186. Nieuwe bezems vegen schoon maar oude bezems kennen de hoekjes

Schreef ik in een eerdere blog over mijn werk als vakantiekracht bij de vuilophaaldienst in 1967, deze keer gaat het over de veegploeg. Na een weekje met vuilniszakken te hebben gesjouwd werd ik toe gewezen aan Willem van de veegploeg. Willem is een fictieve naam, waarom dat leest u in het vervolg van deze blog.

Op maandagochtend is het in mijn vakantie al vroeg dag. Al om kwart over zeven rijd ik in de regen richting de stort in Delft. Het zou later op de dag mooier weer worden. Ik moet om acht uur beginnen. Vandaar uit rijden we met een soort bakfiets de wijken in om langs de stoepranden te vegen. Niks met een veegwagen, gewoon handmatig, met bezem en schop. Verder moest erop worden toegezien dat daar waar de vuilniswagen langs was geweest en er was gemorst, ook deze troep werd op geruimd.

Met ‘Willem’, Timo, ook een vakantiekracht, en ik rijden we richting TU-wijk. Al zittend op het spatbord van de bakfiets krijgen we van Willem een lift naar de plek waar moet worden geveegd.

Aangekomen op de Professor Schoemakerstraat stappen wij beiden af en krijgen een gloednieuwe bezem in handen. Dan komt het echte werk. “Een goede pak van de steel is belangrijk”, zegt Willem. “Ik weet zeker dat je vanavond blaren op je handen hebt”, geeft hij nog even mee. De één neemt de linkerkant van de weg, de ander de rechter. Zo vegen we gelijk op naar de hoek van de straat. Willem neemt het ervan en praat met mensen uit de buurt en zorgt ervoor dat de bakfiets mee gaat. Hij komt hier al een jaar of vijftien, zestien en kent iedereen. Dat heeft ook een voordeel want dan heb je altijd koffie op de ochtend. Soms mag je binnenkomen, anderen serveren het op een bankje dat buiten staat en bij weer anderen ga je even op de bloembak zitten. Zo ook die ochtend. Het wordt een drukke koffieochtend.

Als we wederom een kopje koffie krijgen toebedeeld, schrikt Willem en als door een wesp gestoken vliegt hij direct overeind. Hij pakt een bezem en begint als een malle te vegen. Wij kijken ervan op en vragen wat er opeens aan de hand is. Dan blijkt dat er een ‘inspecteur’ door de straat is gereden. Vanuit een ooghoek heeft Willem hem gezien. En op inspecteurs heeft Willem het niet zo. Zij kijken toe of er wel gewerkt wordt en controleren de stoepranden. Als Willem werkt, dan moeten ook wij weer snel aan de gang. De mevrouw waar we koffie van hebben gekregen doet haar koekdoos weer dicht. Daar is geen tijd voor. Een inspecteur die éénmaal in de buurt is, is zo nog maar niet weg.

Wanneer we op de hoek van de straat een flink hoopje hebben gemaakt komt de schop erbij. Een grote vierkante schop die je strak tegen de stoeprand kan zetten. Dan is het een kwestie van met je ene hand vegen en met de andere de schop tegen de bezem drukken. Dat valt om de dooie dood nog niet mee. Intussen is Willem de bosjes even ingedoken en haalt met een grijper het ingewaaide papier en de blikjes uit de bosschage. Nu weet ik ook waarom de mannen van de reiniging van die dikke Manchester werkpakken aan hebben. Ze kunnen makkelijk tussen de stekelige heesters in lopen. Zo rijden/lopen we straat na straat af. Aan het eind van de dag heb ik inderdaad een zere plek aan mijn rechterhand, precies in de hoek waar duim en wijsvinger hun aanhechting vinden. Willem had ervoor gewaarschuwd, maar vegen blijkt ook een vak apart.

Zo doen we dat ook op dinsdag. Een stralende dag wacht ons op en de jas kan op de bakfiets blijven. Aan ons shirtje en in korte broek kunnen we heerlijk genieten van het mooie zomerse weer. Opnieuw is koffiedrinken net zo belangrijk als vegen. In tijdspanne lopen deze bezigheden gelijk met elkaar op is mijn inschatting. Wel kijkt Willem regelmatig om zich heen of hij geen inspecteur ziet fietsen. Aan de Kloosterkade woont er één, weet Willem. Daar is geen tijd voor koffie en is het doorwerken geblazen. Is de inspecteur niet in de buurt, dan kijkt zijn vrouw wel stiekem uit het bovenraam.

Op donderdag rijden we via de Kanaalweg naar de Rotterdamseweg. De kleine straatjes die hiermee zijn verbonden, kende ik niet. Ik was daar nooit eerder geweest. Daar gingen we met een grove bezem door de straat. Hier woonden geen ‘Toppers’, had Willem aangegeven en dus mocht het wel een beetje minder.

In de loop van de middag komen we aan op de Julianalaan. Grote huizen waar professoren wonen, vertelt Willem. Bij één van de huizen wordt de bakfiets aan de kant gezet. Als mevrouw ons in de straat heeft gezien, gaat de deur al op een kier. “Hier doen we effe een bakkie binnen”, zegt Willem. Mevrouw is in mijn ogen een deftige, welgestelde tante van middelbare leeftijd. Het zou zo maar een vrouw van een professor kunnen zijn. Een beetje de leeftijd van Willem. Ze had ook onze moeder kunnen zijn. Aan de grote tafel komt een theeservies op tafel. Grote, Engelse, gebloemde kopjes. Een doosje met theezakjes wordt voorgeschoteld, waardoor je kan kiezen welke theesoort je wil drinken. Thuis ben ik dat niet gewend. Er wordt losse thee in de pot gegooid en met een zeefje wordt er uitgeschonken. Ook voor het tweede kopje wordt wederom gebruik gemaakt van hetzelfde goedje. De thee wordt gewoon wat langer getrokken, dan is het vocht ook bruin.

Na enige tijd geeft Willem aan dat het voor ons tijd wordt om weer aan het werk te gaan. Waaraan we natuurlijk voldoen. Hij is immers de baas van de bakfiets. Willem blijft nog even achter want hij moet nog wat met mevrouw afrekenen. Ik begrijp hem niet, moeten we betalen voor de thee? Eenmaal buiten zien we dat de gordijnen boven worden dicht geschoven. Niets vermoedend vegen wij de straat verder schoon. Na zo’n twintig minuten komt Willem weer naar buiten. “Hier mag je nooit over praten hoor”, beveelt hij ons. Het gaat toch alleen om even iets met mevrouw af te rekenen? Als ik er meer van wil weten, gebiedt Willem om er over te zwijgen. Nog éénmaal begin ik er over met Willem, maar het naadje van de kous heb ik nooit van hem gehoord. Het zijn dus vermoedens wat Willem achter die gordijnen deed.

Het werd die vrijdag een aparte laatste dag met Willem. Ik liep de hele dag met vraagtekens maar durfde het hem niet te vragen.

Het is inmiddels bijna vijftig jaar geleden. Ik mocht er nooit met iemand over praten, schrijven had hij mij niet verboden. Vandaar dat ik met een gerust gevoel mijn verhaal kan doen. Willem is er niet meer, al lang geleden heb ik zijn overlijdensadvertentie in de krant gezien. Hoe het met mevrouw verder is gegaan heb ik niet kunnen achterhalen. Ze reed, denk ik, een scheve schaats en Willem ook, maar kennelijk kan je met twee scheve schaatsen elkaar nog best recht in de ogen kijken. En dat deed hij naar mijn idee elke week.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.