrouw?”
Trudie kijkt in de richting van de wijsvinger van Miranda. Voordat Trudie antwoord kan geven, zegt de bibliothecaresse, “die mevrouw zoekt luisterboeken.”
“Luisterboeken”, vraagt Suze, “mama, wat zijn luisterboeken?” Opnieuw mengt de bibliothecaresse zich in het gesprek en legt uit dat dit boeken zijn die voorgelezen worden. De medewerkster heeft kennelijk nooit geleerd te luisteren aan wie de vraag gesteld wordt.
“Ik ga kijken bij die mevrouw,” zegt Miranda, waarop zij aanstalten maakt om er heen te lopen.
“Even wachten,” zegt Trudie, “ik loop mee.”

Met haar dochters loopt Trudie nu in de richting van de vrouw. “Hallo mevrouw,” zegt Suze spontaan, “ik ben Suze.”
De vrouw kijkt naar het meisje en zegt, “wat een mooie naam heb je.”
“Wat zoekt u,” vraagt Suze.
“Ik zoek luisterboeken, mijn ogen zijn slecht en in een boek lezen is voor mij niet meer weggelegd. De lettertjes zijn te klein. En deze boeken worden voorgelezen”
“Maar op school heb je wel boeken met grote letters,” geeft Suze aan.
“Ik denk dat dat plaatjesboeken zijn,” zegt de vrouw.
“Nee, hoor, er staan ook letters in,” antwoordt Suze.
Er ontstaat een leuk gesprek tussen de vrouw, die inmiddels op haar rollator is gaan zitten en Trudie met haar dochters.
“Hoe oud bent u?” vraagt Miranda aan de vrouw.
“Ik ben pas 85 jaar jong,” geeft de vrouw aan.
“Jong” zegt Suze, “dat is hartstikke oud.”
“Wij zijn ook 85 jaar,” zegt Miranda, “ik ben de acht en mijn zusje de vijf.”
De vrouw vindt het leuk.
“Hebt u ook kindjes?” vraagt Suze aan de vrouw.
“Nee,” zegt ze, “ik ben nooit getrouwd en heb geen kinderen.”
“Ook niet leuk,” zegt Miranda, terwijl ze naar haar moeder kijkt.
“En woont u in de buurt?” vraagt Miranda.
“Ja, ik woon in een aanleunwoning bij het bejaardenhuis.”
Suze vraagt aan haar moeder wat een aanleunwoning is. Het gezellige gesprek gaat verder, waarbij er wederzijdse informatie wordt uitgewisseld. Na het gesprek trekt mevrouw Van Genderen, zoals ze heet, een luisterboek uit het schap en loopt naar de balie. Ook Trudie en haar kinderen hebben boeken gevonden en gezamenlijk lopen ze de bibliotheek uit.
“Mama,” zegt Suze, “kan mevrouw Van Genderen geen koffie komen drinken.”
“Ik vind het goed, maar vraag het maar aan haar.”
“Nee, Suze, dat komt me nu niet uit, ik moet naar de breiclub.”
Ze lopen nog een stukje met elkaar op en nemen afscheid.

Terwijl Trudie met haar dochters naar huis wandelt, vindt er een heerlijk gesprek plaats.
“Het lijkt me wel een lieve mevrouw,” zegt Miranda.
“Ik vind haar aardig,” zegt Suze, “jammer dat ze niet meegaat koffiedrinken.”
“Mensen hebben meer te doen,” zegt Trudie.
Terwijl Trudie de sleutel in het slot steekt, wil Suze weten of mevrouw Van Genderen ook een sleutel heeft voor haar huis.
“Ja, natuurlijk,” zegt Trudie. “Een aanleunwoning is net als ons huis een gewoon huis met een deur.”
“Maar bij het bejaardenhuis hebben ze toch van die draaideuren, daar is toch geen sleutel voor nodig?” vraagt Suze weer.
Trudie stelt voor om mevrouw Van Genderen eens op te zoeken, dan worden er een hoop vragen opgelost.

De week erop als Trudie Suze van school is gaan halen komen ze mevrouw Van Genderen weer tegen. Ze loopt langzaam achter haar rollator in de richting van het bejaardenhuis.
“Hey, hey,” roept Suze, “mevrouw Van Genderen, mevrouw Van Genderen.”
Trudie maant Suze.
“Je roept toch niet “hey” tegen een oudere vrouw.”
De vrouw merkte Suze op en zwaaide terug, “Dag Suze, dag Trudie.”
“ Mama kunnen we nu niet even bij haar gaan kijken waar ze woont?”, vraag Suze.
Trudie twijfelt, maar draait haar fiets en rijdt naar de vrouw achter de rollator.
“Hoe gaat het,” vraagt Trudie aan mevrouw.
“Z”n gangetje,” zegt ze terug, “het houdt niet over. Ik ben vaak alleen, en dat vind ik niet leuk.”
“Zullen we met u meegaan, dan bent u niet alleen.”
Het spontane van Suze komt naar boven.
“Je kunt jezelf toch niet uitnodigen,” zegt Trudie tot Suze.
“Nou, ik vind dat best leuk, hoor,” zegt de vrouw.
“Ik moet dan wel even iets regelen voor Miranda,” zegt Trudie, “want die komt alleen naar huis en ik wil niet dat er dan niemand thuis is.”
“Mama ik loop wel met mevrouw Van Genderen mee, fiets jij maar even naar school terug.”
Het lijkt gebiedende wijs, maar Trudie heeft er geen moeite mee als er zo met elkaar wordt gecommuniceerd. Trudie haalt Suze uit het bakje achterop haar fiets, draait om en fietst terug naar school. Suze moet de rollator van mevrouw Van Genderen vasthouden en samen lopen ze druk pratend naar het huis van mevrouw Van Genderen.
Aangekomen bij het huis steekt mevrouw haar sleutel in het slot en gaat naar binnen. Een donkere woning met een balkon die boven de achterramen de zon buiten houdt.
“Wat is het hier donker,” zegt Suze.
“Ik zal het licht even aandoen, dan kunnen we zien wat we zeggen.”
Deze opmerking had Suze nog nooit gehoord, ze trok een grimas en haalt haar schouders op.

