275. Het kerstdiner

Het is altijd weer een crime. Het is Kerstmis en wie gaan we uitnodigen? Dat is het dit jaar wederom. Oom Chris, die alleen is, hoort er zeker bij. De uitnodiging is al enige dagen weg en hij heeft ook de volgende dag al bevestigd. Tante Doortje en oom Siem moeten zeker ook komen, maar met tante Doortje gaat het niet zo goed. Wat ze heeft weet men niet. Ze bevestigen wel dat ze komen maar maken wel een voorbehoud. Samen met het gezin waar mijn vriend Hans deel van uitmaakt zijn ze met z’n negenen. Vader Henk, moeder Sandra, zoon Hans en vriendin Willeke en zoon John en echtgenote Annemarie en de uitgenodigden. Omdat de tafel slechts plaats biedt aan zes personen moet het bijzettafeltjes van zolder komen.

De moeder van Hans vraagt of hij met haar mee wil gaan om boodschappen te doen. Zij heeft geen rijbewijs dus daar maakt Hans tijd voor. Ze heeft een heel lijstje gemaakt. “Misschien wat veel”, zegt Hans, als hij het lijstje onder ogen krijgt. “Je kunt er beter mee, dan om verlegen zitten”, geeft moeder Sandra mee. Na vier uur winkelen en vijf winkels te hebben bezocht, moeders gaat voor de koopjes, zit de auto tot de achterklep vol. Alles is in een keer ingeslagen.

Het is eerste kerstdag. Om twee uur gaat de bel. Het is oom Chris. Hij is altijd de eerste die binnen is. Sandra staat al vanaf tien uur in de keuken. Ze moppert: “ik heb eigenlijk helemaal niks aan zo’n dag, ik moet alles weer alleen doen”. Als Hans echter aangeeft te willen helpen wordt hij weggestuurd, dus ze moet niet zeuren, vindt Hans.

Oom Chris heeft voor zijn zus Sandra een doos Mon Chéri van Ferrero meegenomen. Sandra houdt hiervan, de likeur die erin zit, die vindt ze ‘machtig’. Overigens is het geen echte verrassing want broer Chris neemt zo’n doos elk jaar mee.

Wanneer even later ook tante Doortje en oom Siem binnenkomen, zien ze aan tante Doortje dat ze moe is. Ze heeft een geelgrauw gezicht en zucht bij elke stap die ze doet. “Ik ben er wel, maar eigenlijk ook niet”, zegt ze.

Na een borreltje en een toast op de feestdagen komt moeder tegen vier uur met een lekker voorafje, chocoladecake met rum. Tante Doortje zucht ze als het bordje voorgeschoteld krijgt. “Ik hoef niet”, zegt ze. Bij Sandra zakt haar mond naar beneden, heeft ze daar nou de hele tijd voor in de keuken gestaan?

Als de groep echt aan tafel gaat, geeft tante Doortje aan dat de kerstboom stinkt. Ze is echt niet lekker want zoiets zegt ze anders nooit. De anderen schenken er verder weinig aandacht aan. Van het hoofdgerecht, in witte wijn gepocheerde varkenshaas met dillesaus, wordt, met uitzondering van tante Doortje, heerlijk gegeten. Dit doet Sandra goed. De complimenten die ze krijgt voor het heerlijke eten doet moeder stralen.

Wanneer het toetje op tafel komt, zakt tante Doortje plots tussen stoel en tafel naar de grond. Er breekt onmiddellijk paniek uit, zeker bij oom Siem. Ze is zelfs even niet aanspreekbaar. Oom Siem wil 112 bellen. Er zijn echter meerdere EHBO-ers in huis die zeggen dat het niet nodig is. “Een flauwte”, zegt John. Maar als ze even later, na bijgekomen te zijn, opnieuw wegzakt wordt toch de ambulance gebeld.

Bij aankomst van de ambulance beginnen de ambulancebroeders direct met hun onderzoeken. Er wordt zelfs een infuus aangebracht. Ze nemen tante Doortje mee naar de spoedeisende. Oom Siem gaat mee. Het gezellige van de kerstdis is direct over. De stemming die al niet optimaal was daalt naar een vriespunt.

