402. Een verhaal met een donker randje

85 jaar is ze, vertelt ze me. Ik neem haar mee in de MUS, het vervoersproject in Midden-Delfland. Om 14:15 uur moet ik haar ophalen bij haar woning. Ze gaat naar het ziekenhuis voor haar ogen. Ik krijg een indringend verhaal van haar te horen.

Wanneer ik de straat in rijd waar mevrouw woont ben ik aan de vroege kant. Nog even neem ik de kans waar om een andere bewoner te ontmoeten en doe er wat zaken mee. Strikt om 14:15 uur bel ik bij mevrouw aan. Ze woont op de derde galerij. “Kom er aan hoor”, roept ze door het luidsprekertje dat bij het huis is bevestigd. Ik hoef niet te zeggen wie ik ben.

Even later komt er een kleine vrouw achter een rollator naar me toe. Ze heeft een zonnebril op. “Goedemiddag”, zegt ze, “mag mijn rollator ook mee.” “Natuurlijk mevrouw”, geef ik haar te kennen. “Zeg maar Geertje* hoor, mevrouw vind ik zo’n deftig woord.” Ik help Geertje de MUS is. Omdat ze klein van stuk is, schuif ik een hulptrede uit. Nu komt ze makkelijker in het voertuig. Nog even ben ik aan ’t wurmen om de rollator achterin te krijgen. Elke rollator is verschillend, het is steeds een puzzel om die dingen ingeklapt te krijgen.

Ik maak mevrouw vast met de gordel. Deze zit van binnen naar buiten, anders dus dan bij een auto. Ik moet dan ook altijd even over mijn passagier heen. “Ben je bang dat ik wegloop”, zegt mevrouw met een lachend gezicht.

Ik stap aan de andere kant in en vervolg mijn rit richting ziekenhuis. “U heeft een bekend gezicht”, zegt mevrouw tijdens de rit, “maar ik kan u niet thuisbrengen.” Ik help mevrouw uit de droom en vertel wie ik ben. Dan komt de herkenning en weet ze waar ik geboren en opgegroeid ben. “U lijkt op uw vader”, zegt ze.

Ik vraag haar of ze eerder met de MUS is meegereden. “Ja hoor”, zegt ze, “al twee keer. Ik vind het een ideale uitvinding.”

Bij het ziekenhuis aangekomen help ik mevrouw uit mijn karretje, en geef haar de rollator aan. Ik geef haar een kaartje mee met daarop mijn rechtstreeks telefoonnummer voor de terugreis en wens haar succes. Ik rijd hierop terug naar huis en wacht.

Om kwart voor vijf krijg ik een belletje van de receptie van het ziekenhuis. “Mevrouw X is klaar en wil graag opgehaald worden.” Ik geef haar aan dat ik met vijf minuten bij het ziekenhuis ben.

Ik ga opnieuw op weg. Bij het ziekenhuis aangekomen zie ik mevrouw aan komen lopen. Ze heeft een man achter haar aan lopen. Eind veertig, begin vijftig. Het is een keurig geklede man met in zijn ene hand een aktetas. Hij loopt de vrouw voorbij en komt op mij af. “Goeiemiddag, wat leuk u te zien”, zegt hij. Ik ken de man niet. Nou laat mijn geheugen me weleens in de steek, zeker met de herkenbaarheid van mensen. Maar deze man ken ik echt niet of kan hem niet thuisbrengen. Mevrouw komt naar me toelopen. “Dit is Diederik*”, zegt ze, “mijn jongste zoon.”

“Ga jij vast naar mijn huis, ik kom er zo aan.”, geeft ze de man aan. De man loopt van me weg en geeft mij opnieuw een hand. Wanneer ik mevrouw in de MUS heb geholpen en ik de deur dicht wil doen begint mevrouw tegen me te praten. “Ken je hem niet meer”, zegt ze. “Ik zou het niet weten”, geef ik aan. Ik ken al haar zoons en ze heeft er zeven. Ze begint het gesprek. Ik zak door mijn hurken, houd me vast aan de deuropening en luister. “Hij heeft de ziekte dementie”, zegt mevrouw, “al vanaf zijn 39e.”  “Hij woont in Amersfoort met zijn gezin en komt met de trein naar hier. Zijn vrouw zet hem op de trein. Bij het station in Delft huurt hij een fiets en rijdt dan naar het ziekenhuis.” Ik schrik er van. Nu weet ik opeens wie het is. Maar wat is hij veranderd. Ooit werkte ik met hem samen en nu herken ik hem niet meer. “Hij praat kindertaal”, zegt de vrouw. “Hij wil altijd mee naar het ziekenhuis”, zegt ze, “maar ik heb liever dat hij thuis blijft. Hij stelt soms kinderlijke vragen aan de arts, waarop ik uit moet leggen dat hij ziek is in zijn hoofd.” “Hoe komt hij uit Amersfoort hier naar toe”, vraag ik haar. “Dat doet hij met zijn telefoon. Zijn telefoon is zijn richting aangever. Hij heeft een universitaire opleiding gedaan, er is niets meer van hem over. Ja, het kinderlijke. Ik heb daar zorgen over.”

Ik ken het gezin nog van vroeger. Weet wie haar man is en zeg haar hoe hij in mijn herinnering zit. “Prachtig”, zegt ze, “wat leuk dat u hem nog zo kan beschrijven.” Ze geeft aan dat hij inmiddels vijf jaar ‘weg’ is. Overleden. “En weet u, een half jaar eerder is er ook een zoon gestorven. Hij had dezelfde naam als zijn vader.”

Inmiddels ben ik ingestapt en op weg naar haar woning. “Het geloof heeft me er doorheen geholpen”, zegt ze. “Gelooft U?”, vraagt ze. Ik geef aan dat ik niet meer kerk, wel geloof en zo regelmatig een gebedje doe. ’s Avonds in bed. “Fijn”, zegt ze, “daar heb je houvast aan.”

De rit gaat snel en voor ik het weet ben ik aanbeland bij haar huis. Haar zoon staat haar op te wachten. “Goeiemiddag”, zegt hij, “wat leuk u te zien.” Hij steekt opnieuw zijn hand uit. “Kom mam dan drinken we een kopje thee.”

Hij neemt haar aan de arm en samen lopen ze naar binnen. “Dag meneertje”, zegt hij, draait zich om en zwaait nog een keer. Ontroerend.

* zijn gefingeerde namen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.