Korte tijd later gaat de bel en staan Trudie en Miranda voor de deur.
“Daar zijn we,” zegt Trudie.
Trudie en mevrouw van Genderen raken druk aan de praat, terwijl mevrouw Van Genderen een kopje koffie gaat zetten. Suze en Miranda luisteren waar het over gaat.
Plots vraagt Miranda, “waar zijn nu uw luisterboeken?”
Mevrouw Van Genderen staat op en pakt een Cd. Ze stopt die in de Cd-speler waarop beide meisjes aandachtig luisteren naar wat er werd gezegd.

Na een aantal minuten te hebben geluisterd zegt Miranda, “mama, dit kunnen wij toch ook doen. Dat is voor mevrouw Van Genderen leuker omdat er dan ook iemand komt.”
Trudie kijkt bedenkelijk.
“Ik heb het al zo druk en dan dit er ook nog bij doen.”
“Ah mama, het hoeft toch niet elke dag,” meent Miranda.
“Maar weet je hoelang het dan gaat duren voordat er een boek uit is?” vraagt Trudie aan haar dochters.
Daar hebben ze niet bij stilgestaan.
“Maar we kunnen toch zo af en toe eens gaan om voor te lezen,” sprak één van de dochters.
Trudie moest het laten bezinken voordat ze er “ja” op kon zeggen.
Na de koffie en het glaasje limonade nemen ze afscheid van elkaar en spreken af contact te houden.

Suze, die achterop zit en Miranda, die zelf fietst, kletsen onderweg de hele tijd door.
“Het is net een oma,” zegt Suze.
“Ik vind haar lief,” zegt Miranda.
Ja, mevrouw van Genderen was duidelijk in de smaak gevallen bij de meiden.
“Zou ze ook niet onze oma willen zijn,” zegt Suze.
De oma”s en opa”s van Suze en Miranda leven niet meer.
”Ik weet niet of ze dat leuk vindt,” bemoeit Trudie zich ermee.
“We kunnen het toch vragen,” meent Miranda.

De week erop gaat Miranda brutaalweg uit school bij mevrouw Van Genderen langs. Ze belt aan en deze komt naar de deur. Ze kijkt door het spionnetje in de deur, maar ziet Miranda niet staan. Ze loopt terug terwijl opnieuw de bel gaat. Ze doet nu wel de deur open en ziet Miranda.
“Hallo Miranda,” zegt ze, “wat brengt jou hier?”
“Ik kom vragen of u onze oma, wilt zijn,” zegt Miranda.
“Zo”, zegt mevrouw van Genderen, “dat is nogal wat. Kom maar even binnen.”
Opnieuw vraagt Miranda of ze haar oma wil zijn. Mevrouw van Genderen lacht en begint te glunderen.
“Dit heb ik altijd gewild, kleinkinderen, maar het is er helaas nooit van gekomen. Als mama het goed vindt, dan wil ik dat wel doen.”
Miranda is helemaal in de gloria en fietst met een heerlijk gevoel terug naar huis. Ze smijt haar fiets tegen de muur en holt naar binnen.
“Mama, ik ben bij haar geweest en heb gevraagd of ze onze oma wil zijn en ze heeft ja gezegd en ze vindt het leuk en ze wilde het altijd al”, een stortvloed aan woorden rollen over de lippen van Miranda.
“Rustig, rustig,” zegt Trudie, “begin eens van voor af aan, wat wil je precies zeggen.
” Opnieuw vertelt Miranda welke actie ze heeft ondernomen om mevrouw Van Genderen hun oma te laten worden.
Trudie moet er om lachen, “wat een heerlijke meiden heb ik toch,” denkt ze.

Een week later gaan Trudie, haar man en hun dochters naar mevrouw van Genderen. Een boek onder de arm en wat boeken van Suze bij zich. Aangekomen bij de vrouw kruipt Suze bij “oma” op schoot en leest “oma” voor uit het grote letterboek. Trudie besluit voortaan één avond in de week te komen voorlezen. Het contact tussen de vrouw en het jonge gezin bestaat nog steeds.