Als na enige tijd de mobiel van vader Henk afgaat, ziet hij op zijn display dat het oom Siem is. Hij heeft goed nieuws. Tante Doortje blijkt een hevige galsteenaanval te hebben gehad. Dat is mooi nieuws, niets ernstigs dus. De stemming komt terug en het glas komt op tafel. “We nemen een borrel op de goede afloop van de operatie”, zegt Henk.

Tante Doortje wordt geopereerd en moet nog drie dagen in het ziekenhuis blijven.

Deze kerstviering zou nog lang in herinnering blijven.

262. Als het ambulancepersoneel staakt…….

Het ambulancepersoneel staakt. Ik las het vanmorgen in de krant en dacht terug aan een aantal jaren geleden toen we een ambulance wilde hebben maar er geen kwam voorrijden omdat ook toen de CAO niet rond wilde komen.

Onze banden zijn opgepompt, de zonnebril is uit de koker, onze vrienden staan te wachten. We willen de fietstocht, georganiseerd door de stichting Zomerfeesten Schipluiden, gaan rijden. Het is prachtig weer als onze voeten de pedalen rondtrappen. Eerst nog even naar het feestterrein om de route op te halen en dan op weg. Het is druk bij het inschrijfpunt. Meer Schipluidenaren genieten van het mooie weer en verwachten een heerlijke rit door het Midden-Delflandse.

Dan gaan we op weg. Richting de Albert Heijn, achterdoor naar de voetbalbalvelden. Tussen de voetbal en het golfterrein door richting A4. Bij het afrijden van het talud gaat het mis. Iemand zegt wat tegen mijn vrouw, waarop ze omkijkt, met haar voorwiel van de weg afschiet en valt. “Wat doe je nou?” is mijn eerste reactie. Ik loop naar haar toe en zie hoe ze haar pols vasthoudt. Ik zie ook dat haar hand met een vreemde stand vastzit aan haar pols. Dit is niet goed.

“Een ambulance bellen?”, vraagt een fietser die ons achterop reed. Ik had gelezen dat zij deze zaterdag zouden staken. Wat nu? Onze vriend stelt voor zijn auto te gaan halen. Daar zitten we langs de kant van de weg. Je hebt een EHBO-diploma maar kan eigenlijk niets anders dan praten en aangeven dat ze de pols moet ondersteunen.

Na enige tijd komt onze vriend het talud oprijden. Mijn vrouw stapt bij hem in. Hij brengt haar naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, het Reinier de Graaf. Ik ga op de fiets. Bijna tegelijkertijd komen we aan bij de schuifdeur van de afdeling spoedeisend. We nemen plaats in de wachtruimte en nemen de tijd voor wat komen gaat. Mijn echtgenote krijgt meer pijn.

Dan worden we opgehaald door een zuster. Even later komt er een arts bij. Er zullen foto’s moeten worden genomen, want het ziet er niet goed uit. Zittend op een bed wordt ze meegenomen naar de röntgen. Na verloop van tijd komt ze terug. Het is gecompliceerd gebroken. De pols ligt in 40 stukjes uit elkaar. Dan moeten we terug naar de wachtruimte om even later weer te worden opgeroepen. “Sorry mevrouw we hebben geen bed voor u. Komt u woensdag maar terug.” Ik kan dit niet aanhoren en zonder het te voelen komt de stoom uit mijn oren. “Wat? @&$^^G%#?£¥$*^”. Ik heb het niet meer en zeg haar mee te nemen naar een ander ziekenhuis. Nog ben ik niet uitgeraasd. Weldra is er ineens wel een bed beschikbaar op de maag-, lever-, darmafdeling. Wat maakt dat nou uit waar je ligt. Iemand wegsturen met de boodschap dat ze maar paracetamol moet slikken tegen de pijn met een gecompliceerde polsbreuk. Het getuigt van amateurisme.

Nog diezelfde avond wordt mijn lief geopereerd. “Wat doet u voor werk”, wil de operatiearts weten. Mijn vrouw geeft aan tandartsassistente te zijn. “Dat kunt u wel op uw buik schrijven”, zegt de arts. De organisatie van het zomerfeest is attenter en meelevender. Er wordt een prachtige bos bloemen bezorgd.

Wanneer ik de volgende ochtend naar het ziekenhuis ga, zit mijn vrouw in bed. Ze heeft een hele stellage ingeboord gekregen rondom de pols. Deze stabilisatie moet alles op de plek houden. Het is niet volledig gelukt om alle gebroken botjes weer te lijmen en op hun plaats te krijgen. Ze mag weer mee naar huis om thuis verder te revalideren.

