281. Vertederend en lief?

Een schrijfopdracht

Ze zit naast me terwijl ik zit te wachten voor mijn medicijnen. Een jaartje of twee, drie is ze. Ik heb ze zien binnenkomen. Ze is er met haar moeder. “Hoi”, zegt ze tegen mij. “Dat is mijn moeder”. Ze wijst met haar kleine wijsvingertje naar de lange blonde vrouw die aan de overkant gaat zitten. De kleine hummel kruipt over de vrijstaande stoelen. “Kom eens zitten, Kristel”, zegt haar moeder. Kristel lacht naar haar moeder maar heeft lak aan de oproep. Ze gaat gewoon verder met waar ze mee bezig is. Haar moeder trekt haar wenkbrauwen op als ze naar haar dochter kijkt. Met haar handen maakt ze een wenkende beweging dat ze bij haar moet komen zitten. Kristel luistert niet en doet gewoon haar eigen zin, maar gaat na nogmaals gevraagd te zijn door haar moeder bij haar op schoot zitten.

Kristel heeft geen rust in het kleine lichaampje. Even later zit ze weer naast mij. “Hoe heet jij”, vraagt ze. Ik weet niet goed of ik wel moet antwoorden of niet. Het valt een ogenblik stil. Dan antwoord ik “Aad”. “Zo heet mijn opa ook”, zegt ze, “opa Aad”. “Hij is ziek”, gaat ze verder. “Kristel kom eens bij mama zitten”, zegt haar moeder op dreigende toon. “Nee”, zegt ze, “ik blijf bij Aad zitten”. Ik heb altijd wat met kinderen, of dat komt omdat ik op 5 december altijd in de rode mantel loop, weet ik niet. Kinderen komen vaak makkelijk naar mij toe voor een praatje.

Het is druk bij de apotheek, ik heb nummertje 121 waar 107 aan de beurt is. Ik zit er nog wel even. “Opa loopt met een stok”, begint Kristel tegen mij. “Heb jij ook een stok?” Ik geef haar te kennen geen stok te hebben. “Hij heeft ook grijs haar”. Ze probeert mij kennelijk te vergelijken met haar grootvader. Dan staat ze op en loopt naar de waterautomaat die in de hal van de apotheek staat. “Kristel, nee!!”, roept haar moeder. Kristel trekt het kraantje open, waardoor het water over de vloer loopt. Nu zijn eindelijk bij haar moeder de rapen gaar. Ze staat op en pakt haar bij de arm. “En nu kom je bij mij zitten”, en ze trekt haar naar een plekje op een van de vrije stoelen. Nou is het janken geblazen bij Kristel. Ze zoekt mij in haar blikken. Het lijkt erop dat ze met haar gezichtsuitdrukking mij haar moeder een standje wil laten geven. Maar daar trap ik niet in.

Nr. 111 verschijnt op het volgscherm. Het schiet niet echt op. Als Kristel haar oogjes heeft drooggeveegd stapt ze opnieuw van haar stoel. “Ben jij ook ziek”, vraagt ze mij. Wat al eerder aan de gang was gebeurt nu weer. Ze doet gewoon waar ze zin in heeft. “Mijn opa wel”, zegt ze. Haar moeder begint haar opnieuw te waarschuwen. “Soms zou je ze achter het behang willen plakken”, zegt haar moeder. Ik begrijp het en probeer geen aandacht te geven aan haar dochter. Dan kruipt ze even later bij mij schoot. Dat gaat me te ver. “Nee Kristel, dat gaan we niet doen”. “Ik vind jou niet aardig”, zegt ze nu. Opeens is het amicale en vriendelijke voorbij. Ze gaat terug naar haar moeder.

Er komt opnieuw een ouder iemand binnen. Een vrouw van een jaar of zeventig. “Hoi”, zegt de kleine hummel, “ik ben Kristel”. De vrouw zegt niks terug en neemt plaats. “Ik ben Kristel”, zegt ze nogmaals terwijl zij haar handen in de zij zet en voor de vrouw gaat staan. Mevrouw zegt niks terug, lacht niet en laat haar gezicht ook niet toe een grimas te trekken. “Ik vind jou stom”, zegt de kleine met grote overtuiging. “Kristel, kom hier”. Nu wordt het menens. Het meisje heeft in de gaten dat ze nu echt moet luisteren.

Nr. 118 is aan de beurt. Ik ben inmiddels ruim een kwartier binnen. Nooit eerder heb ik zo lang moeten wachten. Kristel zit netjes naast haar moeder. De rust is enigszins weergekeerd. De apothekersassistente komt aanlopen met een dweil. Reden voor Kristel om direct weer van haar stoel te schieten. “Kristel!!”, zegt haar moeder. Dat is voldoende om haar te laten weten om te komen zitten. Ze klimt op haar stoel. De tijd tikt rustig door.

Als de assistente terug is achter de balie drukt ze op de knop. “Nr.121”, zegt ze en tegelijk springt ook het nummer op het volgscherm. Ik wandel naar de balie en vraag naar mijn medicijnen. Na wat zoektermen in een bak met plastic zakjes komt de assistente terug. “Wat is uw adres?” vraagt ze. Ik noem het. Dan overhandigt ze mij het medicijnzakje. Als ik mijn nummertje in het bakje op de balie gooi, draai ik me om en wandel naar de uitgang. “Dag opa Aad”, zegt de kleine Kristel. Ze kijkt me vertederend en stralend aan. Hier krijgt haar moeder nog heel wat mee te stellen. Echter waar ik me eerst zat op te vreten, breekt ze nu mijn hart. “Dag Kristel”, antwoord ik en lach naar de kleine dondersteen. Naar mijn auto wandelend bemerk ik dat door zo’n kleintje de tijd wel heel snel is voorbij gegaan.