Dat het zo lang revalideren zou worden, was niet in te schatten. Na 90 fysiotherapeutische behandelingen is er geen meerwaarde meer te behalen. Gelukkig geen 9, 14 of 32 behandelingen zoals nu het maximum is.

Intussen is de buurt ingesprongen. Naaste buur komt de badkamer soppen in ruil voor een kopje koffie. Overbuurvrouw doet de strijk. Een buurvrouw uit de straat, verpleegkundige en net met zwangerschapsverlof, komt elke ochtend de wonden verzorgen. Pennen van de stellage en het vlees rondom de pols mogen niet aan elkaar groeien. Weer een andere buurvrouw neemt de ramen voor haar rekening. Er is hulp, niet van Careyn, waar je jarenlang lid van bent, maar juist die broodnodige buren.

Na verloop van tijd gaat mijn lief weer werken. Eerst op therapeutische basis, later weer volledig. De eerste tijd wordt ze opgehaald door de vrouw van haar werkgever. Later gaat ze zelf weer op het fietsie. Met de tandarts, haar werkgever, maakt ze afspraken wat ze nog wel kan en niet wat ze niet meer kan. Het is bespreekbaar.

Nog altijd heeft ze een beperking, zij het een lichte. Als je het niet weet zie je het niet. Er valt goed mee te leven.

Zo kwam er weer een verhaal tot stand omdat het ambulancepersoneel hun CAO niet rond konden krijgen.

85. De griepprik

Van de week lag de enveloppe op de mat. De enveloppe met als afzender, mijn huisarts. Voordat ik hem open weet ik eigenlijk al wat de inhoud is. Een vrijblijvende oproep om gratis de griepvaccinatie te komen halen. Ik hoor, zoals de brief schrijft, tot de risicogroepen. Ik heb dit altijd betwijfeld, maar nooit echt uitgesproken.

Een aantal jaren geleden, mijn jongens woonden nog thuis, zaten we op tweede kerstdag, zoals gebruikelijk, een spelletje Monopoly te spelen. En zoals zo vaak kon ik dat niet winnen. Ik kan tegen mijn verlies, maar heb er wel de pest over in als de oudste, met zijn bètabrein, al lang en breed berekend heeft hoe hij mij een hak kan zetten als hij de Kalverstraat net voor mijn neus heeft weggekaapt. Vrij snel eist de bank mijn tegoeden op en moet ik het spel verlaten. Als ik van de speeltafel wegloop en naar bank wil verhuizen, schiet er iets door mijn lichaam. Wat? Ik weet het niet. Ik begin ontzettend te zweten en heb pijn op mijn borst. Ik heb het even niet meer.

Mijn vrouw geeft het advies om even naar buiten te gaan en wat frisse lucht te gaan happen. “Neem je telefoon mee, als er dan wat gebeurd kan je bellen”. Zo gaat het ook. Een goed advies? Denk het niet.

Bij terugkomst echter voel ik me nog steeds niet goed. Ik snak naar adem en heb hulp nodig. “Toch niet op de tweede kerstdag”, hoorde ik zeggen. Ik sloeg het in de wind en belde mijn huisarts. “Blijf zitten, ik kom er met spoed aan”, gaf de andere kant van de lijn aan, nadat hij mij had uitgevraagd.

Een kwartier later is hij aanwezig. Ik word onderzocht, krijg een spray onder mijn tong en hoor de arts bellen met 112. Nee toch? Maar hij was zeer zeker van zichzelf. Dit wordt ziekenhuiswerk. Het ergste werd vermoed. Het hart? Intensive care? Gelukkig constateerde men dat het dat niet was, maar dat ik een grindpad aan stenen in mijn galblaas had zitten, waar ik later van ben bevrijd.

Sinds die tijd hoor ik tot de risicogroep. Ik heb steeds gedacht dat het halen van de griepprik een beschermende factor is. Je krijgt er geen griep van, dacht ik altijd. Tot tweemaal echter werd ik door de griep gepakt en lag ik in bed.

Nu heb ik besloten om het een jaar zonder te doen. Volgens mij betekent het woord risicogroep dat je het risico loopt om juist griep te krijgen in plaats van dat het wordt voorkomen. Het is gratis, maar niet alles wat gratis is ook goed. Ik laat mijn beurt deze keer voorbijgaan.